In het rijk van Siameezen en Maleiers

Part 4

Chapter 43,815 wordsPublic domain

Urenlang gleden we gelijkmatig en langzaam voort; nog was de stroom breed en kalm. Pas na twee dagen werd hij onstuimig, zoodat de riemen alleen niet meer voldoende waren en ons vaartuig enkel nog maar met uiterste inspanning en met behulp van lange stokken bij rukken voortgeboomd kon worden.

Vlak langs de binnenoevers der rivierkronkelingen werd het kreupelhout langs geslopen, waar de strooming gering was; en dan opeens en listig op een gunstige plek dwars over een draaikolk naar den overkant gestuurd. Meestal verloren wij bij zulk een oever-wisseling zoowat een vijftig meter. Den eersten keer, toen plotseling rondom de boot de razende wateren bruisten en ik daar zoo ingesloten lag en de bootskoelies elkaar luide commandowoorden toeriepen en bliezen en snauwden en hijgden en hun spieren spanden, dacht ik aan gevaar, terwijl het mij later, toen ik het groote drijfvermogen der Siameesche booten kende, iederen keer als het ware speet, wanneer wij behouden door zoo'n kolk heen waren. Want juist de stroomversnellingen droegen er veel toe bij, om deze riviertochten amusant te maken. Niet zelden moesten wij verscheiden keeren bij een en dezelfde afstooten.

's Avonds stopten we dan wel bij een eenzaam huis, omdat daar de mogelijkheid was, regenwater te krijgen om te koken; soms was er een soort van geul, waar steeds aanwezige vlotten en menschen inplaats een brug de twee einden van een goed-begaanbaar junglepad verbonden. Of we moesten hier al, zooals verderop regelmatig, midden in de wildernis, bijvoorbeeld op een met gras begroeide open plek, den nacht doorbrengen.

Ik sliep meestal samen met Holloeki in de boot, terwijl de anderen aan den oever een goed onderkomen zochten.

Eens werd ik op hetzelfde moment, dat het scheepje zonk, wakker. Een of andere zware droom had mij te ver naar den rand der boot geduwd en elken keer dat ik diep ademde was er in ons dek op een lekke plek een drupje water gedrongen, en zoowat tot middernacht was dat voldoende geweest om de boot tot zinken te brengen.

Het brood en een paar dingen die er minder op aan kwamen dreven weg, maar de kist met de zilveren tikals bleef.

Alles was nat. De suiker weggesmolten. Een kip was verdronken. Den volgenden dag zocht elk van ons zijn have bijeen om te laten drogen en voor verrotting te behoeden; Aris zijn feesthemdje, Holloeki Chineesche medicijnen; Liem Tjoeang pulkte een nat en klevend bundeltje rekeningen en kwitanties met prachtige, maar angstwekkende Chineesche cijfers en getallen uit elkaar, als was hij bevreesd, dat een vordering te vroeg te niet zou gaan en een zijner schuldenaars heil brengen. Toen ik mijn dagboek en de photo's enkel maar vochtig en niet nat terugvond, haalde ik opgelucht adem.

Doch Holloeki zei verwijtend:

"Toean, hoe kan je zeggen, niet zoo erg, al je tabak en ook je bed is nat!"--

We naderden dichter bij de bergen. Al onstuimiger stroomversnellingen wisselden met stille, diepe gedeelten af, waaruit met druipsteen behangen kalkmuren eenige honderden meters opstaken.

Onbeweeglijk lag ik in de boot, die bij elken slag der riemen trilde. Uitgeholde boomstammen met krachtig-gespierde jacht-, oerwoud- en watermenschen schoten langs ons heen; bij een eenzaam huis waren vischnetten uitgehangen om te drogen en een reusachtige krokodillehuid.

In de kolkende gedeelten danste en huppelde ons lichte scheepje met vroolijke sprongen rond, dreigde soms zijn eigen weg te zullen gaan, bijvoorbeeld een steilen waterval àf in een schuimenden maalstroom aan den voet eener steile rots; maar het gelukte den vluggen handigen bruinen altijd weer het vaartuigje op den rechten weg terug te brengen. Na de lange vaart door het groene, weinig afwisselende oerwoud was er nu eindelijk iets nieuws te zien. Deze rotsen en bergen met de omhoog klauterende boomen deden mij goed aan mijn oogen.

Op een avond hadden we halt gehouden in een inham der rivier. Op het grint waren de kampvuren al ontstoken om de lastige zandvliegen te verdrijven en dikke wolken gele rook verspreidden zich over het lage land stroomafwaarts.

Hornbillvogels, gelijk suizende blaasbalgen, zetten zich neer op een grooten boom vlakbij ons, telkens weer even opfladderend, opvliegend, zoodat hun geel-wit-zwarte lichamen zich tegen den hemel afteekenden. Vliegende honden, die overdag als levenlooze proppen zoowat twintig meter hoog aan de takken hangen, ontwaakten en vingen hun bevende, onrustige vluchten aan.

Uit verre verte staken in lange, brokkelige rijen scherpgevormde dolomieten-punten boven het oerwoud uit, en, een eindje van mijn mannen vandaan zittend, had ik hetzelfde gevoel van absoluut alleenzijn, als ik het vroeger in den laten herfst in de bergen boven de wolken wel kende. Weg zijn van alle anderen, van al het slechte, met zichzelf alleen zijn en met zijn tenminste zoo goed mogelijke goddelijkheid.

Toen ik aan het vuur der koelies trad, zei Aris: "Vannacht moet er weer eens iemand in de boot slapen, anders wordt onze bagage gestolen; oerwoudmenschen kun je nooit vertrouwen...."

"Holloeki, wil jij?" vroeg ik.

Holloeki grijnsde, en tenslotte was ik natuurlijk weer de waaghals, terwijl mijn mannen onder een overhangenden stam een veilig plekje om te slapen vonden.

Ik zat lang wakker en overeind. Boven het donkere woud glansde een bleeke rotswand uit. Ik dacht: Hoe lang zal ik zoo nog moeten reizen, hoe ver is de terugkeer naar huis en hoe--onzeker.

Zoo lief en trouw deze boy's ook hun meester aankijken, zoo gevaarlijk zijn ze ook. Ik kon het met den besten wil van de wereld Holloeki niet als een zonde aanrekenen, wanneer hij bij het afwasschen de borden weleens eenvoudig vlug in de beek stak en ze naderhand met een lap uitwreef. En nog veel minder mocht het mij gelukken hem zijn onbewuste fouten af te wennen. Maar een dubbele troost vond ik dan altijd weer in het feit dat hij het water, dat ik werkelijk gebruiken moest, angstvallig goed kookte, èn in een stelling der bacteriologie, die in een afgelegen vakje van mijn brein merkwaardig lang was blijven liggen en nu heel nuttig en van pas af en toe om den hoek riep: Op metaal sterven microben vlug!

Nadat we nog twee dagen lang door volkomen onbewoonde hooge puntige bergen getrokken waren, ten laatste tegen een met vlakke vuursteenen overdekte, gelijk een bergweg in het licht der zon wit-glanzende helling waren opgeklauterd, waar de koelies de boot als een handslee voorttrokken, bereikten we opeens een lieflijke, open vallei met een heel menschelijk dorpje, dat tusschen de hooge granieten, maar sierlijk gevormde groote bergketen en het wilde stakige kalklandschap vredig gebed lag, diep in de bergen.

Er woonden Siameezen en Chineezen. De eersten hadden de vrouwen en hutten bijgedragen, de Chineezen de kracht en de bijen-vlijt, en op deze wijze vormden ze daar een levensgemeenschap achter de bergen, die alleen daardoor werd verstoord, dat een vretende ziekte aan bijna elk van hen knaagde!

In hun afgelegenheid voelden ze, dat ze op den Westkant van het schiereiland thuis hoorden en spraken vol trots over den weg daarheen--anders zouden ze immers jammerlijke achterlandbewoners zijn.

Zelfs een paar reusachtige waterbuffels bezaten ze, die onmogelijk vanaf de Oostkust de rivier op gekomen konden zijn.

Maar toen ik den volgenden ochtend opbrak om den weg naar de Westkust te zoeken, de twee beste gidsen mee, bleven we midden in het woud steken, en hooge, steile bergen deden de transport-kansen naar het Westen aan zee volkomen te niet, vooral, omdat de heele streek, er ook om andere redenen niet zeer herbergzaam uitzag.

Een eerste, vlugge blik zei me: Valt niet aan te denken! Maar ik deed toch een heelen tijd alsof.... hoofdzakelijk omdat ik Liem Tjoeangs hulp voor de terugreis noodig had.

Hoewel ik gevaar liep Aris' gunst er bij in te boeten en op hem den indruk van domheid te maken, liet ik toch hier en daar graven, op plaatsen, waar met den besten wil van de wereld geen erts te hopen of zelfs maar te verwachten was. En ik ging een paar maal zitten, veegde mijn bril af, haalde met veel omhaal mijn notitieboekje voor den dag en schreef er een zinnetje in neer.

Tjoeang nam me elken keer vol wantrouwen op, Holloeki scheen al geroken te hebben, dat deze streek maar matig in mijn smaak viel. Het is verbazend moeilijk, zijn diepste denken voor zijn bedienden te verbergen.

Holloeki merkte al aan de manier waarop ik voor mijn bord soep ging zitten, hoe het ermee zat....

Als Liem Tjoeang mijn aanteekeningen, die ik daar schreef, had kunnen lezen, was ik nu misschien dood.

De eerste aanteekening, geschreven op een aardheuveltje, op een met mos-begroeiden steen, heelemaal in doorngekronkel:

"Maccaroni is eigenlijk het eenig menschelijke op zulke reizen door de wildernis!"

En de tweede notitie, bijna net zoo belangrijk:

"Het huwelijk is misschien de beste troef, die in het spel "leven" wordt uitgedeeld. En goede troeven bewaart men lang."

Altijd wanneer het hachelijk en saai in het leven wordt, wanneer een mensch zichzelf mislukt vindt en de eene teleurstelling na de andere op hem neerbonkt, ontwaakt in hem een laatste verborgen (galge-)humor, erbarmt zich over hem en is zoo vriendelijk om het armzalige menschje ergens anders vandaan, het doet er niet toe vanwaar, de noodige energie om voort te leven te verschaffen. Het leven is enorm ver-ziend en voor langeren duur (langeren duur dan het soms wel schijnt) ingericht. Telkens is er iets dat troost brengt.

Ook Liem Tjoeang had onder den last van zijn (door mij af-)geknapte hoop zwaar te torsen. Gelijk een koning was hij het oerwoud ingetrokken, zeker van zijn toekomst, behaaglijk, als aan den vooravond van het afsluiten zijner levenszaak, en nu had deze er eigenlijk zeer onooglijk en heelemaal niet buitengewoon verstandig uitzienden toean al zijn droomen omvergeworpen.... Als hij een beetje minder fatterig gekleed was geweest, zou ik medelijden met hem gehad hebben.

Doch hij vond nog dienzelfden avond een laatste sprankje hoop terug en het middel om weer opnieuw in een roes te geraken.

Gedurende den terugtocht den volgenden ochtend zat hij op ons scheepje met een grauw-blauw-geel-groenachtig gezicht, als iemand, wiens kortelings pas op een zwaren veldtocht veroverde schoonvader onverwacht plotseling over den kop is gegaan.

Door middel van Holloeki deed hij nog een laatste krampachtige poging om te doorgronden of mijn meening over het land misschien tòch nog gunstig was.

Maar inplaats van daar op in te gaan, vroeg ik Holloeki:

"Kan een krokodil op een boom klauteren?"....

"Neen toean! Dat kan een krokodil niet."....

"Laat hem dan asjeblieft in het water blijven!"...

Kostelijk vond ik de vluchtige bezoeken in Bangkok, de hoofdstad. Zoo eens drie dagen lang, meer dan duizend kilometer met den trein door de wouden te suizen, het hart vol van laaiende droomen, het plan voor een concessie van een rijk stuk land in mijn zak, langs hutten en dorpen, door woud, woud, bosch, over verre, met zoutkristallen bedekte steppen dichtbij zee, waaruit uitgeholde, door de golven weggevreten kalkwanden grauwig omhoogschieten.

Opeens weer iets van beweging en snelheid in zich te bemerken, te voelen, dat het koortsdonkere, onontwarbare slakkengang-woud dus toch niet het eenige op de wereld is.

Op den derden middag van de reis door de open rijstvelden op Bangkok toe te vliegen, op het leven toe, langs de in het avondlicht van den drogen moesson woestijnbergblauwe, als een maanlandschap voor mij uitliggende Radboeri-heuvels.

Te zien hoe de dorpen statiger en de menschen veelvuldiger worden. Vonken-sproeiend snelt de razende trein door den avond.... Op de groote stad toe....

In de duisternis van het door duizenden flakkerlichten bestraalde station-gewemel aan te komen. Onder te duiken in dit Siameesch-Chineesch-Maleisch-Hindostansch stemmengeroes.

En dan naar de stad te varen op den grooten stroom en geheel verward plotseling in het schelle electrische licht van het moderne Europeesche hotel te staan.... Nauwelijks twee dagen daar, weer weg. In het oerwoud.

Weer de Menam op naar den trein bij het aanbreken van den dag. Tusschen al de drijvende planken-hutten en vlot-huisjes door, die net zoo goed als de grootste steenen paleizen een rustig thuis kunnen bieden. Dat is, wat in de haast aan deze woningen opvalt. Lotosbloemeneilanden, die langzaam den stroom afdrijven.

Boven het huizengewemel in huiver-verwekkende koelheid een grasgroene ochtend.

Links de glas-en-tegelbouw van den Tjengtempel, grijs als een rotsberg in de lucht opstekend, en rechts het vele torentjes rijke silhouet van het paleis des konings, dat met gouden, groene, blauwe en roode glinsterende tegels in het morgenlicht te fonkelen staat.

En daarboven: duizenden aasgieren en meeuwen----. Op de maat van den motor langs den voorkant van een tempel met zijn eeuwenoude, als uit het hersenstof van oergoden gesneden legenden van "het goede en het kwade", die je dringend aanzien, tot nadenken dwingend, en die niet zijn zooals de broze speelgoedtempels in Europa, die men toevallig kent, doch anders, Oostersch-oeroud en daarom nieuw.

In den dwang van zijn beroep zoo vluchtig en zonder er zich in te mogen verdiepen langs al deze wonderen heen te haasten en daarna urenlang in den trein alleen of wel met onverschillige evenmenschen zich door het eindelooze, eentonige oerwoud in de wildernis terug te vervelen, treurig en verbitterd, omdat in het leven tijd en geld en gelegenheid nooit daar ter beschikking zijn, waar men met deze kostelijke dingen iets zou kunnen beginnen....!

Heete dagen en koele nachten bracht ik op zee door. Door lauwe avonden dreef mijn boot onder den eentonigen slag der riemen stroomafwaarts. Van den oever klonken luide stemmen aan, als wij tusschen de in palmentuinen verspreid liggende hutten doorgleden, waar in den schijn van groote houtvuren bruine vrouwen, in de zwoelheid van den nacht het bovenlichaam ontbloot, bezig waren met het rhythmische, als een spel bekorende werk van het rijstdorschen, waar naakte kinderen ravotten en vanwaar de bedwelmende geuren van zeldzame vruchten en bloemen zich over ons en het gelukkige land uitgoten.

Dan lei zich al dat schoone, heerlijke als een zachte deken om mij heen en door het ononderbroken zachte trillen der boot moe wordend, viel ik in een diepen slaap, waaruit ik pas werd wakkergeschud, wanneer Foe Seng, de oude verweerde visscher, aan de monding der rivier het knarsende zeil uitzette.

En als ik dan onder het dakje van mijn drijvend huisje te voorschijn krabbelde, nog een beetje stram en stijf, lag deze schoone wereld groot en vreemd-hoog voor mij uit; ontzaglijke wolk-kasteelen stonden aan den hemel, de zee strekte zich oneindig ver uit en door de teêre nevelsluiers in het Oosten brak stralend de ochtend....

Hoe dikwijls ben ik zoo uit den moerassigen, met mangroven begroeiden benedenloop eener rivier de wijde zee opgevaren, die na al de zwoele, koortsige onaangenaamheden van het binnenland voor mij openging, zooals voor iemand de zon over een groot geluk opgaat; de zee, die met haar frissche bries telkens opnieuw en al sterker het symbool voor mij werd van al wat sterk en gezond was.

Meer dan een dozijn keeren heeft Foe Seng mij door de Golf van Siam in zijn Chineesche jonk met de donkere roodbruine vischvlottenzeilen gevaren. Soms schoten we koen en pijlsnel op één kant vooruit, een anderen keer droogden onze beenderen in de windstilte van den tropenmiddag. Dan teekende het palmenstrand zich scherp en schoon van kleurschakeering tegen de schitter-witte streep der kust af, terwijl in dampig-sprokige verte de blauwe Siameesche bergen daar hoog boven uitrezen.

Of aan den horizon stak een onweer op en de oude man stuurde op den oever aan, tot het anker grond greep. Dan lagen we rookend bij elkaar onder het zonnescherm van gevlochten rotang, golven sprongen op met witte schuimkammen, het onweer greep ons en schudde ons heen en weer, en zoodra de zee weer glad en rimpelloos begon te worden, lei hij zijn koperen opiumpijp weg en vatte het stuur weer aan.

O, en hoeveel keeren heb ik met Seng in stoïcynsche rust en evenals hij zonder eenige bekommernis om den tijd voor de monding eener rivier op den terugkeer van de vloed gewacht, vastgeloopen in het zand....!

Gelijk een bruine visscher stapte ik dan in de kleine kano, mijzelf met de pagaai door de avondlijke wateren roeiend. Scharen zwart en wit gestreepte ooievaars stonden als voetballers voor den aanvang van het spel in het rond, donkerroode meeuwen met scherp-gekartelde vleugelpunten krijschten, stoere booglijnen langs den hemel schietend en schuddebollende kraanvogels zetten zulke diep-ernstige, geleerde gezichten, dat alleen de brillen ontbraken om ze tot profaxen te maken.

Aan den oever zochten grijze steltvogels naar voedsel, op bliksemsnelle pootjes zigzagsgewijs heen en weer rennend als gek-geworden wandelaars.

Eentonig vloeiden de slappe golven van de eb af en aan. Zware zeilschepen lagen kiel-droog op hun kant. Lange stangen, het kenteeken van al deze zee-oevers, staken de lucht in, reeksen palen van Siameesche vischtuigen staken hooger uit de zee op dan bij hoog water en vielen daardoor in het oog.

Zoetjes-aan kwam dan de vloed, langzaam stijgend, de eerste lichte booten kwamen over de versperring aan de monding der rivier heen, mijn schipper gaf ook mij een teeken en eindelijk, na een paar uur varen de rivier op, wenkte mij op vasten bodem een schuilplaats, en werd ik eindelijk verlost uit de engheid van mijn kleine Chineesche jonk.

Met gloeiende kleuren hebben zich beelden van tochten met buffelwagens in mijn geheugen geprent.

Terwijl in het Zuidelijkste deel van Siam regelmatige dagelijksche regens vallen, keert verder in het Noorden ieder jaar een maandenlange droge periode weer, die het land in een soort steppe verandert. Dan denderden en kolderden mijn reiswagens, eigen melodieën zingend, over de steenhard verbrande rijstvelden. Onder het stof bedekt knarsten en dreunden de gevaarten over ruwe wegen of tot aan de assen in het weeke, het wielengeratel dempende zand, door breed-gehoornde waterbuffels of sterke Indische ossen, met hun vetknobbel in den nek, voortgetrokken.

Het spaarzame kreupelhout was verzengd, bladeren bedekten den grond als in een Noordelijken winter.

Vroeg, wanneer de nacht nog in het oerwoud draalde, togen we op weg. Boschbranden kleurden den horizon rood, asch-strepen van in de onbeschrijflijke droogte als lucifers van het eene einde tot het andere verbrande boomstammen lagen over den weg. Allerwegen tusschen zwart-geschroeide boschjes smeulde de grond onder een donzige laag grijze asch.

Het landschap was als gehuld in zwijgen, was als verziekt; en ook wanneer de zon opging was nergens eenig leven. Geen vogel zong er, en wij allen versmachtten bijna, al op den vroegen morgen. Lang voor den middag werd halt gehouden. Dan renden menschen en dieren naar de regenputten, waarin het water geel en laag stond. Taaie en traagzaam voortsluipende uren heb ik gedurende broeiend-heete middagen doorgebracht. Zoutige, grauwe kleuren lagen over het stoffige lage land, flikkerende hitte broeide over de kale schaduwlooze, in het steile licht der zon onherbergzaam en vijandig om ons heen staande wouden. Mijn huid werd als van leer. Het water verdampte in mijn beenderen.

Pas laat op den middag, als de ergste gloed voorbij was, maakten we ons op om verder te gaan. Vaak lag de volgende regenput meer dan een dag loopen verder, zoodat het water in bamboestangen meegedragen moest worden.

Als stoere beelden uit de oergeschiedenis der menschheid waren sommige beelden uit dit zwerftochtenbestaan: Grof-getimmerde wagens. Kampvuren. Nomaden en jagers. Hoevele nachten heb ik daar halfnaakt op de vlakke aarde gelegen, warm en heet als de aarde zelf en vol van in den koelen avond opschietend leven.

Eindelijk sliep ik dan doodelijk vermoeid in, om kort na middernacht, als de maan hoog en helder aan den hemel stond, weer op te breken.

Nooit is mij de afhankelijkheid der bruinen van dag en van nacht en hun tegelijk zoo heerlijke absolute onbekommerdheid om den tijd meer tot bewustzijn gekomen dan daar; nooit heb ik dieper gevoeld, dat onstilbare lust tot zwerven tot de primitieve eigenschappen der menschenziel behoort, dat hij een erfdeel is, ons allen geschonken, dat wij deze neiging uit verouderde tijden van onze voorvaderen op onzen levensweg hebben meegekregen....

Op een avond zonk de zon bloedrood in het Westen weg en reeds steeg onnatuurlijk groot de gele schijf der maan op. De lucht was klaar en droog als in de woestijn. Mijn wagens waren tot een kamp bijeengezet.

Daar kondigde knarsende wielenmuziek de komst van een nieuwe karavaan aan. Blauwige damp, de rook der kampvuren, had zich verspreid en hing in de verdroogde kronen der boomen als een sluier.

Ik zat tegen een der logge wielen geleund, toen de vreemde voertuigen vlak naast de mijne zich tot een kring bijeenvoegden. Een-en-twintig spannen in een stofwolk. Onder de zonnedaken vermoedde ik menschen, een heel dorp dat naar betere weigronden trok.

Mannen sprongen van de dissels, ossen loeiden verlost, zigeunerleven ontwaakte en weldra was de lucht doortrokken van den scherpen reuk van brandende aarde.

Uit een der wagens stapte een mooie vrouw. Voor mijn oogen kliefde ze hout, legde vuur aan, kookte, gaf een zuigeling de borst, en af en toe sprak ze in karige, maar zeer melodieuze zinnen. Haar huid was kastanjebruin, haar vrouwengezicht teeder en mild in den maannacht....

Lange avonden werden mij tot droomen, door den weerschijn van het kampvuur op de koperbruine, gladde huid eener vrouw zalig vervuld. Avonden, waarop ik urenlang vol aandacht zat en fabelachtig diep vermocht te tasten in het mysterie van het leven.

Wanneer ik van deze tochten door de wildernis vermoeid en uitgeput naar S. in mijn hoofdkwartier terugkeerde, woonde ik in een huis, dat ik nooit zal vergeten. Het was in den gebruikelijken stijl der tropische bungalows gebouwd, mijn firma had het van de regeering gepacht en het was (misschien juist daardoor) in den loop der tijden erg vervallen. Zon- en maanlicht hadden er vrijen toegang, de witte mieren bouwden hun brokkelige tunnel-weggetjes muur-op, muur-af en den houtboorkevers was het al bijna gelukt, den voornaamsten steunbalk te doen breken.

Met zijn vele hoekjes en uitbouwsels, met zijn open veranda die zoo groot was als een danszaal, en het ver-overstekende dak was Rong Pie Boen, zooals de ruïne heette, alles eerder dan gezellig en 's nachts een echt spookslot.

Mijn veldbed stond daar in een bedompt kamertje, van echt Chineeschen afgesloten bouwtrant (boven den paardenstal) waar het inslapen net zoo'n geweldig kunststuk was als het "op tijd wakker worden."

En ook verder heeft dit huis maar weinig vriendelijke herinneringen in mij achtergelaten.

Van den vroegen ochtend tot laat in den zwoelen middag kwamen Chineesche handelslieden om bij mijn firma te loven en te bieden, soms onbegrijpelijk taai en ernstig en tot in der eeuwigheid pratend, soms ook zoo vreemd krijschend, dat ik in het begin nooit precies wist, of het vriendelijk bedoeld was of dat ze vloekten.

Oude, dorre mijneigenaars met donkergroene armbanden van jaspis kwamen in inktzwarte, voorname gewaden op bezoek, en mooie jeugdig-frissche Chineezen, op zijn Europeesch toegetakeld en vonkelend van gouden zegelringen en horloges, met zijden, maar bespottelijk bovenop de broekspijpen (ten toon) gelegde sokophouders en andere sieraden.

In het sombere kantoor zaten twee ambtenaren--ook weer Chineezen--die ongelooflijk handig en met een onbeschrijfelijk geduld uit het Siameesch in het Engelsch, uit het Engelsch in het Chineesch, uit het Siameesch in het Maleisch en heen en weer en heen en weer vertaalden, brieven schreven om geld en brieven lazen over geld.