In het rijk van Siameezen en Maleiers

Part 9

Chapter 93,970 wordsPublic domain

Vreeselijk is het tropische oerwoud in den regentijd. Van alle takken strekken bloedzuigers hun slanke lichamen in de lucht, begeerig naar slachtoffers. Gedurende den arbeid in beken en vochtige spleten vloekte elk oogenblik een der mannen zachtjes en nam dan zoo'n zuiger van zijn bloote voeten.

Wanneer wij op de hellingen, waar staand water zeldzaam was, onze erts-monsters in de gele plassen van groote olifantensporen wiesschen, moest voortdurend een koelie de bloedzuigers van de handen en armen van dengeen die aan het werk was, afhalen. Vaak had ik zelf dozijnen etterende bijt-wonden in mijn beenen en veel bloed ging er verloren, bloed, dat nergens kostbaarder is dan in de tropen.

Vooral als nieuweling in den jungle had ik veel te lijden van de bloedzuigers; toen ik nog in woede geraakte om elk beest, dat mij beet en ik ze eenvoudig afrukte. Later, toen ik ze met een brandende sigaar plaagde tot ze vrijwillig loslieten, zoodat de afgerukte koppen niet meer in de wonden bleven zitten, ging het beter.... Door de gaatjes van mijn rijgschoenen kropen ze naar binnen of van boven in mijn boordje langs mijn rug, wat vooral heel akelig was.

Later droeg ik mijn linnen schoenen aan mijn bloote voeten----je kunt toch geen tien keer op een dag je kousen aan- en uittrekken----smeerde mijn beenen in, net als de inboorlingen, en als er dan eens één poogde te bijten, achterhaalde zijn noodlot hem al heel gauw.

In tijden van slecht weer was het zoo donker aan den Nam Dam, dat de gevaarlijke koortsmuggen zich midden op den dag in de lucht waagden. Ja, het was zoo erg----ik heb daar nooit andere muggen gezien dan anopheles, terwijl ik me niet kan herinneren, ergens in het land deze soort te hebben waargenomen gedurende de twee jaren die ik er heb doorgebracht.

Bij wijze van voorzorg gebruikte ik zooveel kinine als ik kon verdragen. Maar dan werd ik hardhoorig; mijn maag, anders al opstandig door het eeuwige "chicken and rice" weigerde dan absoluut zijn medewerking. Het eene hielp het andere--achteruit; in den jungle gaat het met de gezondheid altijd naar omlaag; wie beneden normaal is gezonken met zijn lichaamskrachten, zal dit in het oerwoud nooit te boven komen.

En als wij 's avonds na al het getob en gezwoeg van den dag in ons ongeriefelijk, rottend-vochtig kamp lagen, vielen legioenen luizen en wandluizen en vlooien van alle soorten op ons aan; de gistende, kiemen dragende koortslucht zelf knaagde aan ons, ondermijnde onze slecht gevoede lichamen, en al maar woelde ik slapeloos op mijn matrasje heen en weer----een slachtoffer van de "binatang haloes."

Dat is een diersoort, die geen enkele zoöloog kent. Het zijn verscheurende roofdieren volgens de Maleische taal. Binatang beteekent wild dier, bijvoorbeeld een tijger en haloes is de fijnste uitdrukking voor nietig en klein. Aris sleurde met dit heerlijke woord al die voor het bloote oog niet zichtbare en anders alleen maar microscopisch waar te nemen levende wezens in het daglicht, welke in deze streken op de huid der menschen wonen en zoovele mijner nachten hebben bedorven.

Door dit alles voelde ik mij zelden meer prettig. Het was met mij zooals wanneer tegen het voorjaar een lange winter den menschen in het gebeente zit met influenza. Vermoeidheid in de ledematen, triestheid in het hart voelend, was ik niet gezond en niet ziek, slap en gedrukt.

Ik wist, dat ons aller leven op het spel stond. Ik voelde bijna iets als medelijden met de koelies, die den ganschen dag in het water werkten. Iederen nacht hoestten ze, enkelen gaven bloed op. Allen waren mager.

Bij het beklimmen van een berg hijgde ik zelf als een koe. In de koele nachten lag ik in zweet te baden en midden op den dag beving mij soms een vreemde huivering. Vaak stapte ik nog forsch, alsof er niets gaande was, 's ochtends naar mijn werk----maar na een of twee uur al van door het water waden en loopen en wasschen en tusschen kreupelhout en doornen voortkruipen, werd het donker voor mijn oogen, en een onbedwingbare lusteloosheid dreef mij terug naar het kamp.

Op een middag, toen ik zoo mismoedig terugkwam, was Dehng er met een brief.

"Uit je vaderland, toean," zei Holloeki.

Het is verwonderlijk, hoe sluw brieven mij in het binnenland nareisden. Als ik over een uitgestrektheid van een heele streek, zoo groot als heel Zwitserland, de eenige blanke was, dan vond een brief mij juist daarom. Van het laatste spoorwegstation was deze brief met een reizenden, Chineeschen varkenskoopman tot halverwege Tong Qoeang gevorderd, daar wist een koelie dat Dehng mij kende en eindelijk lei deze de kostbaarheid in een droge bananenbladscheede en liep expres twee uren om mij te vinden.

De meest onschuldige schriftuur heeft voor woudmenschen, vooral voor hen, die eenig vermoeden van overheid hebben, iets opwindends, zoo als bij ons bijvoorbeeld een dwangbevel van het belastingkantoor.

Frater ursus, Victor montium.

Poeta et Scienciator--Artista et Exploratore------! zoo luidde de aanhef, toen ik den brief opende--, van een onbekende dame------------------!

Poeta, Exploratore--------Orang-oetan----dacht ik.

Kunnen ze me hier zelfs niet met rust laten, in het verre, verre oerwoud, waar ik ben en waar ik thuishoor. Wat voor rechten meent Europa op mij te hebben------?!

De woorden hielden mij wakker tot diep in den nacht. Ik dacht over het leven na. Over alles wat het leven mooi maakt: rijkdom is aardig, liefde is goed, roem, o ja, ook daarom heb ik vroeger veel gegeven--. Alles, tenminste in een of anderen spookachtigen vorm, al overbekend.

Pas toen de halve nacht om was, gelukte het me, den brief zoo te zien, als hij gezien moest worden:

Een prachtig, fijnzinnig bewijs van sympathie, een moederlijk-bezorgde stem uit Europa, een wekkende vermaning: Hé, jij daar in het moeras, hou dapper het hoofd omhoog! Maar vergeet ons daardoor niet, ook al is het water daar nog zoo lekker warm--.

En sta ons toe, je met een groetje, al is het ook half zonder elkaar te kennen, in je stellig dikwijls ruwe en harde leven te helpen----.

Den volgenden ochtend al vroeg, toen het nog donker was, wekte de koude mij--Victor montium--Orang-oetan--en toen ik opsprong van mijn harde matras, waren alle wolken van den hemel weggeveegd en beloofde het een mooie dag te zullen worden. Aan den blijden brief denkend, riep ik:

"Aris, ik wil den berg op!"

Daarboven ging de wereld als ten tweeden male voor mij open. Ik juichte en de mooiste dagen uit mijn jeugd stonden mij voor den geest. En ik dacht aan mijn verblijf van twee weken op dien anderen Siameeschen berg, den Ronpiboen Hill in het Zuiden, waar ik avond aan avond naar het wegdonkeren der reusachtige vlakte keek en in den weerschijn zat van de achter de bergen in zee wegzinkende zon.

Toen keerde ik naar het bivak terug, stak een zwarte Birmeesche sigaar op, liet twee harsfakkels in orde maken, dronk thee met whisky vermengd, ging met mijn rug tegen de deurpost zitten en schreef, het "gele" als schrijfbureau gebruikend:

12 Januari......

Beste Bernard!

Vandaag is het Zondag, winter bij jullie en ik vermoed dat jij ergens hoog boven de wolken vertoeft. Jij zult nu, zooals wij dat zoo vaak tezamen mochten doen, op prettige ski's door de besneeuwde pracht der wintersche berglanden glijden, jij zult----gelukkig zijn.

Of je daarbij ook zoo aan mij denkt, als ik vandaag aan jou!?! Aan mij, die ver verwijderd moet zijn van de bergen, de sneeuw en het ijs; aan hem, die nu onder steiler zon in ziek-heete lucht den gezondheid en kracht brengenden winter ontbeert.

O, ik wilde dat je dit hier ook kon aanschouwen! Er bestaat zonder sneeuw toch ook nog andere schoonheid!

Vandaag ben ik met Aris, mijn Maleischen dienaar, ver in de oerwoudbergen doorgedrongen. We hebben ons door steekpalmenwoud en lianen heen moeten houwen en langs een steil-omhoog gaande witte kwarts-rots die zoo smal als een muur was een top bereikt------eindelijk eens boven het woud!

Hoe prachtig! Ik hing in de hoogste takken van een knoestigen boom, terwijl Aris van kroon tot kroon ging om het uitzicht vrij te maken.

Dit zachte woudgegolf! Hoe week, hoe onschuldig en toch, welk een zware arbeid achter ons.

Scherp en onverwacht rees de berg uit de wijde palmenvlakte op, en wijl er een klare dag over dit alles lag, glansde heel in de verte aan de witte kust de Golf van Siam op; en tegelijkertijd kon ik over de bergen heen een blauwen zoom van de Indische Oceaan vermoeden.

Daarboven is in mij iets tot klaarheid gekomen, iets, dat ik tot nu toe niet dan heel dof in mij had gevoeld: Niet alleen de vreugde om de overwinning van den eigen, grooter en grooter wordenden innerlijken last is het, wat je telkens en telkens weer den berg doet beklimmen, neen, alleen al het geschenk "blik in de diepte" weegt tegen al de moeite op------weer eens op deze bultige wereld neer te mogen zien!

In het wilde land is dit van nog grooter waarde. Van duizend meter kijk je daar dieper naar omlaag dan in het Berner Oberland van vierduizend meter hoogte. Hier ben je de eenige, die zoo hoog klautert; jij alleen denkt hier wat te moeten zoeken, en niemand van al die andere menschen in heel het land zou op je berg iets kunnen vinden--.

Dit prachtige, groene, golvende tapijt, in zijn onmetelijkheid uit louter zoet-vermoede kokos- en betelpalmwaaiers geweven! Met zon-verbrande, stroo-gele rijstvelden als tusschenzetsels.

Hoe week en frisch ligt het neer, als Mata hari in den vroegen ochtend ver, ver, heel in de verte als een roode schijf uit de zee opstijgt!

Of welk een wonderbaarlijkheid, als de zwart-gele wolken van een boschbrand door den stormwind er schuin over heen gezwiept worden, als het tropen-onweer er zich steil boven opstapelt, of 's avonds de eenzame kalk-kegel heel in de verte in de vlakte bij het avondlicht bleek over de palmenzee heenstaart, en berg na berg naar het Zuiden vervaagt, regenblauw en klaar en zwaar als onder Italiaansche luchten----

Zoo geheel onder den dwang van het oerwoud en den harden arbeid werd ik dikwijls niet al te best gehumeurd wakker; de malaria deed mijn lever zwellen, zoodat ik hem als een hard kussen onder mijn ribben voelde zitten.

Het is eigenlijk diep-treurig in zulk een toestand te geraken, en wie eenmaal zoo ver is, zal vroeg of laat iets verschrikkelijks doen; een groote lust bekruipt hem soms, juist diegenen te plagen en te beleedigen, die het 't best met hem meenen. De boy, de kokkie vooral, moet dan voorbereid zijn op bijna ongelooflijk leelijke dingen, die zijn heer hem aandoet met een wreedheid die des te grooter is, omdat de toean het immers in vergelijking met den kokkie toch in alle geval nog eenigszins goed heeft in het oerwoud.

"Maoe makan!--ik wil eten!" roep je dan bijvoorbeeld en zoodra Holloeki de borden en lepels en vorken keurig heeft neergelegd, en het smakelijkste eten zoo vriendelijk mogelijk voor den toean klaar staat, toont deze opeens een verschrikkelijk kleine belangstelling voor al die heerlijkheden, keert zich minachtend af (al duidelijker blikken van minachting naar den boy slingerend, die heel deemoedig en een beetje angstig het opkomende onweer in den toean waarneemt) en dan, als hij het lang genoeg onaangeroerd heeft gelaten, pakt de toean plots den schotel op en smijt met de een of andere beleedigende opmerking de kip of de ham of wat het ook is in de modder: "Dat kan zelfs een hond niet vreten----maak eieren klaar!"

En tegen dat de eieren komen, ben je òf over je roes heen en grien je inwendig bijna uit stil medelijden met den kokkie en uit wanhoop over je zelf, en glimlach je vriendelijk en bemoedigend tegen Holloeki, het levendig betreurend, dat die prachtige kip nu naar de maan is, òf--en dan is het een moeilijker geval--de eieren vliegen onverbiddelijk de kip na.

Hier is het niet de kwestie van meer of minder beschaving, die je hebt of niet hebt; van ontwikkeling, van ruziezoekerij of hoe ze al die trekken in het karakter der menschen noemen. Dat is geleuter uit de stad. De tropenkolder is de negatieve uitkomst in het evenwichtssysteem kracht-zwakheid, en vergeven en begrepen op het moment, dat de wederwaardigheden en tobberijen de uiterste grens van hetgeen de betreffende instaat is te verdragen, overschrijden, zoodat de oerwoud-waanzin zichtbaar en open uitbreekt net als elke andere ziekte.

Op zoo'n kribbigen ochtend--ik had om de "binatong haloes" den halven nacht slapeloos en rookend bij het kampvuur gezeten--stelde Holloeki hopeloos vast:

"Nu is ook onze toean krankzinnig!"

Aris stemde wijsgeerig toe: "Wat wil je, alle blanken zijn zoo!" En toen ging hij, als om den kokkie te troosten, voort: "Maar onze meester is tenminste nog goedaardig-gek en niet bezopen-gek!"

Holloeki zuchtte: "Ja, gelukkig!"

Dikwijls kwam ik vele lange dagen niet tot rust. Onder den druk der in mijn moede lichaam smeulende koorts flakkerden mijn gedachten ziek en verward door mijn brein; ik wilde een voetreis gaan maken, ergens naar toe loopen, of wel neerliggen en heel rustig zijn en mij behaaglijk voelen--maar sprong het volgende oogenblik al weer van mijn bamboeschraag op en liep om de enge omgehakte plek mijner woudnederzetting heen als een pas gevangen tijger langs de tralies van zijn hok.

"Sufferd," schold ik mijzelf uit, "waarom ben je zoo, en waarom heb jij zoo'n oerstom vak uitgekozen en moet je, inplaats zooals de andere blanken in de stad een vroolijk leventje te leiden, in dezen beestachtigen modderpoel verkwijnen!" En dan drong ik bij het eerste beste wildpad in het dichte struikgewas, alleen en grimmig, het mes in mijn hand en begon half uit noodweer en als laatste hulpmiddel tegen de wanhoop, en half uit waardeering voor mijn ellendig leven en in bitteren galgenhumor het Maleische orang-oetanliedje te zingen:

Hidoep matjam orang oetan, tengah di batang pokok Lama t'ada nampa' perempoean------(bis) ------perempoean, Yang bai' Sa-pandjang hari di-hoetan Tidoer keras, t'ada tilam---- Aris, lekas pigi tjahari perempoean ------Anak darak baik!

of vrij vertaald:

Leven als een orang oetan midden tusschen boomstammen, Sinds lang al niets goeds en niets teeders meer gezien ------geen mooie vrouw. Heel den dag in het woud Een hard bed zonder matras---- Aris, maak voort, haal gauw ------een vroolijk meisje!

Dan voelde ik niets dan walging voor mijn koelies, al de humor van mijn lieve bedienden hielp niets, de wereld lag dof en benauwend om mij heen, het oerwoud woekerde met duizenden knoestige takken en wortels dicht over mijn leven heen, en uit alle boomen ruischten zwaarmoedige melodieën aan, zoodat ik mij voelde alsof ik levend was begraven en voor eeuwig van al wat schoon, lieflijk en goed was, vervreemd.

Om wanhopig te worden zijn vooral deze traagzaam om-kruipende avonden, wanneer je als beschaafd, welopgevoed mensch in de verliederlijkte bamboekongsi met je koelies samenwoont Wanneer het eeuwige "woud en anders niets dan woud" zich om je ziel begint te winden als een verstikkende massa; wanneer de korte, eerst zoo vroolijke vragen der Siameezen "waarheen?", "van waar?", "hoe gaat het?" tot leege, zinnelooze echo's worden; wanneer de eene dag na den anderen komt en vergaat in geestloos-eentonige gelijkvormigheid en uit je ziel dat verlangen wegslijt, dat verterende heimwee naar menschen die je in den geest gelijk zijn.

Wanneer je tegen je noodlot in verzet begint te komen en het overwicht dier tevreden Aziaten-gezichten, die geen zenuwen schijnen te hebben, je bloed aan het koken brengt; wanneer je zoudt willen zijn als zij en met één dier bescheiden lieden je vervelende leven zoudt willen ruilen; bijvoorbeeld met Ah Tsaoe, dien mooien Chinees met zijn levensopvatting als van een vroolijk varken, dat zich in zelfverdediging zoo goed mogelijk door het leven heenvreet, vandaag hier een hap verdienend, morgen daar een stelend; zooals er maar één onder millioenen is, een die geen verplichtingen heeft, volkomen vrij is, en naar wiens daden geen haan kraait. Die in de eerste beste hut geluk en nieuwe levenskracht vindt, iemand die tot lijfspreuk heeft: "Geniet en neem wat je krijgen kunt aan heerlijkheden, opium, goed eten en vrouwen en als je verrekt, dan was dat van te voren zoo bepaald."

Of zoo'n Siamees, die den dag in de schaduw zittend verdroomt en den nacht bij de vrouwen.

Dat je een koelie zoudt willen zijn, die zich zonder schâ kan onderdompelen in de geheimzinnig-lokkende pracht van een kronkelig Chineesch dorp. Dat het als een wanhoop op je neerkomt, dat je luid en krijschend in het oerwoud zoudt willen roepen: "O God, sta mij bij en geef me iemand, die met me leeft, die zich met me verheugt en met mij lacht------

Als het zoover met mij was gekomen, als ik op het punt was in het moeras van het oerwoud weg te zinken, onder te gaan als een loodklomp in zee, als de zon niet meer wilde schijnen en eeuwige regen de vlucht op den berg met het kracht gevende uitzicht niet toeliet of als zelfs dit laatste sterkende middel niet meer hielp, dan trok ik een schoon khaki-pak aan en verliet mijn bivak.

"Maoe pigi kampong--Aris, ik wil naar het dorp!"

Aris trok altijd eerst een gezicht, eer hij bereid was mij onder zulke omstandigheden te vergezellen. Half verbaasd, half lachend en toch bang grijnsde hij, omdat hij wist, dat ik in het dorp mijn eer en waardigheid en in het algemeen heel mijn blanke persoonlijkheid als een te nauw, hinderlijk kleedingstuk zou afgooien en onbegrijpelijk domme streken zou doen, absoluut niet zooals een andere toean, die zich, om hun "gedrukte stemmingen" te boven te komen en tot herstel van hun levensevenwicht--verstandig amuzeeren.

Een zoo'n ochtend van vlucht herinner ik mij als een bizonder prettigen.

Na langen tijd was voor den eersten keer de zon weer door de wolken gebroken, en de helverlichte grond tusschen de bamboeboschjes was vervuld van het vroolijk gekakel der woudkippen. Wilde duiven kirden eenzaam in de hoogste boomen, roek, roek, roek, terwijl ik met lange stappen van het licht-dalende pad genietend, den jungle ontvluchtend op Toeng Qoeang toeschreed.

In het dorpje ging ik naar een vrouw, die ik nog van vroeger kende--om het met haar eens te worden omtrent den koop van een paar steenen, zoo groot als een vuist, met goudkorrels; voorwerpen, die ik voor mijn verzameling wilde zien te krijgen.

Het vrouwtje was eer mooi dan iets anders; wel al oud, tegen de dertig, en ging bij de menschen door voor ondeugend. Ik kon met haar beter praten dan met honderd anderen--zij was de vrouw van Krot, den oerwoudmensch.

Ik wist al, dat ze bij haar dorpsgenooten niet goed stond aangeschreven en het leelijk had verkorven. Dehng, het dorpshoofd van Toeng Qoeang, had niet genoeg vingers aan zijn handen om al haar vroegere mannen op te tellen en al wie over haar sprak, liet glimlachend de tanden zien.

Aris fluisterde mij toe:

"Toean, neem haar maar,------Krot is in het bosch!"

Ze was om zoo te zeggen een geestige vrouw in bruin, levendiger dan de meeste Siameesche vrouwen waren, wel voorzien van zenuwen, vol dubbelzinnigheid in haar wezen, maar zonder een zweem van gemeenheid, al leek het mij ook, alsof ze uit ervaring in verwachting lachte, toen ik voor den eersten keer kwam.

Het grappig-onschuldige gebabbel met het vrouwtjesdier----ik hielp haar goudproeven op de Chineesche weegschaal wegen----haar moeder lag knipoogend in hetzelfde vertrek op haar buik----stemde mij vroolijk (iederen keer wanneer ik er heen ging) en toen we tegen den avond den terugtocht naar het oerwoud aanvaardden, was ik uitmuntend gehumeurd en maakte gekheid met Aris.

Maar voordat wij het kamp bereikten, moesten we zes maal tot aan onzen buik door de Zwarte Rivier, doordat in de bergen een onweer was losgebroken, zoodat de goede stemming van 's middags bij ons allebei helaas heel gauw vervloog.

Ik zat wachtend op mijn avondeten, op een boomstronk, toen Aris met opgewonden woorden plots begon:

"Nu zullen we voortaan niet meer zooveel reizen! Toean, je leven is te hard, kijk eens naar de andere blanken hier in het land; die hebben een huis en een vrouw en wonen ergens heel goed en gaan alleen maar van tijd tot tijd de oerwouden in.

Maar jij, jij reist zonder je rust te gunnen, je loopt meer dan goed voor je is, en je gezondheid wordt vernield door dit onbestendige leven in het oerwoud.

Zelfs wij, bruine menschen houden dat op den duur niet uit. Zie je niet hoe de koorts aan Holloeki vreet, hoe mager hij is geworden------silaka!"

Dat was waarschijnlijk de langste rede die Aris ooit tot mij gericht heeft. Ik zag duidelijk, dat ze rechtstreeks uit zijn hart kwam, en op mijn krachten was ik inderdaad al lang niet meer trotsch. Het klonk daardoor dan ook werkelijk kleinmoedig, toen ik antwoordde: "Ja, het is waar. Ik zal dan maar bij den "Grooten Berg" een huisje laten neerzetten en er een paar maanden een rustig leven leiden."

"Dat heb je al zoovaak gezegd, toean.... maar nooit gedaan!"

"Zijn wij geen zwervers, Aris! Is dit vrije leven ook niet heerlijk? Wil je zooals de anderen, de stadsmenschen, neerzitten en zwak worden?" riep ik geprikkeld en lei mij neer om te gaan slapen.

"Pas op, de toean is kwaad!" hoorde ik Holloeki in het Siameesch (opdat ik het niet zou verstaan) Aris toefluisteren.

Het regende triestig. Geruischloos en troosteloos viel druppel na druppel der vreeselijke natheid in het woud neer, van blad tot blad over het dak van de hut rollend, ritselend in het gebladerte op den grond.

Ik trok mijn deken dichter om mijn schouders. Al dat vochtige stemde kil en huiverig. Uit de diepte van den woudgrond ruischte de Zwarte Rivier suizelend aan----

Aris' vlammende redevoering had mijn hart--om de waarheid te zeggen--met een blijden schijn vervuld, en elk zijner woorden drong nu, terwijl ik langzaam insliep, dieper in mijn innerlijk door, als de laatste vurig opstralende vonken van een vuurpijl in den donkeren nachthemel----

Maar pas vele dagen met nieuwe ellende en nieuw getob later was ik zoover, dat ik mij weer binnen het bereik dier lieflijke vragen en verklaringen omtrent een eigen huis dorst te wagen.

Vrijwillig, onvrijwillig, als door een zeldzame macht gedwongen, kwam ik er op terug.

"Aris, wat zei je laatst op dien avond toch, toen we uit Toeng Qoeang terugkwamen?"

"Ja, toean, je hebt een huis en een vrouw noodig!"

"Foei, Aris!"

"Heelemaal geen foei, toean, ik weet het!"

"Onzin, zwijg!" En wijl er gedachten in mij begonnen te leven, die ergens heen moesten, begon ik te prediken:

"Aris, luister eens, wij zwervers, die geen vaste woonplaats hebben zooals boeren en winkeliers, wier leven vandaag net zoo is als gisteren en morgen net zal zijn zooals vandaag, wij, die bij het lied van den dagwachtvogel de bergen intrekken en bidden in de pracht van een zonsopgang over uitgestrekte velden----wij zouden nooit in de stilte van een eigen bungalow rustig kunnen blijven zitten, wij zouden voort moeten trekken en zouden--jegens haar zouden wij vroeg of laat slecht worden------"

Buiten adem door de overtuiging, die er in mijn wijze woorden lag, lang-opgespaarde overtuiging, die nu gewelddadig (al was het dan ook tamelijk te onpas) naar buiten brak, keek ik Aris aan.

Hij had er niets van begrepen! En ik merkte al gauw, dat niet in de eerste plaats het welzijn van zijn toean deze bezorgdheid gold, doch vooral zijn eigen onbevredigd wezen.

Het schijnt, dat ook over hen die geboren zwervers zijn en over hen die als echte zigeuners alles in de wereld willen beleven, vroeg of laat het noodlot komt, met een bijna onweerstaanbaar heimwee het verlangen naar een regelmatig leven, naar een eigen vrouw en een eigen huis.

"Maar ik wil een vrouw!" barstte Aris heftig uit.

"Ze weet het al. Ik heb al een contract in mijn zak. Toean, je weet dat ik tweehonderd tikals van je te goed heb, en als je mij er nog honderd bij wilt voorschieten, dan kan ik S'pia koopen. S'pia is goed!"