In Het Rijk Van Vulcaan De Uitbarsting Van Krakatau En Hare Gev

Chapter 6

Chapter 63,846 wordsPublic domain

Ons schip bleef aanhoudend onder stoom; het was echter te vreezen, dat de machine haar dienst zou weigeren, omdat de modder in alles doordrong.

Hulde aan den kok, die ondanks alle zeebevingen, er toch in geslaagd is om eten te koken. Natuurlijk had alles de "couleur locale", dat wil zeggen, dat de spijzen niet geheel vrij waren van asch, modder en puimsteen; maar toch, er was iets te eten.

Maar het middagmaal is niet vroolijk, want de golven zijn nog niet bedaard. Het schip slingert sterk, en men hoort steeds het eentonige geluid van de modder en de puimsteen, die op het dek boven onze hoofden neervalt.

Het was daarenboven alles behalve frisch in de kajuit, waar wij waren opgesloten. Alle openingen waren zoogoed mogelijk toegestopt, ten einde de modder zooveel mogelijk te weren. Sommige passagiers waren tengevolge van de afgrijselijke bewegingen van de "Loudon" in hooge mate zeeziek. Zij gevoelden zich tengevolge van dien zóó ellendig, dat er in hunne gedachten geen plaats was voor het dreigende gevaar, waarin zij verkeerden.

Niemand begreep goed, wat er eigenlijk gebeurde. Het vergaan van Telok Betong voor onze oogen, de helsche duisternis op het midden van den dag, de electrische verschijnselen, de zeebevingen, de modderregen, de toestand van de atmosfeer; dit alles was te veel vreemds op eens om naar eene verklaring te zoeken. Ik geloof niet, dat iemand vermoedde, dat Krakatau, het doelwit der vroegere pic-nic van de "Loudon", de schuld van alles was.

Onze dappere Lindeman week geen oogenblik van zijn post, evenmin als de scheeps-officieren onder zijne bevelen. Hoewel zij bijna verblind en verdoofd waren door de modder, bleven zij op het dek, en verschenen alleen van tijd tot tijd in de kajuit om ons gerust te stellen en ons mede te deelen, dat het gevaar geweken was. Maar nauwelijks hadden zij uitgesproken of er gebeurde iets vreemds, dat hunne woorden logenstrafte en dan stormden zij uit de kajuit naar hunnen post--in het gevaar.

Lindeman was een echte zeerot; hij had, zooals men het noemt, "heel wat bijgewoond." Maar ook hij wist, evenmin als wij, welk natuurverschijnsel er plaats greep.

"Ik dacht werkelijk, dat de wereld verging", zeide hij later, toen wij nog eens de gebeurtenissen van die vreeselijke uren bespraken.

Zelden is de morgenstond met meer vreugde begroet, dan aan boord van de "Loudon" op den 28sten Augustus. Des nachts te vier ure, toen wij volle achttien uren in de duisternis hadden doorgebracht, wordt er aan de kim eenig flauw licht waargenomen; een schijntje van de maan breekt door en de lucht is minder drukkend. Er valt nog wel puimsteen en ook de aschregen begint weder, maar het "Oog van den dag"--"Mati hari"--zooals men in 't Maleisch zegt, hebben wij weder terug. Het wordt lichter en lichter: er is dus kans om die ongelukkige baai te verlaten.

De Sumatra-wal is dichtbij. De kust ziet er hier allertreurigst uit: alles is kaal; de boomen zijn door het gewicht van asch en modder omgevallen of door de golven der zeebeving medegenomen. De zee is overal bedekt met drijfhout en puimsteen. In de verte, in de richting van Poeloe Tiga, is de ingang van de Lampongbaai geheel afgesloten door groote opeenhoopingen van puimsteen, die eilanden vormen, welke boven de zee als riffen of klippen uitsteken, en die eene aaneengesloten verbinding schijnen te vormen tusschen Poeloe Tiga, Seboekoe en den vasten wal. Deze eilanden van puimsteen drijven als ijsbergen, zij vereenigen zich met elkaar en worden grooter, want de zeestroomingen zijn nog steeds sterk en voeren steeds puimsteen aan. Maar ondanks die drijvende puimsteenbergen moeten wij, het koste wat het wil, de Lampongbaai uit.

Daar het vaarwater in Straat Lagoendie tusschen het eiland Lagoendie en den Sumatrawal betrekkelijk open was, werd er koers gezet in die richting.

Ongelukkig ontdekken wij dat de uitgang van die straat eveneens gesloten is door een groot drijvend puimsteeneiland, dat ongeveer twee meter dik is en den weg geheel verspert.

Maar de "Loudon" moest tot elken prijs uit de Lampongbaai en zij stoomde dus dapper op het puimsteeneiland in. En het eiland opende zich en liet de "Loudon" door, terwijl de puimsteen zich achter het schip weder sloot--zoo voeren wij dwars door het eiland henen. Wel geraakte de vangpijp van de machine verstopt, maar gelukkig waren wij reeds door het eiland gevaren, in open zee en gered.

Wat ziet de "Loudon" er uit! Geen baggermolen kan zoo vuil en smerig zijn. Alles zit vol vieze, stinkende modder. Alle losse voorwerpen op het dek zijn verdwenen, de stijlen, die de zonnetenten dragen, zijn midden doorgeknapt; de hut van den gezagvoerder is gevuld met modder. Als de boot een jaar of tien geleden was gezonken en nu gelicht, zou zij er wellicht niet zoo walgelijk hebben uitgezien. Het is een tafereel, de pen van Zola waardig.

Behalve het scheepsvolk helpen ook de militairen, de Bantamsche koelies en de dwangarbeiders om het dek te wasschen en de modder te verwijderen, die letterlijk overal is ingedrongen. Het duurde echter een paar dagen voor de "Loudon" er weer toonbaar uitzag.

Wij verlaten thans voor eenige oogenblikken de "Loudon" en keeren nog eens terug naar de reede van Telok Betong. Behalve de "Loudon" bevonden zich aldaar tijdens de verwoesting van deze stad nog twee schepen: het zeilschip "Marie" en het stoomschip "Barouw". Deze schepen lagen dichter bij Telok Betong dan de "Loudon." Zooals reeds vermeld is werden zij beiden door de vloedgolf medegenomen, die voor onze oogen Telok Betong had vernietigd en toen het water was afgetrokken, zagen wij de "Marie" dwars op het strand liggen, terwijl de "Barouw" veel hooger op de kust bleef vast zitten.

De lotgevallen van de "Marie" grenzen aan het wonderbaarlijke.

De "Marie" was een zeilvaartuig in dienst van de firma Landberg en Co. te Batavia, de aannemers van het transport van gouvernements-zout van de depôts naar de zoutverkooppakhuizen.

De kapitein was afwezig, zoodat de eerste stuurman, de heer K.P. Stokhuijzen, als gezagvoerder fungeerde. Op den avond van den 26 Augustus, toen wij van de "Loudon" de "Marie" zagen liggen, had zij even als wij voortdurend te kampen met zware zeëen. Vele prauwen sloegen van hun anker en botsten tegen de "Marie" aan, of werden op den wal verbrijzeld; op de "Marie" werden nog tien schipbreukelingen van verongelukte prauwen opgevischt.

Toen de heer Stokhuijzen den volgenden morgen de hooge golf zag aankomen, die Telok Betong zou vernietigen, liet hij alle luiken en gaten dicht spijkeren. Hij was daar juist mede gereed toen de vloedgolf de "Marie" bereikte. Toen werd de "Marie" op zijde op het strand geworpen en toen de "Loudon" wegstoomde, zagen wij haar liggen.

Ik kan niet nalaten hier de eigen woorden van den heer Stokhuijzen aan te halen, waarmede hij zoo eenvoudig en onopgesmukt het verder wedervaren van de "Marie" verhaalt in een brief aan zijne betrekkingen.

"Het schip hield de zware zeeën goddank goed uit, maar het werd op het strand geworpen, zoodat ik bij het afloopen van het water droogvoets om het schip kon loopen. Terstond daarop belegde ik scheepsraad, waarin de equipage verklaarde niet langer aan boord te willen blijven, omdat wanneer wij nogmaals zulke zeeën kregen, het schip groot gevaar liep geheel verbrijzeld of ten onderste boven geslagen te worden. Ik gaf hun verlof het schip te verlaten, doch zelf besloot ik het mij toevertrouwde schip niet te verlaten, en dus aan boord te blijven.

Daarop verliet de equipage het schip, maar een gedeelte bereikte slechts den wal en de anderen kwamen met veel moeite weder aan boord terug, zoodat ik weder 8 mannen en 3 vrouwen aan boord had.

Tegen 10 uren zag ik weder drie zware zeeën aankomen en dacht nu dat mijn levensloop gesloten was, want het schip lag op het strand en daarbij dwars, zoodat de aanrollende golven met volle kracht op het schip konden neerkomen."

"Ik deed een kort gebed, herdacht u allen en wachtte gelaten af wat komen zou.

Het schip werd als een bal opgenomen en plat op zijde geworpen. In deze positie liepen de zeeën over de "Marie" heen.

Intusschen werd het duister. Eensklaps hoorden wij een knal, alsof een buskruitmagazijn in de lucht vloog. De hemel stond als het ware in vuur en er was een zwaveldamp, benauwend tot stikkens toe. Tegen 3 uur 's namiddags kreeg ik nogmaals 3 zeeën over, en daarna niet meer. Het werd geen dag meer. Waar ik was wist ik niet; ik dacht hoog en droog op het strand te staan. Eindelijk kwam de lang gewenschte dag. Toen ik aan dek kwam stond ik van ontzetting als verstomd. Van alle schepen op de reede was alléén de "Marie" als door een wonder gered."

"Wij lagen weer in diep water. Ik houd het er voor, dat de laatste hooge zee ons weer van strand heeft afgeslagen.

Wij hebben 4 personen, waaronder 2 vrouwen, verloren."

Zonder voorbeeld is inderdaad het lot van de "Marie"! Wel zeer terecht mocht Stokhuijzen schrijven, dat de "Marie" als door een wonder gered was. Dat de golf een schip uit zee opneemt, omwerpt en zóó hoog op het strand zet, dat is op zich zelf al geen dagelijksch verschijnsel. Maar dat eene nieuwe golf het schip weer opricht en, evenals of het van de werf afloopt, behoorlijk in zee plaatst, grenst dit niet aan het ongelooflijke?

Het tweede schip, dat wij hadden zien opnemen door de vloedgolf te Telok Betong, was het stoomschip "Barouw". Toen wij wegstoomden zagen wij het stoomschip hoog op de kust zitten. Later bleek de "Barouw" echter spoorloos verdwenen te zijn.

Geruimen tijd na de ramp vond men de "Barouw" terug, op drie kwartier afstand van de zee, op het droge, evenals de arke Noachs na den zondvloed.

Wat was er intusschen geworden van de inwoners van Telok Betong?

Den 26sten Augustus des avonds, toen de "Loudon" verwacht werd, begaven zich vele Europeanen op het havenhoofd, want er komt niet dikwijls een stoomschip uit Batavia en men heeft niet veel afleiding te Telok Betong. Toen verscheen de eerste vloedgolf; het havenhoofd overstroomde, en de bezoekers redden met moeite hun leven. Den volgenden morgen te half zeven kwamen de golven, die wij van de "Loudon" af zagen; het lage gedeelte van Telok Betong werd vernietigd, maar alle Europeanen waren gevlucht naar de woning van den resident en de benting, gelegen op 24 meter boven de zee. Te tien ure knalde eensklaps een slag, als van een vuurmond, in de onmiddellijke nabijheid. De hemel is koperkleurig, de zon is onzichtbaar, bliksemstralen doorklieven de lucht. Om half elf is de duisternis volkomen. Modder en puimsteenregen doordringt alles, het loeien van den wind overstemt alles, de orkaan is allerhevigst, evenals bij ons op de "Loudon", die niet ver van hier hetzelfde lot ondergaat.

Toen het licht werd, zagen de geredden eene kale vlakte, geen huis, geen boom was gespaard. Lijken van menschen en dieren, stukgeslagen vaartuigen, ontwortelde boomen en drijfhout, alles onder de modder begraven, ziedaar wat van Telok Betong over was. Niemand had in de duisternis het dreigende levensgevaar bespeurd, waarin allen verkeerd hadden. Tijdens die duisternis toch was eene vloedgolf gekomen, die tot op eene hoogte van 22 M. boven de zee was opgeloopen en die het water tot de onmiddellijke nabijheid van hun toevluchtsoord had opgestuwd.

In het geheel vonden in de residentie Lampongsche districten 12500 menschen den dood ten gevolge van die vreeselijke golven.

Wel betaamt ons, passagiers van de "Loudon", een gevoel van dankbaarheid tegenover kapitein Lindeman! Was hij niet onmiddellijk, na de vloedgolf van half zeven 's morgens, weggestoomd, dan waren wij zeker met de latere, zooveel machtiger vloedgolf op de kust van Telok Betong geslagen.

En, wanneer hij niet den moed had gehad om dwars door het drijvende puimsteeneiland van Straat Lagoendie te varen, dan waren wij niet meer uit de Lampongbaai gekomen. Want ontzettende massa's puimsteen dreven voortdurend de Lampongbaai binnen. Zij bedekten weldra, als ééne compacte massa, de geheele watervlakte, en maanden lang was de Lampongbaai geheel gesloten voor de scheepvaart. Evenals eene Noordsche haven, die een gedeelte van het jaar door het ijs geblokkeerd is, was de geheele baai totaal afgesloten door puimsteenvelden. En er verliepen meer dan drie maanden na de verwoesting van Telok Betong voor er weer een schip kon ankeren op de reede.

Want eerst in December 1883 raakte de puimsteen in beweging en dreef weg uit de Lampongbaai. In dien tusschentijd was Telok Betong alleen over land te bereiken van uit de Ratehbaai. Die geelachtige, grijze laag puimsteen in de Lampongbaai verhief zich op sommige plaatsen meer dan 4 M. boven de zee. De heer Verbeek vergelijkt die drijvende massa's met vuil ijs. Zij kunnen het gewicht van een mensch niet dragen en ze zijn te dik, te veel door elkaar gewoeld, te goed aan elkaar verbonden door modder, slik en asch, om een schip te laten passeeren.

Het ligt voor de hand, dat de ontzettende golven, die Telok Betong wegvaagden, eene niet minder volledige verwoesting hebben aangericht over het geheele Kustland van de Lampongbaai. Het gebergte is hier overal vlak bij de kust, zoodat de strook, die schoongeveegd werd door de wateren, niet breed is. Maar aan het strand lagen verschillende welvarende, volkrijke kampongs, waarvan geen spoor meer over is gebleven. Zoo verdwenen aan den voet van den berg Radja Bassa, de plaatsen Kalianda en Katimbang reeds te gelijk met Telok Betong, den morgen van den 27sten Augustus te half zeven. Maar toen ook daar de duisternis inviel, begon er een echt bombardement; hevige schoten en knallen vergezelden een hagelbui van puimsteenbrokken, grooter dan een vuist. De controleur van Katimbang, de heer Beijerinck, was reeds den vorigen avond met echtgenoot en kinderen gevlucht op de helling van den berg Radja Bassa, naar eene kleine kampong, Oemboel Balak geheeten.

Toen het bombardement met puimsteen geëindigd was, ontstond er een regen van gloeiende asch, terwijl er een benauwde zwaveldamp was.

De rampzaligen werden levend geroosterd, zij werden overdekt met brandwonden. De toestand was zoo afschuwelijk, dat zij den hemel dankten toen de gloeiende aschregen vervangen werd door een stortregen van koude modder. Die modder plakte vast op de open brandwonden en met dat stinkende slijk koelden zij zich af. Onder de hevigste pijnen, niet in staat hunne wonden te verbinden, omringd door tal van gevluchte, gewonde inlanders, in de diepste duisternis gehuld, brachten zij een ontzettenden dag door. De arme ouders moesten het beleven dat hun jongste lieveling in hunne armen aan zijne brandwonden bezweek.

Eindelijk werd het licht, maar waar zouden zij heen? Buiten staat zich te bewegen, een ondenkbaar lijden verdurende aan hunne brandwonden, brachten zij vijf dagen en vijf nachten onder een afdakje door; toen sloeg voor hen het uur der redding. De hopperbarge "Kedirie" kwam 1 Sept. 1883 op de reede van Kalianda. Aan wal gekomen vernam men, waar de heer Beijerinck was; de arme lijders werden meer dood dan levend naar land gedragen en naar Batavia gevoerd, alwaar zij door goede verpleging en zorgvuldige medische behandeling allen genazen.

Het lot dat de Semangkabaai trof was even tragisch.

De Resident der Lampongs, de heer N. Altheer, die te Telok Betong woont, was van plan om den 27sten Augustus in de Semangkabaai te komen, ten einde den controleur van Pajoeng Semangka, den heer P.L.C. le Sueur te bezoeken. De controleur was verwittigd van dit bezoek; toen hij dus den 26sten Augustus te half vijf des avonds een kanonschot hoorde, moest hij gelooven dat de resident zijn bezoek een dag vervroegd had. Hij begaf zich dus met alle hoofden van zijne afdeeling naar Beneawang, de havenplaats van de Semangkabaai. Maar de resident kwam niet en men zag ook het vaartuig niet, dat het kanonschot zou gelost hebben. Plotseling overstroomt een gedeelte van het strand; des nachts ziet men een roodachtig licht. Den volgenden morgen verzamelden zich te 6 ure de controleur en de inlandsche hoofden op nieuw aan het strand ter eere van den resident.

De zee was toen zóó laag, dat er klippen te zien waren, die nooit van te voren waren waargenomen. Plotseling komt de zee opzetten. De controleur en de inlandsche hoofden vluchten naar de woning van den controleur, die op eene hoogte gelegen was.

Het water keert naar zee terug, maar het komt terug, hooger dan te voren. Het huis wordt overstroomd, vernietigd en medegevoerd door de naar zee teruggaande golf. De klerk van Zuijlen en al de inlandsche hoofden verdwijnen. De controleur wordt eveneens medegesleept doch blijft op het droge achter. Van de overige vluchtelingen wordt nimmer meer iets vernomen.

Toen viel ook hier de duisternis in. Wederom wordt de controleur door eene golf medegesleept; in doodsangst klemt hij zich aan een boomstam vast; en ten tweeden male wordt hij gered. Na een wanhopigen tocht over omgevallen boomen, door puimsteen en modder, mocht het den heer le Sueur gelukken op het voorgebergte van den Keizerspiek eene veilige schuilplaats te vinden.

Aan den ingang van Straat Soenda is in de residentie Benkoelen een ijzeren vuurtoren gebouwd bij de dorpen Laboean-Blimbing en Blimbing gelegen bij de Blimbingbaai. De golven van 26 Augustus en die van 27 Augustus te half zeven ure deden hier weinig schade. Maar de groote golf, die in de duisternis kwam opzetten, verwoestte letterlijk alles, behalve den toren zelf. De ijzeren en steenen gebouwen, die om den toren stonden, werden alle totaal weggevaagd. De dorpen Blimbing overstroomden, 34 menschen kwamen om; op grooten afstand van den toren vond men nog lijken van menschen, stukken ijzer, ontwortelde boomen, alles door en in elkander gewoeld.

De lichtopzichter, de heer T. Hamwijk, werd begraven onder de puinhoopen van de keuken, die ingestort was. Hij werd zwaar gewond, doch wist zich te bevrijden. Het personeel van den heer Hamwijk kwam grootendeels om. De inlandsche mandoer met 10 dwangarbeiders verdwenen. De overigen werden bijna allen zwaar gewond naar Batavia vervoerd.

Vele van de 12500 slachtoffers op Sumatra zijn naar zee gespoeld. Maar duizenden lijken bleven op de kust liggen. De bevolking van dat gedeelte van Sumatra is schaarsch en de middelen van gemeenschap zijn moeilijk. Weken na de verwoesting van de kustlanden lagen die lijken onbegraven te rotten op de kust, zij verspreidden eene afgrijselijke lucht en vulden den dampkring met miasma's.

Niets vermag den verbijsterenden indruk weder te geven, dien die kustlanden van Sumatra maakten, zooals ze aanschouwd werden van de "Loudon" nog geen etmaal na de verwoesting. Op eene hoogte van 22 à 24 M boven de zee zag men eene streep. Beneden die streep was alles kaal, grijs of geel; eenige door elkander gegooide klapperboomen gaven hier en daar de plek aan, waar gisteren nog een bloeiend dorp lag en waar nu alleen eene kale plek te zien was of wel een onbeschrijflijke chaos van boomen, steenen en planken.

HOOFDSTUK V.

Aan boord van de "Gouverneur-Generaal Loudon" na de uitbarsting.

Bezoek aan Krakatau.--De vulkanische riffen tusschen Krakatau en Seboekoe gisteren geschapen.--Vulkanische werking aldaar--Moeilijkheid om zich te oriënteeren.--De opname der marineofficieren Steers en Calmeijer. De vulkanische werking op Steers- en Calmeijer-eiland, van de "Loudon" waargenomen, wordt door den heer Em. Metzger verklaard te zijn "eene notorische Unrichtigkeit"--Toch is het waar.--Instorting van Krakatau--De Krakatau-groep.--Langzaam verdwijnen van Steers- en Calmeijer-eiland.--De "Loudon" op de reede van het verdwenen Anjer.--

De stomp van den vuurtoren op Java's Vierde punt.--De Anjersche koelies.--De resident Spaan op de plaats waar eens Anjer was.--Hij komt aan boord van de "Loudon."--

Wat er te Anjer gebeurd is.--Het lot van Tjaringin.--De dood der afstammelingen van den regent van Lebak uit de "Max Havelaar."--Van Anjer naar 't oude Bantam met de "Loudon".--Bestaat Dwars-in-den-Weg uit 5 stukken?--Het Krakatau-album.--Het lot van Merak.--De ingenieur A.C. Nieuwenhuijs gered.--In de Bantambaai--Met de "Loudon" naar het Westen.--Aankomst te Kroë, Benkoelen en Padang.

Wij verlieten het stoomschip "Loudon" toen het den 28sten Aug. uit Straat Lagoendie in het ruime sop was gekomen, en het gevaar geweken was. De koers, dien de gezagvoerder verder nam, was door Straat Soenda, beoosten en later bezuiden Krakatau, want hij wilde te Anjer de verwoesting van Telok Betong rapporteeren. Toen wij dit eiland aan bakboord hadden, bleek het duidelijk, dat er verband bestond tusschen de verschijnselen, waarvan wij bijna het slachtoffer waren geworden, en den vulkaan op Krakatau, dien men tot nu toe als een aardigheid beschouwde, geschikt als doel voor een pic-nic.

Het eiland n.l. had zich zelf uitgespogen (men vergeve mij de onkiesche uitdrukking, doch ik weet geen betere te vinden) en was grootendeels verdwenen.

Het Noordelijke gedeelte, waar in Mei 1883 de berg Perboewatan werkte, is geheel verdwenen, ook het middengedeelte van Krakatau, het Danaugebergte, waar in Juni 1883 eene eruptie begonnen was, heeft hetzelfde lot ondergaan. Maar ook het Zuidelijk gedeelte van Krakatau, de 832 meter hooge berg Rakata, dien wij eergisteren zagen werken, bestaat niet meer in zijn geheel. De grootste helft van den berg Rakata is weggezonken. De berg is letterlijk vertikaal midden doorgespleten en de overblijvende helft van den berg Rakata is alles wat er van het eiland Krakatau over is; het overige is in zee veranderd en als 't ware afgescheurd. Steil, vertikaal verheft zich die halve berg; in den vertikalen wand zag men groote barsten en spleten, die met damp gevuld waren. Van het verdwenen gedeelte steken alleen twee klippen als signalen boven de zee uit.

In zee zelve tusschen Krakatau en Sebesie, waar eergisteren een doortocht was voor vaartuigen, zagen wij duidelijk van de "Loudon" af hooge groote klippen uitsteken, eilanden die gisteren eerst geschapen zijn en die geen menschelijk oog nog ooit aanschouwd heeft.

Terwijl op Krakatau zelf alles in rust scheen, was hier op deze riffen de vulkanische werking nog niet geheel opgehouden Op acht verschillende plaatsen zag men kolommen van rook, die een zwart middelpunt hebben. Om dit middenpunt vormt zich een witte rand, die grooter wordt, opstijgt tot groote hoogte en verdwijnt, om weldra plaats te maken voor een hernieuwd verschijnsel. Waren dit vulkanische uitbarstingen of hoozen?

Het was natuurlijk niet aan ons op de "Loudon" om die vragen te beantwoorden.

Het was in de eerste dagen in Straat Soenda niet mogelijk zich behoorlijk te oriënteeren ten gevolge van de puimsteenbergen, die het eene schip hier, het andere ginds aantrof. Die drijvende puimsteenvelden zagen er uit als klippen, riffen en eilanden, en de gezagvoerders rapporteerden dus volkomen te goeder trouw wat zij hadden waargenomen, als zij het ontstaan van tal van nieuwe eilanden vermeldden. Weldra echter dreef die puimsteen weg.

Het Nederlandsch Indische gouvernement zond twee officieren der marine om de veranderingen in Straat Soenda in kaart te brengen. Toen bleek het, dat het vaarwater van Straat Soenda niet belangrijk veranderd was, en dat nu de puimsteen zich meer verdeeld had, de nieuwe eilanden, die men eerst had waargenomen, niet bestonden. Hierop is echter eene uitzondering. Tusschen Krakatau en Sebesie, waar de "Loudon" vulkanische riffen had meenen te zien, waren inderdaad twee eilanden ontstaan, die, toen wij er langs voeren, slechts één dag oud waren, en die dus feitelijk van de "Loudon" af ontdekt zijn. Aan die eilanden werd de naam gegeven van Steers-eiland en van Calmeijer-eiland, naar de zeeofficieren, die ze in kaart brachten.