In het rijk van Siameezen en Maleiers

Part 5

Chapter 53,862 wordsPublic domain

Ook de vele dikke boeken, die in een kast stonden, schreeuwden geld, en elk woord dat er gesproken werd was geld; den eenen keer waren het Engelsche ponden, den anderen keer werden Siameesche tikals opgeteld of iets in Singaporsche dollars uitgerekend. En de andere blanken, die er buiten mij nog waren--niets dan vroegere Europeanen (dat is een juiste diagnose voor hen)--ook die waren geld, hoewel meestal pas in de toekomst.

Daar sloeg ik soms zoo'n diepen blik in het afschuwelijke nuchtere bedrijf van "Handelsonderneming in het Oosten," dat ik weg moest hollen, om bij den aanblik der dichtbije kokospalmen tot bezinning te komen. Als ik dan door de schaduwrijke lanen der wondermooie palmentuinstad het vrije, open rijstland betrad, lag er iets als een doorzichtige inktblauwe middag over het land, of de duistere overblijfselen van een overgedreven onweer hingen in flarden om de in ijle nevelen vervagende toppen der woudbergen.

Inplaats dat ik, van mijn moeitevolle tochten huiswaarts keerend een thuis vond, bleef alles mij vreemd en koud aan dit vreeselijke huis, ja, zelfs vijandig, en vervuld van de ziellooze beestigheid, die zich overal in het Oosten voordoet, waar de invloed der Europeanen doordringt. Geen vriendenwoord vernam ik daar ooit, nauwelijks een zweem van meegevoel heb ik er ondervonden, dag-in dag-uit moest ik, alle wilskracht en zelfbeheersching verzamelend, probeeren anders te schijnen dan ik in waarheid ben, en krampachtig vermijden ooit iets te laten doorschemeren van mijn groot verlangen naar "wijsheid", naar "schoonheid" en naar "goedheid".--

Deze telkens weerkeerende indrukken, iederen keer wanneer ik voor een paar dagen in het hoofdkwartier kwam, waren zoo sterk, dat ik ook 's avonds, als het woeste zakengedoe verstomde, het gevoel van verlatenheid, het gevoel onder iets vreemd-spookachtigs te lijden, niet heelemaal van mij af kon zetten.

Ik herinner me nog zoo goed hoe dat gebeurde. Hoe ik van dag tot dag stiller en meer vergiftigd werd door dit leven om mij heen, hoe ik avond aan avond slapeloos te woelen lag op het smalle bed onder mijn klamboe, mij dof verzettend tegen een ontzaglijke zwarte macht, die mij al onverbiddelijker wilde neerhalen naar die wereld van ellende. (Nu weet ik, dat mij destijds een geheimzinnige onbewuste angst "net zoo te worden als die" kwelde).

Uit zulke nijpende dagen groeiden onvergetelijke nachten voor mij, die ik in dit ontzettende huis heb doorgebracht. De kalme wijsheid, die van dien eenen nacht, dien ik hier tracht te schilderen uitging, zal ik nooit meer vergeten.

Weer lag ik in mijn kamertje. Het was bedompt en donker om mij heen en alleen door een paar spleetjes in den muur drong spaarzaam maanlicht in bleeke strepen naar binnen. Het heele huis beefde van koortsend leven. Tjok, tjok lachten de melkig-witte gekkohagedissen van het plafond af, vleermuizen joegen onder het dak, van tijd tot tijd even gauw een uitstapje makend door het luchtgat in mijn kamerdeur. Mijn honden, door de schaduwen van het geweldige gebouw verschrikt, renden onophoudelijk als door booze geesten bezeten over den houtzolder, en als ik dacht eindelijk te kunnen inslapen, kraakte het ergens in het hout; houtwormen, aan de rusteloosheid van den tijd herinnerend, krabbelden in de muren en dan opeens begon een mug te gonzen, vlak bij mijn linkeroog--vast al in het net!

Onder het huis stampten voortdurend de hengsten. Ginds in het dorp blafte een heele troep half-uitgehongerde paria-honden, die niemand voedsel geeft en niemand doodslaat, jammerlijk, ellendig en zonder ophouden. Af en toe vernam ik een stem van de straat, en niet te stuiten en oneindig in zijn veelheid en veelvoudigheid drong het piepen en gonzen van den tropennacht door de dunne houten wanden heen, in een niet te stelpen stroom in alle toonaarden.------

Europeanen in het Oosten, die slapeloos neerliggen, zeggen tot den djaga, den Indischen bewaker van hun huis: Vooruit, haal een meisje!

Kort en als van-zelf-sprekend zeggen zij dat; en de djaga haalt het verlangde, zooals bijvoorbeeld een kellner de krant brengt, die je hebben wilt.

Zou ik werkelijk nog langer stompzinnig alleen------in dit ongastvrije huis--------------Ik zou zoo'n bruintje bij mij willen nemen, zooals men een zeldzamen vogel in een kooi neemt, zooals men weerschijnende vlinders met een zacht doekje voorzichtig vangt, om vol bewondering te bekijken en te aanbidden.

Zou dat niet schitterend zijn?

Ik zou haar in mijn kamertje willen ontvangen: Zoo ben je daar eindelijk! en haar liggend en loopend en kruipend bekijken, gelijk een echte kunstenaar. Zooals een schilder zou ik voor haar willen gaan zitten, op bed, cigaretten rookend.

Zou er dan niet een beeld ontstaan, een met Mata hari's kleuren geschilderd, een met gloed overgoten, levend-echt beeld,--en dat zou dan voor altijd van mij blijven. Ik zou het met mij mee mogen nemen door heel mijn leven, met mij mee naar Europa, waar de zon zoo bleek schijnt, waar niemand van bruinen droomt en alles zoo jammerlijk wit is.

Heb ik niet allang het eene na het andere mijner Westersche vooroordeelen aan het Oosten moeten prijsgeven? Ben ik, niettegenstaande mijn dertig jaar, niet nog aldoor bereid om "bijdragen voor mijn algemeene ontwikkeling" te verzamelen?....

Ongeduldig stampten de hengsten in den stal. Tjok, tjok klapten met hun tong de hagedissen op hun klaverbladachtige pooten; late schouwburgbezoekers--bezoeksters! wauwelden in de dorpsstraat hoog en luid en zeker van wat de toekomst ze brengen zou.

Toen moest ik opeens aan het hooge, in het maanlicht nu zeker spookachtig wit opglanzende grafmonument uit overoude tijden denken, dat vlak achter het huis stond, kegelvormig en spits en alsof het speciaal hier neergezet was als vermaner: "O, gij domme, slechts kort levende menschjes met uw doodelijke verlangens en angsten".--------------

Is het zonde, bruin heerlijk te vinden? Is bruin niet bruin, omdat wit enkel maar wit is! Is het slecht van mij "Ja!" te zeggen, als Tsin mij vraagt: "Toean, mag ik je een Siameesch sprookje vertellen, mag ik bonte vlinders voor je vangen, om je pleizier te doen....?" .... ben ik toen niet met een onverwachten ruk opgestaan, ben ik niet langs den muur geslopen, heb zachtjes de deur opengemaakt....:

"Djaga, ga, en roep Tsin!"

En knikte de djaga toen niet verstolen: "Ja, toean!"

Ben ik toen dronken geweest, was ik betooverd, toen ik in de schaduw onder het dak van palmenbladeren zittend in den flonkerenden maannacht staarde.... zwijgend, bevreesd, hopend en twijfelend.

En den djaga nakeek, terwijl hij op den bleek-beschenen weg geruischloos uit het gezicht verdween, terwijl, ik weet niet waar vandaan, in vage afgescheurde klanken Siameesche muziek aanruischte, soms week en half weggedoezeld gelijk de nacht die mij omgaf, en dan weer in aanstormende schelle fluitjuichkreten. O, en deze doffe gongslagen, die de nachtwind eerst afzonderlijk en daarna in een al doller wordende roffeling van uit een verren tempel tot aan mijn oor droeg....

Heb ik toen niet duidelijk, heel duidelijk, als door een bril van zuiver kristal ver voor mij uit gezien, mijn toekomst gezien, tot ze opeens afknapte....

Waarom dit alles, wanneer toch niet....?

Waarom dit bruin....?

Wilde ik toen den djaga niet achterna hollen: "Halt! Halt! Roep Tsin niet!".... en--heb toen toch alleen maar luid en schel gelachen over mijn eigen lafheid....!

Heel stil is Tsin bij mij binnengetreden, zooals een dag vol zonneschijn op een regendag kan volgen.... zij alleen heel een feeststoet.

En met haar is een groote rust, het geluk brengende vertrouwen over mij gekomen: ziezoo leven, nu begrijp ik je eindelijk en verdwaal ik niet meer en tast niet meer langs je heen. Je zult niet langer over mij, laffen kerel lachen. En nu moet het eens en voor al uit zijn met dien vreeselijken angst, die mij dikwijls kwelt, wanneer ik mij voel als iemand, die naar schoonheid en goedheid verlangend en dorstig naar vreugde uitziend, toch blindelings het ware leven voorbijrent. Nu zal ik weten toe te tasten!

Ik zette een schaaltje rijst met kostelijk geurende kruiden voor Tsin neer. En toen zat zij daar, haar versnapering met slanke handen betastend--ongeveer zooals een pianiste vóór het spelen haar vingers vlug over de toetsen laat glijden....

Daarna was ze een poos lang enkel "eten."

Toen ik haar een cigaret aanbood, was ze een heele poos niets dan "rooken." En af en toe interesseerde zij zich even voor iets anders, en heel het kleine beetje leven in dit heerlijke wezen richtte zich op dit iets, een plooi in mijn kleeren, een haartje in mijn scheiding of een andere kleinigheid, en opeens, midden onder het bekijken, schenen haar donkere, als geschilderde oogen deze aangelegenheid te vergeten, zoo volkomen te vergeten, als wij Europeanen niet meer in staat zijn te vergeten, en afdwalend naar iets in de verte te kijken, alsof ze duizendtallen van jaren--het zij vooruitziend of terugblikkend--vermocht te peilen. Dan was ze als een dichteres. Zoo kort, zoo vluchtig als een gedachte zijn kan, en toch vol ziel is de stemming, waarin een dichter zijn werk volbrengt. Dichten is voor een kort moment natuurlijk zijn, zichzelf zijn--al het overige vergeten.

En ik voelde, dat ik daar in dit, een woudhert gelijkende, onbeschaafde schepseltje, een wezen voor mij had, dat, als een bloempje tegen de berghelling, als een vogeltje op den hoogsten boom van den jungle, als een vischje in de wijde zee was, dat van haar hetzelfde geheimzinnige eeuwigheid-uitstralende uitging als van de sneeuw van een onbetreden bergtop, waar begrippen heerschen, die wij, beschaafde menschen nauwelijks meer verstaan;--en ik, met al mijn angsten en in de benauwenis van al de mij drukkende "je moet" en "je zult" en "je mag niet" wist nu, dat ik nooit meer terug zou mogen keeren tot dien gelukstoestand van den natuurlijken mensch met zijn onbewuste leven.

Toen werd ik ernstig. En Tsin's flakkerende oogen, die mij vragend aankeken en die als twee donkere vlammen in haar kalm gezichtje stonden, werden treurig; en haar fluweelen wimpers trilden zacht en zonken deemoedig neer, alsof ze angstig waren en wilden vragen:

Toean, waarom ben je niet blij? Waarom kan ik het je niet naar den zin maken?

Maar ik bleef star en als bezeten door deze ééne gedachte: Tsin, jij hebt de toekomst voor je! Tsin, lach, wees bij, zing--het leven ligt voor je open.

Het werd heel stil in het kleine kamertje; alleen door de smalle opening boven de deur drong het duizendvoudige, nooit vermoeide, nooit voldane leven van den tropennacht in machtige volheid naar binnen. Tjok, tjok, lachten de gekkohagedissen; en het was één samenvloeiende jubeling overal in het rond: Tsin heeft de toekomst voor zich!

En eindelijk zei ik het haar.

Maar Tsin begreep het niet. Ze sloeg nu haar bruine armen om mijn linkerknie, sloeg met haar teedere handen het wijde zijden kleed terug en kuste mij op mijn bovenbeen----

WONDEREN UIT DE WOUDDORPEN

Telkens weer opende zich voor mij de poort naar de lichte wereld van den jungle, waar ik, van de bedomptheid van het kantoor bevrijd, diep kon uitademen; telkens weer vond ik een uitweg daarheen, waar van de woelige haast van het bedrijf niets meer te bespeuren was en de waardebepaling van zakelijke spitsvondigheid hoegenaamd niet meer bestond.

Ook in Siam speelt de tegenstelling tusschen stad en land een groote rol. Voor alle oppervlakkige menschen is de stad de zetel van het schoone, rijke en aangename, terwijl de provincie met haar eenvormigheid van levenswijze en de ruwheid van het dagelijksch werk laag in ieders gunst staat, ook in die der Siameezen.

Misschien wordt daarbij nog meer dan bij ons uiterlijke pronk en sier voor goede munt aangenomen.

Aris stond wat zijn psychisch crediet aanging hoog bij mij aangeschreven, omdat hij begreep dat de stad niet heelemaal waar was. "Ik hou niet erg van Bangkok!" zei hij vaak tegen me, maar precies ben ik de reden voor zijn afkeer tegen Bangkok nooit te weten gekomen. Ik weet niet, wat voor een verschrikkelijke gebeurtenis, die hij daar beleefd had, niet meer uit zijn herinnering weg wilde.

Maar hij was daarom heelemaal geen man om een kluizenaarsleven te leiden, integendeel. De kleine dorpen koesterden zich in zijn liefde.

Met Holloeki was het in dit opzicht net omgekeerd. Als die maar altijd in het gekrioel zijner Chineesche broeders kon wegdompelen! Dikwijls zag ik hem peinzend, den hoed achter in zijn nek, in zijn gele zijden broek langs de winkels zijner landgenooten slenteren, alsof de eeuwige Zondag aangebroken en alle werk voor goed voorbij was.

En als hij mij dan wel eens toevallig ontdekte, als ik in een auto of in een riksha voorbijreed, dan groette hij beleefd en fijntjes, ik lachte zachtjes tegen hem, hij glimlachte terug, en dan wisten we allebei, dat we voor het oogenblik de wildernis en ons harde leven volkomen hadden vergeten.

Al de keeren dat ik in Bangkok geweest ben bij elkaar gerekend, heb ik verscheiden weken in de hoofdstad van Siam doorgebracht.... heelemaal achterin de Chineesche wijk, waar de huizen en hutten, de opslagplaatsen, booten en vlotten in hoekige paalbouw-straatjes bij duizenden opeendringen.

Op alle tijden van den dag en van den nacht ben ik per auto, in de door den koelie voortgetrokken riksha, te voet of op alle mogelijke soorten van scheepjes door de smalle wegjes en doorgangen gekomen, waar het als in een mierennest van leven krioelde, dikwijls laat in den nacht van het Europeesche hotel naar huis gaand, heel alleen in de duistere, door laatste, geheimzinnig wegsluipende gestalten bezochte straatjes en steegjes.

Maar belangrijker waren mijn tochten overdag. Telkens weer brachten deze mij door het oud-roestslopje, dat ik om redenen van doelmatigheid zoo doopte.... omdat daar heele rijen kramen met ouden rommel stonden.

Als ik daar doorheen reed, leunde ik altijd heel ver achterover in een hoek van de riksha en gluurde in alle hutten naar binnen, waar uit hoopen oud roest Chineesche madonnagezichten verstandig de straat opkeken, waar zelfs in de gebuktheid van den ouderdom nog veel vrijheid te bespeuren was, en waar spiernaakte gele Chineesjes tusschen scherven en afval gewillig en in argelooze onschuldigheid hun eerste verplichtingen jegens het leven volbrachten.

Mooie Chineesche jongelingen in blauwe of zwarte broeken--anders niets aan--op den middag van hun leven staand, rug en buik vol kracht, werklieden met lichte oogen werkten er bij troepen; lastdragers, roeispaanschavers, zeilmakers, tobbenmakers, timmermannen met hun propere ambachten, of, luidruchtiger en minder edel bezig diegenen, die zich met het gladmaken van deuken in oud golfijzer een bestaantje hadden weten te verschaffen dat hun genoeg opbracht om te leven. Honderdduizenden van nijvere armen en beenen werkten, sjouwden, klapten, liepen, hamerden, smeedden daar dag-in dag-uit in wedstrijd met elkaar voor hun eigen welzijn en dat der heele menschheid.

Lange reeksen winkels en werkplaatsen groeiden van het eene bezoek dat ik in de stad bracht tot het andere als uit den grond op, getuigend van welstand en geluk. Hoeveel menschen er ook waren, ieder had geluk.

Zeer weldadig werkte het op mij, te zien, hoe de vrouwen meededen. Stralend, helder en gezond gaat juffrouw Dawkay als een zon door het huis, werkt mee, slaat vlug een lachenden blik hier op dit karwei, geeft gauw even een goeden raad daar; en de Chineesche huisvrouw in de kloeke schoonheid harer eenvoudige kleeding leek mij vaak als een garantie om goed te slagen.

De Chineesche vrouw is voor mij de "vrouw"! Nooit zag ik zoo het "gezin", nooit zoo "moeder en kind." Ja Seng, ja Tjong Sie, dacht ik soms, ik voel wel waarom je zoo vroolijk bent.

En ik kan mij geen gelukkiger, harmonischer beeld van menschelijke gemeenschap voorstellen, dat beter een opgang en een toekomst van het menschdom weergeeft, dan zoo'n werkdag in het roestige paradijs, zooals ik al heel gauw de heele stoffige buurt rondom het oud-roestslopje noemde.

Hier, in deze opeengeperstheid, waar de menschenlevens zoo dicht als nergens anders zijn gezaaid, had ik dikwijls het gevoel:

O, hoeveel menschen zijn er toch! Hoeveel duizenden, die zonder grootere zending door het leven moeten gaan! De goede god, die over dit menschenleger waakt, moet er een zuivere boekhouding op na houden; of wel, er kan hem onmogelijk veel aan gelegen zijn, of er een meer of minder is, leeft of te gronde gaat!

Zulke gedachten maakten mij dikwijls heel vrij. Omgekeerd had ik nooit stelliger de overtuiging, iemand te zijn en boven het gemiddelde mijner omgeving te staan, dan hier. Zonder dat ik mij daarop te veel liet voorstaan. Onbehaaglijk boven alles uitstekend voelde ik mij, alsof ik aanstoot gaf, weerzin en afgunst verwekte, of den mallen indruk maakte van een gans in een kippenhok.

Arbeid is noodig om te leven! dacht ik ook. Maar geen aftobbende, geestdoodende, want zinnelooze en doellooze arbeid. Want net zoo veelzeggend waren voor mij de beelden, welke ik 's avonds zag, als de poorten der werkplaatsen zich sloten, als de Chineesche papa's met hun jongste op den arm, naakt tegen naakt, rondliepen, duidelijk de uitdrukking van volmaakte tevredenheid in het gezicht.

Wanneer de koelies zich rond den rijstketel neerzetten om gemeenschappelijk te eten, hun bronzen lijven frisch gebaad, en Chineesche muziek in haar vage zonnigheid zoo afgekeerd van en verheven boven elke kwaal en alle leed, van de Menam, de heilige moeder der golven, aanvloeide.....

Ik kan nu nog wijsjes fluiten die ik daar op de dubbelsnarige viool gehoord heb, en ik doe dat iederen keer, wanneer mijn gedachten teruggaan naar Bangkok (dat is altijd een veeg teeken), wanneer de herinnering weer in mij wakker wordt aan de avonden, waarop ik een stad zag, die geen stad is, waar, niettegenstaande schijnbaar wanhopige overbevolking toch het sociale vraagstuk is opgelost, waar de nadeelen van onze steden ontbreken, ja zelfs voordeelen worden en in prachtige harmonie tot een bijna volmaakte gelukkigheid der gansche stad leiden.

Van al deze mooie avonturen en ervaringen weet ik pas sedert kort iets af, sinds ik weer in het arme bange Europa terug ben. Eigenlijk begin ik nu pas Bangkok van het juiste standpunt te bezien. Zooals in alle groote steden raakte ik daar eerst de kluts kwijt, nam toevalligheden voor ernst op, kon het contact met de werkelijkheid niet vinden; terwijl buiten in de dorpen het leven mij veel sneller opnam en naar al wat waar was en belangrijk toedroeg, omdat daar de omgang en het verkeer met jan en alleman, van het dorpshoofd af tot den eenvoudigsten daglooner, onvermijdelijk was of zelfs noodig.

Op avonden, die ik gedurende de reis in dorpen of eenzame gehuchten doorbracht, kwam met onderdanige regelmatigheid na het eten Aris, vol verwachting, vragend op mij toe:

"Toean wil je nog een wandelingetje maken?"

Hij had dadelijk opgemerkt, dat ik graag in zijn gezelschap pratend van de eene hut naar de andere gaand, wat rondkeek.

Wij vonden altijd heel snel het bezienswaardige, de stille, vaak heelemaal tusschen de boomen weggescholen tempels met hun krullerige versierselen en de gele figuren der priesters met hun harde gezichten eronder; de markt; verstandige menschen, die ons over ertslagen in de omgeving wisten in te lichten of wier vriendschappelijke gezindheid ons op een andere wijze van nut kon zijn. Geduldig wachtte Aris halve uren lang, wanneer zijn heer, voor hem weliswaar onbegrijpelijk, maar toch zeker over een of andere belangrijke aangelegenheid zwijgende samenspraken hield met een der rood-goudige boeddhabeelden in een tempel. Hij, als Mohammedaan, wien een Boeddha niets aangaat, wist wel, dat ook onze Europeesche God niet deze hier was, dien de toean vaak zoo verliefd naliep, maar hij had zich er allang aan gewend, in mij den "toean poetih"--"den blanken heer" te zien, dien men rustigjes in zijn eigen vet moest laten gaar koken.

Maar toch flitste er telkens iets als een verlossing brengend weerlicht over zijn donker gezicht, als de tempel en de zakelijke onderhandelingen afgeloopen waren en hij het eindelijk dorst te wagen, ook van zijn kant met een voorstel voor den dag te komen (altijd met hetzelfde): "Toean ik weet een heele mooie vrouw; wil je haar zien....!?" En dan was zijn voorraad vriendelijke zoete benamingen voor zijn schoone vrouw onuitputtelijk:

"Ze heeft een huid die zoo zacht is als die van een ree; ze heeft borsten als melkkoekjes...."

Of omgekeerd, waarschuwend en ontdaan:

"Tida bai--Die is niet goed, dor en hard...." Alle menschen maakten het zich tot een aangename plicht, mij in die huizen te brengen, waar jonge mooie meisjes woonden. Dat is om zoo te zeggen Aziatisch eerbetoon jegens den vreemden heer.

Dikwijls ontving ik bij mij thuis bezoek. Menige, misschien voor het welzijn van haar kind al te bezorgde, donkerhuidige (of ook wel gele!) moeder kwam om mij haar dochtertje te laten zien, trad met een sierlijke buiging bij mij binnen, de handen als in gebed met de palmen tegen elkaar aangelegd en gracieus ter hoogte van haar gezicht geheven:

"Nai hang sa bai--Heer, hoe maakt gij het?"

Ze deed dat meestal met zulk een natuurlijke overgegevenheid, dat de gedachte aan onderworpenheid hierbij heelemaal niet in mij opkwam. Bruinen betuigen hun heer hun eerbied, niet omdat ze bevreesd voor hem zijn, maar wel omdat zij bij zichzelf denken: als wij hem nederig tegemoet treden, zal hij goed voor ons zijn.

Op alle uren zochten de menschen mij op, en alleen de etenstijd was heilig voor hen. Nooit zou iemand het gewaagd hebben, mij aan te spreken, als ik aan den maaltijd zat. Vooral de vrouwen namen het in dit geval erg precies. Als een bezoekster te vroeg kwam en er werd gezegd: mijnheer eet!--dan hurkte ze heel bescheiden en kleintjes ergens in een hoek neer. Eten.... o heerlijke levensopvatting! is bij deze menschen een soort offer, aan zijne heiligheid het lichaam gebracht "Kin kan leeeee-oe?--Heb je je rijst al gegeten?" is de Siameesche vraaggroet 's ochtends, 's middags, 's avonds en altijd.

In afgelegen dorpen waren menschen, die opzettelijk telkens juist op etenstijd in mijn huis kwamen, het goedkoope schouwspel sprakeloos en met welbehagen, soms ook met iets als een stil afgrijzen genietend, omdat ze maar niet konden begrijpen, dat een mensch ook nog van iets anders kon leven dan alleen van rijst en Spaansche peper.

Zelden dorst een vrouw meer dan met haar oogen te spreken. Het brutaalst waren ook in Siam, zooals trouwens overal op de heele wereld, de grootmoeders. Ze mogen zich ook daar meer veroorloven dan jonge meisjes. Van welk recht zij dan ook heel vaak graag gebruik gemaakt zouden hebben.

Ik moest altijd van de hoofdstad vertellen. Zoo'n schitterende, blanke heer kon alleen in Bangkok thuis zijn, meenden deze menschen, en in zooiets als een paleis wonen, en natuurlijk zou hij er veel moois en heerlijks van weten te vertellen. Maar niet van mijn ontdekkingen en waarnemingen, waarover ik straks al schreef, maar van onschuldiger dingen moest ik den woud- en dorp-Siameezen vertellen: van de tempels, van de electrische tram, van de groote prachtige Europeesche winkels en van het koninklijk paleis met de witte olifanten. Iets anders, dat hun altijd veel stof tot nadenken gaf, was mijn burgerlijke stand. Hoeveel vrouwen ik had, vroegen ze met een gezicht vol verwachting, waarin het antwoord: Wel een stuk of tien! al duidelijk gegrift stond. En als ik mij dan veroorloofde tegen zoo'n bruine, rimpelige grootmoeder eens lekker een beetje op te scheppen en haar van mijn twee dozijn vrouwen vertelde en van mijn een-en-vijftig zoons en dochters, dan kwam dit ongeveer overeen met dat wat van een prins uit Bangkok viel te verwachten; en dit feit verhief mij dan hoog in aanzien in hun oogen.