In Het Rijk Van Vulcaan De Uitbarsting Van Krakatau En Hare Gev
Chapter 12
Beschouwen wij eerst de schemeringsverschijnselen. Het eerste optreden der merkwaardige schemeringen geschiedt plotseling in den Indischen Oceaan nabij Krakatau, de tijd valt samen met de uitbarsting op 26 en 27 Augustus 1883. Het materiaal, dat deze lichteffecten veroorzaakte, bereikte toen eene maximum hoogte. Wij volgen de gekleurde schemeringen in hunne snelle vaart om de aarde langs een gordel, die zich, evenwijdig met den equator, eenige graden Noordelijk en Zuidelijk van Krakatau uitstrekt, terwijl ze zich langzamerhand naar Noord en Zuid ver buiten de tropen uitbreiden.
Het rapport der Royal Society geeft hier een uitgebreide verzameling van feiten; niet minder dan 800 data over het eerste optreden der optische verschijnselen worden medegedeeld.
Het is moeilijk zonder afbeelding eene beschrijving te geven van deze schemeringen. Ik verwijs daarom belangstellenden naar het rapport der Royal Society. Als titelplaat vindt men daar eene uitstekend geslaagde chromolithographische reproductie van zes crayonschetsen, genomen na zonsondergang aan den oever der Theems te Chelsea, den 23 November 1883. Beter dan de meest gedetailleerde beschrijving, geeft eene beschouwing van die schetsen ons een duidelijk beeld van de schemeringsverschijnselen. De schemering duurde die dagen veel langer dan anders. Nadat namelijk de gewone schemering was afgeloopen, werd het nog niet donker. Er ontstond dan als het ware eene tweede schemering. In deze onderscheidde men eene primaire kleuring, ontstaande door de directe breking der zonnestralen, die door de eene of andere laag heengingen, en eene secundaire kleuring, die de eerste opvolgde. Deze laatste wordt toegeschreven aan de terugkaatsing van het primaire licht door dezelfde laag!
Deze primaire en secundaire verlichting komt ook voor bij de gewone schemering. Maar daarbij is de secundaire schemering wit, en zij wordt slechts onder bijzonder gunstige omstandigheden waargenomen, of wel als de waarnemer zich op groote hoogte bevindt.
Bij de schitterende schijnsels, die, in 1883 en de volgende jaren, na de gewone schemering bij zonsondergang werden waargenomen, was de secundaire schemering gekleurd en overal zichtbaar. Men berekende de hoogte van de laag, die deze optische verschijnselen teweegbracht, uit den duur en de afmetingen der schijnsels.
De heer E. Douglas Archibald komt tot het resultaat, dat de bovenzijde der reflecteerende luchtlaag zich in Augustus 1883 niet minder dan 36 K.M. boven de aarde bevond, terwijl de onderkant nog 31 K.M. hoog was. Men herhaalde deze berekeningen over de volgende maanden. De reflecteerende luchtlaag daalde langzamerhand. In Januari 1884 strekte zij zich uit van 19 tot 17 K.M. boven de aarde.
Langzamerhand zullen intusschen de grootere en zwaardere deeltjes, door de werking der zwaartekracht, naar beneden vallen. Het terugkaatsend vermogen, dat vooral door de grootere deeltjes wordt uitgeoefend, zal dus allengs afnemen. Vandaar, dat de duur en de helderheid van het secundaire lichtschijnsel langzamerhand vermindert. In April 1884 bereikte het secundaire licht een minimum. De zwaardere deeltjes waren toen reeds op aarde gevallen. Te gelijk werd een maximum waargenomen van een ander optisch verschijnsel: de gekleurde ring of corona om zon en maan. Men zou dit kunnen verklaren door aan te nemen, dat het grootste gedeelte van de fijnste stof, op ongeveer dezelfde hoogte als vroeger, nog in de atmosfeer aanwezig was; daar zij meer homogeen zou zijn geworden dan vroeger door het uitvallen der zwaardere deeltjes, zou zij nu eene maximum-diffractie kunnen uitoefenen.
In April 1884 bereikten de schemeringsschijnsels een minimum. In de laatste maanden van 1884 en 1885 ontwikkelden zij weder een deel van hunnen vroegeren luister, hoewel er toch eene blijvende daling in tijd en intensiteit is waar te nemen. Deze kleine opflikkering zou toe te schrijven zijn aan dezelfde metereologische invloeden, die maken, dat ook de gewone schemering in de laatste maanden des jaars die in alle andere maanden overtreft.
In 1886 wordt de schemering weder geheel normaal. De stof, die in vorige jaren in de atmosfeer aanwezig was, is geheel verdwenen.
De andere optische verschijnselen: de bloedroode, blauwe, groene en loodkleurige zon en maan, en de droge mist, kwamen het sterkst in 1883 tijdens de uitbarsting voor, terwijl zij langzamerhand verminderden. Deze verschijnselen moeten in alle geval worden toegeschreven aan vaste deeltjes in de atmosfeer, en ook de heer Verbeek schreef ze bij hun eerste optreden toe aan stof, afkomstig van de uitbarsting. Ik wil echter hier de aandacht hoofdzakelijk vestigen op de schemeringsverschijnselen. Voor wij partij kiezen voor de slotsom der commissie tegen den heer Verbeek, voor wij al de optische verschijnselen gedurende twee en een half jaar mogen toeschrijven aan Krakatau-stof, dient onder anderen eerst te worden aangetoond:
1° dat de hoeveelheid en de hoogte van de uitgeworpen stof voldoende was, en dat die stof 2 à 3 jaar noodig heeft gehad om op de aarde te vallen.
2°. dat geene andere veronderstelling omtrent den oorsprong der verschijnselen waarschijnlijk is.
Daar nu de argumenten der Royal Society, ter verdediging van deze stellingen geopperd, geheel afwijken van de beschouwingen van den heer Verbeek, zal eene nadere toelichting zeker van belang zijn. Ik waag het hieraan het tweede gedeelte van dit hoofdstuk te wijden, al vrees ik dan ook dat sommige lezers zullen instemmen met de klacht, welke op bladzijde 143 uitgesproken is, en dat zij, met het Metereologisch Instituut, zullen uitroepen: Verlos ons van Krakatau!
HOOFDSTUK X.
IIde gedeelte.
Kan de uitbarsting van Krakatau de oorzaak zijn der abnormale optische verschijnselen van 1883 tot 1886?
Hoeveel fijne stof heeft de vulkaan van Krakatau in de atmosfeer gebracht? Zooals wij zagen, wordt die hoeveelheid door den heer Verbeek geschat op een kubieken kilometer, hetgeen, over de geheele aarde verdeeld een laagje zou vormen van 0,002 m.M., over een halfrond verdeeld van 0,004 m.M. dikte, over de gematigde en heete luchtstreek van 0,006 m.M. en alleen over de gematigde luchtstreek van 0,01 m.M. Oppervlakkig beschouwd is deze hoeveelheid zeer weinig. Maar stelt men zich voor, dat dit laagje microscopisch fijn verdeeld is, dan kan het toch inderdaad belangrijke optische verschijnselen te weeg brengen. Tyndall en Herschel berekenen bijvoorbeeld de stof, die de staart van een komeet bevat, die 60 millioen kilometer lang is en 30 duizend kilometer middellijn heeft. Wanneer men die stof verzamelde, zou zij nauwelijks eene wagenlading uitmaken. De stof, die de blauwe kleur van de onbewolkte lucht veroorzaakt, zou wellicht nog minder volume beslaan. De heer Rollo Russell zegt, dat eene doorloopende laag van vaste deeltjes, die eene dikte heeft van slechts 0,000125 m.M., reeds voldoende zou zijn om belangrijke reflexie-verschijnselen te weeg te brengen. De kleine vaste deeltjes, verlicht tegen een donkeren achtergrond en waargenomen door niet verlichte luchtlagen, kunnen dan zeer goed eene zichtbare roode kleuring geven aan het uitspansel, als de zon reeds verscheidene graden beneden den horizon is. De verlenging van de schemering gedurende 1883 en volgende jaren kan dus verklaard worden uit de uitgeworpen stoffen. Het is zelfs onwaarschijnlijk, zegt Russell, dat de waterdamp hierbij eenigen rol gespeeld heeft. Wel blijkt uit de proeven van Aitkin[2] dat in de lucht alle stofdeeltjes centra van condensatie voor waterdamp zijn. Maar de spectraal-analyse heeft ons gedurende de waargenomen schemeringsverschijnselen over het algemeen met den spectroscoop geene vermeerdering in sterkte aangetoond van de lijnen, die aan waterdamp worden toegeschreven. Honderd jaar vroeger, in 1783, was geheel Europa bedekt met een drogen mist, gedurende de zomermaanden, met doorgaand droog weder. De mist strekte zich uit van zee tot eene hoogte, hooger dan de Alpen. Ook deze mist ontstond uit deeltjes, die aan het microscopisch onderzoek ontsnapten. Hij volgde op eene groote vulkanische eruptie op IJsland. De deeltjes zijn toen niet hoog genoeg geweest om schemeringsverschijnselen te voorschijn te roepen. De droge mist van 1783 heeft anders groote overeenkomst met dien van 1883.
De mist van 1883 echter, die de optische verschijnselen te weeg heeft gebracht, was zóó hoog boven de aarde, dat dáár weinig waterdamp kan geweest zijn. Op die hoogte kunnen nimmer wolken worden gevormd. Derhalve komt Russell tot het besluit, dat het droge stof is geweest, die de optische werking heeft uitgeoefend. Die stof was op eene groote hoogte. Zij reflecteerde het licht van de opgaande en ondergaande zon. Dit geschiedde echter eerst Mr. Douglas Archibald komt nog eens terug op den invloed van kleine stofdeeltjes op het licht. Hij wijst op de onderzoekingen van Faraday, die betrekking hebben op de kleur van goud en andere metalen. Bladgoud kan verkregen worden tot eene dikte van minder dan een honderdduizendste van een millimeter. Het reflecteert dan toch nog gele stralen en laat groene stralen door. Zoo kan men in oplossingen gouden deeltjes van ultra-microscopische fijnheid verdunnen met eene hoeveelheid water, gelijk aan 750.000 maal hun volume, zonder dat zij hunne kleuring verliezen, zonder dat de oplossing de eigenschap verliest blauwe en roode stralen door te laten.
Nu hadden, wel is waar, de deeltjes van Krakatau, niet in zoo sterke mate als goud, optische eigenschappen, maar, wanneer men met groote waarschijnlijkheid kan aannemen, dat zij bestonden uit dunne plaatjes vulkanisch glas, dan mag men wel veronderstellen, dat zij, mits fijn verdeeld zijnde, eene belangrijke optische werking kunnen vertoonen, al zijn ze ook verdeeld en verspreid over eene verticale laag van belangrijke hoogte.
De schrijver ligt dit verder toe door eens te veronderstellen, dat wij eene cirrus-wolk in de tropen beschouwen, die 4500 meter boven ons is en 6 meter dikte heeft. Volgens Professor S.A. Hill is de jaarlijksche gemiddelde spanning van waterdamp op die hoogte op de hellingen van den Himalaya gelijk aan 4.5 m.M.; de jaarlijksche gemiddelde temperatuur is op diezelfde hoogte 0° Celsius. Veronderstel, dat de waterdamp in de cirrus-wolk eene spanning heeft van 7.5 m.M. (hetgeen meer is dan het gemiddelde--4.5 m.M.) De dikte van de waterlaag, die met de wolk overeenkomt, zou dan zijn 0.045 m.M. Professer Stokes heeft uit eene waarneming van een gewonen kring (corona) om de maan, den diameter van de waterdampdeeltjes, die haar veroorzaken, geschat op 0.0125 m.M., in de veronderstelling, dat zij eene bolvormige gedaante hebben. In dat geval zou dus in elke vertikale doorsnede van onze cirrus-wolk gemiddeld 31/2 dezer deeltjes voorkomen.
Neemt men nu de middellijn van de vaste deeltjes, die de "rookwolk van Krakatau" vormen, aan als te zijn 0,0015, (hetgeen is afgeleid uit de middellijn der corona, door eene berekening in het rapport voorkomende); vergelijkt men hiermede de dikte van het laagje stof, zooals dit in den aanvang van dit hoofdstuk uit Verbeek's schatting, dat de totale hoeveelheid stof 1 K.M3. bedraagt, is afgeleid, dan zou, in de veronderstelling, dat de stof gelijkmatig verdeeld was over de gematigde en heete luchtstreek, het laagje stof nog 0.006 m.M. dik zijn. Er zouden dus in elke verticale doorsnede nog 0.006/0.0015 = 4 deeltjes aanwezig zijn. Maar bij het aannemen van 0,0015 als middellijn voor één deeltje zijn ze als bolvormig beschouwd. En, als nu de stofdeeltjes hebben bestaan uit verbazend dunne puimsteenachtige plaatjes van glas, die in het algemeen op hun platten kant horizontaal in de lucht zweefden, dan kunnen er in ééne vertikale lijn vrij wat meer dan vier geweest zijn, en het optische effect kan belangrijk sterk geweest zijn.
Als men het niet in twijfel trekt, dat eene cirrus-wolk van de beschouwde afmetingen belangrijke terugkaatsende en absorbeerende eigenschappen zal vertoonen, dan is het ook niet onmogelijk dat de stoflaag alleen, zoo lang zij geen groote verticale afmetingen had, de schemeringsverschijnselen heeft veroorzaakt, al was ze dan ook overdag nagenoeg onzichtbaar. Hierbij dient te worden opgemerkt, dat de belangrijkste optische verschijnselen tot het einde van Sept. 1883 voorkwamen in eene smalle strook, die zich van Krakatau 15° N. en Z. uitstrekte. De dichtheid van de stof was toen dáár zeker veel meer, dan wij aangenomen hebben.
Dat het _niet_ de waterdamp _kan_ zijn, die hierbij een groote rol speelt, wordt door Mr. Douglas Archibald nog op de volgende wijze aangetoond.
Waterdamp of stoom was zeker de groote motor, die de uitgeworpen stoffen uit den krater heeft geschoten. Maar die stoom bereikte plotseling eene hoogte van gemiddeld 20 K.M.; de barometerstand is daar minder dan 0.8 m.M., hij ontspande zich dus tot 34000 maal het volume van het water, waaruit hij bestond, en veroorzaakte daardoor de microscopische verdeeling van de lava. Doch door de lagere temperatuur, die op die hoogte heerscht, zal die fijn verdeelde stoom onmiddellijk bevriezen tot ijskristallen, die weer hetzelfde volume aannemen als het water, waaruit de stoom ontstond. Als men nu aanneemt, dat de medegevoerde puimsteendeeltjes zich hebben verspreid over dezelfde uitgebreidheid als de ontspannen stoom, dan zal elk stofdeeltje niet veel grooter worden door die kleine hoeveelheid ijs, die er omheen zal vriezen. Zelfs als wij de veronderstelling maken, dat de wolk, die boven een vulkaan hangt, bestaat voor 999/1000 uit stoom en voor 1/1000 uit vaste stof, dan zou men nog tot de slotsom komen, dat als wij die wolk blootstellen aan eene temperatuur beneden het vriespunt, het ijs afkomstig van den gecondenseerden stoom het volume van de vaste stof nauwelijks zou verdubbelen.
Als dus de vaste stof alléén niet voldoende is om de optische verschijnselen te verklaren, dan zal de condensatie van den toetredenden stoom ons niet kunnen helpen, om eene betere verklaring te geven.
Wat nu de mogelijkheid betreft, dat de stofdeeltjes, die in de hoogte werden geworpen, zouden opgetreden zijn als centra van verdichting van _waterdamp, die op die hoogte reeds aanwezig was_, zoo is er op eene hoogte van 20 tot 30 KM. bijna geen waterdamp, en er kan ook bijna geen waterdamp bestaan. Waar de barometerstand op die hoogte minder dan 0.8 millimeter is, vindt men uit eene formule van Dr. J. Hann, dat de spankracht van waterdamp 0,0034 millimeter bedraagt. En, dat men werkelijk minstens eene hoogte van 20, 30, in den beginne zelfs van 50 kilometer voor de hoogte van de "rookwolk van Krakatau" moet aannemen, daarover is iedereen het eens.
Dat het hoofdzakelijk de gasvormige producten van de uitbarsting waren, die de optische verschijnselen te weeg brachten, vooral met betrekking tot diffractie, is eene meening uitgesproken door Professor Kiessling te Hamburg[3]. Hij grondt zijn oordeel daarop, dat alleen gassen homogene wolken kunnen vormen; terwijl homogeniteit eene voorwaarde is voor behoorlijke diffractie.
Ook deze opinie vindt geen genade in de oogen van Douglas Archibald, daar op de hoogte van 30 K.M. (of zelfs minder) eene zoo lage temperatuur heerscht, dat die gassen (zwavelig zuur of zoutzuur) verdicht zullen worden, en als ze verdicht zijn kan men er dezelfde redeneering op toepassen als voor de ijskristallen is gedaan.
Wat verder het denkbeeld aangaat, dat de stof uit meteoorstof van kosmischen oorsprong bestond--het samenvallen van de optische verschijnselen met Krakatau en de verspreiding er van over de aarde maakt deze verklaring zeer onwaarschijnlijk.
Wij stellen ons nu nog de vraag: of de kleine stofdeeltjes in de zeer ijle lucht op 30 K.M. of meer hoogte boven de aarde zullen kunnen blijven zweven, terwijl ze zóó langzaam vallen, dat ze een paar jaar noodig hebben om de aarde te bereiken.
Hierbij leggen sommigen grooten nadruk op de electrische werking. Evenals bij de electriseer-machine van Armstrong kan de uitgeschoten stof van Krakatau zijn geëlectriseerd. Veronderstel eens, dat die stofdeeltjes negatief electrisch werden, evenals de aarde, dan zou, als de kracht van opwaartsche projectie uit den vulkaan was uitgeput, de stofwolk onderworpen zijn aan 3 krachten: 1º de zwaartekracht, 2º de afstootende kracht van de negatief geëlectriseerde aarde, 3º de onderlinge afstooting van de electrische stofdeeltjes.[4] Vandaar de ijlheid van de stofwolk en hare laterale verspreiding. De bekende geleerde W. Crookes wijst op het feit, dat in ijle lucht, verdund tot op een millioenste atmosfeer, twee geëlectriseerde stukjes goudblad elkaar na 13 maanden bleven afstooten zonder verlies van hunne lading. Lucht is, bij die verdunning van een millioenste atmosfeer, een volmaakte niet-geleider van electriciteit. Neemt men nu in aanmerking, dat goud zóóveel soortelijk zwaarder is dan de Krakatau-gesteenten en dat de afmetingen der stofdeeltjes vele duizende malen kleiner zijn dan die door Crookes bij de bedoelde proef gebruikte goudblaadjes, dan kan men aannemen, dat stof, die tot 100 K.M. hoogte is gestegen, (eene hoogte, waar waarschijnlijk een luchtdruk van een millioenste atmosfeer heerscht) daar jaren lang zal blijven.
Wij kunnen echter ook, zonder de electriciteit te hulp te roepen en zonder de hoogte van de stofwolk op 85 K.M. te schatten boven de aarde, de kleine stofdeeltjes beschouwen onder de werking der zwaartekracht in de middenstof, waarin ze zich bevinden. De snelheid, waarmede de deeltjes vallen, is eene functie van hunne afmetingen, van hun soortelijk gewicht en van de dichtheid der middenstof. Maar, als de deeltjes klein zijn, komt hierbij nog eene andere grootheid n.l. eene "wrijvingsindex", die van het hoogste gewicht is, als de vallende voorwerpen klein zijn.
Eene interessante wiskundige beschouwing[5] leert ons, dat de snelheid van de vallende deeltjes nagenoeg dezelfde is op groote hoogte en nabij de aarde. Berekent men met behulp eener formule, door Prof. Stokes afgeleid, de snelheid der deeltjes, dan vindt men het volgende resultaat.
Als de deeltjes bolvormig waren en een diameter hadden van 0,0015 m.M. (zie pag. 153) dan zouden zij over eene hoogte van 15 K.M. vallen in twee jaren of, volgens eene berekening, waarbij eenigszins meer nauwkeurige coëfficiënten zijn aangenomen, in bijna 3 jaren.
Als dus de oorspronkelijke hoogte van de stofwolk slechts 30 K.M. bedroeg dan zouden de kleine deeltjes twee jaar noodig hebben om van 30 K.M. tot 15 K.M. te vallen.
En als de deeltjes niet bolvormig waren, maar platte glasplaatjes, dan zal men _a fortiori_ kunnen aannemen, dat zij minstens 2 jaar noodig hebben om de hooge luchtlagen te verlaten.
Behalve deze theoretische berekeningen, die wellicht met eenig wantrouwen worden ontvangen, hebben wij omtrent deze quaestie nog de proeven te vermelden van Prof. Kiessling. Deze geleerde nam n.l. proeven met rook van ultra-microscopische deeltjes. In gewone atmosferische omstandigheden daalden deze deeltjes onder de werking der zwaartekracht 3 m.M. per minuut. Nu berekent hij, dat op eene hoogte van 20 K.M. deze snelheid grooter zou zijn en zou kunnen bedragen 10 m.M. per minuut overeenkomende met ongeveer 5 kilometer per jaar. De rook zou dan 3 jaar noodig kunnen hebben om in die hooge luchtlagen 15 kilometer te dalen.
Tot nu toe schatten wij de hoeveelheid uitgeworpen fijne stof met Verbeek op 1 kubieken kilometer, zijnde 1/18 van de geheele hoeveelheid uitgeworpen stoffen, en wij hebben aan de hand van het Engelsche rapport de mogelijkheid bepleit, dat de optische verschijnselen alléén aan die stof konden worden toegeschreven.
Deze hoeveelheid is echter, volgens de Royal Society, veel te laag getaxeerd.
Dat het Engelsch rapport noodzakelijk tot dit besluit gekomen is, komt ons zeer duidelijk voor, als wij het kaartje in Verbeek's werk, aangevende het terrein waar asch gevallen is, vergelijken met de zooveel grootere uitgestrektheid, die volgens het rapport met stof is bedekt geworden. Het is zeer wel mogelijk, dat in dit opzicht de Engelsche commissie over meer volledige opgaven heeft beschikt. Het terrein toch, dat in hoofdzaak het verschil vormt, is de Indische Oceaan W. en Z.-O. van Krakatau. Men moet hier afgaan op berichten van schepen, en de heer Verbeek was veel te consciëntieus, om een aschkleurtje aan te brengen op zijne kaart, als hij geene degelijke opgaven had. Verbeek teekende dus een terrein van 827.000 K.M2. De commissie der R.S. bewijst, dat dit ten minste 2.848.000 K.M2. moet zijn, in aanmerking nemende de schepen in den Indischen Oceaan waarop, in die dagen, nog asch gevallen is.
Nu berekent Verbeek de hoeveelheid groote stukken puimsteen, die in de onmiddellijke nabijheid van den vulkaan (binnen een cirkel met 15 K.M. straal) zijn gevallen, op 12 K.M3. Men zou dus de hoeveelheid stof, die in de eerste week na de uitbarsting is gevallen, hierbij moeten optellen. Nemen wij het cijfer van 2.848.000 K.M2. aan voor de uitgestrektheid, waar stof gevallen is en de dikte op slechts 5 m.M., dan geeft ons dit alleen reeds eene hoeveelheid van 14,4 K.M3. stof.
Nu heeft men nog geen gegevens over de hoeveelheid, die ultra-microscopisch verdeeld in de lucht geblazen is. Waarom zou die hoeveelheid nu slechts 1 K.M3. bedragen? Het is logischer om aan te nemen, dat deze hoeveelheid 14 K.M3, is geweest dan 1 K.M3., want de uitbarsting was plotseling zóó hevig, de stoffen zijn zóó hoog opgevoerd, het geluid is zóó ver gehoord, dat er in dat opzicht geen tweede voorbeeld in de vulkanische geschiedenis bekend is.
De stofwolk heeft toch tijdens de uitbarsting eene lengte gehad van 1600 K.M.[6] Men kan dus met meer recht vermoeden, dat de hoeveelheid fijne stof, die de optische verschijnselen heeft te weeg gebracht, gelijk is geweest aan 14 K.M3. dan dat zij 1 K.M3. heeft bedragen. Maar in dat geval zijn de optische verschijnselen natuurlijk nog veel gemakkelijker te verklaren.
Wat nu de hoogte der stofwolk betreft, in onze berekening namen wij aan dat zij 30 K.M. heeft bedragen. Als wij rekenen, dat op het stoomschip de "Medea" de wolk boven Krakatau op den 26sten Augustus is gemeten, en dat hare hoogte toen reeds 27 K.M. bedroeg, hoe hoog zal dan de stofwolk wel geweest zijn toen den 27sten Augustus te 10 ure het groote schot werd afgevuurd! Dit geschiedde toch met zulk een ontzettende kracht, dat stukken puimsteen tot vuistgrootte toe op een afstand van 40-80 kilometer nedervielen. De hoogte van 50 K.M. door Verbeek aangenomen is dus niet ongerijmd. Mr. Archibald volgt ook nog een anderen weg om die hoogte te bepalen. Hij gelooft, dat de geluidssterkte van het schot evenredig is met de eruptieve kracht. De geluidssterkte is evenredig aan het quadraat van den afstand, waarop het geluid gehoord werd; de eruptieve kracht is evenredig aan het quadraat der worphoogte.
Bij de kleine uitbarsting in Mei 1883 werd het geluid gehoord te Singapore op 835 K.M. afstand, en de hoogte van de zichtbare rookkolom was volgens meting van den kapitein ter zee Hollmann, commandant van de Duitsche oorlogscorvet "Elisabeth" 11 K.M. De grootste afstand, waarop het schot van 27 Aug is gehoord, was de afstand tusschen Rodriguez en Krakatau, zijnde 4827 kilometer. Deze afstand is zesmaal grooter dan bij de uitbarsting in Mei. De hoogte der eruptie wordt nu ook aangenomen op zesmaal de hoogte (11 K.M.) van de Mei-uitbarsting en zij is dan 6 × 11 = 66 K.M.
Ik stel in deze methode hoegenaamd geen vertrouwen; zij komt mij voor hoogst onwetenschappelijk te zijn. Maar in alle geval is toch aangetoond, dat eene hoogte van 30 tot 50 K.M. niet onmogelijk is, en dat is voldoende om alle optische verschijnselen uit Krakatau-stof te verklaren.