In het rijk van Siameezen en Maleiers

Part 7

Chapter 73,891 wordsPublic domain

Vroolijk doet de Aziaat zijn werk. Hij weet waarom. Een koelie denkt: Als ik morgen acht uur vlijtig werk, dan kan ik dat en dat....

De Europeesche arbeider vloekt: Al ploeter ik ook jaar-in, jaar-uit, dan kan ik nog niet eens....

Azië is een wereld vol harmonie; zijn menschen zijn van top tot teen in evenwicht.

Europa!?....

In het avondland, lijkt het mij, geschiedt al het werken met de grimmige, verbeten wanhoop, geen andere mogelijkheid meer te hebben dan als een razende te "werken".

Europa is ongeneeslijk-overbevolkt. Voor zijn menschen is het een kwelling er te wonen.

Azië daarentegen is vreugde.

En "koelies," "bruinen" of "inboorlingen" beteekent niet zoo maar kortweg "minder goed", "armzalig" of iets dergelijks.

Het is niet zoo eenvoudig "bruin" met "wit" te vergelijken. In de eerste plaats moet hij, die over "bruinen" spreekt, zich nooit deze vreeselijke, troostelooze beelden van het Europeesche proletariaat met het hopelooze martelaarschap van nood en ontbering vormen.

Menigmaal had ik dolgraag zoo'n troepje half-bevroren fabrieksarbeiders in mijn nieuwe wereld neer willen zetten en tot hen willen zeggen: Kijk, zoo leven ze daar. Het zijn weliswaar maar bruinen, maar.... zoo gelukkig leven ze daar aan den equator!....

En als dan soms van uit het Westen de ontzettendste geruchten in mijn vredige wereld doordrongen, wanneer ik te midden dier harmonie der Oostersche samenleving van de nieuwste successen en vorderingen van Europa hoorde.... noodkreten, klachten, smartelijk gejammer.... dan was dit telkens opnieuw een wenk voor mij om te twijfelen, met de oude voorstellingen mijner opvoeders te breken en het door Europeesche leeraren zoo stevig opgetrokken gebouw van opvattingen, doelmatigheden en verstandigheid omver te werpen, zooals men een oud, niet meer bewoonbaar huis afbreekt, eer men er voor eeuwig dood en begraven onder komt te liggen.

In de stille werelden van het Oosten heb ik leeren twijfelen; als een openbaring is de gedachte in mij opgedoemd, dat het niets dan een gril is, Europa als kernpunt te beschouwen, al de opvattingen van zijn jonge cultuur als het eenige, het beste en als voorbeeld te willen doen gelden; en mij zelve en mijn blanke pracht leerde ik onder bruinen heel anders zien.

En telkens weer kiemt in mijn weliswaar nog niet gevestigde levensbeschouwing (een soort boeddhistische hemel-hel-balans-religie, die ik nog altijd hoop een beetje in evenwicht te brengen), de ontzaglijk deemoedigende vraag op: "Is Europa werkelijk waar?"

Dat je daar zoo opeens de held van alle vrouwen moet zijn, was voor mij het bizondere onder bruinen, nadat je vroeger onder millioenen "allemaal evenveel kans hebbenden" absoluut onopgemerkt bleef.

De sympathie, die elke vrouw daar opeens voor onze oude witte huid zoo opvallend verraadt, werkt eerst verrassend, daarna aangenaam en ten slotte naargelang.

Je bent daar allen bruinen echtgenooten, bruigoms, pretendenten met of zonder bewijs van domicilie zoo verbluffend vlug een heel geweerschot voor, zoodat, wie aanleg mocht hebben voor romantiek, er beter aan doet thuis te blijven en wie het niet heeft--heelemaal.

Op Aris maakte het zichtbaar een diepen indruk, dat zijn toean niet blindelings uitgebreid gebruik maakte van dit voorrecht, doch dat hij, zooals de Maleier dat bij zichzelf uitlegde--zelf een blanke--blijkbaar de voorkeur gaf aan een blanke vrouw....

Wat echter natuurlijk niet heelemaal juist was. Ik heb mij menigmaal met een Siameesch rijst-deerntje geamuseerd--en miss Yonarin, die in het dorp woonde waar ik mijn hoofdkwartier had, iederen keer en opzettelijk-graag genegeerd, als ik haar toevallig op straat tegenkwam.

Aris bezat zooveel aan klassengeest, kastegevoel en zuiver inzicht, dat hij het in tegenstelling met menigen anderen toean in den zijne wel fijn vond, dat deze er niet zoo maar op los leefde, doch blijkbaar meer voor zijnsgelijken voelde, evenals een dame van zuiver onvermengd ras uit de goede Chineesche kringen, die alleen voor haar stam-broeders liefde over heeft, of hoogstens nog voor de voorvaderen van dezen, wanneer voorvaderen tenminste niet boven zulke nietige dingen als aardsche liefde verheven zijn!--

Wanneer een vrouw of een meisje in een dorp meer ondernemingsgeest blijkt te hebben dan de goede zeden veroorloven, wordt er heel eenvoudig van haar gezegd: Ze houdt er zeven mannen op na! Doch niemand ziet haar daarom met den nek aan. Dat "zeven" wordt op een toon gezegd, waarop men bij ons bijvoorbeeld van iemand zou vertellen, "ze heeft voor den tweeden keer tweelingen gekregen".... vol verbazing, men kan het niet zoo heelemaal vatten, maar denkt: wel, zij is nu eenmaal anders, we kunnen niet allemaal even gul met talenten bedeeld zijn.

Het wordt me bijna een beetje onbehaaglijk te moede, Europa te moeten vertellen, dat zelfs de deernen van de straat in Bangkok iets goddelijks en reins zijn; dat volgens mijn meening elke om zoo te zeggen eerbare Europeesche vrouw die negen en meer jaren school heeft gehad, een veel grootere deern is dan zoo'n jong, mooi Siameesch meisje, dat met haar bekoorlijkheidje speelt, omdat ze nergens anders van weet.

Ik schreef eens enthousiast in mijn dagboek: In Siam schijnen geen lichtekooien te zijn! Later zag ik mij genoodzaakt, een vraagteeken achter dezen zin te zetten, naderhand weer een uitroepteeken, enzoovoort, zoolang er plaats in het boek was.... maar ik ben er tot vandaag den dag over in twijfel gebleven, hoe ik dat eigenlijk zal zeggen; terwijl ik het toch precies weet, wanneer men mij over blanke vrouwen vraagt.

De enkele mensch speelt in Siam zulk een ondergeschikte rol en kan zoo makkelijk aan den kost komen en zijn weg vinden, dat het ontstaan van een nieuw mensch daar lang niet van zulk een belangrijkheid en beteekenis is als bij ons, waar het kind het verschrikkelijke van het huwelijk is--1o. het verschrikkelijke als op zichzelfstaand feit en 2o. het verschrikkelijk dure, en geweldige bedragen aan hulp en bescherming verslindende, en maar al te vaak levenslang niet te bevredigende geval.

Hier is weer het heele verschil tusschen Azië en Europa in twee woorden te zeggen. Zoo'n bruin wezentje leeft in het begin van lucht en melk (die hij werkelijk krijgt, wat veel waard schijnt te zijn) en later van rijst. Een zevenjarig kind in Siam kan zich beter nuttig maken en beter den weg door het leven vinden, dan een vijfentwintigjarige student bij ons.

Dat geeft een onschuldiger kleur aan heel de onzalige geschiedenis die "Leven" heet.

Als ik Aris goed heb begrepen, dan hechten de Siameezen echter toch ook veel waarde aan levensformaliteiten. Dat een man het bijvoorbeeld niet zijn leven lang bij een en dezelfde echtgenoote uithoudt, vinden ze weliswaar zeer begrijpelijk, maar bij het sluiten van een huwelijk hopen ze toch allemaal met elkaar, de vader, de moeder en de jonge vrouw, heel vurig: Als mijnheer het nu tenminste maar een paar weken uithoudt en niet morgen al weer wegloopt! Dat ze zoo denken, is minder om de lastige gevolgen voor de jonge moeder, dan wel omdat het niet goed zou staan en een slecht licht op de familie--der vrouw zou kunnen werpen.

Vaak en lang heb ik mij ingespannen om uit te visschen, wat zoo'n huwelijk onder eenvoudige woudmenschen eigenlijk tot stand brengt, wat er in werkelijkheid aan ten grondslag ligt en waaruit het bestaat.

Met het trouwen, dacht ik bij mezelf, is het stellig totaal anders gesteld dan bij ons blanken. Al komt het ook wel voor, dat de een haar bijvoorbeeld om een bijbehoorenden rijst-akker neemt (waarvoor hij overigens zijn schoonvader volgens oerwoudbegrippen een heel vermogen moet betalen) of dat een ander de zijne trouwt, omdat hij op een andere wereldsch-aardsche wijze er zij bij denkt te spinnen,--het was toch buitengewoon moeilijk teekenen van een hoogere, ware beweegreden te vinden. Want te vermoeden, dat zoo'n primitieve koelie iets verstond van bekoorlijkheid of innerlijke waarde--dat leek mij toch wel een beetje al te gezocht....

Dat Nai Khan en zijn Meh bij elkaar hoorden, merkte ik pas, toen ik ze samen het bosch zag ingaan. (Vaak spelen zich al te persoonlijke dingen immers daar af, omdat bamboemuren--niet behoorlijk sluiten).

Den ochtend na deze gewichtige ontdekking begon ik dadelijk mijn goddelooze strooptochten door de geheimzinnige wereld van dit woudhuwelijk.

"Als ik zoo'n bruin vrouwtje had als jij," dacht ik, toen ik Nai Khan's werkplaats in den Mijnberg onderzocht, waar hij half naakt en tot aan zijn knieën in het water stond te hameren, "als ik zoo'n vrouwtje had, zou ik niet dag-in dag-uit acht uren lang zoo hard ploeteren...."

Nai Khan had altijd iets vermoeids in zijn oogen, alsof hij onder het harde werk toch alleen maar aan haar dacht. En het was mij, alsof hij nooit, nooit lachte. Met zijn fijn gebouwde leden was hij een levend verwijt tegen het tot ruw werk veroordeelende noodlot. Want hoe bespottelijk slecht pasten deze zware breekijzers toch bij zijn donkere droom-oogen.

Pas na heel lang wachten en langs uiterst voorzichtige omwegen waagde ik het, ook haar een beetje in het licht van mijn eigen wijze van bespiegelen te bekijken. (Toen hij veilig aan het werk was.)

Of ze wel zou lachen, als ik lachte....?

Ja, ze lachte.

Toen probeerde ik haar te photografeeren. "Siameesche vrouw bij het rijststampen" schreef ik al in gedachten onder het kiekje--maar toen holde ze plotseling weg; en ik weet vandaag den dag nog niet, of ze beleedigd was of geschrokken; wat ik me alleen nog precies herinner, is, dat ik toen zijn zwarte oogen in langen tijd niet kwijt kon raken--.

Dikwijls hielden mij andere gewichtige plichten van verdere ontdekkingstochten af, doch ik nam mijn taak absoluut niet van den lichtsten kant op.--Zoo stelde ik mij gedurende twaalf dagen in de buurt van hun huisje op, als hij moe en hongerig van zijn werk kwam--maar--niets--niets bepaalds.

Pas kort geleden hadden mijn pogingen eindelijk meer succes. Laat in den middag, na afloop der dagtaak, was hij aan het voetballen. Een van bamboespaanders gevlochten bal wordt door een paar in een kring staande koelies met handen en voeten en soms zelfs met het hoofd rondgestooten, zonder dat hij daarbij den grond mag aanraken.

Nai Khan was een vurig en goed speler. Ik bewonderde de kracht en de lenigheid van het tengergebouwde slanke kereltje en zijn, mij na het harde dagwerk onbegrijpelijken lust voor dit vermoeiende spel.

Toen hij nu zoo echt midden in het spel was, zag ik opeens zijn vrouw op weg gaan naar het bad.... Ze liep met veerkrachtige, wiegelende schreden, haar knieën lichtelijk naar buiten gekeerd, de bovenbeenen echter volkomen recht, gelijk alle oerwoudvrouwen. Haar schoonen doek droeg ze als een tulband op het hoofd, de brandende zon scheen over haar bruine schouders en haar borstdoek teekende zich verblindend wit tegen haar rug af. Maar het mooiste was, zooals bij elke loopende Siameesche vrouw, het licht- en schaduwspel in haar naakte knieholten, en ik moest haar nakijken, zooals ik misschien nooit te voren een blanke vrouw heb nagekeken....

Ze ging een paar stappen voorbij de spelenden, toen hurkte ze neer aan den rand van den weg, geduldig wachtend,--wachtend op haar heer en gebieder.

En het duurde een heele poos tot ook deze zijn badgerei opnam en klaar was om met haar mee te gaan....

Is dat niet net als bij ons thuis! dacht ik toen, wanneer je bijvoorbeeld tegen je vrouw zegt: "Kom me om zes uur van de zaak halen, dan ga ik met je mee boodschappen doen in de stad."

Dat zeg je tegen je vrouw. (Meestal.) Je hebt dan wel altijd nog even gauw iets dat dringender is te doen, maar daarna heb je toch wel een beetje tijd voor haar en tenslotte straalt een trotsch "ik-heb-schik-in-haar" uit elken stap dien je te zamen met haar doet.

Nai Khan en zijn Meh liepen niet gearmd, ze reikten elkaar niet eens de hand--(oerwoudwegen zijn geen strandboulevards!)....

Maar toen ik ze daar zoo samen werkelijk als één wezen door den woud-avond zag schrijden, toen kon ik toch niet anders dan deze twee gelukkige menschen toewenschen: Mogen jullie het beste plekje vinden om te baden en.... heel, heel helder worden....!

IN DE EENZAAMHEID DER OERWOUDEN

We waren op weg naar het dal van den Nam Dam, de Zwarte Rivier. Aris was er al, Holloeki en ik, werktuig en levensmiddelen op een buffelkar meevoerend, volgden hem. Niettegenstaande den regen.

De rijweg door het brokkelige bamboewoud was week geworden. Het slik reikte den loggen buffels tot aan den buik. Alles was grijs van modder en slijk, wij, de dieren en heel de troostelooze streek.

Als verdrinkend gras keken de groene puntjes van de jonge rijst uit het water der weinige akkers langs den weg op, en hier en daar dreven vrouwen haar kudden door de rijstvelden, op deze eenvoudige wijze ploegend.

Soms regende het haastig en snel met groote droppels; dan weer poogde de zon, als in een reusachtig spinneweb hangend, door de wolken te dringen, bleek en vaal en toch met een kracht die verwonderlijk was.

Regen in de tropen is het meest verschrikkelijke voor den blanke en zoo erg als een sneeuwstorm in het hooge Noorden. Wel bezwijkt de mensch hieronder niet zoo plots en snel als onder zoo'n sneeuwstorm, doch meestal pas na weken, maar omdat hij hieronder onmerkbaar wegkwijnt en zijn einde bijna ongeweten nadert, is deze tropische regentijd des te verraderlijker.

In een kokkie, die eigenlijk in een geriefelijken bungalow zou kunnen leven, moet het ten zeerste geprezen worden, wanneer hij zijn toean in den soms onbegaanbaren, onontwarbaren jungle vergezelt. Duizenden zouden dat voor geen geld van de wereld doen. De jungle is voor hen het zinnebeeld van het allerergste.

Maar gelukkigerwijze bestaan overal waar menschen zijn op aarde, ook verhoudingen tusschen dezen, wier duur en hechtheid niet alleen aan geld en dergelijke stoffelijke waarden is verbonden; en ook in het Oosten vindt men voorbeelden van ongelooflijk trouwe, verwonderlijk-geduldige en merkwaardig-vlijtige bedienden, zoo goed als onbegrijpelijk strenge en nijdige meesters, die toch gedurende langen tijd dezelfde dienaren bezitten.

Holloeki, voelde ik, zou door dik en dun met mij meegaan, omdat hij een zeker vertrouwen in mij had gekregen. Ik was zijn toean. Deze toean was zoo en zoo goed. Nu had deze heer het besluit genomen in het woud iets te gaan zoeken. Dat was weliswaar krankzinnigenwerk in dien regen, maar ik ben zijn boy, zei Holloeki tot zichzelf, en ik ga met hem mee, al zijn er ook nog zooveel hinderpalen. Als mijn meester werkelijk de heer is, dien ik tot nu toe in hem gezien heb, dan zal het wel goed zijn.

Niet omdat ik elk oogenblik hard en streng was en hoogmoedig als een koning, hielden mijn "slaven" het in het oerwoud bij mij uit, maar omdat er een soort wet schijnt te zijn: dat het lagere het hoogere diene en het kleine zich in den dienst van het groote stelle------daarom dienden Holloeki en Aris mij zoo trouw, dacht ik. Zuiver en alleen uit het gezonde gevoel: Zoo moet het zijn en zal het hem en ons en allen tot heil worden.

Met binnensmondsche kreten stuurde onze voerman de kar, die voortdurend in watergaten zakte, het bosch in, en zijn Oeh, Oeh, Oeiii!------! waarmee hij de buffels tot de uiterste krachtsinspanning aanspoorde, wrong zich moeizaam door zijn diepe keel heen------moeizaam, uit haat tegen den afschuwelijken weg en de ongemakken van den grauwen, smerigen dag; wanhopig gerekt Oehoehoehoehoeiiii-ee! wat ben ik een stommerd geweest, dit werk aan te nemen en de goederen voor dien toean zoo diep in de wouden te brengen------voor dertig tikals.

Tot de zwaarste uren voor den jungle-reiziger behooren die, waarin hij, met heel zijn hebben en houden al midden in de wildernis, dezen strijd zijner gidsen, voermannen en dragers om hun psychisch evenwicht moet meemaken en in twijfel blijft of ze zullen volhouden of hem met zijn boeltje in het moeras zullen laten steken. Dan kan een krachtig woord alles evenzeer ten goede als ten kwade keeren.

Het liep tegen den avond en de weg was nog ver. "De weg!" Ik wist dat het breed-uitgehouwen, voor buffelwagens berijdbare gedeelte weldra voorbij was. Tot daar zou de voerman meegaan. Ik zelf snelde nu alleen vooruit, twee uren ver naar Aris' legerplaats, om de koelies te roepen, die de bagage dienzelfden avond nog naar het bivak aan den voet der bergen moesten sleepen.

Het is nooit donkerder en somberder in het oerwoud dan bij regen; nooit koeler, nooit heeter. Van alle takken en twijgen druppelt het, je kleeren zijn tot den laatsten draad nat, en je voelt je koud en zwoel op hetzelfde oogenblik, bijna als in koorts.

Dampend van inspanning, over en over met modder bedekt en zoo moe dat ik dreigde neer te vallen, bereikte ik het kamp. Zwaar lagen de wolken in de boomkronen, zeurig luidden de eerste ontwaakte krekels den nacht in en het regende weer zachtjes, toen Aris mij begroette:

"Veel wilde olifanten! Toean, veel bloedzuigers.... maar ook veel erts!"

Toen herinnerde ik me weer de zalige vreugde, die me had vervuld, toen ik na twintig vergeefsche pogingen om goed mijnland in het oerwoud zelf te vinden, hier eindelijk het groote succes meende te mogen aanschouwen. Hoe het mij gelukt was een slimmen Chinees te verschalken, vlug naar de hoofdstad te vertrekken en het land met een concessie te beleggen.

Nu zou het waardevolle niettegenstaande regen, muskieten en koorts en in weerwil van alle gevaren, onderzocht en ontgonnen worden.

Alleen taai-volhardend werken brengt resultaten, zei een stem in mij. En het leek me juist wel goed dat ik hier een harde noot te kraken zou hebben. En juist daarom, omdat het hierblijven bij regenweer iets buitengewoons, ja krankzinnigs was, zou ik nu voor niets ter wereld wijken. Den jungle kon men (gelukkig) nog niet in zijden bedjes leeren kennen.

Aris, die van tin en mijnland meer verstand had dan menige blanke, begreep mijn ondernemingslust. Over afstanden van vele kilometers beken doorwadend, hadden we telkens weer in ieder waschbekken meer dan genoeg van de blauw-zwarte ertskorrels gevonden. Het was nu alleen nog een vraag van nader onderzoek, of tusschen de waterloopen ook grond lag die ertshoudend was, of de tinsteen met de diepte toenam enz., om de plek waardevol te maken voor de toekomst.

Nooit ben ik met mijzelf en met mijn leven meer tevreden, dan wanneer ik iets gedaan heb of op het punt ben te gaan doen, dat iets eigens heeft en dat de groote hoop niet doet. Maar ook nooit ben ik ongelukkiger dan op die momenten.

Het dappere, moedige in mij zegt: Het heeft absoluut geen zin, dat je van allerlei doet wat anderen ook kunnen. Je moet iets groots, iets nieuws scheppen. Met hen die meer geregelde werkkracht bezitten en in staat zijn langere werkdagen te maken, kun jij je toch niet meten. Jij moet daar beginnen, waar de anderen ophouden.

En daarop antwoordt dan meestal zacht en schuchter de lafaard en gezelligheid-zoeker in mij: Zeker, dat is waar, maar hoe goed je trotsche kennis ook is en hoe prachtig ook, al is het tegelijk moeilijk en gevaarlijk, het denkbeeld----het kost je je kracht en gezondheid, ja misschien je leven en is daarom slecht.

Er zijn menschen, die den verstandigen arbeid vervloeken en in het onverstandige des te grooter dingen presteeren, die er de voorkeur aan geven ter wille van een groote gedachte te sterven, in plaats van in een alledaagsch geluk te leven.

In hen leveren het goede en het kwade, vreugde en leed en leven en dood onophoudelijk woeste worstelingen; ze zijn vol tweespalt, soms onbevredigd, soms blij, nooit vast en rimpelloos van stemming; en al wat er in hen gebeurt, is de koppige uiting van het tegendeel.

Uit de worsteling hunner twee halve werelden ontstaan hun werken, die dikwijls vreemdsoortig zijn; uit hun afschuw voor het slechte----misdaden, uit hun minachting voor regelmatig-dor, banaal werk----daden, die nochtans uit een groote hoeveelheid inspanning en offers zijn opgebouwd. Niemand worstelt zoo hardnekkig om het stralende hooge licht te bereiken als zij, die steeds het oogenblik vlak voor zich zien waarop het halsoverkop en onafwendbaar den verkeerden kant met hen uitgaat.

Voor zulke menschen is het eenvoudigste leven een foltering, al het mooi-geregelde verdacht, al het goede te goed; en wanneer zoo iemand, die licht en donker tegelijk is, zoo iemand met brandend-heete verlangens en vol gistenden twijfel in de ophitsende eng-omslotenheid van den jungle geraakt en in de gewelddadigheid van het tropische klimaat, dan zal in den kortst mogelijken tijd zijn leven bedorven zijn, wanneer niet ergens een goede beschermengel de zware plicht op zich laadt, met zijn klare licht over hem te waken.

Van mijn bivak aan de Zwarte Rivier stond ik op slag midden in den maagdelijken jungle. Het dal, waar de rivier zich doorheen slingerde, was smal, en overal in het rond schaarden zich onafzienbaar en met knoestig doornig hout bedekt, de eene berg naast den anderen.

Mijn kamp stond in de nabijheid van een geweldigen yangboom, die ons het noodige hars voor de fakkels leverde. Als brievenbussen waren smalle nisjes, net spleetjes, in zijn stam gehouwen, waarin de brandbare vloeistof zich verzamelde, en vanaf den voet van dezen boom leidden naar alle richtingen wildpaden het woud in. In het leven der bruinen speelt zoo'n boom net zoo'n belangrijke rol als een heel kerkdorp in een Europeesche streek.

Een eenvoudig dakje op palen dat als hut dienst deed, wachtte daar op mij. Als een vliegende marktkraam in de stad. Muren waren er niet aan. Alleen een brits met een dak. Het laatste was gevormd door twee lagen in de lengte gespleten bamboestaven, de onderste laag als dakpijpen met den hollen kant naar boven gelegd en de bovenste laag van bamboestaven daar zoo overheen, dat ze om en om de voegen der onderste stangen bedekte. Eikenbladeren, die wel een halven meter lang waren en net gelakt leken, hielpen mij een plekje verzekeren, waar mijn matrasje en het "gele" en het "roode" eenigszins droog bleven, als het niet te erg regende.

Vlak er tegenaan was ook voor Holloeki een klein loofhutje gebouwd, waar onder moeizaam keukengeploeter de houterige bus-erwtjes uit Hongkong werden overmand. Als ik vermoeid en hongerig van mijn werk kwam, keek ik graag vanaf mijn bamboeschraag daarheen en de blauwe rookwolkjes na, die van Holloeki's werkzaamheid getuigden en wachtte begeerig op het luid schallende: "Toean, makan!"

Niet ver beneden het kamp stroomde de Zwarte Rivier voorbij, meestal als een klaar, doorzichtig stroompje over de met donker mos begroeide steenen kabbelend; doch nu na den gutsenden regen zwol ze vaak ontzettend onverwacht tot een bruisenden geel-groenen stroom aan. Dan klonk donderend en razend haar gebrul op en vermengde zich met het duizendvoudige stemmengeruisch van den jungle.

Bamboe hing in dichte boschjes overal over den grond en tusschen dunnere plekken door zag men op de woeste, onbegaanbare woudbergen.

Niet ver van mijn slaap-hut verwijderd hadden ook mijn koelies en werklieden een schuilplaats gezocht. Die was nog eenvoudiger dan de mijne, en ze lagen daar 's nachts, de een naast den ander zoo goed als op den naakten grond en bijna in het water. Ik leefde wekenlang met hen samen, heelemaal op hen aangewezen.

Aan de in het Oosten dagelijksch gebruikte uitdrukking "koelie" (een Maleisch woord, dat ongeoefende arbeider beteekent) moet zich zeker iedere pas-aangekomen Europeaan eerst wennen. Maar ook iedereen zal weldra met aangename verbazing merken, dat aan dit woordje niet dat kleineerende en geringschattende kleeft, dat het Westen eraan verbindt. Wie diep genoeg in de oerwouden is geweest, voor dien zal van "koelie" weldra al het onaangename afgevallen zijn, en telkens wanneer hij het woordje hoort, zal in hem de duidelijke voorstelling van een "dienstbaren geest" opdoemen.