In het rijk van Siameezen en Maleiers

Part 6

Chapter 63,868 wordsPublic domain

Terwijl ik in het begin in Siam altijd dadelijk naar de binnenlanden snelde op mijn onderzoekingstochten, had ik later geleerd, hoe nuttig het was, eerst met de dorpsbewoners te praten en alles nauwkeurig te overleggen, voordat ik de oerwouden introk.

Aan dergelijk voorbereidend werk werden daarom zoo nu en dan een paar dagen gewijd. En Aris verstond uitmuntend de kunst, de geschikte gastheeren voor mij op te sporen; het waren meestal eenvoudige, maar goed op de hoogte van het land zijnde lieden. Bezoeken werden ontvangen, informaties ingewonnen en zonder dat ik er mij zelf eigenlijk veel mee inliet, vernam ik door middel van Aris meer van het waardevolle land in den omtrek dan wanneer ik, zooals de andere blanken, heel officieel bij den gouverneur was afgestapt. En bovendien bevond ik mij dan op zoo'n plek zonder opzien te baren, als het ware zonder veel gewicht te hechten aan mijn verblijf daar, wat in mijnstreken, waar alle menschen langere ooren hebben dan ergens anders, ook van buitengewoon veel voordeel was.

Deze uren behoorden tot de heiligste die ik in Siam heb doorgebracht: op bezoek te zijn in een eenvoudig huis bij wakkere landlieden.

Te zien hoe goed, hoe vriendelijk en gelukkig het in zulke hutten toeging, waar ongeschreven wetten gehandhaafd werden en bij vroolijke gesprekken veel natuurlijke geestigheid en gezond verstand tot uiting kwam. Waar zoozeer in tegenspraak met mijn verwachtingen alles veel ordelijker, nobeler en gezonder toeging, dan ik ooit gewaagd zou hebben te veronderstellen.

Ik moet dat telkens weer vaststellen, al zou ik ook in de oogen mijner medemenschen met een geweldige spade den laatsten vasten grond onder mijn voeten weggraven.

Het is niet het dierlijke gebod: Mensch, ga onder wilden wonen! maar wel het overtuigd zijn van de goedheid, want echtheid van al wat ik in de Siameesche dorpen gezien heb. Ik weet daar, dat de dingen zijn, zooals ik ze zie.

Ik zou natuurlijk nooit willen bestrijden, dat er niet iets edelers bestaat dan deze kinder-onschuld van het Oosten en geef onmiddellijk toe, dat een dier geestelijk-fijnzinnige vriendschappen, zooals ze hier wel voorkomen, hooger te schatten zijn. Maar wijl helaas al het geestelijke en psychische in ons leven in verhouding tot de eeuwigheid zoo kort is, als de Zondagen in den langen loop van het jaar,--en wijl er bovendien, naar het mij schijnt, bijna altijd iets van onwaarschijnlijkheid aankleeft, bekruipt mij bij al het schoone, dat ik in de onnatuurlijke wereld "Europa" tegenkom, steeds het meer of minder zekere gevoel: Pas op, te mooi om waarachtig en levend te zijn!"

Misschien spruit het hieruit voort, omdat dikwijls juist bij de teederste vriendschappen en fijnst gesponnen verhoudingen tot evenmenschen het levenspitje zacht, maar plotseling uitgaat, zooals bijvoorbeeld bij een tuberkuleuze vrouw, van wie een dom-wreed noodlot vergt, dat ze kinderen baart.

Er zijn ook in Siam zulke achtenswaardige families, waar een klankrijke naam vele generaties lang van invloed blijft, een soort waardigheid, die niet aan uiterlijke titels of rijkdom beantwoordt, doch in den aard der menschen zelf haar oorsprong vindt. De dagen, die ik in Siameesche dorpen doorbracht, waren voor mij vol feestelijk tot-inzicht-komen en kennis vergaren, dagen waarin ik stemmingen en verhandelingen wilde neerschrijven, als: "Wij menschen en het geluk", "Het Paradijs" en zoo voort.

Altijd moet ik weer terugdenken aan de zalige tijden, die ik (om maar een te noemen) in het huis van den P'hoe yai [1] Ming heb doorgebracht.

Ming was dorpsdokter, Siameesch wonderdokter van beroep en zuiver menschelijk beschouwd was hij Moeans vader. Moean zong, als ze praten wilde.

Eens op een nacht bereikten wij per motorboot K., een hoofdplaats in de provincie, waar ik eenige dagen wilde blijven, om inlichtingen te verkrijgen en een expeditie in de streek voor te bereiden.

Men bracht mij (ik weet niet wie) in het huis van een Chinees (ik heb nooit begrepen, hoe hij tot deze eer kwam), ik klauterde een kort kippenladdertje op, stapte over een stuk golfijzer dat de deur moest voorstellen, een gezin schoof bij den droeven schijn eener lamp zijn lichte stroomattenbedden op zij, Aris zei: hier is het goed, en ik was er.

Het dorp K. was beroemd om zijn met de hand geweven zijden doeken, en op zoek naar zulke doeken kwam ik op een dag toevallig in het bereik van Ming en Moean.

Toen ik in gezelschap van Aris mijn eerste visite bij Moean maakte, lag snurkend een robuuste kerel op het erf voor het huis, van wien ik zoo op het eerste gezicht de grootste krachttoeren verwachtte. Maar het bleek al heel gauw, dat hij aanzienlijk onschadelijker was, dan hij er uitzag.

Toen vroeg Aris naar doeken, doch Moean lachte; ze had maar één mooien p'ha nong en dien kon mijnheer niet goed meenemen, omdat zij hem net aanhad. Alle andere doeken waren afgedragen. Die mocht ik meenemen als ik dat wilde. Maar dat wilde ik niet en ik zei lichtelijk benauwd, omdat Moean zoo mooi was, tegen Aris: Laten we maar gaan! en toen hij over dit haastige vertrek ontstemd werd, verklaarde ik doodeenvoudig: Als ik een doek wil koopen, wil ik alleen een mooien doek koopen!

's Avonds kwam ik terug. Nu was Moean niet alleen, doch haar vader Ming en Meh Pioe, haar moeder, allebei bejaarde menschen, zaten ernstig en eerbiedwaardig bij haar, en ik voelde me als iemand, die komt, hoewel hij weet, dat hij niet komen moet.

Kom boven! zei de vader, en ik beklom de ladder. Het komt dikwijls voor, dat men vreemden beleefd verzoekt binnen te treden hoewel men ze eigenlijk de deur zou willen wijzen.

Ik voelde me niet op mijn gemak. Niemand sprak, en toch leek het me alsof iedereen wist waarom ik kwam. Eindelijk zei Aris: Om den doek!.... Omdat Moean zoo mooi is, moest ik aldoor denken.

Ming en zijn vrouw zeiden niets. Moean zweeg en rolde dikke sigaren uit bladeren, waarin ze binnenlandsche tabak stopte. Ze had nu een paar kettingen om, die waren als zilverdroppels; lange, lange kettingen, die ze tweemaal om haar bruinen hals kon winden en die toch nog ver over haar borst afhingen.

Toen ik zelf schuchter om mijn doekje smeekte, glimlachten Papa en Mama en vooral Moeans twee kleine broertjes moesten lachen; die konden dat gedoe om zoo'n doek heelemaal niet begrijpen.

Pas toen er in den loop van het gesprek een paar grappen, die geen gekheid, maar bittere ernst waren, werden gelanceerd, kreeg ik mijn evenwicht terug.

Mama zei: Het mooie kleedingstukje wilden ze onder bepaalde omstandigheden wel verkoopen, als mijnheer geen gedragen doek wilde meenemen, maar.... Het verheugde haar dat mijnheer haar deze eer aandeed en zoo voort maar.... Zooals goede moeders dat weten te doen, deed zij mij allerlei beloften, welke mij het recht gaven alles wat heerlijk was te hopen, doch die zij met wreeden wellust telkens door een "maar" weer bijtijds uit den weg ruimde.

Terwijl Moean mij uitlegde hoe het spinnewieltje werkte en proeven van haar bekwaamheid ten beste gaf, heel lief en heel aardig--Meh Pioe zei trots: mijn dochtertje vreest den blanken heer niet (wat klonk als een uitnoodiging)--vroeg ik naar den prijs.

"Veertig tikal!" zei de oude vrouw, en meteen daarop glimlachte ze preciseerend, "maar ik geef den doek alleen met het meisje erin.... dat wordt dan tachtig tikal."

Terwijl ik weinig welwillendheid zou voelen jegens een Europeesche "moeder met prijslijst", begreep ik in dit geval toch heel goed, dat Moean deze tachtig min veertig = veertig tikal waard was.

Op het paalwerk der veranda zat de schoone, werkte met bronzen handen en voeten, spon en lachte daarbij; tusschen de spitse schuine daken onder den open hemel en over de verre af-geoogste, met gele stroostoppels neerliggende velden glansde bleek de maan. De lucht was mild en vol gevonkel en gekruid door de geuren van den heeten dag die pas voorbij was--en mijn hoofd duizelde van louter Siameesche getallen en cijfers. Toen lachte Ming met een veelbeteekenend ondoorgrondelijk gezicht, half uitnoodigend, misschien niet zeer verheugd of misschien zelfs wel dreigend:

"Als gij, heer, hier werkelijk komt werken, dan kun je Moean krijgen!"

Maar toen ik onder duizend zoo ernstig mogelijk bedoelde eeden bezwoer, dat ik spoedig terug zou komen en dan in de buurt een huis zou neerzetten, of hij me Moean maar vast wilde geven, ze kon nu juist met me mee, en het kostbare doekje zou ik hem terugsturen, zoodra ik een ander, nog veel mooier voor haar had gekocht------toen ik zoo welbespraakt als nog nooit te voren mijn stelligste verzekeringen gaf, deed mama opeens als een doodgewone beleedigde mama en zei kort en streng: "Plau--daar komt niks van in!"

Later trok ik in Ming's huis om daar te wonen (omdat Moean zoo mooi was), zoodra "meneer de dokter" zich ervan overtuigd had, dat ik niet heerschzuchtig was en ook niet iets onpassends poogde gedaan te krijgen. Siameezen zijn dikwijls bang voor menschen die hooger staan dan zij, omdat in hun absoluut despotische land iedere hoogere bijna onbegrensde macht heeft over degenen die lager staan dan hij.

Toen Aris hem van allerlei had wijsgemaakt: "Ming, mijn toean vraagt je om raad in betrekking tot de mijnen; jij kent het land en bent wijs, hij zal je beloonen, als je hem helpt"... kwam er tenslotte toch nog een heel aardige vriendschap tusschen ons tweeën tot stand.

Alle Siameesche bamboehuizen lijken op elkaar. Op hooge palen een ruim hoofdvertrek, daarnaast een paar door zwakke, doorzichtige schotten afgedeelde kamertjes, van stoelen en tafels meestal geen spoor, hoogstens een paar kisten en koffers en in een hoek van het hoofd- en ontvang- en bijna openbaar vertrek, twee of drie bestofte Boeddha's.

Zoo was ook het huis van Ming.

Ming zelf was een kostelijke man. Tegen zijn verzorgde, donkerbruine lichaam teekende zich het witte borst- en hoofdhaar glanzend af. Hij droeg alleen een doek, altijd van dezelfde kleur, van hetzelfde schreeuwende hemelsblauw, als wij het in Zwitserland van de buikgordels der Italiaansche grondwerkers kennen. Losjes omgebonden, plooien werpend en meestal met artistieke nonchalance den navel vrijlatend------scheen Ming begrepen te hebben, hoe uitmuntend dit blauw bij zijn grijzen, waardigen schedel op het gespierde lichaam paste.

En Moean was een echte dochter van haar vader. Ik heb haar als kunstwerk gewaardeerd en bewonderd als zelden een vrouw.

Eenvoudigweg, als iets dat volkomen was. Als voor de menschen op de wereld neergezet door God, den kunstenaar in den hemel. Aanschouw en aanbid. Voel, begrijp, dat er iets heerlijks is, dat rechtstreeks van mij komt.

Je hoeft er alleen maar te zijn, dacht ik, je huiselijke bezigheden te verrichten, te koken, bamboematten te vlechten, rijst te stampen.... als je mij maar laat toekijken.

Sta me toe, bij je te zitten en door jouw aanblik allerhande dingen te vergeten. Laat mij je in gedachten in den nek kussen, laat mij met gespreide vingers door je korte haar glijden, antwoord met je klinkenden lach op mijn gezegden.... maar, blijf hier.

Wees er alleen voor mij, zooals Mata hari er is voor den jungle!

Telkens wanneer Moean uit den tuin kwam of van den arbeid op het land, ging ze naar den hoek van het huis, die de keuken voorstelde en wiesch met een vluggen straal water haar voeten. Ze deed dat als een echte dame in Europa, die bij het binnenkomen in haar villa van schoenen wisselt. Dan zocht ze naar versche betelnoot en zag mij aan:

"Nai hang sa bai?" Heer, hoe gaat het met je?

Het is me, alsof de eerste de beste ruwe stalknecht de prachtige aaa-muziek in dit zinnetje moet hooren.

"Moean is zacht!" zei Aris eens en verdraaide daarbij zijn oogen. "Moean is goed."....

Terwijl in de donkere helft der maand de menschen na het avondeten met de kippen op stok gaan, wandelt in maanlichte nachten het heele dorp vaak tot laat na middernacht rond. Schimmenvoorstellingen, door eenvoudige muziek begeleid, worden op de dorpspleinen gegeven; de jonge mannen trekken naar de hutten der schoenen toe en de ouderen verzamelen zich tot betelkauw-kransjes en vertellen elkaar telkens en telkens weer opnieuw de avonturen, die ze in de wouden, op zee, in de hoofdstad in den loop der jaren hebben doorgemaakt.

Aris wijdde mij dikwijls volkomen in alle familiegeheimen in. Niet alleen vernam ik de namen van alle menschen, dat was nog het minste, hoe moeilijk ik deze soms ook kon onthouden, hoe zeldzaam ze ook waren.

Het is niets buitengewoons, dat in Siam een doodgewone kerel "Maan" heet, of "Zon"!

Om moeilijk uit te spreken namen toegankelijker te maken, voerde ik bij mij, in mijn eigen wereld, wel eens benamingen uit mijn dagboek als omschrijvende hulpnamen in, zooals je bij algebra onoverkomelijkheden door allerlei ezelsbruggetjes memoreert.

Op een dag teekende ik op: Vandaag ontmoette ik voor den tweeden keer "Heerlijk-natuurlijke vrouwen zijn er onder deze bruine menschen"; of wanneer Aris over juffrouw X of Y sprak, dacht ik onveranderlijk aan "maar omdat er mos en andere vlekkerige dingen op haar borst groeiden."....

Een in den glans harer valsche diamanten en gouden kettingen, zilver en feestsieraden schitterende dame droeg een naam, die alleen in het Fransch uitgesproken decent genoeg is om herhaald te worden--Madame Constipée.

Doch daarnaast komen ook net zulke namen voor als bij ons mijnheer Zwart, mijnheer Rood, mijnheer Vogel, mijnheer Wagenmaker, mijnheer Meester.... en zooals koelies meer heeten.

Niet zeer passend leek mij de naam van een klein, tweejarig, kaal-geknipt meisje: "Juffrouw Haar."

Een ander meisje, dat er weliswaar Siameesch-donker uitzag, doch in wier oogen men de medewerking van een Chinees bij haar ontstaan kon lezen, werd door haar moeder kortweg "Chineesje!" genoemd. (Zij moest immers wel weten waarom.)

Meh beteekent in het Siameesch vrouw (moeder). Meh [2] sao is een kuische vrouw--een meisje. Aardig is de uitdrukking meh mai, dat is een "nieuwe vrouw," een weduwe of gescheiden vrouw, kortom, een vrouw met "nieuwe" mogelijkheden (om te trouwen).

Maar niet alleen dit alles vernam ik in de dorpen, ook veel intiemere dingen. Van slechte moeders, van wie ik dat nooit gedacht zou hebben; van gierige Chineesche vrouwen en omgekeerd van onooglijke, onopvallende maar zeer achtenswaardige mannen.

In Ming's dorp woonden ook veel Chineezen.

Het is een geluk voor Siam, dat het de Chineezen in zijn land toelaat. In ieder dorp, dat ik op reis ontmoette, overal waar gewerkt werd, lag het werk in handen van Chineezen. Zij zijn de handelaren, zij zijn de visschers, zij zijn het die de ontwikkeling vlijtig bevorderen en zij trekken en sleepen de trage oerwoudmenschen en boeren, de Siameezen, mee.

In ieder dorp zijn de hutten der Chineezen te vinden, op elke rivier drijven hun woonschuiten, overal zijn zij doelbewust aan het werk.

Chineezen en Siameezen kunnen goed met elkander overweg, vooral de mannetjes met de vrouwtjes.

Doordat ik jarenlang diepgaande studie heb gemaakt van de erfelijkheidskwestie en rassenbiologie--het is eigenlijk om te lachen, wat een mensch niet allemaal in den loop van zijn leven doet--zag ik misschien iets beter en duidelijker deze buitengemeen interessante voorbeelden van kruisingen dier twee menschsoorten en de resultaten daarvan.

De Siamees is het donkere, trage, grove, breede boeren- en woudelement. De lichtere Chinees brengt bij de kruising een zekere fijnheid mee, geestelijke perfectionneering en rasverfijning en geeft zijn nakomelingen temperament en beschaving.

In de gemengde generatie ontstaan daardoor menschen, die ongeveer het gemiddelde van Siamees en Chinees zijn.

Pas in de verdere generaties doen zich dan gesplitstheden voor, mozaïek-menschen, wier eene kenteeken Siameesch is, terwijl andere Chineeschen invloed verraden.

Zoo kan het gebeuren, dat er 1/4 China-3/4 Siam-menschen, vooral vrouwen, ontstaan, die beeldschoon zijn en in wie werkelijk ras zit.

Men moet deze in de intiemste kamertjes van Chineesche groote heeren en kenners zoeken, waar ze enkel en alleen als siervogeltjes worden gehouden en gekoesterd en verwend en dat ik haar rustig liet begaan. Tenslotte was ze toch ook Moeans moeder.

De grootmoeder was het, die 's avonds den laatsten tocht om het huis deed en een stang als afsluiting onder de deuropening stak, zooals bij ons een muizenval wordt opgezet.

Pas nadat ze al haar plichten van iederen avond had volbracht, lei ze zich op één oor, keek nog een heele poos met groote, open oogen naar het dak op en wachtte geduldig tot de slaap ook aan haar dag een einde maakte.

Op zulke avonden gebeurde het wel, dat de oude Ming, zijn bruinen buik streelend, tegen den muur lag en telkens over zijn heele gezicht grijnsde, als hij zag hoezeer zijn dochtertje bij den blanken heer in den smaak viel. En wis en zeker strekte hij zich vaak op zijn mat uit met de stellige overtuiging en met de blijde gedachte: Iets goeds heb ik toch zeker in mijn leven tot stand gebracht.

Doch bij al dezen paradijs-achtigen eenvoud van leven, niettegenstaande alle deurloosheid en onbetrouwbaarheid der bamboeschotten,--en hoe schilderachtig-onzedelijk volgens Westersche begrippen de heilige familie--en ik er midden in--zich op den kamervloer ook uitstrekte--een prachtige als het ware innerlijke wet, een onzichtbaar in de menschen zelf liggend iets hield juist daar bijna elk onbetamelijk woord en elke dubbelzinnige daad terug, waar men volgens de onhoudbare meening van Europeesche begrippen chaotisch rondtastende, blind-woelende dierlijkheid zou mogen verwachten. Zedelijkheid en welvoegelijkheid, dacht ik, is het handhaven van in een bepaalde menschelijke gemeenschap als practisch en noodzakelijk of wenschelijk geoordeelde levensopvattingen en wetten.

Beschaving schijnt het niet-handhaven van deze dingen te zijn.

Het is een paskwil van het Westen, den sensitieveren, nerveuzeren mensch van het avondland nog wetten voor te schrijven, die veel veeleischender (ja, ronduit hopeloos) zijn, terwijl hij minder in staat is, ze na te komen.

Mijn fantasie en al mijn vooroordeelen speelden me soms dwaze parten.

Op een nacht lag ik op mijn matrasje, terwijl Moean en haar zuster lachten en gichelden in het kamertje ernaast. De deur stond enkel aan. Ming was er niet; hij sliep bij familie, hadden ze me gezegd; en dat was zoo vreemd,--dat ik opeens dacht: "Waar ben ik....?.... ben ik niet in Siam?"

Ook Aris was weg en Holloeki wist eigenlijk niet goed wat hij me zou raden:

"Ja, toean, misschien is het goed als je naar binnen gaat. Maar misschien ook niet. Misschien zouden ze je graag je hoofd willen afsnijden!"

Op zulke avonden voelde ik me vaak diep-gelukkig en dood-ongelukkig tegelijk over mijn besluitelooze, geheel onder den dwang van mijn opvoeding staande, doch van nature oneindig vrije en avontuurlijke wezen....

>Dat zijn de gevaarlijke dagen en nachten voor den blanke, die zich aldoor dieper in deze nieuwe sfeer inleeft, wanneer hij dreigend en onvermijdelijk het uur voelt naderen, waarop er plotseling iets in tweeën zal zijn tusschen hem en al de heerlijkheden van Europa welke hij tot dusverre als zijn hoogste bezit in zijn hart heeft bewaard. Wanneer zijn oude philosophie en wereldbeschouwing plotseling aan scherven voor zijn voeten liggen, een nieuwe godheid voor hem wil opstaan, waartoe hij zich aangetrokken voelt, maar die toch nog zoo nieuw, zoo vreemd en zoo wonderlijk is, dat hij pas heel langzaam vertrouwen in haar begint te krijgen en een horde van elkaar tegensprekende gedachten zijn arme ziel in oneenigheid verscheuren.

Wanneer de kartelige silhouetten van wanordelijke palmwouden met romantisch lokkende hutten en menschengestalten erin, zich dieper in zijn verbeelding beginnen te griffen en het hem is, alsof de kale nuchtere straten met de strakke huizen en al die rechtlijnige dingen in Europa zijn tot in het onmetelijke gegroeide honger naar al wat echt en schoon en natuurlijk is, nooit meer zullen kunnen stillen. Wanneer hij zònder deze kleurige beelden niet meer leven wil!

O, in de tropen grijpt het leven den blanken man onbarmhartig aan en het jaagt hem naar een in hemdsmouwen staande of zelfs nog naaktere levensopvatting toe. Ik zou willen zeggen: Dat is meer dan bestendig aan levensgevaar blootgesteld te zijn. Je wilt dat beetje moeizaam verworven beschaving toch niet aan het Oosten prijsgeven----

Een eindeloos geschermutsel tusschen het bekrompen: "Europa en al wat ik heb aangeleerd niet op te geven--" en het heftig dringende "deze heele, nieuwe wereld grondig te leeren kennen--" was er aanhoudend in mij gaande.

Tot ik bevreesd begon te worden, mij als betooverd voelde, het mij was of ik ondanks mijzelf de rol vervulde van den held in een avontuurlijk sprookje, tot ik niet meer ik was, maar een bijna willoos, door buiten mijzelf omgaande machten gehanteerd werktuig. Tot ik begon te zeggen: "Tida apa!--Vooruit dan maar!" en dacht: "Leven, je bent wonderlijk, doch neem mij dan maar, als het niet anders gaat!"

Tot ik mij gewillig in mijn lot schikte, dat mij gebiedend naar het hevigst avontuur drong, met de verontschuldigende gedachte: Want ik ben als het potlood in de hand van een verdwaasden god, die, al wat zijn strenge gebieder hem zal voorhouden, voelbaar, tastbaar zal maken.

Sinds ik uit het Oosten ben teruggekeerd, word ik verscheurd door chaotisch door elkander woelende, elkaar wederkeerig opvretende levensopvattingen.

Nooit heb ik zoo fel tegenover mijn eigen geestesleven gestaan als ginds in Siam, in het Oosten, waar het leven zoo open en blij en als een juichend lied aan den dag treedt. Waar de levenswetten eenvoudiger zijn, maar worden nagekomen, waar niet zoo'n leger van gecompliceerde voorschriften en beschouwingen over goed en kwaad ontdoken behoeven te worden. Waar het op het "hoe" van het leven minder aankomt.

Nooit heb ik de school, die diep in mij woont en mèt haar de onderwijzers, vuriger gehaat en vervloekt en heel mijn opvoeding met al haar voorschriften zwaarder op mij voelen drukken, dan destijds in het Oosten onder menschen die er geen vooroordeelen op nahouden, die onbewust en onbelemmerd leven, zooals het goed is en gelukkig maakt.

Vreeselijk is deze Europeesche school van voorgeschreven en overgenomen opvattingen, vreeselijk zijn deze plichten en doelen, die iemand worden ingepompt gedurende een langen ontwikkelingstijd en den ontvankelijken Europeaan zoo wreed in bezit nemen en beheerschen, dat zij hem misschien wel tot een achtbare positie, misschien zelfs tot geld en roem, doch nooit, nooit tot zelfvoldaanheid, achting voor zichzelf en tot geluk kunnen brengen, omdat een week mensch, iemand die voor deze leeringen werkelijk toegankelijk is, er niets anders door bereikt, dan zijn eigen onvolmaaktheid al brandender te voelen.

Europa vergt te veel van zijn menschen en gunt ze te weinig. Het recht op en de mogelijkheid tot de billijkste levensvreugden onthoudt het hun.

In Azië, ver, is dat anders. In de eerste plaats geeft het leven iedereen het noodigste om te leven: een stuk lendendoek, rijst in den buik, een vrouw en de betelnoot-pruim. Iedereen ontvangt dit stilzwijgend als eerste voorschot op de afrekening van het noodlot. In het Oosten kent men geen zorgen voor woning, verwarming of kleeren en zelden kent men er honger. En voor deze gelukkigen slaat zelfs geen klok; het halve dagloon is meer dan genoeg voor alles wat ze behoeven. Geen verterende, niet te stillen verlangens kwellen deze menschen.--

Vandaar die onuitputtelijke bron van stoïcijnsche levensrust en kracht. Een koelie werkt, omdat hij de resultaten er van ziet, het tot iets brengt, waarop hij naderhand uitrustend teren kan.

De eenvoudigste bruine kan door werken tot welstand geraken, en zijn opkomst is zoo zeker, als deze het voor den gemiddelden Europeaan niet is. Ook geestelijk gesproken! Want welk ontwikkeld mensch in Europa zou tot zichzelf kunnen zeggen: ziezoo, nu ga ik werken en zal ik boven de anderen uitstijgen en gelukkig worden....