In het rijk van Siameezen en Maleiers
Part 8
Voor de menschen van den jungle en de woud-Siameezen, met wie ik het meest in aanraking kwam, vond ik de benaming van "koelie" absoluut niet geschikt, zoo min als het heelemaal in den haak zou zijn onze onafhankelijke bergbewoners en Alpenherders "arbeiders" te noemen. Het onvrije van den "fabrieksarbeider" bijvoorbeeld ligt daar te dicht bij.
Ik heb nooit duidelijker het gevoel gehad, iemand te zijn, bij mijn medemenschen gewaardeerd te worden, en nooit ben ik met meer liefde en deelnemende zorgzaamheid behandeld, dan wanneer ik met mijn koelies in het oerwoud was.
Dikwijls heb ik mij heelemaal alleen aan een wild-vreemden gids toevertrouwd, die mij diep in het bosch bracht en er mij weer gezond en wel uithielp. Die urenlang voor mij uitloopend en den weg effenend zorgvuldig op elk takje lette en op elken doorn die den heer misschien zou kunnen verwonden,--en toch bestond onze wederzijdsche verhouding schijnbaar alleen uit de belachelijke nietige omstandigheid, dat ik hem 's avonds na het werk een tikal, een Siameesch geldstuk gaf.
De belangrijkste onder al mijn menschen, was Nai Dehng--meneer Rood, de slanke met zijn veertien baardharen en de getatoueerde zwembroek, waarvan het sierlijke kantpatroon bij elken stap, dien hij deed, onder zijn lendendoek te voorschijn kwam. Hij behoorde tot een stam der meer noordelijke Lau-volken, doch was tegenwoordig P'hoe Yai in het dichtbij liggende wouddorpje Tong Qoeang en kende als zoodanig zijn omgeving beter dan iemand anders. Doch hij ging alleen bij hooge uitzondering, bijvoorbeeld bij bizonder lastige grens-kwesties met mij mee.
Ook eenige der andere menschen stamden uit Tong Qoeang. Ik bewonderde de sterke kerels, die na afloop der zware dagtaak nog kracht genoeg hadden (of was het zwakheid--!), om naar huis te gaan om bij hun familie te overnachten. Ze moesten een stevigen marsch van twee uur doen, maar waren 's ochtends vroeg altijd weer op tijd terug.
Zij zorgden gelijktijdig voor den aanvoer der levensmiddelen, verrichtten bodediensten en waren, als de gelegenheid zich voordeed, woud-brievenbestellers. Zoodra mijn aanwezigheid bekend was geworden, doken zoo nu en dan menschen op, vaak tochten afleggend van dagen, om werk te zoeken. De regelmatige tikal per dag bleek hen gelokt te hebben. Doch meestal was het enthousiasme slechts van korten duur.
"Woud-Siameezen willen liever bijna verhongeren en daarbij vrij zijn, in plaats veel geld te verdienen, maar regelmatig te moeten werken," zei Aris.
"Net als de dichters!" dacht ik.
Zoodra zoo'n man een paar tikals op zak heeft, pakt hij zijn lichte bundeltje en neemt afscheid: "Heer, ik ga heen!"
Het is merkwaardig met die koelies. Hoe ver en tegengesteld al hun denkbeelden van de onze ook zijn, er zijn toch zulke onder hen, die bij de eerste ontmoeting al dadelijk sympathiek zijn, naast anderen die het nooit worden.
Tsjoey leek van uit de verte een pracht van een man, maar had, toen ik hem van dichtbij bekeek, de ontstoken oogen van een armzalig, bijna uitsluitend van kruiden en insecten levend woudmensch.
Siang's vader was waarschijnlijk een Chinees. Telkens wanneer ik hem zag, dacht ik: Mooie, zachte kerel, heb je soms ook een zuster? Breng me dan naar haar toe, laat me haar zien!
Doch de meesten van hen waren, om kort te gaan, onbelangrijk. Onder koelies komen heel zelden persoonlijkheden voor.
Krot viel door zijn natuur-wezen op. Hij was misschien de eenvoudigste en meest echte wilde, dien ik ooit zag: sterk als Hercules en goedmoedig als een kind. Zijn lange haar hield hij met een rotangsnoer boven zijn voorhoofd bijeen, zijn oogen straalden van een vreemd innerlijk vuur en wanneer hij zijn mond opende, was het, alsof het oerwoud zelf sprak. "Krap!" was zijn woord. Het is voor ons blanken bijna onmogelijk "krap" diep en donker genoeg uit te spreken. "Krap" beteekent: "Ja, heer!", "tot uw dienst."
Krot was zoo eenvoudig en oorspronkelijk, dat zelfs de overige koelies hem niet goed begrepen en voor dom hielden. Maar dat was hij niet.
Zijn huid was donker, maar verzorgd. Hij verzuimde het ook op den koudsten ochtend niet zijn bad te nemen, masseerde al zijn spieren en wreef zijn pikzwarte haar in met het vet van den yken, het kleine Siameesche hert. De regen liep van zijn gladde huid af als het water van een zeehond. Zorgvuldig maakte hij na elken maaltijd zijn tanden schoon.
Hij was als een dier in de beste beteekenis van het woord. Niets ging bij hem boven het oerwoud. Ik herinner mij, dat hij op een droevigen regenavond, terwijl iedereen blij was met een droog plekje bij het vuur, op mij toetrad: "Heer, ik ga het woud in!" en voor een paar dagen verdween!
Geheel onverwachts en alsof hij nauwelijks even weggeweest was, dook hij dan eensklaps weer op. Hij had een vrouw in het dorp------dat wil zeggen, toen niemand anders deze vrouw meer begeerde, hing ze zich aan zijn hals. Misschien was het woud hem daarom zoo lief.
Ik mocht Krot graag lijden. Niemand verstond zoo de kunst met het mes om te gaan en de sporen van het wild te herkennen en op te zoeken, als hij. Vaak maakten wij met ons tweeën tochten die dagen duurden in de bergen, en nooit heeft iemand met meer recht en trotscher en smakelijker om mijn onervaren vragen naar de geheimen van den jungle gelachen dan hij. Een gevoel van afgrijzen bekroop me pas voor Krot, toen ik zag, dat uit het vleeschballetje dat hij bij zijn rijst at, de wormen verschrikt wegliepen.
Het eerste werk in het oerwoud bestond altijd daaruit, dat rooilijnen werden uitgezet. De grenzen van het stuk land, dat ontgonnen zou worden, moesten pas voor pas worden uitgesneden en junglewegjes gebaand worden, omdat het woud anders volkomen ondoordringbaar was.
Dagelijks ben ik zoo aan den Nam Dam, het kromme mes tusschen mijn gordel, gelijk de inboorlingen op avontuur uitgegaan.
Tot de diepste vreugden, welke het leven heeft te bieden, behooren ontdekkingen in Nieuwland. En al is het door nog niemand betreden vlekje grond ook nog zoo klein, het zal altijd een bizonder tuintje van geluk zijn, en rijker aan schoonheid en wonderen dan de prachtigste gekweekte jardin public van een geraffineerd menschdom.
Het feit, dat voor mij wel al Chineezen en Siameezen aan de Zwarte Rivier naar tin hadden gezocht, doch nooit een blanke, was al reden genoeg, om deze streek voor mij tot een paradijs te maken, al was het er dan ook een met doornen.
Om een grenslijn van vijfenzeventig sen lengte (1 sen = 40 meter) en twee meter breedte door het oerwoud aan te geven, hadden drie tot vier koelies meerdere dagen werk. Hier had ik vijfhonderd sen te snijden dwars over heuvels en bergen, door duistere kloven, en dikwijls was er van te voren een loop van twee uren noodig om de plaats waar gewerkt werd te bereiken.
Pas nadat zoo'n mijnland toegankelijk gemaakt was en overal in het rond lijnen waren ingesneden, kon met het boren van schachten, teneinde den bodem te onderzoeken, begonnen worden.
In de vroege ochtenduren was de hemel vaak klaar. In alle kleuren glinsterden waterdroppels op de bladeren. Een sluier van neveldampen lag over het wouddal, waar de stroom doorheen kronkelde, naar de wijde vlakte en de zee toe, en de lucht was frisch.
Apen turnden, klauterden en gilden op hooge doerian-boomen rond; groote en kleine, bijna wit, met zijig haar en donkere met lichte menschengezichten. En wanneer wij dan het woud introkken, vol vertrouwen en sterk en een mooien dag verwachtend, dan kakelden en kraaiden de wilde kippen en hanen, alsof wij ons niet midden in de wildernis, doch in de nabijheid van een welvarend boerendorpje bevonden.
Zonnestralen flitsten licht en lachend over het gebladerte van weelderige, saprijke jungle-planten, en je voelde in de koele lucht hoe heerlijk het vrije boschleven bij mooi weer was.
Maar eer het middag was, betrok de hemel meer en meer; dikke, door den wind voortgestuwde wolken joegen van over de bergen aan, wierpen hier en daar een eerste stortbui neer en het duurde dan meestal niet lang meer of door het heele dal bruiste het neerplassen der gesloten, tot den volgenden ochtend niet meer ophoudende regenstralen.
Dan verborg ik me afwachtend in een hollen boom of onder groot-bladerig struikgewas, maar sedert ik eens na een onbeduidende afkoeling door een koortshuivering bevangen was, aarzelde ik nooit lang meer en rende naar het kamp terug, als er toch geen kans was dat het opklaarde.
Het was niets buitengewoons, dat 's avonds de een of ander van mijn koelies koorts had; koorts die soms tot waanzin steeg, die zijn oogen glazig-star maakte en zijn adem hoestend en fluitend, bijna rochelend deed zijn----maar den volgenden dag was alles meestal weer goed.
In koortsverwekkende streken staan de menschen zoo in de macht der malaria, dat ze zich zelfs niet trachten te verweren. Als de koorts opkomt, aanvaarden ze haar even stoïcynsch als elk ander ongeluk, dat niet is tegen te houden, rollen zich in elkaar, lijden stom en zwijgend en wachten tot het weer over is. Dan lachen ze bijna en kunnen niet begrijpen, dat het ze zoo stevig te pakken heeft gehad.
Ik deelde regelmatig kinine uit. De menschen kenden het en namen het dankbaar in.
Ochtend aan ochtend trokken we naar ons werk, baanden ons een weg door het woud, waadden urenlang door de rivier (een voetbad tot aan en soms over den buik behoort in Siam tot het dagelijksch brood van den geoloog), hier een beetje rond-gravend en krabbend, daar een paar mannen bij een pas begonnen schacht achterlatend, zoekend naar tin, erts en goud. Ieder van ons had een kokosnootschaal bij zich, en dikwijls zat ik zelf urenlang aan het water en draaide het waschbekken met het zand en de aarde erin net zoolang in het rond, tot het bezonken erts alleen overbleef.
"Hier is het beter, daar is niet veel te verwachten, als we dieper konden graven, zouden we meer vinden!" dat waren zoo de gesprekken, die Aris en ik met elkaar hadden. De wil, om ons werk grondig te verrichten, misschien ook wel verlangens die veel overeenkomst hadden met die van den naar goud zoekenden avonturier, hielden ons geheel gevangen.
Ik zat vaak in het water en vergat onder het ruischen der beek den tijd en het eten, om van mijn vaderland maar heelemaal te zwijgen, en als ik dan plotseling opkeek, stond het oerwoud zoo om mij heen, de ondoordringbare, onontwarbare jungle met zijn duizenden takken en twijgen en stammen, met zijn luchtwortels, lianen en klimplanten-geslinger, dat het vermoeiend was en absoluut onmogelijk leek, iets nader te willen bekijken. Of de wind schudde de boomen met geheimzinnig gesuizel heen en weer, exotische vogels zaten aan den oever, roode visschen zwommen geruischloos door het water, zoodat het mij leek alsof ik een betooverde prins uit een sprookje was.
Soms hadden we goede vondsten, wanneer het erts in zwarte korrels in het zand lag, tot groote schatten bijeengevloeid; of teleurstellingen vielen ons ten deel------als wij na dagenlang zoeken eindelijk resultaten verwachtten en er was niets te vinden.
Dikwijls liet ik Aris met de koelies vooruitgaan en volgde ik zelf zoowat een uur later. Eens had ik verschillende manschappen op één lijn aan het werk gezet; drie schachten op een afstand van telkens honderdzestig meter werden er geboord.
Toen ik op een ochtend op de middelste arbeidsplek kwam, stonden de arbeiders van de verst verwijderde schacht opgewonden met de andere mannen bijeen, heftig iets besprekend.
"Aris!"--
"Toean!"
"Waarom zijn de koelies niet op hun plaats?"
"Ze kunnen het vandaag niet wagen ginds te gaan werken------tijger!"
Volgens hetgeen Aris mij vertelde, moet het er dwaas uitgezien hebben. Toen de eerste man, klaar om met het werk te beginnen, in het gat naar beneden wilde kruipen, snelde met luchtige sprongen een tijger over het terrein weg. De koelie in de schacht klauterde bevend van angst van beneden naar boven en van boven naar beneden en wist niet, of hij nog verder in zijn schuilplaats zou wegkruipen of dat hij weg zou hollen.
Natuurlijk werd aan deze schacht toen toch voortgewerkt. Want Siam is in betrekking tot den tijger een onschuldig sprookjesland. Ik heb nooit gehoord, dat er een mensch is aangevallen of zelfs opgevreten. Hoewel, uit de sporen op te maken die je overal tegenkomt, het land vol van dit roofdier is. Het schijnt, dat het ontbreken van uitgestrekte gecultiveerde landstreken en plantages en aan den anderen kant het voorhanden zijn van veel wild en groote kudden buffels, den tijger nog niet tot driestheden, zooals in andere Indische landen, heeft gedwongen.
Een zwarte panter kwam in een mijnstreek iederen avond tot op honderd meter afstand van de hutten, lei zich daar als een kat op den uitkijk, alsof we voor hem dat plekje, waar wij een nieuw huis dachten neer te zetten, hadden kaal gekapt; en vandaar uit oriënteerde hij zich over den hoenderhof, doch liep verkeerd, was weldra in de val en werd met genoegen door de koelies met den koevoet doodgeslagen.
Zelf ben ik er maar één keer een tegengekomen en misschien was het toen zelfs nog maar een luipaard. Hij lag vijftig meter van den rijweg vandaan in het gras. Vlak er naast graasde een troep koeien en een vrouw plantte rijst. Holloeki zei eensklaps: "kijk eens, toean, daarginds------een kat!" en wij vonden het nauwelijks noodig ons dichter bij den buffelwagen, waar wij achteraan liepen, aan te sluiten, hoewel ik, zooals altijd in Siam, volkomen ongewapend was.
Toen het grenzen snijden voor een groot gedeelte gereed was gekomen, nam ik een aantal Chineezen aan, en deze mijnkundigen begonnen volgens de regelen der kunst gaten en gangen te graven. Voor hen werd een hut gebouwd.
Chineezen zijn wel iets volhardender en geschikter voor regelmatigen arbeid, maar ook veeleischender en minder opgewassen tegen de ontberingen die het leven in de oerwouden meebrengt, dan de Siameezen.
Aris had mij van te voren als waarschuwing gezegd, dat de Chineezen niet graag voor dezen zwaren arbeid te vinden zouden zijn, zoo ver van alle wereld (ik moest hun behalve hun loon nog gratis te eten geven en een Chineeschen kok voor hen huren), maar wat het overige betrof, zou hij, Aris, de zaak wel inpikken----
Ik was niet erg verbaasd, toen ik op een dag midden tusschen het troepje knorrige koelies een vrouwtje ontdekte.
Eerst dacht ik, dat ze bij den Chineeschen kok hoorde; maar niet heel lang dacht ik dat----
Was dat geen dappere vrouw? Zooals zij met deze mannen in het woeste oerwoud leefde, hun harde, ruwe leven deelde, met hen woonde, voor hen waschte, naaide, kookte en--er voor hen was. Was dat tenslotte iets anders, dan wanneer men een troep muildieren een----
Iederen avond trad zij met veerkrachtige schreden uit het huisje, ging in de duisternis van het woud baden; op een keer hoorde ik haar bij een Chineesche viool zingen en onze oerwoudnederzetting weerklonk van haar gelach.
Maar de idylle duurde niet lang----
Plotseling verklaarde Aris zeer streng: "Die vrouw moet weg!"----"Ja, goed, wat mij betreft!" zei ik zonder nadenken, omdat ik van zulke dingen werkelijk weinig verstand heb, "het lijkt mij ook alsof ze zoo maar met iederen koelie het bosch intrekt!"
"Itoe tiada apa------dat is niet het ergste," verdedigde zich Aris nu, "maar----ze neemt niet eens een mat mee om op te liggen------!"
Mèt de vrouw gingen ook de Chineezen heen en ik moest me weer met Siameezen behelpen.
Aan den Nam Dam was ik werkelijk volkomen in het rijk der olifanten. Soms kwam 's ochtends vroeg, eer ik nog goed en wel wakker was, een koelie met een stapel groente uit het bosch terug, of een andere bezigheid had hem een paar passen achter het kamp gebracht, bijvoorbeeld het dagelijksche werk van "boeang nasi--rijst wegwerpen," zooals in het Maleisch een onaesthetische handeling fijngevoelig wordt aangeduid, en terugkomend meldde deze dan regelmatig: Vannacht zijn de olifanten daar en daar langs gegaan, bij dien vruchtboom hebben ze al etend een heel bamboeboschje omvergetrapt; of, hun frissche spoor kruist de beek op de plek, waar wij gisteren een nieuwe schacht zijn begonnen te graven. Ik was er net zoo aan gewend, iederen ochtend het nieuwste over de olifanten te hooren, als je in de stad met een vluchtigen blik even gauw de laatste berichten in de ochtendeditie van je krant nagaat.
Op een stormachtigen ochtend, toen de wind door het oerwoud huilde, zei Aris: "Vandaag kunnen we niet werken. De olifanten zijn ook bang geworden en zijn met hun allen naar het dal gegaan, allemaal achter elkaar, zoodat er een hard-gestampt wegje is ontstaan, en zijn naar de plek getrokken, waar alleen maar spaarzaam bamboe staat." Het was werkelijk gevaarlijk. Woudreuzen vielen dreunend neer, het heele dal met hun doodsgebrul vervullend en overal in het rond stortten krakend doode takken--zelf al statige boomen--door het lianen- en slingerplantengewar neer, soms heele kleine kreupelboschjes uit den grond rukkend.
Wij lagen den ganschen dag bang en verschrikt in het kamp onder den grooten Yangboom, die, zelf nog kern-gezond, ons als beschermer moest dienen.
Telkens weer ontmoette ik onderweg naar het werk de versche sporen van wilde olifanten. Onwaarschijnlijk groot, bijna niet te gelooven, gaapten mij soms de ovale gaten uit den modderigen bodem langs de oevers aan, voegden zich tot lange kettingen, vormden hard-gestampte paden langs de hellingen en werden af en toe zoo opmerkelijk en als het ware behoorend bij het beeld der streek, dat ik ieder oogenblik het verschijnen van den aanstichter van al deze merkwaardigheden verwachtte.
Maar ik ben den wilden olifant nooit persoonlijk tegengekomen. Het is mij eigenlijk nooit volkomen duidelijk geworden, wat er wel zou gebeuren, wanneer we in de engheid van het woud plots tegenover hem stonden.
Soms, als we geruischloos door het dichte geboomte liepen, de een achter den ander, voorgegaan door Dehng, kraakte er ergens naast ons weleens een tak of een bamboestengel onder den tred van een groot dier; dan kwam er leven op de duistere gelaten mijner Siameezen, en meer dan eens holden ze met hun allen zoo snel mogelijk naar de plek toe, zoodat ik heelemaal alleen bleef.
Toen ik Krot vroeg: "Wat gebeurt er, als we den olifant tegenkomen------? Rent hij ons dan allemaal te pletter------?" kreeg ik geen duidelijk antwoord. Krot lachte half en zette een half-ernstig gezicht, en de beteekenis zijner keel-geluiden was:
Iemand, die den olifant in het bosch alleen tegenkomt moet oppassen en doet het beste met zich te verontschuldigen, te bidden en weg te hollen.
Twee of meer mannen bij elkaar kunnen het wagen te blijven kijken, en naar gelang hij goed gehumd is of kwaad, zal de olifant het misschien, zeer waarschijnlijk, tamelijk zeker, mogelijkerwijs, op een loopen zetten of niet.--
Eens werd ik midden in den nacht wakker.
Een dof geluid, dat buiten alle voorstelling en ervaring lag, was hoorbaar. Een vreemde, onbestemde macht, die er anders niet was. Ik schoof nieuwsgierig over de slapende lichamen der mannen naar voren.
Mijn hutje en de schuin naar de beek afdalende open plek lag in het duister en de hoogste toppen der bergen waren door het trillende, zwakke schijnsel der achter wolken opgekomen maan belicht.
Het kampvuur was geheel uitgebrand. Enkele krekels sjirpten, de Zwarte Rivier ruischte als altijd, verder was de nacht rustig.
Daar kraakte opeens, nog ver, maar toch duidelijk te vernemen, splinterend hout,------het werd weer voor een paar minuten stil en toen, heel dichtbij, opnieuw het kraken en knappen van brekend bamboe.
Gelijk de voorboden van een naderend onheil, naakte er iets onweerstaanbaars.----
Een koelie draaide zich steunend om.
Aris zat op. Nog half in slaap, maar toch volkomen wakker, fluisterde hij:
"Toean, de olifanten!"
We luisterden samen in den donkeren nacht, weer was er een luid gekraak en dof gestamp als van reuzen te hooren------.
"Olifanten zijn bang voor vliegen die om de woonplaatsen der menschen zijn!" hoorde ik Aris nog stamelen en onder het zachte zingen van het oerwoud sliep ik spoedig weer in.
Toen ik 's ochtends aan de dichtst bijzijnde plek kwam, waar gewerkt werd, waren overal in het rond bamboestangen zoo dik als een arm als lucifertjes doorgebroken en vertrapt en als touwen in elkaar verward. Het regenscherm over het arbeidsterrein hadden de dieren afgerukt en er een grooten hoop rijst, die geen rijst was, in reuzenballen over uitgestrooid.
"Tjang hak mot!" vloekte Aris woedend in het Siameesch. "De olifant moet nu ook alles bederven!"----
In Aris' geestelijk leven nam zijn toean, weliswaar zeer aarzelend en in langzame ontwikkeling, al duidelijker vorm aan. Aris bestudeerde zijn meester. Dat merkte ik, wanneer hij, meenend dat ik niet op hem lette, voor mij zat en mij aanstaarde; ik hoorde het uit zijn woorden, als hij met derden over den toean sprak, en voelde het vooral heel duidelijk, als ikzelf met hem praatte. Dan nam ik ook waar, dat het al een heel zonderling beeld was, dat hij zich van zijn toean had gevormd.
Op een dag stuurde Dehng, het dorpshoofd van Tong Qoeang mij een bode, om mij mede te deelen, dat hij zoo even bezoek had ontvangen van Mr. Smith, een blanke. Deze heer was voor twee dagen zijn gast.
Aris bracht mij met een plechtig gezicht deze "blijde" boodschap over.
Ik zei alleen: "Heel goed dat ik het weet, ik was juist van plan naar het dorp te gaan."
Toen lag er weer in Aris' gezicht dat hulpelooze, bijna schaamachtige niet-begrijpen; hij dacht elk oogenblik, dat zijn toean naar het dorp zou vliegen, uit blijdschap, een Europeaan te ontmoeten, en was na al zijn lange studies er toch van overtuigd, dat zijn toean dat nooit zou doen.
"Zijn heer zoop haast nooit, hield niet van het gezelschap zijner blanke broeders en zag er toch, ook wanneer hij heelemaal voor zijn eigen genot kon leven, altijd uit of hij zich verveelde en ergerde."
"Jij bent een nog onopgelost raadsel voor me, toean, in ieder geval het zonderlinge product van een merkwaardige beschaving------!"
Ongaarne gaf Aris' trotsche voorhoofd dit met een paar zware rimpels toe. Zijn heer binnenkort volledig te kennen, dat was zijn grootste streven.
Het bizonder goed (hahahaha! goed!) gelukte eindproduct van een lange reeks geraffineerde opvoedingsmethoden------dacht ik stil bij mijzelf.
Een heele maand lang rende ik zoo dagelijks met de vreugde van een naïeven jongeling, die nog denkt, dat het leven alleen maar mooi is, het oerwoud in.
Daar had ik weer eens een brok leven van waarlijk groote merkwaardigheid, ver van het gezwets der stad, ongewoon, dat wil zeggen waardevol----volkomen in overeenstemming met dat, wat mijn philosophie mij altijd had voorgeschreven. Iederen ochtend was het mogelijk, dat ik een of ander wild dier kon tegenkomen, iedere dag kon de ontdekking van een bizonder rijk mijnland brengen, iedere avond werd niet dan na hardnekkige lichamelijke inspanningen bereikt....
Vaak, wanneer ik tot aan mijn hals in een moddergat zat en als een wild zwijn daarin wroette, dacht ik lachend:
Vreemd,--hoe ben ik aan dezen dierlijken lust gekomen? Ben ik niet in propere schoolvertrekken opgegroeid? Waarom bevalt het mij hier? Komt dit niet als het ware een veroordeeling van mijn heele verleden nabij--?
Maar zoo volkomen tevreden en blij met mijn leven werd ik aan de duistere Zwarte Rivier toch niet.
Ik voelde mij al te zeer onder den dwang van een vreemd bestaan, dat toch niet geheel en al bij mij scheen te passen. Mijn gezonde jeugd kwam mij voor den geest, en nu was ik zoo aan de vergankelijkheid overgeleverd, in een weliswaar rustige, mij bekorende wereld en als eenige meester in een omtrek van honderden mijlen----maar toch aan de vernietiging prijsgegeven, als een plant in een donkere kamer.
En meer en meer begon ik te lijden.
Wel beloofde het werk nog resultaten en "zonder hardnekkig onderzoeken komt er tenslotte van het beste ding niets terecht", maar het leven daar in de eenzaamheid en in het slijk werd toch langzamerhand zelfs voor mij, die nooit veel verstand van parket en salon had gehad, te hard.