In Het Rijk van Vulcaan de Uitbarsting van Krakatau en Hare Gevolgen

Part 15

Chapter 152,888 wordsPublic domain

De directeur van den Botanischen tuin te Buitenzorg, Dr. M. Treub, bezocht in 1886, drie jaren na de uitbarsting, de Krakatau-groep. Lang-eiland en Verlaten-eiland, de naburen van Krakatau, zagen er toen nog geheel woest uit en ontbloot van planten. Maar op het eiland Krakatau zelf voerde Flora weder den schepter. De jongste plantenwereld van Krakatau stamt niet af van de vroegere. De hand des menschen is buiten spel gebleven, want het eiland is onbewoonbaar en moeilijk te bereiken. De nieuwe flora is dus ontstaan op eene andere wijze: de plantenkiemen kunnen er gebracht zijn door de golven, door den wind of door vogels.

De afstand, dien deze plantenkiemen hebben af te leggen om het eiland te bereiken, is niet zoo bijzonder groot. Want Krakatau ligt 41 kilometer of acht uur gaans van de kust van Java, terwijl Sumatra slechts 37 kilometer of zeven uur gaans verwijderd is. Van de kleinere eilandjes in Straat Soenda liggen Lang-eiland en Verlaten-eiland in de onmiddellijke nabijheid van Krakatau. Maar hier was de plantengroei eveneens totaal vernietigd. Het eiland Sebesie wordt aangetroffen op een afstand van 18 kilometer of drie en een half uur gaans.

Uit het onderzoek van Dr. Treub blijkt, dat in Juni 1886 de groote meerderheid der jeugdige planten op Krakatau uit varens bestond. Hij verzamelde hiervan elf soorten. Sommige van deze groeiden reeds in grooten getale, zoowel op den berg als aan het strand. Dezelfde soorten van varens komen voor in een uitgestrekt gebied om Krakatau gelegen, en er is dus niets vreemds in, dat de sporen van die varens aldaar zijn gekomen. Het kwam den heer Treub echter bijna onbegrijpelijk voor, dat die varens konden groeien onder zulke buitengewoon ongunstige omstandigheden. Eene dikke laag puimsteen en asch is toch zeker wel een zeer ongeschikte bodem tot het ontkiemen van planten. Hij mist alle mogelijke voedende bestanddeelen, die de planten noodig hebben voor hunne ontwikkeling. Want uit een scheikundig oogpunt beschouwd, gelijkt de asch en de puimsteen, die den bodem van Krakatau uitmaken, meer op fijngestampt glas, dan op teelaarde. Eene kale rots uit zulke bestanddeelen opgebouwd, gelegen in de brandende tropische zon, zonder de minste schaduw, ziedaar het terrein, dat de heer Treub geheel bedekt vond met varens.

--Hoe zijn die varens daar gekomen?

Ten einde het gewicht van die vraag te begrijpen is het noodig de wijze van voortplanting der varens nader te beschouwen.

Als men een blad van een varen omkeert, dan ziet men, dat de onderzijde bruingekleurde verhevenheden vertoont. Elk van die bruine plekjes bestaat uit eene verzameling sporenhuisjes, die elk verscheiden sporen bevatten.

Die sporen zijn min of meer te vergelijken met de zaden der zichtbaar bloeiende planten, met dit groote onderscheid, dat zij eenvoudige cellen zijn en niet zooals zaden eene kiem bevatten. Zij zijn door de bladeren voortgebracht, zonder samenwerking van tweeërlei deelen, m.a.w. zonder eenige bevruchting. Als nu echter de sporen uitgezaaid worden, dan ontstaan door vermenigvuldiging der cel zoogenaamde "voorkiemen" of "prothallia". Men kan deze beschouwen als de eerste generatie der varens. Aan die voorkiemen groeien zoowel mannelijke geslachtsorganen (antheridiën) als vrouwelijke (archegoniën). De antheridiën brengen trillende lichaampjes voort, die met eene eigenaardige cel van een archegonium zich vereenigende, deze tot een bebladerd plantje, de jonge varen, doet uitgroeien, welke dus de tweede generatie is.

Er moet dus, zooals men ziet, heel wat gebeuren voordat een varen als plantje ontstaan is, terwijl voor de ontwikkeling van dit plantje bovendien de brandende zon en de glasachtige bodem van Krakatau volkomen ongeschikt zijn.

De mogelijkheid bestond echter, dat òf de voorkiemen (prothallia) der varens òf de jonge gebladerde varenplantjes eene wijziging hadden ondergaan, en ten gevolge daarvan geschikt geworden waren om zich onder zulke buitengewoon ongunstige omstandigheden te ontwikkelen.

Zulk eene wijziging der plant-organismen toch komt meermalen voor; de plant schikt zich dan naar de veranderde levensomstandigheden, hetgeen men uitdrukt door het Latijnsche woord "adaptatio", of zooals men in 't Duitsch zegt "anpassung".

Ten einde hieromtrent zekerheid te verkrijgen, verzamelde de heer Treub sporen van de varens van Krakatau. Deze sporen werden nu vervolgens in het laboratorium van den Botanischen tuin te Buitenzorg door den heer Treub in vereeniging met Dr. W. Burck uitgezaaid op allerlei soorten van stoffen, ten einde te onderzoeken of de prothallia of de jonge bladplantjes eenige wijziging zouden ondergaan. Er werd echter geenerlei "adaptatio" waargenomen.

Hoe konden dus die varens op Krakatau leven, en zich in die mate ontwikkelen, dat zij drie jaren na de uitbarsting reeds het geheele eiland bedekten?

De heer Treub, die zich deze vraag stelde, slaagde er in het antwoord te vinden, vóór hij nog Krakatau verlaten had. Met het bloote oog was op sommige plaatsen te zien, dat zoowel asch als puimsteen bedekt was met een groenachtig laagje wier. En, toen de bodem met een loupe bekeken werd, bleek het, dat een dergelijk laagje nagenoeg het geheele eiland bedekte.

Verschillende monsters van dit laagje werden verzameld, en te Buitenzorg onderzocht. Zij bestonden uit _algen_ of _wieren_, behoorende tot de Cyanophyceën, waarvan zes soorten werden gedetermineerd. De meest voorkomende van deze was eene wiersoort, die tot de draadwieren behoort, en wel tot het geslacht Lyngbya. Zij ontving van den heer Treub ter eere van Verbeek den naam van "Lyngbya Verbeekiana."

Die algen waren de voorgangsters der varens. Zij waren de eerste bewoners van Krakratau na de uitbarsting. Deze lage plantenorganismen hadden den grond geschikt gemaakt voor de varens, daar zij de onvruchtbare asch en puimsteen met een geleiachtig, hygroscopisch laagje bedekten.

De Wieren of Algen zijn zeer eenvoudige planten, al vertoonen verscheidene soorten een vrij samengestelden vorm. Er zijn er, die uit slechts ééne enkele cel bestaan, wier celwand een inhoud omsluit, waarin de oorspronkelijke gelei of het protoplasma, het bladgroen of chlorophyl en het celsap slechts onvolkomen gescheiden zijn. Bij de soorten, die men Cyanophyceën noemt, is het chlorophyl met eene blauwe vloeistof gemengd en zijn draadvormige cellenrijen door een min of meer geleiachtig slijm omgeven en vaak vereenigd. Tot deze behooren de Oscillatoriën, stijve, eenigszins gewonden draden, die eigenaardige draaiende bewegingen uitvoeren; de dwarse afscheidingen der cellen zijn vaak zeer onduidelijk. Bij sommigen zijn de draden met eene zeer dunne slijmscheede omgeven, bij anderen met ééne of meer stevige, vliezige scheeden omsloten. Dit laatste is het geval bij de soorten van het geslacht Lyngbya, die met eenvoudige, onvertakte, onderling vrije draden aan de rotsen van Krakatau eene blauw-groene overdekkende laag en daarmede de mogelijkheid om andere planten te herbergen, verleenen.

"Het is voor mij buiten twijfel"--zegt de heer Treub--"dat slechts door de aanwezigheid van deze laag de sporen der varens en mossen in staat waren te ontkiemen. Bij een der monsters van den bodem van Krakatau vond ik een spoor van "Pteris longifolia" (eene varensoort), die een kiem van drie cellen ontwikkeld had en gevangen was in een net van scheeden van "Lyngbya Verbeekiana", (de alge, naar Verbeek genoemd).

Toen de algen eenigen tijd op Krakatau gegroeid hadden, was de bodem geschikt geworden voor de varens, en weldra was het geheele eiland met varens bedekt, terwijl er ook twee mossoorten groeiden, die echter slechts hier en daar sporadisch voorkwamen.

De varens zouden echter niet lang de alleenheerschappij hebben op Krakatau.

Want zij maakten op hare beurt den bodem geschikt om zichtbaar bloeiende planten (phanerogamen) te doen ontkiemen. Op het oogenblik, dat de heer Treub het eiland betrad, was dat tijdstip reeds aangebroken. De "Strijd om het bestaan" was reeds uitgebroken tusschen de oudere bewoners, de varens, en de nieuwere, de zichtbaar bloeiende planten. In dien strijd waren voor het oogenblik nog de varens de meerderen. Slechts hier en daar stak een jong zichtbaar bloeiend plantje het hoofd op. Op het strand vond de heer Treub acht plantensoorten, allen zeer jonge exemplaren. Geheel dezelfde soorten treft men aan op koraaleilanden, die nog slechts een kort bestaan achter zich hebben.

Bovendien groeide er eene grassoort de "Gymnothrix elegans," die veel voorkomt op Java.

Verder werden aan het strand nog eenige vruchten of zaden verzameld van boomsoorten, welke algemeen voorkomen aan de stranden en op de koraaleilanden van Insulinde en Polynesië.

In het binnenland van Krakatau, op den berg Rakata, werden zes geheel andere soorten van phanerogamen gevonden, die in het geheel niet aan het strand groeiden.

Nimmer te voren is er gelegenheid geweest om het ontstaan van de flora na te gaan op een vulkanisch eiland, dat plotseling uit de zee op was gekomen. De uitbarsting van Krakatau is in dit opzicht eenig. Want voor den plantkundige is de bodem van Krakatau te vergelijken met een dergelijk terrein. Hier was een vulkanisch eiland, dat plotseling beroofd is van zijn plantenkleed door eene uitbarsting. Dank zij Dr. Treub, weten wij nu hoe zulk eene kale rots een groen eilandje wordt! Na de algen komen de varens, die op hunne beurt worden verdreven door de bloeiende planten! Het eiland Krakatau heeft aldus in drie jaren doorleefd, wat onze aarde heeft ondervonden in duizenden eeuwen. Evenals op Krakatau tijdens de uitbarsting de hevige warmte alle organisch leven heeft gedood, zoo was er ook op aarde in het oudste geologische tijdperk geen spoor van organisch leven, daar de aarde nog zóó warm was, dat plant noch dier kon bestaan. Waren op Krakatau algen de eerste bewoners, ook op aarde zijn zij de eerste organische wezens, die de geoloog in de oudste versteeningen aantreft. Weldra verschijnen op Krakatau de varens. Ook onze aarde heeft de tijd gekend, toen de algen opgevolgd waren door de varens. In het steenkolen tijdperk bereikten deze eene ontwikkeling, waarvan wij ons nu geen denkbeeld kunnen maken. Men kent uit de versteeningen in Europa alleen 300 soorten van varens in dat tijdperk, terwijl men thans slechts het vijfde deel er van aantreft. Daarna verschenen op aarde de zichtbaar bloeiende planten en in de jongere tijdperken der aardkorst ging de macht der varens en andere cryptogamen ten onder. En zóó zal het ook op Krakatau gaan! Weldra zullen ook daar phanerogamen de meerderheid uitmaken, en de varens zullen worden verdrongen.

Eenige belangrijke beschouwingen van Dr. Treub, gepubliceerd in de "Annales du Jardin botanique de Buitenzorg," v. VII, mogen hier niet achterwege blijven.

"Wanneer Krakatau gelegen ware in het midden van den Oceaan, op zeer grooten afstand van met phanerogamen begroeide eilanden, dan zouden de varens niet zoo spoedig verdwijnen. Evenals dit geschiedt op de koraaleilanden van jongere vorming, zal het strand bedekt worden met waterplanten. Langzamerhand zullen hier, uit zaadjes, die door water, wind of vogels worden aangevoerd, ook phanerogamen ontkiemen; stelt men zich nu voor dat het eiland intusschen met varens bedekt is, dan zal de strandflora zich langzamerhand verspreiden van het strand af naar het binnenland. Dit is niet onmogelijk, omdat de meeste planten, die op het strand groeien, wel is waar het zeestrand verkiezen, maar toch nog groeien kunnen op eene vrij groote hoogte en op eenigen afstand van het strand. Maar hoe verder de strandflora zich van zee verwijdert, des te minder levensvatbaarheid heeft zij. Dicht bij het strand zal zij dus spoedig de overwinning behalen op de varens, maar het binnenste van het eiland, vooral als het een berg is, zal aan de varens blijven behooren. Want de strandflora kan daar niet bestaan en, als het eiland zeer geisoleerd ligt, zullen er weinig kiemen worden aangevoerd van phanerogamen, die geschikt zijn op groote hoogte en ver van het strand te leven.

In een dergelijk geval verkeeren de eilanden Juan Fernandez en Ascension.

Juan Fernandez is een klein vulkanisch eilandje, gelegen op een afstand van 400 mijlen van de Westkust van Amerika op de hoogte van Chili. Men vindt hier 24 soorten van varens, en zij vormen het hoofdbestanddeel van de flora op dit eiland.

Ascension is een vulkanisch eiland, dat nagenoeg even hoog is als Krakatau. De bodem van dit eiland geeft dien van Krakatau niet veel toe, zooals blijkt uit de volgende beschrijving. "Men heeft St. Helena eene naakte rots genoemd, maar het is een paradijs vergeleken met Ascension, dat bestaat uit eene verschroeide massa van vulkanischen oorsprong, die voor een gedeelte gelijkt op flesschen-glas en voor een ander gedeelte op cokes en asch.

Wat de flora van Ascension betreft, zoo groeien er alleen planten op eene kleine, groengekleurde bergpiek, die zich tot eene hoogte van 2800 voet boven de zee verheft. Op het lage gedeelte van het eiland komt alleen één grassoort voor, maar de piek is bedekt met een kleed van varens, waaruit hier en daar een heester te voorschijn komt."

Juan Fernandez en Ascension liggen ver van de overige plantenwereld; de kiemen der phanerogamen moeten langen tijd in zee blijven drijven, zonder hunne kiemkracht te verliezen. En dit gebeurt niet gemakkelijk.

Was Krakatau in eene dergelijke conditie, dan zou de flora, zooals Dr. Treub haar in 1886 aantrof, een blijvend karakter hebben. Maar zooals dit eilandje ligt, te midden van de vruchtbare dicht begroeide eilanden van Insulinde, kunnen de kiemen der zichtbaar bloeiende planten, die op groote hoogte, verre van het strand, kunnen groeien, er even gemakkelijk komen door den wind, als door de zee en door de vogels, zonder hunne kiemkracht te hebben verloren. En, hoewel bij het bezoek van Dr. Treub het binnenste van het eiland nog maar enkele jonge phanerogamen droeg, zoo was dit toch reeds het begin van eene nieuwe periode.

De overeenkomst tusschen het kale eiland Ascension en de schaduwlooze puimsteenbergen van Krakatau is slechts van tijdelijken aard. Want reeds ontspruiten er de zichtbaar bloeiende planten, die een geheel ander karakter zullen geven aan het eiland. Die phanerogamen planten zich voort en vermenigvuldigen zich; de wind brengt nieuwe soorten over. De vogels vinden dan op het eiland schaduw en rusten er gaarne uit. Hunne stofwisseling brengt niet alleen meststoffen aan, maar in hunne excrementen vindt men bovendien zaadjes, afkomstig van vruchten. Ten slotte wordt de bodem bedekt met organische bestanddeelen, afkomstig van de plantenwereld; er heeft zich eene echte humuslaag gevormd.

Zoo verliest Krakatau den eigenaardigen stempel, dien de uitbarsting er op drukte. En als eenmaal de boomen volwassen zullen zijn, die er thans welig opschieten, dan zal Krakatau hetzelfde onschuldig, vriendelijk uiterlijk hebben als de tallooze andere eilandjes in den Indischen Archipel. Weer zullen dichte bosschen het eiland bedekken, zooals ze dat deden vóór 1883, en men zal moeite hebben om te gelooven, dat het eiland voor weinige jaren eene grijze rots was.

Maar al onderscheidt zich dan ook in de toekomst waarschijnlijk Krakatau in niets van zijne ontelbare buren, de groene eilanden van den Archipel, de herinnering aan de uitbarsting van 1883 zal nooit uitgewischt worden. Evenals Herostratus te Ephese er voor meer dan 2000 jaren in geslaagd is om zijn naam aan de vergetelheid te ontrukken door het plegen van eene groote misdaad: het in brand steken van den tempel van Diana, zoo heeft Krakatau aan de menschheid in 1883 zooveel leed berokkend, dat het genoeg gedaan heeft om nooit vergeten te worden.

Maar dit leed treedt geheel op den achtergrond, als het wordt vergeleken met de verplichtingen, die elk veld van natuurstudie aan de uitbarsting heeft. Zij verschafte ons op reusachtige schaal tal van feiten, die een nieuw licht werpen op menig gebied der natuurwetenschappen. In dat opzicht is zeker de uitbarsting van Krakatau eenig in de geschiedenis der aarde.

En wie weet, welke verrassingen dit geheimzinnige plekje ons nog bieden zal?

INHOUD.

HOOFDSTUK I.

De wereld van Vulcaan 7

HOOFDSTUK II.

Op weg naar Indië 31

HOOFDSTUK III.

Krakatau vóór de groote uitbarsting 40

HOOFDSTUK IV.

Aan boord van de "Gouverneur-Generaal Loudon", tijdens de uitbarsting 54

HOOFDSTUK V.

Aan boord van de "Gouverneur-Generaal Loudon", na de uitbarsting 77

HOOFDSTUK VI.

Het gebied der schoten en luchttrillingen van Krakatau 94

HOOFDSTUK VII.

De waterbeweging 108

HOOFDSTUK VIII.

Het gebied der uitgeworpen stoffen 119

HOOFDSTUK IX.

Gelijktijdige vulkanische gebeurtenissen op aarde 129

HOOFDSTUK X.

I. De optische verschijnselen in den dampkring van 1883-1886 138

II. Kan de uitbarsting van Krakatau de oorzaak zijn der abnormale optische verschijnselen van 1883-1886? 150

HOOFDSTUK XI.

Na de groote uitbarsting 164

HOOFDSTUK XII.

Het nieuwe plantenkleed van Krakatau 185

Voetnoten:

[1] Zie pag 80.

[2] Zie over de onderzoekingen van Aitkin, de Engelsche "Nature" of de "Revue scientifique": "les poussières de l'air" (13 Oct. 1888). na diffractie en absorptie door de lagere luchtlagen, terwijl de stoflaag in de tweede plaats het gereflecteerde licht terugkaatste. En dit verschijnsel is mogelijk, als de stofdeeltjes zeer fijn verdeeld in de atmosfeer voorkomen.

[3] "Die Bewegung des Krakatau Rauches in September 1883" von Prof. J. Kiessling.

[4] Denkbeeld van Mr. W.H. Preece uitgedrukt in de "Times" 12 Dec. 1883 (Rapport R.S. pag. 416).

[5] Zie pag. 451 Rapp. R.S.

[6] Rapp. R.S. pag. 448.

[7] Rapp. R.S. pag. 413, 414 en 449.

[8] Rapp. R.S. pag. 449.

[9] Wij vinden daar 1885, pag. 50: "Un témoin oculaire de l'éruption de Krakatoa M. van Sandick a résumé ses impressions, en même temps que les résultats de l'enquête faite par M. Verbeek. _Ces résultats nous suggèrent quelques réflexions_, que nous soumettons au lecteur." etc. observés en Asie, en Afrique, en Amérique et en Europe et qu'en France M. Camille Flammarion a été le premier à attribuer à la catastrophe de 26 et 27 Aout ont eu certainement pour cause principale les particules de cendre, se maintenant durant de longs mois dans les régions supérieures de l'atmosphère terrestre."

[10] Riviermonden.

End of Project Gutenberg's In Het Rijk van Vulcaan, by R. A. van Sandick