Chapter 3
Ik keek hem na. Wat zou ik doen? Ik had wel een spaarpot en ik zelf was er baas over. Iedere week kreeg ik er van vader een schelling in. Maar vader wist hoeveel er in was en ik spaarde voor een Fransch woordenboek. Toen ik thuis kwam was ik niet erg op mijn gemak. Ik was mijzelf overal in den weg en hoewel ik anders onbeschroomd naar boven ging, waar mijn boeken en mijn spaarpot stonden, nu durfde ik het niet wagen uit vrees, dat moeder vragen zou wat ik boven moest gaan doen. Ik wachtte daarom tot moeder uit de kamer ging en vloog toen naar boven, maakte mijn spaarpot leeg, gooide hem uit het raam en klom weer naar beneden, maar met een kloppend hart.
Een uur later ging ik de straat op. Ik was erg ongerust. Ik had een gevoel, alsof iedereen aan mijn gezicht zou kunnen zien, dat ik iets gedaan had dat niet goed was.
"Wat ben je toch een domme jongen, George," zei ik tot mijzelf. "Als vader vraagt: 'Waar is de spaarpot?' dan ga ik hem zoogenaamd halen; ik zal zoeken en eindelijk naar beneden gaan en zeggen, dat hij gestolen moet zijn. Daarom heb ik hem weggegooid!"
Zoo beproefde ik mijzelf gerust te stellen en eindelijk kwam ik voor het huis van den schrijnwerker. Jacques stond me al op te wachten en het eerste wat hij vroeg, was: "Wel, heb je geld?"
Ik zei van ja en een kwartiertje later zaten we te dobbelen. Ik was bijzonder gelukkig. In plaats van te verliezen won ik twee schellingen en toen ik naar huis ging vond ik mijzelf dwaas, dat ik mijn spaarpot weggegooid had. Als ik hem nu nog gehad had, had ik er weer alles in kunnen doen. De twee schellingen, die ik gewonnen had, zouden dan kunnen dienen om nog eens te gaan dobbelen,--ja, wat nu?
Maar wat wilde het toeval? Ik kwam voorbij een winkel en daar lagen juist zulke spaarpotten als ik er een weggegooid had. Er was geen haartje verschil in. Juist zoo groot, dezelfde kleur van hout, alles hetzelfde behalve dat er geen groote G op stond.
Vader kon met een pennemes mooie letters in hout snijden en voor mijn zusters en mij had hij op onze spaarpotten de eerste letters van onzen voornaam gesneden.
Goede raad was duur; wat zou ik doen?
Eindelijk besloot ik den winkel in te gaan en zulk een spaarpot te koopen.
Zonder te vragen: "Hoeveel kost die spaarpot?" zei ik: "Och, geef mij dien spaarpot eens!"
"Asjeblief," zei de winkelier, zette er een op de toonbank en vervolgde: "veertien stuivers!"
Daar stond ik gekke jongen nu. Afdingen durfde ik niet en den winkel uitgaan zonder koopen durfde ik ook niet. Ik haalde dus drie schellingen voor den dag, legde ze op de toonbank en.... kreeg twee en dertig duiten terug. Dat was eene leelijke geschiedenis. Ik meende voortaan van mijn winst te zullen kunnen spelen en nu moest ik toch mijn toevlucht tot mijn spaargeld nemen. Ja, ik had daarenboven nog twee stuivers minder dan toen ik heenging.
Zoodra ik thuis gekomen was bracht ik mijn boeken boven, zette den nieuwen spaarpot naast dien van mijn zusters en, ja, precies eender van kleur en gedaante, maar wat korter in de lengte en breedte en wat langer in de hoogte. Ze waren alle drie even groot geweest.
Maar dat zou vader zoo gauw niet zien, en moeder keek er nooit naar.
Als ik er nu maar die G op krijgen kon.
Een scherp mes had ik niet. Vaders pennemes lag beneden in een lade. Als moeder maar eens wegging!
Klingeling---klingeling!
Ha, tweemaal gescheld! Dat was de melkboer.
Ze ging heen en nog was ze niet aan de buitendeur of ik was met vaders pennemes naar boven.
Nu aan het snijden.
Eerst teekende ik met pootlood een G. Flink maar! Hè, het zweet liep me langs het voorhoofd.
Eindelijk was de letter klaar, wel niet zoo mooi, als die van vader, maar.... wacht, als ik die van mijn zuster er naast hield, dan kon ik toch zien, of ze veel verschilden met die van mij. Ik greep den spaarpot van Mina en daar stond een M op.
Zou ik mij vergist hebben, dacht ik en greep naar dien van Kato. Al zijn leven! Daarop stond een K.
Wat was ik dom geweest! In plaats van een schrijfletter had ik een drukletter gesneden. Ik had een G gezet en het moest een G zijn.
Ja, er viel niets aan te doen dan van de G een G te maken. Had ik die G maar niet heelemaal afgewerkt, dan kon er uit het bovenstuk precies een _G_ en nu zat ik met dien leelijken, langen staart. In vrede, dan maar een héél groote G. Vader zou niet kunnen zien, dat ik het gedaan had; want.... Knak.... juist bij het dikke, onderste streepje brak mijn mes.
Kon er iemand ongelukkiger zijn dan ik?
"Wat voer je toch daar boven uit, George?" vroeg moeder.
"Ik leer mijn les, moeder," riep ik, maar ik voelde, dat ik bij die leugen tot achter de ooren rood werd.
"Die kun je straks wel leeren. Kom nu even naar beneden en ga eens naar den kruidenier om rijst, gauw!"
Alle ongelukken opeens!
In mijn angst wist ik niet wat ik deed. Ik raapte de houtsnippers op, zette den half versneden spaarpot weg, stak het gebroken pennemes in den zak en ging naar beneden.
"Een pond," zei moeder, die me stond op te wachten, en toen ik bleef staan, zei ze: "Nu, waar wacht je op?"
"Op een flesch, moeder!"
"Op een flesch, dwaze jongen? Wanneer heb je een pond rijst in een flesch gehaald?"
"O ja," zei ik, "het is waar, ik moet om rijst bij Wierhoeve op het hoekje, hé?"
Wierhoeve was een smid, moet je weten.
"Maar jongen, wat scheelt er toch aan? Rijst in een flesch bij den smid halen!--Zeg eens, George, heb je daar boven ook kwaad gedaan?"
Mijn gelaat werd als vuur zoo rood; maar toch zei ik driestweg: "Neen, moeder, ik heb mijn les geleerd!"
"Goed, ga dan maar heen!" zei ze.
Ik ging, maar met den grootsten angst van de wereld en toen ik weer thuis kwam was ik al in mijn schik, dat ze weer niet begon te vragen.
Intusschen was het donker geworden, het licht werd opgestoken en ik begon mijn les te leeren. Maar daar kwam niemendal van in. De letters dansten op het papier en toen vader thuis kwam begon mijn hart zoo fel te kloppen, dat ik er raar van werd.
Als hij zijn pennemes maar niet noodig had.
"Vader," zei moeder, toen ze in de kamer kwam, "ik moet je eens wat zeggen. Kom eens even hier!"
Vader stond op en ging met moeder in de gang.
Ik voelde dat ze het daar achter de deur over mij hadden en ik begon nog akeliger te worden.
Eindelijk kwamen ze binnen. Geen woord werd gesproken en een oogenblik later begon moeder de boterhammen te snijden. Hoe ik die boterhammen binnen gekregen heb, weet ik nog niet. Het was maar, alsof er groote brokken in mijn keel bleven zitten.
Ondertusschen was het maal afgeloopen en ik wilde naar bed gaan.
"Je moet eens even blijven zitten, George!" zei vader.
Moeder en mijn zusters gingen heen en ik.... ik begon hardop te schreien.
"Beter berouw te hebben dan nog meer kwaad te doen, George! Vertel eens eerlijk, wat is er gebeurd?" vroeg vader en zette den spaarpot op de tafel.
Moeder had hem gehaald toen ik naar den winkel was.
Ik keek vader even aan en toen ik ook tranen in zijn oogen zag, neen, toen kon ik mij niet langer inhouden. Ik begon krampachtig te snikken en greep vaders hand.
"Je zult je ziek maken, George," sprak vader. "Vertel maar eerlijk wat je met je spaarpot gedaan hebt, hoe je aan dezen komt en waar de twaalf schellingen gebleven zijn! Je ziet, ik weet al veel!"
Ja, vader wist veel en daarom--neen, liegen kon ik niet, ik vertelde hem alles, en legde ten slotte elf schellingen en twee en dertig duiten op de tafel.
"Je bent nog niet slim genoeg om kwaad te doen, George! Je moet het eerst nog wat leeren, en daar je dat niet hier in huis of bij monsieur Gozewinus leeren kunt, raad ik je aan, les te gaan nemen bij je vriend Jacques! Die jongen zal een kerel van je maken! Nacht, George!"
Vader stak de hand uit en ik drukte ze vurig.
Ik ging naar bed en.... o, ik heb nooit onzen Lieven Heer zoo gebeden, als toen! Ik heb Hem nooit zoo voor zulk een goeden vader gedankt, als op dien avond.
Den volgenden dag bekeek ik mijn nieuwen vriend Jacques met een paar andere oogen dan vóór dien tijd, en toen ik hem zei, dat ik niemendal met hem meer te doen wilde hebben, gaf hij mij een harden stomp voor den neus, zoodat deze begon te bloeden.
Dat zag monsieur Gozewinus en ik werd bij hem geroepen om te vertellen wat er gebeurd was. Ik aarzelde, maar toen ik zag, dat ik daardoor op het punt stond voor een ander straf te krijgen, vertelde ik hem alles.
"Kom eens hier, Jacques!" beval monsieur.
"Blijven zitten, Jacques!" riep Henri uit de andere klasse zijn broer toe en deze verroerde zich niet.
"Kom eens hier, Jacques!" beval monsieur nogmaals.
"Niet doen, hoor!" riep Henri weer en Jacques deed het ook niet.
Toen werd monsieur driftig en ging op Jacques af, maar Henri sprong uit de bank en liep met een groote lei naar zijn broer, en monsieur brutaal aanziende, schreeuwde hij: "Blijf af!"
Wij zaten op onze plaatsen van angst te rillen en te beven.
Zoo iets was er nog nooit op school gebeurd, en, al fopten we den ouden man ook wel eens, toch hielden we veel van hem en, zoo waar, de heele klasse stond gereed partij voor monsieur te trekken. Maar het was gelukkig niet noodig. Met een kracht, waarover we verbaasd stonden, pakte hij den flink opgegroeiden Henri bij den kraag en Jacques bij den arm en bracht beiden, als twee kleine ondeugende kinderen, in een hoekje bij den schoorsteen.
"Vanmiddag blijven zitten, kwajongens," zei hij en begon toen weer aan het werk, alsof er niets gebeurd was.
Ik kan je niet zeggen welk een indruk dat op ons maakte. Nog nooit hadden we geweten, dat die oude man nog zooveel kracht had. Van dien dag af had hij ons geheel in zijn macht. We waren bang voor hem, als we kwaad gedaan hadden, en we hadden hem nog even lief als vroeger.
Zoodra we uit school waren sloot monsieur de deur en liet de jongens staan zonder iets anders te zeggen dan: "Over een half uur kom ik terug en dan zal ik eens zien of het harde kopje wat zachter geworden is!"
Ja, monsieur Gozewinus wist wel welk vleesch hij in de kuip had en daarom sloot hij de deur; maar, dat het zulk vleesch was, neen, dat had hij niet vermoed.
Nauwelijks toch was monsieur de deur uit of ze klommen het raam uit. Nu waren ze in monsieurs tuintje. Maar hoe er uit te komen?
"Wacht," zei Henri, "hier achter deze heining maar!"
Beide jongens kropen weg en hielden zich doodstil.
Eindelijk hoorden ze het schelpzand kraken en met den sleutel in de hand trad monsieur naar de school. De sleutel ging in het sleutelgat en de twee kwajongens hadden moeite om niet in een hard gelach uit te barsten. Daar ging de deur open en, snel als de wind liep Henri er heen, haalde den sleutel er uit, deed de deur op slot en.... monsieur Gozewinus zat gevangen.
"Wie brutaal is, wint de halve wereld," zei Henri en nam Jacques mee naar de achterdeur van monsieurs tuin.
"Wat moet jelui?" vroeg de meid.
"Hier heb je den sleutel van de school; monsieur zei, dat we dien aan jou moesten geven en je moet ons door de voordeur uitlaten!"
De meid begreep er niets van, maar deed de voordeur voor hen open.
We waren op onzen gewonen tijd in school en vonden monsieur erg afgetrokken.
De plaatsen van Jacques en Henri bleven onbezet.
"Waar zijn Jacques en Henri, monsieur?" vroeg ik.
"Den weg op naar de gevangenis, mannetje," was het antwoord, dat ik niet begreep.
Als een loopend vuurtje ging het nu door de school, dat ze nu allebei naar de gevangenis waren, en het zou wel waar zijn, als monsieur zelf het zei.
"Vraag eens hoe lang ze moeten blijven zitten?" fluisterde een jongen me in het oor. Ik deed het en nu was het de beurt van monsieur om vreemd op te zien.
"Hoe kom jelui daaraan, jongens? Wie heeft je gezegd, dat Henri en Jacques in de gevangenis zijn?"
"Uzelf monsieur!" antwoordde ik.
"Wat? Ik? Ik heb dat niet gezegd, manneke! Ik heb gezegd, dat ze op weg naar de gevangenis zijn en daarmee bedoel ik: als ze zoo voortgaan, dan zal er niet veel uit die twee groeien, en het kon best gebeuren, dat ze nog in de gevangenis kwamen ook!"
Nu begrepen wij het, en we twijfelden ook geen oogenblik of monsieur sprak waarheid. Ik althans twijfelde er geheel niet aan; ik was nog niet vergeten wat er den vorigen dag met me geschied was.
Toen ik thuis kwam, vertelde ik vader en moeder wat er dien dag op school gebeurd was.
"Zoo," zei vader, "dat jongetje zal het ver brengen!"
"Jawel, vader, maar er zijn er twee!"
"Dat weet ik wel, maar ik bedoel nu dien Jacques, je vriend, weet je!"
"Hij is mijn vriend niet meer, vader, dat weet u ook wel!"
"Ik hoop het, jongen, ik hoop het!"
Gelukkig is vaders hoop niet vergeefsch geweest. Ik had aan dat ééne lesje genoeg.
En wil je weten wat er met die twee gebeurd is? Ze hebben het leven van hun vader verkort, zijn geld verkwist en hun arme moeder vergeten. Henri kwam op het schavot, en Jacques is in de gevangenis gestorven.
De kinderen hadden van het begin tot het einde aandachtig geluisterd en wilden weer heengaan toen het zoontje van den dokter zei: "Maar, meneer, u zei zooeven, dat het met die twee kennissen van u niet veel beter en misschien nog wel erger afgeloopen is dan met Govert de Plinte!"
"Dat heb ik ook gezegd, Herman! Maar wat zou dat?"
"Wel, met dien Govert is het bij lange na zoo erg niet afgeloopen als met die twee."
"Dat is zoo! Het is nog zoo erg niet; maar wat niet is, kan worden. En dat wil ik jelui nog zeggen: een deugnieten-grapje kan er nog mee door, maar herinner je altijd het versje:
Och, bedenk het, jongensstreken Worden licht'lijk mansgebreken."
HOE FRANS DOOR DE WERELD KWAM.
"Frans, Frans!"
"Ja, moeder, ik kom!"
Frans, die op een heel klein zolderkamertje op een oude viool zat te krassen, kwam langs een oude, vermolmde trap naar beneden.
Als ik nu zei, dat het er in de kamer beneden plezierig uitzag, dan zou ik onwaarheid spreken. Een kamer was het eigenlijk niet. Het was een groot vierkant vertrek met witte muren en een steenen vloer. Het was zeer laag van verdieping en in een hoek stonden stoelen en tafels, stoven, doofpot, tang, kolenbak en nog veel meer, erg verward door elkander. De roode steenen vloer geleek veel op een modderzee, te midden waarvan moeder stond met een bezem in de eene, een dweil in de andere hand en een emmer water aan de voeten.
Het was Zaterdag, weet je, en de weduwe Jacobsen moest zorgen, dat tegen den Zondag haar huisje schoon was.
Vrouw Jacobsen zag er in haar werkpakje niet al te helder en schoon uit, en haar zoontje Frans, die aan het Zaterdag houden niet meedeed, maar de natte wereld op den zolder ontvlucht was, droeg ook al geen prachtige kleeren. Maar toch, die kleeren mochten lap op lap staan, zindelijk waren ze, en dat moeder er nog een handdoek en een kam op nahield, dat kon men Frans best aanzien; want zijn haren zaten netjes en zijn rond gelaat zag er zoo frisch en schoon uit, dat men er met plezier naar keek.
Toen Frans beneden kwam, bleef hij op den dorpel staan en zei: "Wat is het, moeder?"
"Buurman is zooeven aan de deur geweest!"
"Die nieuwe, moeder, met dien grooten bril op zijn nog veel grooteren neus?"
"Ja, Frans!"
"En wat moest die hebben, moeder?"
"Hij vroeg of je niet eens even wou komen om een boodschap te doen!"
"Hè, moeder, ik heb er niet veel lust in."
"Kom, kom, jongen, het is of je bang voor den nieuwen buurman bent! Dat is toch niet zoo?"
"Bang niet, moeder; maar Jan van Dulven heeft ook naast hem gewoond en die heeft me gezegd, dat hij zoo'n akelige vent is, die altijd maar gromt en knort. Weet u hoe ze hem noemden?"
"Ja, de straatjongens geven iedereen een bijnaam en vooral zal dat die Jan van Dulven doen; want dat is me een hachje! Als je me plezier wilt doen, dan moet je dien jongen links laten liggen. Je leert toch maar leelijke dingen van hem!"
"Neen, moeder, die Jan van Dulven is heusch niet gemeen, en de jongens alleen scholden onzen nieuwen buurman niet uit. De heele buurt noemde hem "den Beer."
"Dan deden al die menschen verkeerd, Frans! En ik wil hebben, dat je buurman niet anders noemt dan "meneer Moerdijk", begrepen?"
"Ja, moeder!"
"Best, en ga jij nu naar meneer Moerdijk en vraag beleefd, wat meneer wil dat je doet! Maar beleefd en vriendelijk, hoor!"
Frans beloofde dit en ging.
Eenigszins angstig trok hij aan de schel en hoorde slof-slof, iemand door de gang aankomen. De deur ging open en een oude vrouw met een vriendelijk uitzicht vroeg, wat hij wilde.
"Meneer heeft gevraagd of ik niet eens een boodschap voor hem wilde doen, juffrouw!"
"O zoo, ben jij het zoontje van de vrouw hiernaast!"
"Ja, juffrouw!"
"Goed, kom dan maar eens even in de gang, dan zal ik meneer zeggen, dat je er bent! Voeten vegen, hoor!"
Slof-slof, ging de oude vrouw de lange gang door naar de achterkamer, en onderwijl ze dat deed, had Frans gelegenheid om te zien hoe kraakzindelijk er die gang al uitzag, en het verwonderde hem niemendal, dat het vrouwtje gezegd had: "Voeten vegen, hoor!" Maar lang tijd had Frans niet om hierover na te denken; want de vrouw deed de deur open en zei: "Meneer, hier is het jongetje van hiernaast!"
"Goed," klonk het, "laat den slungel maar achter komen!"
"Zie je," dacht Frans, "dat die vent wel verdient Beer genoemd te worden. Hij kent me niet eens, en noemt me toch slungel. Als hijzelf maar geen slungel is!"
Schoorvoetend ging Frans naar achter en klopte met zekeren angst aan de deur.
"Binnen!" riep een barre stem.
Frans deed de deur open en stond in de tuinkamer waar het ruim en luchtig was. Wat er zoo al in de kamer te zien was, zag Frans niet. Hij zag alleen mijnheer Moerdijk, zooals hij daar in zijn stoel zat.
Op de grijze haren stond een zwart fluweelen kalotje en de bril was in de hoogte geschoven, en rustte nu op het hooge voorhoofd boven een paar groote, zwarte wenkbrauwen. De lange, grijze ochtendjapon, van een bontgekleurde stof, sloot hem als een wijde zak om de magere leden, en de voeten staken in een paar roode, vilten pantoffels.
"Zoo, eeuwige vedelaar, ben je daar?" zei hij en sloeg zijn donkerzwarte oogen op Frans.
"Ja, meneer! Wat is er van uw dienst?" vroeg deze.
"Wat er van mijn dienst is? Veel! Maar, daar staat een stoel, schuif dien bij de tafel, ga er op zitten en antwoord me dan eens netjes op alles, wat ik je vraag!"
Frans voldeed aan dit bevel en zat weldra bij den ouden heer aan tafel, en toen had het volgende gesprek plaats.
"Hoe heet je, jongen?"
"Ik heet Frans Jacobsen, meneer!"
"Zoo, en wat is je vader?"
"Mijn vader was muzikant op den toren, meneer!"
"Muzikant op den toren? Wat is dàt voor een beroep?"
"Ja, meneer, hij moest 's nachts op den toren zijn, en als het heel uur sloeg, dan ging hij op alle vier de hoeken op een klarinet 'Wilhelmus' blazen!"
De oude heer glimlachte en zei: "O zoo, hij was dus torenwachter? En wat is hij nu?"
"Hij is al vier jaar dood, meneer!"
"Zoo, dat is ongelukkig, jongen! En wat doe jij nu?"
"Ik doe boodschappen, meneer, en moeder gaat uit werken!"
"Maar dan toch altijd boodschappen na schooltijd, niet? Bij wien ga je school?"
"Ik ga niet school, meneer!"
"Ei, ei, al volleerd? Zoo, zoo, dat is vroeg genoeg! En kun je dan al goed lezen, rekenen en schrijven?"
"Ik heb nooit school gegaan, meneer!"
"Wat? Nooit school gegaan? Wat moet je dan toch worden?"
"Pakjesdrager en wegwijzer bij het spoor, meneer!"
"Gekheid, gekheid! Jij moet naar school!"
"Jawel, meneer, maar...."
"Geen gemaar! Helpt geen lieve vaderen of lieve moederen aan! Jij moet naar school. En wat ik vragen wil, waar zat je daar straks toch zoo op te zagen?"
"Ik, meneer?"
"Ja, jij! Toen je daar straks op zolder zat, lag ik door het raam te kijken, en toen hoorde ik je zagen en krassen! En dat was zóó mooi, dat mijn oude kat, die op het dak liep te kuieren, hard mee begon te mauwen!"
"O, dan weet ik het al, meneer! Ik speelde wat op een oude viool van grootvader!"
"Zoo, was je grootvader ook muzikant op den toren?"
"Neen, meneer, die was muziekmeester en gaf les aan de kinderen!"
"Dat is wat anders! En hoor je graag muziek?"
"Jawel, meneer!"
Toen Frans dat gezegd had, ging mijnheer Moerdijk naar een hoek van de kamer, waar een kast stond. Frans dacht ten minste, dat het een kast was, maar bij nader inzien bleek het, dat het een piano was. Hij nam toen een stoeltje en sloeg zes toetsen te gelijk aan.
Frans antwoordde niets. Hij vond het leelijk; want mijnheer Moerdijk had zoo maar zes toetsen genomen. Hij durfde het evenwel niet zeggen en zweeg dus.
"Nu, ben je stom? Zeg maar gerust of het leelijk is of mooi!"
"Het is leelijk, meneer!" antwoordde Frans.
De oude heer glimlachte en sloeg toen weer zes toetsen aan, maar toen hij nu weer vroeg: "Is dat mooi of leelijk?" riep Frans: "Dat is mooi, meneer!"
Toen mijnheer Moerdijk dit gehoord had, begon hij langzamerhand te spelen, en eindigde met zulk een treurig liedje, dat Frans de tranen in de oogen sprongen.
"Wel?" vroeg hij toen. Doch zich omkeerende, zag hij den knaap stilletjes de tranen, die hem langs de wangen liepen, wegmoffelen.
"Meneer, dat was mooi, o, dat was mooi!" riep Frans.
Mijnheer Moerdijk stond een poosje in gedachten en zei toen: "Mooi, zoo, is het mooi geweest? Ja, dat zie ik; want je hebt gehuild. Goed, goed, maar jij moet naar school, hoor! Ik zal er wel eens met je moeder over praten. Maar nu moet je een boodschap voor me doen in de Zilverstraat!"
Hierop stuurde de oude heer hem naar een boekwinkel en onderwijl hij weg was, mompelde mijnheer Moerdijk: "Als hij een goed gehoor heeft, dan wil ik dat wel eens doen! Ja, ja, ik heb toch geen kinderen of geen familie op de wereld. Dat wil ik doen!"
En wat wilde hij nu doen?
Dat zullen we zien.
De volgende week reeds kwam de weduwe Jacobsen elken dag bij mijnheer Moerdijk een paar uren werken; want "Aaltje, de meid wordt wat oud," had hij gezegd. Frans ging school. Wel hinderde het hem, dat hij al elf jaar oud was en nog bij kinderen van vijf jaar moest zitten om de letters te leeren, maar hij beet door den zuren appel heen, en hij beet er zóó goed doorheen, dat hij twee jaar later al in de hoogste klasse zat. Geen oogenblik liet hij verloren gaan en, als hij thuis was, hielp mijnheer Moerdijk hem altijd aan zijn lessen, zoodat hij weldra de knapste leerling van de geheele school was.
Ja, ja, als men maar wil, kan men het ver brengen.
Eens op zekeren dag zei mijnheer Moerdijk: "Hoor eens, Frans, ik hoor je tegenwoordig niet meer op de viool krassen, doe je daar niet meer aan?"
"Ik heb geen tijd, meneer," antwoordde Frans.
"Ja, jongen, dat is waar! Maar zeg, heb je er nu al eens over gedacht, wat je worden moet?"
"Neen, meneer!"
"Niet? Maar dan dien je daaraan toch haast te denken; want morgen wordt je dertien jaar! Zou je muzikant willen worden?"
Frans' oogen schitterden, en zijn "ja, meneer!" kwam er zóó blij uit, dat mijnheer Moerdijk niet behoefde te vragen, of hij wel meende, wat hij zei.
"Zoo, wil je muzikant worden? Ei, ei! Maar dan dien je te beginnen met de noten te leeren!"
"O, meneer, die ken ik al! Ik heb ze op school geleerd! En.... maar zal u niet boos worden, als ik u nog wat zeg?"
"Dat komt er op aan wat het is, manneke!"
"Nu, meneer, ik kan piano spelen ook! Dat heb ik op uw piano geleerd, als u niet thuis was!"
"Ja, dat piano spelen zal wat moois zijn, als het voor de heeren komt! Kom, ga eens mee, en laat me dan eens hooren!"
De oude man bracht Frans voor de piano en zei: "Speel!"
"Jawel, meneer, maar mag ik dan een boek hebben?"
"Een boek, jongen, ben je mal? En welk boek zou je dan wel willen hebben?"
"Dat dikke, meneer!"
Dat dikke boek was juist datgene, waaruit hij meneer zoo dikwijls had zien spelen, en als hij dat deed, moest Frans altijd de bladen omkeeren, maar omdat de oude muzikant meende, dat Frans er niets van wist, had hij altijd bij het einde van ieder blad gezegd: "Keer om!"
Weldra zat Frans voor de piano, en daar begon hij. En achter zijn stoel stond mijnheer Moerdijk met oogen vol verwondering. Op het laatst werd hij echter zóó aangedaan, dat hij Frans van het stoeltje rukte en uitriep: "Van wien heb je dat zoo geleerd, jongen?"