Chapter 2
De metselaar bedacht zich een oogenblik en zei eindelijk: "Als u dat doen wilt, alstublieft! Heel graag, heel graag!"
Een week later was alles in orde en waren Tom en Jan bij ons aan boord van het linieschip. Wel viel het leven beiden vreemd, maar daar ze een paar flinke borsten waren, begonnen ze met op zij te zetten wat hun niet beviel, en hemelhoog te prijzen wat niet onplezierig was.
Op den 31sten Augustus zeilden we weer uit. De korvet was heelemaal hersteld en deed haar naam weer eer aan; want ze vloog over het water als een zeemeeuw. Onze bestemming was West-Indië, waar we drie jaar lang moesten kruisen om onze koopvaardijschepen te beschermen tegen de vele zeeroovers, die deze streken onveilig maakten.
We waren er spoedig en de eerste zes maanden ging alles vrij goed; zeeroovers waren nergens te zien en we hadden eigenlijk niemendal te doen.
Maar spoedig kwam er een vijand, op wien we niet gerekend hadden en waarvoor we allemaal bang waren. Het was de gele koorts. Zie, tegen zulk een vijand helpen geen kanonnen of scherpe sabels. De eerste, die deze ziekte kreeg, was meester Barend. Dagen achtereen lag hij vreeselijk ziek en er was wel niemand aan boord, die dacht, dat hij er bovenop komen zou. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik bang was bij hem te komen. Als ik die ziekte ook eens kreeg! En als ik er dan eens aan stierf! Ik was toch nog zoo jong!
Jong, ja, dat waren Tom en Jan ook; maar die waren beter dan ik. Zij dachten niet, dat het mogelijk kon zijn, dat ze sterven konden. Ze hielden veel van Barend; hij had Toms leven gered en voor beiden als een vader gezorgd.
"Tom," zei de dokter eens, "Tom, weet je wel, dat de gele koorts een besmettelijke ziekte is, hé?"
Tom knikte van ja en zei, dat hij dat ook wel eens gehoord had.
"Nu, jongen, laat de ziekenoppasser den armen Barend dan verzorgen! Waag je leven niet, hé!"
"Ja maar, dokter, meester Barend heeft mijn leven eens gered, en gezorgd, dat mijn broertje en ik bij hem aan boord kwamen! We wilden hem toch liever oppassen!"
"Nu, als je er op staat en de kommandant wil het hebben, dan is het mij onverschillig, hé!"
Onder ons, we noemden den dokter altijd "meneertje Hé," omdat hij, als hij wat zei, altijd eindigde met "hé!"--Toen dan "meneertje Hé" bij den kommandant kwam en hem vertelde wat die twee jongens deden, zei deze: "Wel, die jongens toonen, dat ze ook dankbaar kunnen zijn en het zou jammer wezen, als we hun nu gingen beletten hun vriend op te passen!"
De dokter kon er dus niemendal aan doen, zoodat Tom en Jan aan het ziekbed van Barend bleven en den man zóó trouw verzorgden, dat een moeder niet beter op haar kind kon passen.
Eindelijk hadden Tom en Jan het genoegen te zien, dat hun zeevader het gevaar te boven was en langzaam van zijn ziekte herstelde.
Van dien tijd af was meester Barend aan de jongens gehecht, alsof het zijn eigen kinderen waren. Maar wat gebeurde er? Reeds waren verscheidene manschappen aan de ziekte bezweken en had de kapitein besloten het eiland Curaçao aan te doen om hen, die nog ongesteld waren, aan wal te brengen, het heele schip te laten zuiveren en versch drinkwater in te nemen. Niemand onzer gevoelde hierover eenige spijt en allen zagen verlangend uit naar het oogenblik, dat het eiland in het gezicht zou zijn.
"Wel, Tom," zei ik op zekeren dag, "zie je niets?"
"Ja," was het antwoord, "ik zie wel wat, maar ik kan nog niet zeggen wat het is!" Opeens echter kwam de kommandant op het voorschip loopen en gaf bevel, dat alle zeilen terstond moesten gereefd worden. Wat Tom zag, was geen schip, geen bergtop, geen eiland, het was een wolk, die spoedig al grooter en grooter werd. Opeens ging de wind liggen; het werd bladstil. De wimpel zakte neer en de zeilen hingen slap tegen het want.
"Handen uit de mouwen, jongens, we krijgen storm! En storm in deze zee zegt zoo iets!" riep meester Barend.
Wij hielpen waar wij konden, maar konden niet begrijpen vanwaar die storm nu komen moest.
"Bravo!" riep nu de kommandant, "dat heet ik werken! Mijnheer Blaasbalg kan nu komen en wij hopen hem moedig het hoofd te bieden!"
Intusschen was in minder dan tien minuten tijds de heele westelijke hemel met wolken bedekt en wel met wolken, zooals ik ze nog nooit gezien had. Ze waren zoo blauw-zwart als leien, en onderwijl we er zoo naar stonden te kijken en de anderen op het dek alles vastsjorden wat los stond, hoorden wij een onophoudelijk gerommel, even alsof er in de verte een boerenwagen over groote straatkeien reed.
Eensklaps begon de lucht ook van de andere zijden te werken en hoewel het midden op den dag was, werd het zoo donker, alsof de zon zooeven was ondergegaan.
Het gerommel werd sterker; en zoo mogelijk werd het nog stiller. En drukkend heet dat het was! Men had het overal te kwaad; want zelfs in het topje van den grooten mast was geen koeltje te voelen. Het waren vreeselijke oogenblikken. We wisten allen, dat er wat komen zou en de een keek den ander aan, alsof hij vragen wilde: "Komt het nog niet?"
Eensklaps schoot er zulk een bliksemstraal door de lucht, dat er uit alle monden een: "Hè!" klonk en de slag, die er op volgde, geleek veel op het bombardement van Algiers, maar het geluid was nog sterker! Dit was het begin van het vreeselijkste onweder, dat ik ooit heb bijgewoond. Tom en Jan waren overal waar ik was en ik was overal waar meester Barend was. Zeker dachten we, dat die man ons helpen kon. Angstig zag meester Barend uit naar den wimpel, die nog altijd langs den mast nederhing. Als die zich begon te bewegen, dan....
"Hij komt, jongens, hij komt!" riep hij onverwachts.
"Wie, meester Barend, wie komt er?" vroegen wij alle drie te gelijk.
"De orkaan, kinderen, de orkaan!" was zijn antwoord, en pas had hij dat gezegd of het schip, dat doodstil gelegen had, bewoog zich even, de wimpel begon te trillen, in de verte zagen we golven aankomen, de masten kraakten, het want zuchtte en kreunde, de wimpel fladderde rond, nog een vreeselijke donderslag klonk en...
Daar lagen we alle vier op het dek! We waren op den eersten aanval van den orkaan niet bedacht geweest. Met moeite stonden we op; de eene zee na de andere sloeg over het dek, totdat eensklaps meester Barend uitschreeuwde: "Man over boord!"
"Man over boord!" riep men aan alle kanten.
Wij hadden met ons vieren niet bij elkander kunnen blijven; we werden van stuurboord naar bakboord geslingerd en toen ik eindelijk bij meester Barend aankwam en hem vroeg: "Wie is er over boord geslagen?" wees hij op Tom, die radeloos van droefheid zich aan meester Barend vastklemde en uitriep: "Jan, meester Barend, red Jan toch! Jan! Jan!"
Maar er viel niet aan te denken iemand te redden; geen boot kon te water gelaten worden. Nu eens waren we boven op een waterberg, dan in een waterdal. De masten bogen als breinaalden en hier en daar werd een zeil losgerukt en een touw afgebroken, alsof het met een scherp mes doormidden gesneden werd.
Zoo hield de orkaan wel een vol uur aan en toen hij wat begon te bedaren, zag het er aan boord vreeselijk uit. De groote mast en de fok lagen over boord; de watervaten waren van hun plaatsen geschoven; de affuiten waarop de kanonnen rustten, waren op zijde geschoven; stukken zeil, losgeslingerde touwen, planken van de verschansing en nog veel meer, lagen overal langs het dek verspreid, en nog was er geen kijk op om een en ander te herstellen; want al was de orkaan voorbij, de storm hield aan. Twee dagen lang hadden wij er mede te worstelen, en eerst den derden dag kwam het weer tot zichzelf, en kon er aan gedacht worden om te zien, of we de reis naar Curaçao konden voortzetten, ja of neen. Maar daar was geen denken aan. Alles was onklaar, en daarom besloot de kommandant te beproeven, of we met ons ontredderd schip het eiland Jamaïca konden bereiken, en met veel moeite mocht ons dat gelukken.
Wat waren we blij, dat we na zulke vreeselijke dagen doorleefd te hebben, weer in behouden haven mochten zijn. Blij, ja, dat waren we; maar allen niet. De arme Tom liep stil en zwijgend daarheen. Hij had geen enkel lachje, ook dan niet, als de konstabel, die de grootste grappenmaker aan boord was, zijn kluchten verkocht.
"Tom," zei ik, "je moet je wat opbeuren, jongen! Aan zulke gebeurtenissen moet de zeeman gewoon raken!"
"Zeg, George," antwoordde hij, "heb je ooit een broer verloren, en dat nog wel zulk een bovenstbesten broer? Wat zal ik zeggen, als ik thuis kom, en vader en moeder vragen waar Jan is? Ik durf niet thuis komen!"
Zoo sprak Tom, en of ik al beproefde hem te troosten, het gelukte me niet en meester Barend beproefde het mede tevergeefs. Tom zou van verdriet sterven, of....
"Zoo," zei de stuurman, "die Deensche bark ziet er ook lief uit; die heeft zeker ook Meneer Blaasbalg op zijn dak gehad! Maar wat weerga, wat moeten ze van ons hebben? Ze zetten een sloep uit!"
Ongemerkt waren meester Barend, Tom, ik en nog een paar anderen bij den stuurman komen staan en zagen naar de boot, waarin vier mannen klommen, die iets droegen, dat wel wat op een mensch geleek.--Ze legden het voorzichtig neer, namen de riemen op en roeiden naar ons schip.
Weldra lag de boot tegen ons boord en een stem van beneden riep in gebroken Hollandsch, dat men den valreep nederlaten moest. Hieraan werd voldaan. De mannen klommen naar boven en brachten bij ons....
Tom had iets, iets gezien. Een bleek jongensgezicht met zwarte haren. Hij snelde er heen, gaf een schreeuw en.... viel.
Jan was weer bij ons aan boord. Wel was hij zwaar gekwetst en had hij een gebroken been, maar hij leefde toch, en wie weet of hij niet herstellen zou.
Onze kommandant vroeg den stuurman van de boot, hoe het mogelijk was, dat ze dien knaap hadden kunnen redden.
Toen vertelde de man dit:
"Misschien een kwartier nadat de hevige orkaan voorbij en in een storm overgegaan was, zagen we wat op een hooge golf drijven. De golf sloeg tegen stuurboord en over het schip heen, en toen ze weer weg was lag er een stuk mast met zijn losgierend touwwerk in ons want verward. En tusschen hout en touwwerk lag deze knaap. We haalden hem er uit en dachten eerst dat hij dood was, maar onze scheepsdokter onderzocht hem en vond er nog leven in. Zijn been was gebroken, zijn rechterarm gekneusd en over heel zijn lichaam had hij bulten en schrammen. Toen hij na verloop van een paar uren wat bijkwam, vroegen wij hem van welk schip hij kwam; maar hij verstond ons niet. Omdat hij zoo zwart van opslag was hielden wij hem voor een Franschman, Spanjaard of Napolitaan, tot hij met een zwakke stem vroeg: 'Drinken, drinken!' Toen hoorden we dat hij een Hollander was en wisten nu heel spoedig, dat hij als kajuitsjongen op het Nederlandsche oorlogsschip _De Windhond_ diende. Zoodra we nu zagen, dat dit schip hier was, namen we het besluit hem hier aan boord te brengen."
"En daar heb jelui goed aan gedaan," antwoordde de kommandant en gaf den matrozen een goede fooi, waarop dezen weer naar hun vaartuig terugroeiden.
Nu was Tom ook weer vroolijk, en al zei de dokter ook, dat Jans been nooit meer terecht zou komen, toch rekenden we dat geen van allen als iets. Zijn leven was gered en dat was het voornaamste.
En als je nu weten wilt wat er van Jan en Tom geworden is, ga dan maar eens naar mijn vroegere scheepstimmerwerf en als je dan vraagt: "Van wie is deze werf?" dan zullen de werklieden je zeggen: "Ze is van twee bazen, broers, weet je! Ze heeten Thomas en Jan Epelaere. En goed,--er leven er geen beter op de wereld.--Ze hebben vroeger ter zee gevaren, maar...."
Verder behoeven we niets meer te hooren; je weet de rest!"
Dit was de eerste vertelling van Jan met de Pijp.
DE WEG NAAR DE GEVANGENIS.
"Meneer, meneer, vanmorgen is er een jongen van het dorp naar de gevangenis gebracht, omdat hij gestolen heeft!" zoo riep op zekeren Zaterdagmorgen het zoontje van den dokter, toen hij bij den ouden heer Van Laeken achter in den tuin kwam, waar reeds het geheele gezelschap vergaderd was.
"Wie, Herman? Wie?" vroegen terstond eenige meisjes en jongens.
"Wel, Govert de Plinte!"
"O die!" riepen eenigen, alsof ze zeggen wilden: "is het anders niet?"
"En wie is die Govert de Plinte, Herman?" vroeg mijnheer Van Laeken.
"Dat is...." riepen dadelijk eenigen, doch eer ze verder konden gaan, legde de oude heer met een: "Ssst, we kunnen wel samen zingen, maar niet samen praten,--ik vraag het aan Herman," dien driftigen mondjes het zwijgen op.
"Govert de Plinte is de zoon van Wout, den poldergast, die wel een half uur van hier midden in het land woont. Op school was hij zulk een deugniet, en hij bleef zóó dikwijls stilletjes thuis, dat meester hem op het laatst niet meer op school hebben wilde. O, meneer, die Govert zei altijd zulke leelijke woorden en hij vloekte zoo! En eens heeft hij van mij een doosje met kleurkrijt gestolen, dat ik meegebracht had om een kaartje te teekenen. Ik had het in den lessenaar gezet en het vergeten mede te nemen toen ik naar huis ging!"
"Ja, en mijn pet heeft hij bij den smid in de sloot gegooid," riep Jan van den timmerman.
"En bij meester heeft hij al de aardbeien afgeplukt toen hij school moest blijven. Hij is toen door het raam geklommen!" zei een ander en een derde voegde er bij: "Ja, en van mijn zusje heeft hij een mooi Faber-potlood gekaapt!"
Misschien zouden de kinderen nog veel meer van Govert verteld hebben als mijnheer Van Laeken niet gezegd had: "Stop maar, ik weet genoeg van dien knaap, en nu ik dat alles weet, verwonder ik er mij ook niet meer over, dat hij vanmorgen naar de gevangenis gebracht is. Van zulk een jongen kan men niets anders verwachten. Ik weet ook wat van een paar deugnieten te vertellen, waarmee het niet veel beter afgeloopen is, ja, misschien wel erger! Ik zal je dat eens vertellen.
Mijn goede vader had nog een flink bestaan en droomde er niet van, dat hij eens gebrek zou moeten lijden. Daarom had hij voor mij een school gezocht, waar de kinderen heel veel leeren konden, en al kostte dat ook veel geld, dat had vader er wel voor over; want hij zei altijd: "een kop met verstand is veel gemakkelijker mee te dragen dan een zak met geld. Geld kunnen ze een mensch ontnemen, maar wat in het hoofd zit, daar moeten ze afblijven!"
Op die school gingen ook twee zoontjes van een schrijnwerker, die wel met twaalf knechts werkte en dus veel geld verdiende. Nu spreekt het vanzelf, dat die man het heel druk had en zich daarom niet altijd zooveel met zijn kinderen bemoeide, als dat wel moest. Geheele dagen was hij soms van huis en daar hij veel van zijn kinderen hield, gaf hij om hun maar pleizier te doen, hun in alles den zin, als hij eens thuis was. En Henri en Jacques,--zoo heetten de jongens,--waren slim. Ze wisten precies waar ze moesten gaan staan om vader te bedriegen. Ja, ze wisten zich zóó mooi voor te doen, dat van al het kwaad, dat ze zelf deden, een ander de schuld kreeg. Er kwamen heel dikwijls klachten over de beide jongens en, als hij er dan wàt van geloofde, dan wisten de schelmen zóó te praten, dat vader op het laatst zei: "Ze schijnen het dan ook altijd op jelui beiden voorzien te hebben. Het is schande! Maar, als ze weer komen klagen, dan zal ik die lui wel eens terechtzetten."
Dat was koren op den molen van de deugnieten, en ze maakten elkander wijs, dat er geen beter vader op heel de wereld was.
Hoe ze zich bedrogen!
Hadden ze nu maar een moeder gehad, die vader eens alles vertelde, zooals het was, maar ach, de arme jongens, hun moeder was in een krankzinnigen-gesticht en de dokters hadden gezegd, dat ze nooit meer beter zou worden.
Een oude tante van vader deed het huishouden, en daar deze arm was, en door haar neef al eens bedreigd was, dat ze het huis uit zou moeten, als ze weer over zijn "arme, lieve kinderen" klagen kwam, had ze besloten te zwijgen, er mocht gebeuren wat er wilde.
Dat was nu wel niet mooi van die vrouw; maar oud en arm zijn en niet weten waarheen, dat zegt veel en daarom moeten we het die oude vrouw niet zoo ten kwade duiden, dat ze zweeg, en.... alles van de kwajongens verdroeg om, zooals ze zei, een gerusten en goeden ouden dag te hebben.
En goed had zij het. Ze kon eten en drinken zooveel en wat ze wilde. Maar het is met eten en drinken alleen niet te halen. Gelukkig was ze niet; want de neefjes maakten haar het leven zoo bitter, dat ze dikwijls heele nachten lag te huilen, in plaats van te slapen. En dat moet niet. Als een mensch gezond, sterk en vroolijk wil blijven, dan moet hij 's nachts slapen en geen andere dingen doen.
Onder degenen, die het meest kwamen klagen, behoorde monsieur Levin, die ongehuwd was en een goede school had.
"Weet je wat," zei monsieur Levin op zekeren dag tegen baas Daelhouten, den schrijnwerker, die hem brutale woorden gaf, omdat hij over de broers klagen kwam, "weet je wat, baas Daelhouten, ik heb een goede school! De voornaamste burgers van Antwerpen zenden er hun kinderen heen, en ik weet zeker, dat ik meer dan twee andere kinderen van mijn school verliezen zou, als ik je zoontjes hield, wanneer ze zich niet beterden. Daarom vraag ik je op den man af: Wil je je jongens nu straffen voor het gemeene kwaad, dat ze gedaan hebben, ja of neen?"
"Neen," sprak baas Daelhouten kortaf, "neen, ik straf mijn kinderen niet. Ik weet dat iedereen aan mijn arme kinderen van al wat er leelijks gebeurt de schuld geeft."
"Zooals je wilt!" antwoordde monsieur Levin, "zooals je wilt; maar dan heb ik je ook wat te zeggen!"
"En dat is?" vroeg baas Daelhouten.
"Dat je je jongens niet meer naar mijn school behoeft te sturen, want ik neem ze er niet meer op! Gegroet!"
Hierop ging monsieur Levin weg, maar baas Daelhouten dacht: "Och wat, dat mag hij gezegd hebben; maar hij meent het niet! Als hij zoo met alle kinderen doet, dan zou ik wel eens willen weten waarvan hij leven moet! Morgen stuur ik ze toch!"
Zoo dacht de man; maar hij bedroog zich deerlijk. Vooreerst waren lang niet alle kinderen zoo als de zijne, en dan, monsieur Levin had liever armoe willen lijden dan kwajongens den zin geven. Toen den anderen morgen Henri en Jacques stilletjes naar hun plaats gegaan waren, riep monsieur hen voor de klasse en zei: "Hoor eens, jongeheertjes, je vader schijnt niet begrepen te hebben, wat ik hem gezegd heb. Ik wil geen straatjongens in mijn school hebben. Vooruit maar, marsch!"
In dien tijd moesten meest alle onderwijzers van het schoolgeld leven, dat de kinderen meebrachten en ongelukkig de man, die een groot huisgezin had en geen cent van dat schoolgeld missen kon. Zulk een man was soms wel genoodzaakt toe te geven, en toen Henri en Jacques thuis kwamen met de boodschap, die monsieur Levin hun meegegeven had, lachte de vader en zei: "Gelukkig, dat er meer scholen zijn en ook nog schoolmeesters, die meer van de kinderen verdragen kunnen, dan die verwaande Levin. Wacht maar, jongens, ik zal je zoo wegbrengen!"
Ik ging school bij monsieur Gozewinus, een oud, braaf man. Wij hielden veel van hem, want hij was goed. Zijn eenig gebrek was, dat hij doof was. Als wij zijn vragen beantwoordden en hij verstond ons niet, dan dacht hij, dat we met opzet zoo zacht spraken en dan gaf hij ons wel eens straf, als wij het niet verdiend hadden.
Onderwijl we nu op zekeren morgen bezig waren met rekenen ging de schooldeur open, en baas Daelhouten trad met zijn twee zoons binnen.
"Goeden morgen, monsieur Gozewinus," zei hij met een beweging of keizer Napoleon zijn adjudant was, "goeden morgen, monsieur Gozewinus! Hier heb ik twee leerlingen voor u. Ze hebben school gegaan bij Levin, maar die man had me te veel noten op zijn zang en hij had het altijd op deze jongens voorzien, die van alles de schuld kregen. Ik twijfel niet, of u zult er anders over oordeelen en bemerken, dat mijn zoons brave en vlugge jongens zijn!"
Wij zaten met open monden te luisteren en toen we die twee zoo hoorden prijzen, keken we hen natuurlijk aan, maar we schoten in den lach, toen de jongste, die Jacques heette, zijn tong naar ons uitstak en Henri, de oudste, hem aan zijn haar trok, waarvoor Henri alweer een schop van zijn broer kreeg.
Als er nieuwe jongens op school komen, wil ieder kind hen graag naast zich hebben, en toen monsieur rondkeek bij wien hij hen zou zetten, viel zijn oog op mij. Ik kreeg den jongste bij me. Al dadelijk gaf ik hem de grootste plaats en zei, dat, als hij geen grift of pen had, hij alles van mij kon krijgen, dat mijn vader magazijnmeester was en dat ik koopman wilde worden. Ik vroeg hem of hij 's middags tusschen schooltijd met me naar huis wilde gaan en of hij 's avonds bij me kwam spelen. Op alles kreeg ik een voldoend antwoord en toen hij me vertelde, dat ik 's avonds bij hem mocht komen spelen, dat de oude tante dan allerlei dingen geven zou; en dat zijn vader een groote houtloods had waarin ze soms halve dagen wegkropen, jongens, wat was ik toen grootsch met mijn nieuwen kameraad. Toen ik 's avonds thuis kwam, stond mijn mond niet stil over Jacques Daelhouten en 's nachts droomde ik, dat ik boven in het pakhuis van zijn vader uit een stuk mahoniehout met mijn pennemes een boekenplank zat te snijden.
Vader lachte eens even toen ik hem dat den volgenden morgen vertelde, maar had hij geweten, waarmede monsieur Levin, de oude tante en nog zoo vele anderen wel bekend waren, ik weet niet, of hij wel zoo vroolijk gelachen zou hebben.
Den anderen morgen hadden we aardrijkskunde.
"Ik geloof dat die mooie meneer met dien bril op zijn vlasschuit doof is," zei Jacques stilletjes tegen me.--Met die vlasschuit bedoelde hij den neus van monsieur Gozewinus, die toevallig wat grooter dan een gewone menschenneus uitgevallen was.
Ik knikte van ja.
"Dan zullen we een grap hebben," zei hij.
"Zeg eens, jongeheer Daelhouten," riep monsieur, "noem de eilanden eens op, die boven Duitschland en Nederland liggen."
En daar begon hij: "Snork-niet, Rotte, Bokking, Schiet den monnik dood, Naamval, Drie schellingen, Biertand, Deksel!"
Zulke grappen waren wij nog niet gewoon en daarom schoten wij allen in den lach. Monsieur Gozewinus deed nu, alsof hij wel gehoord had, dat hij ze niet goed had opgenoemd en zei: "Als ik je wel verstaan heb, dan heb jij de eilanden in de Stille Zuidzee opgenoemd. Ik heb je gevraagd naar de eilanden boven Duitschland en Nederland, waarvan de meeste boven de Zuiderzee liggen."
"O, meent u die!" riep Jacques met het brutaalste gezicht van de wereld, "jawel, monsieur, ik zal ze nu anders opnoemen. Norderney, Rottum, Borkum, Schiermonnikoog, Ameland, Terschelling, Vlieland, Texel!"
"Best, jongen, best! Dat gaat goed!" zei monsieur en vervolgde: "En zeg de eilanden van Zuid-Holland eens op, George van Laeken!"
"Tulpenburg, Voorn in de Putten, Kriekenland," fluisterde Jacques, terwijl hij voor zich keek, maar zoo hard dat ik en de jongen, die aan den anderen kant zat, het best hooren konden.
Wij begonnen te lachen, en monsieur meende, dat wij hem voor den gek hielden. Wij kregen ieder eene slechte aanteekening en mochten geen beurt meer hebben.
Toen het uur om was zei ik tegen Jacques: "Dat is jouw schuld, dat wij een slechte aanteekening gekregen hebben. Als je dat nog eens doet zal ik de waarheid zeggen en...."
"Dan krijg je van Henri een pak rammel, reken er op!" zei Jacques. "Ik bedank voor zoo'n vriendschap!"
Een half uur later was ik echter weer heel anders jegens Jacques gestemd. Het hinderde me, dat hij boos was en daarom begon ik zulke zoete broodjes te bakken, dat hij toen het vier uur was, zei: "Zeg, kom je straks bij ons spelen?"
Ik nam dit aanbod met graagte aan en vroeg hem wat we spelen zouden.
"Wij gaan in de groote achterkamer wat met dobbelsteenen spelen. Henri brengt Pierre de Rooze mee. Tante Kee zal ons chocolade geven!"
"Dat zal prettig zijn," zei ik.
"Nou! Maar zeg, je moet geld meebrengen, hoor!"
"Geld? Ik heb geen geld!"
"Heb je dan geen spaarpot? Als je komt moet je geld meebrengen, anders kan je wel wegblijven!" Nadat hij dit gezegd had ging hij heen.