In Het Rijk van Vulcaan de Uitbarsting van Krakatau en Hare Gevolgen

Part 5

Chapter 53,757 wordsPublic domain

Intusschen had Krakatau niet stilgezeten. In de maand Juni begon namelijk behalve de berg Perboewatan ook de berg Danau te werken. Den 11den Augustus 1883 werd Krakatau bezocht door den toenmaligen kapitein van den Generalen Staf H.I.G. Ferzenaar, thans luitenant-kolonel. De heer Ferzenaar stond aan het hoofd van de topografische opnemingsbrigade, die destijds bezig was de residentie Bantam in kaart te brengen. Hij bezocht Krakatau met het doel na te gaan, hoe dit eiland zou kunnen worden opgemeten, maar kwam tot het besluit: "dat daarvan vooreerst niets kon komen, omdat het meten aldaar nog aan te veel gevaar is blootgesteld." Er was toen namelijk nog een derde krater bijgekomen, zoodat er in 't geheel drie punten waren, die werkten. Maar er waren nog bovendien vele plekken op het eiland, waaruit rook opsteeg. De terreinschets, die de heer Ferzenaar toen vervaardigde is van groote waarde; hij is de laatste mensch geweest die ooit dit gedeelte van het eiland betreden zou; 15 dagen na zijn bezoek toch geschiedde de groote uitbarsting; en op de plaatsen, waar Ferzenaar stond, bewegen zich nu de golven der zee, die daar een diepte heeft van honderden meters.

HOOFDSTUK IV.

Aan boord van de "Gouverneur-Generaal Loudon", tijdens de groote uitbarsting.

Ambtenaren en particulieren.--"Overplaatsing" bij wijze van koudwaterstraal.--De passagiers op eene Indische boot.--Zr. Ms. troepen,--De bannelingen.--Vertrek van de "Loudon" 26 Aug. 1883.--Bestemming van de "Loudon".--Aankomst te Anjer.--De koelies voor het eiland Bodjo bestemd.--Langs Krakatau.--De rookwolk.--Op de reede te Telok Betong.--De branding op de kust verhinderde de communicatie.--Vergaan der inlandsche prauwen gedurende den nacht.--27 Augustus te half zeven verdwijnt Telok Betong door de zeebeving.--Vergeefsche pogingen om uit de Lampongbaai te komen.---De duisternis.--Modderregen.--Puimsteenbombardement.--Vliegende orkaan.--Inslaan van den bliksem.--Vuurbollen.--St. Elms-vuur.--La illah la-il allah, Mohammed rasoel allah.--Hulde aan onzen gezagvoerder Lindeman.--Vergaat de wereld?

Op de "Loudon" den 28sten Augustus.--Licht!--De puimsteenvelden bij Poeloe Tiga.--De weg versperd.--Dwars door het drijvende puimsteeneiland in Straat Lagoendie.--Gered.--Wat er op het zoutschip "Marie" gebeurde--De "Barouw"--Het lot van Telok Betong.--Puimsteenvelden gelijk ijsbergen.

De gloeiende aschregen en het puimsteenbombardement van Katimbang.--De modderregen, eene verademing.--De redding van den controleur van Katimbang.--Het lot van Pajoeng Semangka.--Beneawang.--De vuurtoren aan de Blimbingbaai.--12500 slachtoffers op Sumatra.--

Er zijn onder de talrijke personen, die in Indië eene betrekking bekleeden in dienst van het Nederlandsch-Indische Gouvernement, velen, die met eene bijzondere soort van trots, vol genoegzaamheid, zoo gaarne tegenover particulieren zeggen: "mijnheer ik ben ambtenaar." Ge hebt inderdaad als ambtenaar veel voor. Zijt ge ziek, dan gaat ge op 's lands kosten met verlof naar "boven", en als dat niet helpt voor twee of drie jaren naar patria. Hebt ge het noodige aantal dienstjaren, dan wacht u een kalme oude dag als gepensioneerd hoofdambtenaar in het Haagje, of, als ge het al niet zoover gebracht hebt, dan kunt ge allicht te Apeldoorn, Lochem of Doesburg van een klein pensioentje fatsoenlijk leven. Daarbij hebt ge oneindig minder te doen dan een particulier; en ge moet het al heel bont maken voor men u uit 's lands dienst ontslaat; terwijl een employé op eene onderneming bij een klein verschil van gevoelen met zijn chef zijn ontslag te gemoet kan zien. Daarbij kunt ge u van tijd tot tijd het genoegen gunnen om in uwe gesprekken te laten doorschemeren, dat alléén ambtenaren op Java thuis behooren, terwijl immers in uw oog al die koffie- en tabaksboeren, die suikerfabrikanten en kooplieden slechts geduld worden.....

Maar opdat ge niet al te overmoedig zoudt worden ten gevolge van uwe schoone positie als ambtenaar overgiet het vaderlijke Nederlandsch Indische Gouvernement u van tijd tot tijd met eene koudwaterstraal. Die koudwaterstraal is steeds op u gericht en ge ontvangt haar als ge er het minst om denkt. Zij draagt den naam van _overplaatsing_.

De overplaatsing is het geliefkoosde middel, dat wordt toegepast om jonge ambtenaren te temmen, die wat onafhankelijk durven zijn in hunne denkbeelden tegenover hunne chefs. Ge zijt met ontzaglijk veel moeite in uwe omgeving thuis geraakt, ge hebt u op de volkstaal toegelegd; ge hebt van lieverlede uwe bescheiden woning gezellig gemaakt door nette meubelen te koopen. Ge verheugt u in het bezit van een goed rijpaard; ge hebt eindelijk eens goede bedienden; ge zijt intiem geworden met goede menschen.

Hecht u niet te veel aan dat alles. Plotseling komt er een dienstbrief voor u uit Batavia. Ge zijt overgeplaatst naar Sumatra's Westkust met last om per eerste scheepsgelegenheid uwe bestemming te volgen. Daar stort het geheele kaartenhuis in elkaar! De controle-afdeeling, die u zoo ter harte ging, als ambtenaar bij het binnenlandsch bestuur; de sluis, die een deel van uw leven was geworden, en waarvan ge, als ingenieur van den waterstaat, de fundeering juist gereed had: alles wat u op de een of andere wijze dierbaar was geworden in het vreemde land, blijft achter. Na eene haastige vendutie, die u nagenoeg ruïneert, hebt ge spoedig de een of andere haven bereikt, die door de booten der Nederlandsch-Indische Stoomvaart-Maatschappij wordt aangedaan, en weldra zijt ge op eene stoomboot gezeten, die u naar Batavia voert, om daar zoo spoedig mogelijk verder te worden geëxpedieerd.

Zijt ge eenigen tijd in Indië dan zult ge allicht een trouw lezer zijn van de passagierslijsten der vertrekkende en aankomende booten, die ge in elke courant aantreft. Met een zekere "Schadenfreude" ontwaart ge, dat ge niet de eenige zijt in het leger der ambtelijke wereld, die van tijd tot tijd in 's lands belang eene kolossale parabool beschrijft door den slingerenden smaragdgordel, om plotseling in geheel vreemde omgeving, in nieuwe toestanden en nieuwen werkkring verplaatst te zijn.

Maar wie van uwe bekenden ge ook in de passagierslijst zoekt, steeds zult ge, nadat de trekvogels eerste klasse zijn opgenoemd, de volgende formule aantreffen: _Verdere passagiers_: Zr. Ms. _troepen, bannelingen, Arabieren, Chineezen en inlanders_. Zulk een boot biedt dan ook een merkwaardig schouwspel aan. Op het voorschip krioelt een bont mengelmoes van alle mogelijke menschenrassen door elkander. Onder Zijner Majesteits troepen vooral zijn vertegenwoordigers van allerlei natiën. In de Europeesche compagniën bestaat de meerderheid uit Nederlanders, maar er zijn bovendien Duitschers, Franschen, Belgen en Italianen bij. Die vreemdelingen zijn menigmaal oude soldaten, veteranen uit de oorlogen, die de Europeesche mogendheden in onzen tijd gevoerd hebben, wier borst versierd is met de herinneringsmedailles aan gemaakte veldtochten. Deze draagt het ijzeren kruis, gene het teeken, dat hij onder de Fransche vanen in Tonkin streed. Onder de niet-Europeesche militairen treffen wij Amboineezen, Javanen, Madoereezen en Alfoeren aan, terwijl er wellicht nog een enkele neger aanwezig is. Deze negers vormden vroeger de Afrikaansche compagnieën; zij hadden den naam van goede soldaten te zijn, hoewel zij woest en bloeddorstig waren. Zij zijn nog steeds een voorwerp van schrik en bewondering bij de inlanders, die hen "orang blanda hitam"--zwarte Hollanders noemen.

De meeste inlandsche militairen zijn gehuwd; de Europeesche soldaten hebben meestal huishoudsters. Deze vrouwen vergezellen hunne mannen aan boord.

De "bannelingen" zijn personen, die tot dwangarbeid in en buiten den ketting veroordeeld zijn. In de wandeling heeten zij "kettingjongens", en vooral in de buitenbezittingen bewijzen zij onbetaalbare diensten bij militaire expeditiën en bij de uitvoering van openbare werken.

Het is niet vereerend voor Zr. Ms. troepen, dat zij zoo in eenen adem genoemd worden met de "bannelingen". Sommige redactiën plaatsen ten minste nog een komma-punt tusschen "troepen" en "bannelingen". Maar ook aan boord worden zij helaas vrij wel over een kam geschoren wat betreft hunne ligging enz.

Den 26sten Augustus 1883 vertrok de stoomer "Gouverneur-Generaal Loudon", gezagvoerder Lindeman, des morgens van de reede van Batavia met bestemming naar de havens van Sumatra: Telok Betong, Kroë, Benkoelen, Padang en Atjeh.

Onder de passagiers waren alle categorieën vertegenwoordigd. Er waren Europeesche en inlandsche militairen ter aanvulling der garnizoenen op Sumatra's Westkust en Atjeh. De meerderheid echter vormden 300 bannelingen, die bestemd waren voor het dwangarbeiderkwartier te Padang.

Het weder was schoon, er was niet de minste wind, de zee was blauw, de talrijke eilandjes in de Javazee staken vroolijk met hunne groene boomen uit boven den nauwlijks gerimpelden waterspiegel.

Des namiddags te drie ure ankerde de "Loudon" op de reede van Anjer. De witgepleisterde huizen van Anjer glinsterden in den zonneschijn vlak aan zee; op den achtergrond het donker groene gebergte en daar voor de diep blauwe zee. Helder stak de vuurtoren van Java's Vierde punt tegen de lucht af. Vroolijk wapperde de Nederlandsche vlag op het erf van den assistent-resident. De Chineesche en inlandsche kampongs zijn vlak aan zee gelegen. Het Chineesche kamp heeft het eigenaardige karakter, dat alle Chineesche nederzettingen, in welk werelddeel dan ook eigen is. De inlandsche woningen zijn van hout of bamboe opgetrokken, de muren bestaan uit gevlochten bamboematten, en in plaats van pannen bedekt men ze met gedroogde planten, die eene lichte en ondoordringbare dakbedekking vormen, welke "atap" genoemd wordt.

Onwillekeurig dwalen de gedachten terug naar de eerste aankomst uit Europa in Indië. Anjer is dan de eerste plaats, die u van verre een welkomstgroet brengt....

Hij, die aan boord van de "Loudon" op de reede van Anjer zou hebben beweerd, dat de laatste dag van Anjer's bestaan reeds was aangebroken, zou zeker als krankzinnig beschouwd zijn.

Te Anjer nemen wij een honderdtal Bantammers aan boord met eenige vrouwen en kinderen. De mannen zijn aangeworven als koelies voor den bouw van een vuurtoren op het eiland Bodjo.

Toen onze koelies aan boord waren, zette de "Loudon" koers, langs Dwars-in-den-Weg en Varkenshoek, de Lampongbaai in naar Telok Betong. Aan bakboord konden wij in de verte een blik werpen op het eiland Krakatau, hetgeen reeds beroemd geworden was door zijne eerste vulkanische uitbarsting in Mei.

Krakatau is een oude bekende van de "Loudon". Toen er na die eerste uitbarsting een pleiziertochtje werd gemaakt, ten einde den vulkaan te gaan bezien, bracht de "Loudon" de passagiers ad _f_ 25 naar het eiland. De vulkaan op Krakatau schonk ons nu gratis eene voorstelling. Hoewel wij ver van het eiland af waren, zagen wij eene zwarte, hooge rookkolom boven het eiland uitsteken, die zich omhoog verbreedde tot eene wolk. Ook viel er aanhoudend asch. Des avonds te 7 ure waren wij in de Lampongbaai op de reede van Telok Betong, waar geankerd werd.

De nacht viel weldra in, en men kon daarom niet duidelijk onderscheiden wat er gebeurde. De aschregen nam toe en de zee werd onstuimig. De "Loudon" seinde naar den wal om eene sloep, ten einde de passagiers te landen; maar er kwam geene sloep en evenmin verschenen er laadprauwen, die anders onmiddellijk na de aankomst van eene stoomboot komen opdagen. De "Loudon" streek zelf eene sloep om zich met den wal in verbinding te stellen. Het was echter niet mogelijk om te landen, daar er hooge branding op de kust stond, zoodat de sloep weder onverrichter zake terug kwam. Het havenlicht op den lichtopstand aan het uiteinde van den havendam bleef den geheelen nacht branden, doch er scheen wel iets bijzonders te zijn, daar nu en dan alarmseinen werden vernomen van de op de reede liggende prauwen; het was echter onmogelijk hun hulp te verschaffen, daar het duister was en vooral wegens de zware zeeën.

Eindelijk ging de zon van den 27sten Augustus op, en begon de duisternis te wijken. Toen het licht werd, zagen wij Telok Betong, de hoofdstad der Lampongs, voor ons. Terwijl geheel Anjer vlak aan zee ligt zijn te Telok Betong de benting met het militair kampement, de residentswoning en de gevangenis verder van de kust op eene hoogte gebouwd van 34 Meter hoogte. Maar het overige gedeelte van Telok Betong ligt vlak aan zee, als 't ware op het strand. Men onderscheidde daar de Europeesche huizen, waarvan sommige met pannen, andere met atap gedekt zijn, en de inlandsche woningen, die op Sumatra in bouw geheel afwijken van de Javaansche huizen, die men te Anjer ziet.

Telok Betong lag van boord af gezien, zeer schilderachtig tegen den sterk begroeiden groenen achtergrond van het Lampongsche gebergte. Wij hadden den vorigen avond behalve eenige prauwen, de gouvernements-stoomer "Barouw" en een zeilschip de "Marie" op de reede zien liggen. Deze schepen, met uitzondering van de "Marie", hadden gedurende den nacht allen schipbreuk geleden en waren op het strand geslagen. Hoe dikwijls ook de "Loudon" naar den wal seinde om een sloep, er kwam geen antwoord en geen levende ziel was te zien op het strand. Het licht op den havendam bleef ondertusschen steeds branden. Niemand doofde het uit, hoewel de zon reeds boven de huizen was.

In plaats van asch regende het intusschen kleine stukjes puimsteen.

Te half zeven kwam er plotseling een reusachtige golf uit zee opzetten, waar men letterlijk tegen aan zag en die zich met groote snelheid bewoog. De "Loudon" stoomde op, zoodanig dat zij de golf langscheeps kreeg. Eén oogenblik... en daar had de golf ons bereikt. Het schip maakte eene ontzettende duikeling, doch de golf was voorbij, en de "Loudon" gered. De golf bereikte nu Telok Betong en liep landwaarts in. Achtereenvolgens kwamen er nog drie dergelijke kolossale golven. Door niets gestuit verwoestte zij voor onze oogen geheel Telok Betong. Men zag den lichtopstand omvallen, de huizen verdwijnen; en alles was voor onze oogen zee geworden op de plaats waar nog eenige minuten geleden Telok Betong aan het strand had gelegen.

Het zeilschip "Marie" wordt overdwars op het land geworpen. De stoomer "Barouw" wordt opgenomen van het strand, en van af de "Loudon" zien wij, dat zij blijft zitten, schijnbaar ter hoogte van de klapperboomen. De inlandsche huizen, die op Sumatra gebouwd zijn op stijlen, die gewoonlijk los op stukken natuurlijke steen rusten, zoodanig dat er onder den vloer ongeveer een meter vrij is, zijn een gemakkelijke prooi voor de golf, die hen opneemt en omwerpt. Maar de steenen gebouwen der Hollanders ondergaan hetzelfde lot; afgescheurd van hunne fondamenten verdwijnen zij in de zee.

Het indrukwekkende van dit schouwspel is moeilijk te beschrijven. Het onverwachte van hetgeen men aanschouwt en de reusachtige afmetingen van de verwoesting, die men voor zijne oogen ziet aanrichten, maakt, dat men zich moeilijk rekenschap kan geven van hetgeen men aanschouwt. Men kan het wellicht nog het best vergelijken met eene plotseling verandering van decoratief, die in feëeraën geschiedt door den tooverstaf eener fee--maar op een kolossale schaal en met het bewustzijn, dat het werkelijkheid is, wat men ziet, dat er duizenden menschen zijn omgekomen in een ondeelbaar oogenblik, dat er eene verwoesting zonder weerga is aangericht--en dat de waarnemer zich in dreigend levensgevaar bevindt. Als men al deze dingen samenvat, kan men wellicht den indruk wedergeven, dien zulk een natuurtooneel maakt, maar men blijft nog beneden de werkelijkheid.

Zoo had dan de "Loudon" eene vloedgolf doorstaan, die Telok Betong verwoest had. Waren alle aanwezigen op de "Loudon" aan levensgevaar blootgesteld geweest, zeker in de eerste plaats de passagiers, die voor Telok Betong bestemd waren, doch die, doordat er geen verkeer met den wal te verkrijgen was, niet geland waren. Gewoonlijk doet de zoogenaamde "Westboot" van Batavia naar Atjeh, Anjer niet aan. Bij uitzondering was de "Loudon" naar Anjer gestoomd, omdat aldaar de koelies aan boord zouden komen, bestemd voor het eiland Bodjo. De "Loudon" was anders eenige uren vroeger op de reede van Telok Betong aangekomen, er zou dan zeker nog verkeer met den wal geweest zijn, de passagiers zouden geland zijn en wat zou hun lot geworden zijn?

Daar het post- en telegraafkantoor te Telok Betong ook verdwenen was, zou het wellicht lang duren, voordat men op Java tijding had van de ramp, die Telok Betong getroffen had.

De gezagvoerder Lindeman besloot dus naar Anjer terug te varen, ten einde aldaar te rapporteeren, daar hij een langer verblijf op de reede bovendien gevaarlijk achtte. Wij gingen dus denzelfden weg terug, dien wij gegaan waren in plaats van door te gaan in de richting van Kroë.

Iedereen aan boord van de "Loudon" was geheel onder den indruk van de verwoesting van Telok Betong, die zoo plotseling geschied was. Zouden al de inwoners verdronken zijn? Ziedaar eene vraag, waarop wij geen antwoord konden geven.

Wij stoomden intusschen op. Dit gebeurde echter onder protest van een der passagiers, een officier der infanterie, die aan boord was gekomen met bestemming naar Telok Betong. Zijn marschorder toch luidde, dat hij zich had te begeven naar Telok Betong en hij eischte van den gezagvoerder, dat deze hem te Telok Betong aan wal zou zetten, al was die plaats dan ook verwoest. De Heer Lindeman weigerde echter aan zijn verlangen te voldoen.

Weldra hadden wij de reede van Telok Betong uit het oog verloren en wij hoopten spoedig uit de Lampongbaai te zijn. Maar zoo gemakkelijk zouden wij er niet afkomen. Te acht ure begon het daglicht te verminderen. Het werd hoe langer hoe duisterder, zoodat reeds om 10 ure des morgens eene Egyptische duisternis heerschte. Deze duisternis was volslagen. Meestal toch, zelfs in een donkeren nacht, kan men nog eenige omtrekken b.v. van witte voorwerpen onderscheiden. Doch hier heerschte eene volkomen afwezigheid van licht. De zon klom hooger en hooger; om 12 uur stond zij in het zenith, doch geene harer stralen bereikte ons. En dat die duisternis zich uitbreidde over eene groote uitgestrektheid, blijkt daaruit, dat, hoewel de zon boven onze hoofden stond, niet de minste verlichting aan den hemel, niet het minste spoor van diffuus licht aan de kim te zien was. Overal de dichte nachtelijke sluier! Overal een hemel zonder sterren! En deze afschuwelijke nacht duurde achttien uren!

Het spreekt van zelf dat de "Loudon" gedurende dezen poolnacht in de baai moest blijven "overwinteren." Wij ankerden dus reeds te 10 uur nabij het kleine eiland Tegal. Het was toen reeds niet mogelijk verder te gaan, niet alleen wegens de volslagen duisternis maar ook door den steeds in kracht toenemenden asch- en puimsteenregen, ten gevolge waarvan het scheeps-kompas allerlei afwijkingen vertoonde.

De volgende oogenblikken, lezer, overtreffen in ijselijkheid, alles wat men zich denken kan. De taal heeft geene uitdrukkingen om naar behooren weder te geven, wat wij hebben ondervonden.

De asch- en puimsteenregen werd vervangen door een dichten regen van modder, die al spoedig het dek met eene compacte laag bedekte. Die modder drong overal in en was vooral hinderlijk voor de bemanning, wier oogen, ooren, neus, letterlijk verstopt werden met deze afschuwelijke, kwalijk riekende zelfstandigheid.

Nu en dan viel er weer asch, dan weder was het of het schip gebombardeerd werd met stukken puimsteen.

De ademhaling werd bemoeilijkt door de asch, modder- en puimsteendeelen, het was alsof de dampkringslucht zelve eene wijziging had ondergaan. Eene helsche lucht van zwavelzuur verspreidde zich. Sommigen gevoelden suizingen in de ooren, anderen een gevoel van drukking op de borst en slaperigheid. Het was alsof de lucht loodzwaar op ons drukte. Kortom, ik geloof, dat als deze toestand langen tijd geduurd had, wij allen door verstikking zouden zijn gestorven.

Doch dat alles was slechts het begin van onze ellende Vrij wat erger verschrikkingen waren voor ons weggelegd!

Nadat de duisternis eenigen tijd geduurd had werd de zee onstuimig. De wind stak hevig op en groeide aan tot een vliegenden orkaan. Reusachtige golven, ware zeebevingen volgden elkaar met snelheid op. Die golven openbaarden zich door hooge zeeën, die plotseling opkwamen. Eenige daarvan kreeg de "Loudon" dwarsscheeps, zoodat zij werd opgenomen en zoodanig op zij helde, dat het gevaar dreigde, dat zij zou kantelen. Het schip maakte dan hevige slingeringen, zoodat alles door elkaar rolde en men zich verbeeldde in de golf van Biscaije te zijn tijdens een storm. Die hooge zeeën kwamen zeker overeen met de golven, die voor onze oogen Telok Betong verwoest hadden, maar niemand zag ze aankomen of kon hunne hoogte schatten, want de duisternis bleef steeds even dicht. Onze wakkere gezagvoerder Lindeman verloor echter geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geest. De reddingsbooten werden gereed gehouden om ze te strijken als het schip zou kantelen.

Van tijd tot tijd maakten felle bliksemstralen voor een ondeelbaar oogenblik een einde aan de duisternis. Die bliksemstralen troffen soms den mast met een vreeselijk, demonisch geluid en vonden dan hun weg langs den bliksemafleider. Op zulk een oogenblik was plotseling alles helder verlicht, en men zag, dat alles, het tuig, het dek, de bemanning aschgrauw van tint was geworden door den modderregen, zoodat men onwillekeurig aan een spookschip dacht. De brandspuiten stonden gereed, daar de gezagvoerder vreesde, dat het schip in brand zou vliegen door den bliksem. Het is bepaald te verwonderen, dat dit niet gebeurd is, evenals het mij nog verbaast, dat de "Loudon" dergelijke zeeën heeft kunnen doorstaan. Steeds was er stoom op en stoomde zij langzaam achter de beide ankers aan, daar Lindeman vreesde dat het schip driftig zou worden.

Behalve bliksem en donder werden er nog andere electrische verschijnselen opgemerkt. Vuurbollen werden gezien op het schip, die zich met groote snelheid bewogen en in het water verdwenen. Op de uitstekende punten van mast, stangen en ra's vertoonden zich blauwachtige vlammetjes. De inlanders hebben het bijgeloof, dat dit St. Elms-vuur de voorbode is van het vergaan van het schip. Vandaar dat, zoo spoedig zich een vlammetje vertoonde, al was het ook hoog in het tuig, de inlandsche matrozen in het want klouterden om het uit te dooven en deze ongeluksbode te verdrijven. Hoewel de modderregen het touwwerk glibberig had gemaakt, en ondanks het gevaar bij de ontzettende slingeringen, die het schip maakte, vlogen zij naar boven en sloegen op die vlammen, in hunne oogen ware fakkels van de hel. Maar tot hunne wanhoop slaagden zij er niet in ze uit te dooven; en als zij dachten, dat zij er hier een hadden uitgebluscht dan ontstonden er ginds weder nieuwe; zij doofden niet uit, maar veranderden alleen van plaats.

O, ik verzeker u, lezer, de uren kan men nimmer vergeten, die men aldus doorleeft.

Na elke golf heerschte er stilte en kalmte in de zee. Soms hield dan ook de modderregen op, de "Loudon" was dan geheel in rust. Maar deze kalmte was nog onrustbarender dan de orkaan. Men hoorde dan aanhoudend het hulpgeschrei van de kettingjongens en koelies in het voorschip. Zij toch waren zonder bedekking blootgesteld aan weer en wind. Kalm en gelaten, met de berusting, die de Mohammedaansche godsdienst hun schonk, droegen zij hun lot, en in de oogenblikken van verpoozing, die de golven en de orkaan ons schonken, weerklonk machtig en breed uit hun aller mond over de wateren van de Lampongbaai het vurige gebed tot den God van den Islam, zonder wiens wil geen hunner eenig letsel zal bekomen. Met kinderlijk vertrouwen zongen zij allen onophoudelijk in een bepaalden ryhthmus: _La illah la-il allah, Mohammed rasoel allah_. Er is maar één God en Mohammed is zijn profeet.