In het rijk van Siameezen en Maleiers
Part 3
"In de gevangenschap worden de olifanten treurig en willen geen jongen."
't Is me, alsof mijn diepe sympathie voor de verstandig knipoogende dieren vanaf dat oogenblik dateert....
Jubelende harmonieën, bruisende gemoedsstemmingen en liederen doortrilden me--zwerftochten zijn voor mij wat voor fijnere menschen concerten zijn--op dien Nieuwjaarsdag, toen ik vijfendertig kilometer, vlak langs de kust, naar Sitsjon liep. Het binnenland lag in het moeras van den regentijd verzonken, en alleen in het knarsende zand, vlak langs den zoom der golven, was marcheeren mogelijk.
Over een stillen rivierarm, tusschen slanke stammen door, had een boot ons van ons nachtkwartier (een Boeddhistischen tempel) naar de zandstrook aan zee gebracht. En nu waren we op weg. Onder het suizen van den stormenden moesson, stofregenschuim van de zich tegen den oever aanstortende golven in het gezicht, in het losse drijfzand, moeizaam stap voor stap, acht uur lang, op het doel toe.
Nooit zingt mijn ziel zooals op moeilijke tochten. Leven heet vol kracht zijn en dat bewijzen. Wij mannen zijn nooit bereid genoeg.... tot alles bereid....
Heel de dagtaak lag voor mij, als een zandstrook, die afgelegd moest worden, ontegenzeggelijk, in taai-volhardend plichtsbesef, gelijk voor de meeste menschen de dag vol arbeid ligt. Een door wolken omsluierde heuvel heel aan het eind van den krijtwitten kustrand was 's ochtends vroeg voor mij al synoniem met einde, rust en prettigen afloop.
Soms, als het strand door aangespoelde boomlijken en wortelstokken onbegaanbaar was, traden we in de schaduw van gesloten kokosboschjes, die daar als stille tuinen stonden--tuinen der eeuwige natuur--geen hutten, geen menschen--en dan glinsterden en kaatsten de door de als veertjes zoo smalle en fijne palmenblâren heenzevende zonnestralen in duizenden lichtsprankelingen van de leêrachtige struiken en heesters terug.
Kleine hagedissen met blauwig-weerschijnende vlieghuiden draafden vlug als draken op hun sluipgaten toe; groote, bontgekleurde vlinders fladderden, als speelbal van hun eigen zaligheid, als veelkleurige flarden, in de wonderlijk-dwarrelende vlucht die hun eigen is, door de warme lucht, en dan boog opeens ons paadje, dat in het zand haast wegzonk, weer naar de zee, wier groot en wijd geglinster ons telkens en telkens weer heftig in het heete gezicht viel.
Aris, Holloeki en de koelies liepen ver vooruit. Op voetreizen hou ik er van alleen te zijn. Alleen met mijn gedachten. Hoe weinig menschen zijn er die waarlijk de kunst van voetreizen maken verstaan! Hoe velen gaan al rusten, eer ze nog aan het loopen zijn! Hoe weinigen is het vergund aan een rijke levensreis te mogen terugdenken en met een milden, heerlijken terugblik op voorbije tijden te groeien.
Ver van de kust vandaan lag een logge jonk voor anker, een Chinavaarder, waarvan de naakte raas rusteloos met den wind heen en weer zwaaiden. Soms bogen ze neer tot op de golven.
Ik bestudeerde het zand zooals vroeger in de bergen de sneeuw.
Langzamerhand leerde ik het kennen. De beste grond om op te loopen was de vochtige streep buiten het bereik der regelmatig tegen het strand klotsende golven, die alleen door de allergrootste stortgolven werd geraakt en half vochtig was en zoo proper als een kamervloer aangeveegd. Hooger op den oever in het droge zand was het loopen een marteling.
Iederen keer, wanneer wij door gedeelten los, opgehoopt stuifzand trokken, haalde ik mijn koelies in, die hijgden onder de zware vrachten.
Millioenen glimmende slakkenhuisjes en scherven van schelpen lagen op het strand, en ik bewonderde de harde voeten mijner mannen, die er ongedeerd overheen liepen.
Moeitevolle voetreizen zijn meer dan iets anders geschikt om den dunk dien men van zich zelf heeft grooter te maken. Ik ben nooit sterker overtuigd, een bruikbaar mensch te zijn en mijn plicht te hebben gedaan, dan 's avonds na een ingespannen marsch.
De zon was meestal verborgen achter wolken, die zich in donkere lagen over de zee leien, maar af en toe brandde ze plotseling en sterk er onderuit. Dan glansde telkens het zand zoo wit als sneeuw op, en de bewogen zee, zelf groen en donker, bruiste nu met haar zilveren schuimkammen hooger en luider dan te voren, wijl de schaduwen er overheen lagen en haar als met dompen druk schenen neer te houden.
's Middags ging de wind voor een poosje liggen, de Chineesche driemaster ontplooide zijn spitse zeilen en kruiste, af en toe op zijn kant liggend, onder den last der bij vlagen nog krachtige bries in wijduitgehaalde gangen heen langs de kust, met den romp in zee en met zijn zeilvleugels in den hemel grijpend.
Later wierp hij nog eens het anker uit, trok de uitgestrekte voelers moedeloos in en wachtte weer.
Op voetreizen wordt het mij al vroolijker te moede, hoe langer ze duren. Hoe heerlijk het vooruitzicht van al de genoegens van het loopen ook is, beter toch is de zekerheid: nu nog een beetje, een flink stuk voorbereidend werk is gedaan; nu nog een paar minuten uithouden, dan ligt de dag met goed resultaat achter ons.
Gelijk op een oneindig, eeuwig sneeuwveld bewogen wij kleine menschen ons in de wijde wereld, bijna zonder hoop op een spoedig einde. Onze gewrichten begonnen al warm te worden, het zweet liep bij stroomen onder mijn helm uit, gloeiende wasem doortrok mijn kleeren met vocht en nog was er niets nieuws te bespeuren, geen afwisseling te verwachten, niets dan zand, zand en zee.
Maar, zooals vaak in het leven de grootste gebeurtenissen zich plotseling en onverwachts voordoen, doemde opeens achter het duin het smalle water eener stille lagune op, waar een hooggestuwde stroom zijn wateren moeizaam door den zandgordel in de aan-stormende zee trachtte te storten.
De koelies zetten hun lasten neer, ik ging behaaglijk in het warme, naar het binnenzeetje toe-glooiende zand zitten, mijn ellebogen op mijn knieën, het hoofd steunend in mijn handen en staarde, dankbaar voor de rust, over het water.
De zandrug ving ieder briesje op, de bocht lag windstil, de waterspiegel blonk als een stuk glas, de volle zon brak door de wolken en hield mij, vermoeiden zwerver, aangenaam warm. Alleen wanneer ik opstond, beroerde mij een luchtig koeltje dat van zee kwam; nog aldoor bruisten daarginds in half regelmatige, half ongeregelde scharen de witte schaapjes-golven op den oever toe. Het Chineesche schip had ook weer een tochtje gewaagd en praalde trots en blij met zijn ontplooide zeilenpracht.
Toen ik, mij weer bukkend in de wind-schaduw, over de kalme binnenzee keek, teekende zich aan den overkant bij het strandbosch een klein bootje af, dat zich, heen en weer zwalkend, soms hierheen en dan weer daarheen sturend, langs een langzamen, onberekenbaren weg op mij toe bewoog.
Doch toen ik me al op iets nieuws begon te verheugen, op menschen en een kort gesprekje, wendde het zich plotseling van mij af en scheen niets met mij te maken te willen hebben. Het was een klein visschersbootje.
Steenrood blaakte de hemel boven den groenen rand der mangroven; de wolken in het Westen hadden zich tot groote proppen saamgetrokken en hadden nog gauw (als het ware nog voordat het nacht zou zijn) een blank brok van het hemelruim afgestaan. Daarin verzonk de zon.
En in den purperen schijn, die van haar uitging, kwam nu de kano weer dichter op mij toe en kon ik er duidelijk twee menschen in onderscheiden, een man en een vrouw.
Ik zat geheel alleen. Mijn dragers hadden hun vrachten allang weer opgenomen en waren op weg naar het naaste dorp verdwenen.
Het zand, waarin ik zat, was droog, de windstille baai lag als een meer van honing voor mij en midden in zijn eenvoudige wereld dreef het visschersbootje.
"Siameezen roeien eer ze kunnen loopen," had ik al eerder gedacht, op een dag dat een kwajongen van tien jaar mij "redde", toen ik mij in een klein notedopachtig kanootje in een stroomversnelling eigenhandig bijna het vroege graf had ingestuurd.
Als op een meer van zuiver goud bewoog zich het scheepje, nu in de stralende baan die de ondergaande zon in mijn oogen deed vonkelen; het bootje zelf en de silhouetten der beide menschen diepzwart tegen al het licht er achter afstekend; toen, één slag met de riemen en opeens flitste het zilverig als een springend vischje vanuit den zonnegloed in de schaduw.
Telkens weer, op korte afstanden pletste het met looden kogels zwaargemaakte werpnet in het water. Soms roeide hij, dan roeide zij weer. Als hij roeide, wachtte zij, met het net in de hand in den snavel van de boot staande, slank, als gegoten, als een prachtig standbeeld, en als zij roeide, lei hij afwachtend voorover over den rand der boot.
Zoo boden deze twee natuurmenschen in hun gemeenschappelijk streven hun leven recht te doen wedervaren, een beeld van volkomen twee-eenheid.
Rustig gleed de kano over het water, geen schuimspetje verried het indompelen der riemen, en alleen het neerpletsen van het net klonk van tijd tot tijd als een woord der natuur naar mij, wijze, eenzame op de zandbank over.
Onbekommerd om de schoonheid der wereld, niet lettend op de zon, de witte wolkenstapels vergetend--roeiden ze.
"Roeien jullie voor altijd?" had ik graag gevraagd, maar dacht in plaats van dit, stil zittend in het zand, vlug drie gedachten verder.... "Roeiverdwazing!"
En zoetjes en zonder op iets ook maar te letten en zooals dat scheepje over het meer van honing dreef, gleden mijn gedachten nu terug langs den verren ontwikkelingsweg der menschheid naar het--roeitijdperk.
Was er misschien niet eens een tijd geweest, dat ook mijn voorouders op deze tree der trap naar het hoogere menschdom stonden, dat ook voor hen roeien, leven en leven, roeien beteekende; een onschuldige, ver verleden tijd, toen ook wij prachtige blanke menschen zulke eenvoudige roeiers waren.... En opeens speet het mij bijna, dat de Schepper zijn reeks proeven--ontwikkelingsstudiën op het hoogere dier "mensch"--niet reeds op dat punt had afgebroken.
Of zou zulk een wereld te vervelend zijn? Niets dan roeien--roeien--roeien--roeien--paren?!----
Als het onze lieve Heer eens plotseling zou invallen, daar weer op terug te komen? Als hij eens onverwachts zei: "Genoeg van dat bonte ontwikkelingsspel! 't Is beter dat jullie weer gaan roeien!....
Als mijnheer Meier, de millionnair, zijn omvangrijke echtgenoote weer mee in een roeiboot zou moeten nemen!....
En.... zij.... hem!....
Rustig gleed het scheepje over de golven. Telkens weer, op korte afstanden, pletste het met looden kogeltjes zwaar gemaakte werpnet in het water. Dat klonk iederen keer als een woord der natuur. Soms roeide hij, soms roeide zij. Als hij roeide, wachtte zij met het net in de hand, roeide zij, dan lei hij zich afwachtend over den rand der boot.... monotoon-eenvormig: de boot met de twee menschen erin, als voor eeuwig gemeenzaam tot roeien veroordeeld.... verdoemd.... hopeloos!
Toen riep Aris mij van over het water met zijn klare stem iets toe, ik stond op, en, heel mijn lichaam vermoeid, maar mijn hart jong en vol van overmoed, drentelde ik langs de schemerig geworden zandstrook; en toen ik, dichtbij het dorpje, in de stuntelige boot van een visscher over de lagune voer, herinnerden schreiende kinderkreten mij eraan, dat ook deze eenvoudigste menschheid hier rusteloos onderweg was naar een ver doel.
Terwijl in het Noord-Oosten zich een dreigende regenwand voor den helderen hemel schoof, trad ik onder het dak van mijn Chineeschen gastheer en betrok een dier als op stelten staande hutjes, die achter de luchtwortels der dichte mangroven stonden. De zee had zich nu ver teruggetrokken en de naakte, bruin-zwarte oeverzone aan den rand van het lage water dampte en gistte in ontbinding.
Den volgenden ochtend al vroeg, toen de apen als late nachtbrakers in de vruchtboomen aan het lawaai schoppen waren, kroop ik onder mijn klamboe vandaan. Holloeki was al aan het koffie zetten en Aris trommelde op zijn buik om er een geduchten klomp rijst in te kunnen herbergen. Na het ontbijt gingen we op stap, ons keerend van de zee naar het binnenland. In het bosch jubelde de dagwachtvogel (de Siameesche leeuwerik, die precies als onze Europeesche dagwacht fluit), de visschershutten bleven achter ons liggen en overstroomde rijstvelden en kreupelhout dat stijf van het slik stond, namen ons op.
Eenzame suikerpalmen stonden als schaakstukken in het vierkant om de doorweekte akkers, waarin de zaairijst in groene eilandjes welig opkwam.
Gelijk altijd in de nabijheid der dorpen schrikten wij, zooveel menschen, heele kudden half-wilde logge buffels op, die in woeste ploeterende jacht, de kalven angstig blatend, tot hun knieën in de modder wegzakkend, ergens heen renden.
De zon stond aan den klaren hemel. 's Nachts was er regen gevallen en het groen der wouden was er feller door gekleurd.
Op zonnige ochtenden, wanneer een dag van zwerven voor mij ligt, springen duizend bronnen van levensvreugde in mij open; ik voel me sterk, de donkere zorgen zijn op zij gezet, mijn dag staat stralend voor mij en is vervuld van vreemde, wonderlijke liederen en wijzen, gelijk de streek, waar ik door trek.
En ik verheug mij dat ik nog vrij ben en niet terwille van een der gebruikelijke, weliswaar ook mooie ideeën, in Europa ben blijven steken.
Langzamer en trager dan den vorigen dag ging nu de reis dwars door de velden, vaak langs ongebaande, onbegaanbare wegen, (de weg was een stroom) met taaie volharding, verbeten, maar toch vroolijk. Wij wisten allen, dat dit loopen in den tijd der overstrooming, vaak tot over onze knieën in het water, onze schoenen in de kleverige klei vastgezogen, zonder humor absoluut ondraaglijk was.
De koelies houden er hun eigen wijze van loopen op na, den Chineeschen looppas, telkens een paar stappen hollend, en dan twee of drie op hun gemak, zoodat ik, die niets te dragen heb, moeite heb om mee te draven.... door de opspattende modder.
Zigzagsgewijs trokken we door de vlakke rijstvelden der lage streek, nu op smalle, glibberige muurtjes van klei, dan over gevelde boomstammen, die als bruggen over de diepste beken lagen. En van tijd tot tijd, onaangenaam, niettegenstaande de hitte, tot aan den buik door het water.
Dan namen door het oerwoud overwelfde ravijnen ons op, aan den rand waarvan wij voorzichtig en telkens weer uitglijdend ons van boom tot boom tastend voortbewogen, voortdurend over kronkelende wortels struikelend en in gevaar verkeerend in de diepte van den door buffelhoeven doorploegden bodemloozen afgrond te vallen.
Iedere stap was inspanning. Iedere ademtocht beteekende vergif in de longen; de lucht was vochtig-heet en als ik een oogenblikje probeerde op adem te komen, huiverde ik van de hitte.
Lang voor den middag was elk gesprek onder den druk der zonnestralen verstomd.
Alleen Aris, de sterke, riep soms een in een diep watergat tuimelenden drager toe: "Ai-i-i-! Broeder, wat moet jij in die olifantenbadplaats met je bagage? Zie, dat je toean's matrasje niet nat maakt, hoor!"
Ook ik was op zulke afmattende tochten altijd beter gehumeurd dan in de stad. Ik weet vandaag den dag nog niet wat eigenlijk de drijfveer van zulke harde ondernemingen is. Misschien is het de vreugde, die je zeker wacht, als de moeite en inspanning voorbij zijn, het voorvoelde "glunderend-zich-mogen-herinneren": wat heb ik toch voor dingen uitgehaald, toen ik nog jong was....
Of zulke daden spruiten voort uit het verlangen naar het echte en onbegrensde, uit het "zich telkens en telkens weer een nieuw bewijs van het recht-op-leven te willen verschaffen."
Pats, pats stapten we als de ganzen achter elkaar aan door de modder, waterbuffels graasden een eindje verder, wanstaltige dieren, kleine witte reigers op hun ruggen, die hun het ongedierte uit de borstelhuid vraten. Elk van ons stond met diepe voren het woord "zwerven" in het gezicht gegrift, de koelies vloekten zacht en lachten even later, wanneer een ongeluksvogel in de modder tuimelde.
Ik heb altijd het gevoel in mij gehad, dat van een man onmogelijk iets rechtschapens terecht kan komen, wanneer hij heel zijn leven in de bedomptheid van keurig-geregelde alledaagschheid blijft voortgaan. Iemand, die niet ook door de lage moerasstreken van onze lieve planeet is getrokken, kan met den besten wil van de wereld de pracht van zijn hooggebergten niet waardeeren.
En zoo diep heeft zich deze meening, dat het goede en mooie en fijne alleen uit het wanhopige, ruwe en harde kan voortkomen, in mij vastgezet, deze overtuiging is zoo diep in mij geworteld, dat ik vaak bij mijn haren van het geregelde, mooie en gewone weggesleurd en naar het gewelddadige toegetrokken word. Want het is mij bij voorbaat al alsof daaruit een zekere harmonie, een denkbeeld of stemming van uit zal gaan, dat daar iets moet ontstaan dat net zoo mooi, verheven en edel is, als mijn daad onverstandig of ruw.
En ik ben er van overtuigd, dat, hoe grooter bijvoorbeeld een kunstwerk is, uit hoe dieper afgrond van zorgen en wanhoop--ja, meestal zelfs misdaad het is opgebouwd, dat kunstwerken voor mij in het algemeen, al bij voorbaat, stilzwijgend werken zijn, die iemand schildert, vormt, schrijft, in plaats van zich dood te sch.....
Nooit vliegen mijn gedachten hooger en stouter dan onder het loopen. Een koelie voor mij, een troepje loopende menschen achter, zoo midden in den galoppeerenden stoet, door vlug, luid-kloppend leven omgeven en zelf erin, lette ik nauwelijks op de hitte en de bezwaren van den weg, doch dacht, fantaseerde, lachte om mijn korte schaduw, zong zwijgend of praatte luid met verre vrienden, meer dan tienduizend mijlen weg.
Moeras strekte zich rondom ons uit. De zon keek met haar rond gezicht uit elke vuile poel. Kokend smoorde ze op onze ruggen, en in plaats dat het woud, waarin wij telkens weer wegdompelden, ons koelte bracht, drukte daar de druipende, heete lucht nog bedompter op ons.
.... aan den rand der beschaving. Aan den uitersten rand der beschaving. In de wildernissen van Indië. Misschien weldra dood.... Malaria, dysenterie, typhus. Vandaag daarom des te vaster aan het leven gehecht! Voortdurend kampend met donkere machten en driften.... god, ster, duivel.... noodlot.....
's Avonds was de dorpskoning Pet onze gastheer. Pas den volgenden ochtend bereikten wij de mijn, waarover ik advies zou uitbrengen. Twee dagen woelde ik daar rond in mijngangen en schachten.
En gedurende de drie volgende dagen draafden we langs denzelfden vreeselijken slik- en zandweg terug naar huis.
Een korte "rustpoos" in het hoofdkwartier en.... een nieuwe reis.
Zoo is mijn beroep.
Als het omstandige dagwerk van een praehistorischen nomade, zwaarder en moeilijker en--heerlijk gemaakt door de zeldzame, dwingende plichten, zooals een profeet die wel heeft.
Eens stond ik ongeveer voor het volgende probleem: Liem Tjoeang wilde mij vanaf de Oostkust van het schiereiland een groote rivier op naar de bergketen brengen, die nabij de Westkust de waterscheiding vormt. Na een moeitevollen tocht over de rivier, die dagenlang duurde, zouden wij het gebergte, dat op zoowat veertig kilometer afstand van de Westkust ligt bereiken. Een korten, geschikten, zoo mogelijk het heele jaar met booten bevaarbaren weg daarheen te vinden, was mijn opdracht.
Het was ondoenlijk de mijn waarom het ging vanaf de Oostkust te bewerken, om de veel te groote moeilijkheden van transport.... maar als ik een gunstig gelegen toegang naar het Westen aan zee kon vinden, dan zou deze plek------gesteld, dat alle overige factoren meewerkten, er voldoende erts aanwezig was, in goede concentratie, enz.------met succes te exploiteeren zijn.
Dus een heel aardige onderneming, een beetje idealistisch-geographisch avontuur, een beetje werkelijkheid met een realistisch-economisch-wijzen achtergrond.
Liem Tjoeang zag er niet als een echte tin-zoeker uit, maar eer als een gemeenteambtenaar of een klerk. Hij had juist zooveel benul van de Engelsche taal, dat ik telkens weer meende te moeten probeeren Engelsch met hem te spreken, maar beter verstond hij toch over Holloeki heen mijn Maleisch. Onpractisch gekleed in blauw khaki, een das om zijn hals, had hij voor mijn part met zijn opdracht naar den duivel kunnen loopen, als ik niet net nog op het laatste oogenblik gezien had, dat zijn beenen werkelijk van boven tot onder met kwade beet-wonden van den oerwoud-bloedzuiger bedekt waren.
Holloeki en hij behoorden tot dezelfde Chineezen-kaste der Hailam, der inwoners van Hainan, het groote eiland, dat voor de Golf van Tonkin in de Zuid-Chineesche Zee ligt, en waar bijna alle Chineesche kokkies en boy's vandaan komen.
"Ook Liem Tjoeang is vroeger kok geweest," vertelde Holloeki, "nu doet hij niets anders meer dan de wouden doortrekken om tin te zoeken. Hij heeft in R. een Siameesche vrouw en van de opbrengst der rijstvelden die zij bezit, kan Tjoeang heelemaal voor zijn eigen avonturen leven. "Hij weet een tin-land, dat heel rijk is," voegde Holloeki er enthousiast en graag zijn "broeder" helpend aan toe.
Aris toonde geen grooten lust in de zaak:
"--Wat weet zoo'n Hailamslungel nou van den jungle--!" knorde hij, "zoo'n soepkoker, zoo'n kippenslachter. Het zijn allemaal menschapen met kromme pooten en van reizen en van wat er aan werk te doen valt in de oerwouden heeft zoo'n vent zelfs in zijn slaap geen flauw benul!"....
Toen ik bescheiden tusschen zijn groote woorden inwierp: "Ja, 't is waar, hij is maar een domme opiumschuiver, schijnt aan grootheidswaanzin te lijden en heeft waarschijnlijk in een opiumroes voor het eerst gedroomd een rijk mijneigenaar te zijn--maar, zijn beenen zitten in alle geval vol jungle-wonden; hij is werkelijk zelf in het oerwoud geweest!".... gaf Aris elken verderen weerstand op:
"Toean, wij bruine menschen zijn niet zoo verstandig, jij zult het wel weten; als jij wilt vertrekken, gaat Aris mee!"
Toen wij in het groote dorp bij de monding der rivier voldoenden mondvoorraad voor onzen tocht van tien dagen bij elkaar gebracht hadden en de motorboot van een Chineeschen rijstmolen ons voor een dagreis was toegezegd, vertrokken we.
Iedereen lachte er om, dat ik in den regentijd de rivier op wilde. Maar Liem Tjoeang verzekerde zoo hardnekkig telkens weer: "Boven in de bergen is het droog!" dat ik hem tenslotte ging gelooven, vooral, omdat ik vroeger wel gehoord had, dat het weer aan de Oost- en Westkust vaak heel verschillend is gedurende een en hetzelfde jaargetij.
Stoer drong ons motorbootje door de hooggewassen golven. Als heele eilanden dreven brokken van het woud stroomafwaarts; groote boomen, pas ontworteld en nog groen kolderden voort, alles was grijs van den regen, de hemel, de lucht; en het vertrek was des te stiller en bedrukter, omdat Liem Tjoeang voor geen geld wilde verraden, waar we precies genomen eigenlijk naar toe gingen.
Op hooge oevers lagen eenzame hutten in laurierblad-donkere citroen-boschjes; breed-getakte katoenboomen stonden daar vreemdsoortig-wijdbeens met meterlang afhangende vruchtenschillen en dikwijls leidden steile voetpaadjes van onzichtbare huisjes door het leem naar beneden tot aan het water, waar bad- en waschgelegenheden met een haag van bamboestaven afgezet waren als beschutting tegen krokodillen.
Het chocolade-bruine water rimpelde onder den stroomenden regen en meer dan eens zagen we den hoog-geheven driekantigen kop van een elegant naar den oever toezwemmende slang uit de golven opsteken.
Ook ontmoetten we enkele zeldzame booten en af en toe klonk ergens uit het bosch vandaan de korte vraag: "Pai nai?.... Waar gaan jullie naar toe?"
's Avonds flakkerden een paar lichten op. Uitstappen! Een poosje door het water waden! In een Siameezenhut liggen! Dat was de eerste dag.
Op een heel smalle stuntelige rivierboot ging het toen nog zeven dagen lang verder. Aan den hoogen kant liggend hadden Holloeki en ik onder het uit rotang gevlochten dak nauwelijks plaats. Aris hurkte met Liem Tjoeang aan onze voeten, terwijl de drie roeiers buiten, twee achter en een in de punt van de boot stonden.