In het rijk van Siameezen en Maleiers

Part 2

Chapter 23,921 wordsPublic domain

Telkens weer was hij het, die mij hielp. Als ik twijfelde, was zijn raad bij de hand, als ik niet begreep, lichtte hij mij in en als ik hoopte, bracht zijn woord, uit het Siameesch in het Maleisch vertalend, vervulling.

Aris werd mijn dienaar, mijn tolk, de bemiddelaar in het verkeer met Chineezen, met adellijke waardigheidsbekleeders, met mijn koelies, met bootslui en met de mooie Siameesche meisjes.

Bij al die schijnbaar nietige voorvalletjes, bij ontmoetingen op reis, aan aanlegplaatsen, bij bezoeken in het dorp, in den omgang met de schuwe, antediluviaansche oerwoudmenschen, waar het Aziatische leven veelbeteekenend en klaar als nooit en nergens anders aan den dag treedt en elk woordje, dat uit den mond van den inlander komt, vreemde wereld is en een eigen klank bezit,--heeft Aris, zonder dit te vermoeden, mij rijker bedeeld dan ik hem ooit kon teruggeven.

Bijna van den eersten dag af aan heb ik in Siam Maleisch gesproken. Voor ons Europeanen is de taal van het land, het Siameesch, dat ons, evenals het Chineesch met zijn hooge en lage klanken en donkere, rauwe keelgeluiden oneindig veel moeite kost, niet zeer geschikt om haar snel te leeren; en daarom was het voor mij een buitengewoon geluk, dat ik mij met Maleisch kon helpen en bovendien nog iemand gevonden had, die niet alleen zooals een gewone vertaler automatisch zijn ambt vervulde, maar die ook alle fijnheden uit het Siameesch in zijn moedertaal wist over te brengen.

Aris was een dichter, die niet alleen van de beteekenis van sierlijk woordenspel, van mooie gedachten en vroolijke beschrijvingen zelf wist te genieten, doch die ook de kunst verstond deze in zijn eigen taal te herhalen.

En niet alleen heeft Aris mij verstand van olifanten en krokodillen en alle mogelijke andere grove wonderen van Siam doen krijgen, maar hij heeft mij vooral de menschen leeren kennen; een prachtige, gelukkige menschheid in een bijna volkomen wereld heeft Aris mij laten zien; en dit deed mij dubbel goed in een tijd, dat nood en dood aan het door haat en ellende gespleten Europa vraten.

Ik zou een loflied willen zingen op de Maleische taal, maar ik voel mij onbeholpen, wanneer ik moet uitdrukken, waaruit mijn diepe voorliefde voor het Maleisch spruit.

Voor een deel, ja, zal het genoegen dat het je doet een volkomen vreemde en geheel nieuwe taal binnen den kortst mogelijken tijd zoo te beheerschen, dat je niet alleen zonder moeite met de ingeborenen kunt spreken, maar ook de fijnste woordspelingen en (eigen)-aardigheden dier taal begrijpt en voelt en heel de kinderlijk-naïeve schalkschheid der beelden, er ook wel het zijne toe bijdragen.

Maar dat is het niet alleen. Maleisch is zoo vol harmonie en muziek als zelfs Spaansch niet. Sierlijk smelten vriendelijke woorden uit den mond van beminnelijke menschen. Open, oneindig trouwhartig komen de klinkers tot je. En de kortheid van uitdrukking, door het ontbreken van elke gecompliceerde grammatica, eischt overal gevoel, dat dan ook werkelijk graag en vaak en altijd in de taal gelegd wordt.

Dat ondergaan we, als we voor den eersten keer den boy "Ja!" hooren zeggen; ons eigen Hollandsche "Ja!", alleen opener en met meer nadruk uit den mond van een ingeborene vernemen.

En dan vooral de beelden in deze taal!

Den «sneltrein" noemden mijn Maleiers den "trotschen" trein--(te trotsch om bij kleine stations te stoppen!). Een blanke, die klein van gestalte was, duidden zij aan als toean-soekoe--(toean = heer: soekoe = een kwart). De huig is het "kind van de tong!" Een kleine magneet, die ik bij mijn werk vaak gebruikte, heette: besiberani--(het dappere ijzer!) en zoo voort.

Mata kaki, oog van den voet, beteekent in het Maleisch niet een eksteroog, daar weten de Maleiers niets van, maar daar wordt de enkel mee bedoeld. Een sarong soerat is een envelop, een briefomslag; een sarong kaki een kous (een beenomslag).

Toen woudmenschen mij eens een prachtigen, pasgevangen goudfazant brachten, zei ik tegen Aris: "Vlecht van bamboe een sarong--een kooi--voor hem!" "Licht"- en "donker"-rood noemt de Maleier "jong" en "oud" rood, "bruin" is voor hem "zoet zwart"! Vertrouwd was ik van het begin af aan met den orang oetan, den woudmensch; mijn Chineezen gebruikten deze uitdrukking iederen dag als benaming voor de donkere, echte, bosch-bewonende Siameezen.

Bij al deze natuurlijke wonderen der Maleische taal stelde mij nu ook het toeval bovendien nog mijn dienaar ter beschikking, die bij iedere gelegenheid, wanneer hij ook sprak of vertelde, de oorspronkelijkste, echtste bloemen van zijn eigen dichterlijke scheppingen schonk.

Als ik op reis in de boot zat te eten en deze helde naar links over, ging Aris aan den rechterkant staan en zoodra het donker werd, kwam hij met een harsfakkel bij mij zitten tot ik klaar was met eten.

Telkens wanneer ik mijn waschgerei nam, kwam hij als een schaduw en ongeroepen, om mij mijn handdoek af te nemen en het water voor mij uit de diepe bron op te trekken. Eén keer zei hij met een uitnoodigend gebaar: "Doedoek toean--ga zitten!" en probeerde mij zelfs te wasschen.

Dat was Aris voor mij--mijn slaaf----?

Aris was mijn vriend en nu nog, na jaren van scheiding, denk ik in mijn slaap vaak aan de dagen terug, die ik in het wonderland Siam heb doorgebracht en zou ik willen uitroepen: "Ai, ai Aris, soedah makan? boeli djalan?--Heb je al gegeten? Kunnen we op weg gaan?"

Zijn berustend "Ikoet toean!--Zooals je verlangt, heer!" op al wat ik zei, werd mij net zoo lief als Holloeki's keukengeroep: "Toean, makan!--Heer, eten!"----

Op een der eerste avonden van ons samenzijn zag ik Aris met een peinzend gezicht, de beenen gekruist onder zijn lichaam, zitten mijmeren. Zijn voorhoofd was vochtig en de een of andere verborgen ergernis rimpelde zich daarop.

"Aris, waarom ben je niet tevreden?" vroeg ik.

"Hoe kunnen wij dienaren rustig zijn, wanneer het slecht met onzen heer gaat!?"

"Dank je, maar 't gaat heelemaal niet slecht met mij!" antwoordde ik.

Toen puilden zijn oogen groot uit hun kassen: "Toean, hoe kan 't nou goed niet je gaan, als je kokkie zoo slecht voor je zorgt....!" en nadat hij een lange speech voor mij had afgestoken, waarvan de beteekenis telkens weer hier op neer kwam: "Hoe kan men er in 's hemelsnaam een kok op na houden, die Engelsch spreekt, een stadsboy....! foei!" verlangde hij van mij dat ik hem toestond een nieuwen, tegen den jungle geharden kokkie te zoeken.

De zachte, kalme wonderjongen, dien hij mij kort daarop bracht, heette Holloeki.

Terwijl Aris voor mij sprak en mij van al het moeilijke gedoe met zakelijke dingen bij den arbeid in het oerwoud, en van de zorgen om onderdak en middelen van vervoer gedurende de reis ontlastte, zoodat mij ruimschoots tijd overbleef om te denken, wat allemaal aan mijn innerlijken mensch ten goede kwam.... even trouwhartig zorgde Holloeki, mijn kokkie, voor mijn uiterlijk. Hij was het, die 's avonds mijn Chineesche reismatrasje uitspreidde, de klamboe erboven; gisteren op een smal bootje, vandaag in een Siameezenhut en morgen misschien onder het baardige heiligenbeeld van den een of anderen Konfuciaansch-Chineeschen God. Het kleine, tengergebouwde Chineesje werd mij langzamerhand met zijn roerende bezorgdheid en met zijn onbegrensde plichtsgevoel bijna heilig. Ik dacht vaak: zoo vlijtig en bescheiden als een Chinees moest iedereen zijn. Holloeki's voornaamste verdienste was, op elk uur van den dag en waar wij ons ook bevonden, op den aanlegsteiger aan de rivier, in de boot op zee, in de modder van het oerwoud, in een tempel, het noodige: "makan--eten!" voor mij klaar te hebben. En ik was vaak meer dan verbaasd, hoe uitstekend hem dat gelukte, hoe gemakkelijk de kippen onder zijn mes stierven; en mijn hart juichte vaak dankbaar op, als midden tusschen de herrie van een stinkend Chineezenwinkeltje Holloeki na veel geharrewar mij plotseling een zuiver rijstsoepje bracht, dat zoo smakelijk dampte, dat het uit een betere wereld scheen te komen.

Als iemand vroeger thuis een bescheiden jongeling is geweest, zal hij zich, plotseling in het Oosten, in de rol van globetrotter en olifantenkoning, bekleed met de waardigheid van "toean--heer" eerst ongemakkelijk opgeblazen en gezwollen voelen met al zijn omvangrijke bagage en het heele gezelschap dat hij zich, zonder dit in den beginne aangenaam te vinden, moet aanschaffen.

"Toean, je hebt nog koffertjes noodig, kleine, die de koelies makkelijk kunnen dragen!" zei Aris vandaag.

"Toean, twee pannen zijn niet genoeg!" bedelde Holloeki morgen, en al heerlijker werd mijn karavaan, hoewel ik het liefst ook in Siam eenvoudig met niets dan mijn rugzak om het bosch ingetrokken was.

Als ik zoo in den glans van mijn fakkeloptocht plechtig als een radja aangereden kwam, twee, drie olifanten voorop, met mijn twee bedienden en een half dozijn koelies, dacht ik vaak: Net een uitstapje van de heele familie op Zondag, alleen breedsprakiger------!

Hoezeer ik mij ook beperkte, misschien uit een dommen, aangeboren afkeer van onnoodige luxe--minder dan vier tot vijf koelies speelden het zelden klaar met mijn boeltje--vier koelies of een olifant, een kleine boot, of een buffelwagen.

Maar van het grootste gewicht waren daarbij altijd het "gele" en het "roode" blikken trommeltje, "het peti koening" en het "peti merah", allebei zoo goed als waterdicht, maar--toch niet heelemaal. In hen zag ik iets als een symbool, dat ik achter de oerwouden nog heerlijke menschelijke dingen "Europa, beschaving" met het daaraan verbonden genot had achtergelaten; en ze bevatten een wel-overdachte keur van dingen daar vandaan: schrijf-gerei, linnengoed, kaarten, van allerhande gereedschappen en zoo voort.

Maar ze hadden allebei hun kuren.

Als ik me over het "gele" heenboog om er gauw even een mijn-plan of zooiets uit te nemen, dan was dat stellig in het "roode." Om dit te openen moest ik links op het deksel drukken, bij het "gele" moest ik aan den rechterkant mijn knie tegen den zijwand duwen en bij het sluiten ging het net andersom.

Vaak was het "gele" mijn eet- en het "roode" mijn schrijftafel. Het eeuwige open- en dichtmaken dwong me mijn sleutelring aan mijn riem te dragen, net als een pachter.

En omdat in een der koffertjes, ik mag niet verraden in welk (dat wist zelfs Aris niet), de Siameesche zilveren tikals bewaard werden, baarden ze mij des te meer zorg.

Veel onschuldiger, hoewel even belangrijk, leken mij de Chineesche draagkorven en stroozakken, waarin het keuken- en eetgerei mee ging. Zij stonden onder Holloeki's hoede.

Het eenige liefelijke, mij altijd sympathieke, doch om zijn omvang door de koelies gehate stuk bagage, was mijn groene beddezak met het twee centimeter dikke Chineesche matrasje, dat altijd even hard bleef, of het op den steenen vloer van een tempel of op de stakerige bamboeschraag in een koeliehuis werd uitgespreid. In dezen zak ontbrak nooit een lichte reisdeken en mijn "klamboe."

Spiksplinternieuwe begrippen doen zich aan den jungle-reiziger voor. Visitekaartjes worden er niet meer afgegeven, trein-aansluitingen, kapperswinkels, dassen, lakschoenen--dit alles wordt van nul of geenerlei waarde; van grooter belang wordt: dat de koelies hun eten hebben, dat de olifanten op tijd reisvaardig zijn, dat er niet te veel en toch al het noodige, alles wat men in het oerwoud noodig heeft om te leven, verzorgd is.

De "klamboe....!"

Nu achteraf lijkt het mij wonderlijk, hoe je je in de nieuwe werelden die voor je opengaan, inleeft en hoe gauw je het met de meest zonderlinge begrippen eens wordt. De "klamboe" werd zooiets alledaagsch voor me, als bijvoorbeeld "mijn grijze hoed"! Maar de tropenhelm wordt er niet mee bedoeld, zooals ge misschien vermoedt, beste lezer, want die heet "topi", maar de "klamboe" dat is het gazen muskietennet, waarzonder een nacht in den jungle wel eens tot een verscheuren van het eigen lichaam zou kunnen worden.

O hard, heerlijk jungle-leven! O kostelijk "eigen heer en meester zijn"! Hoe heerlijk voor een paar weken, hoe wanhopig zwaar na maanden!

Hoe moeilijk werd het toch voor een schrijftafel-heilige als ik ben: Twee jaar lang in de hurkende houding der wilden over den naakten vloer te schuiven, bij het geflakker van een harsfakkel op het deksel van het "gele" te zitten schrijven, het potlood met het woudmes geslepen....!

Hoe bescheiden en eenvoudig ik ook op reis door de oerwouden ging, hoezeer ik menigmaal elken onnoodigen ballast ook vermeed opdat wij ons konden blijven bewegen, en liever voor een nacht afstand deed van mijn bed en van schoon linnengoed, dan mijn karavaan met één enkelen man te vermeerderen--een klein beetje, iets menschelijks had ik toch altijd bij mij, veilig verborgen in het gele koffertje--mijn dagboek.

Door zijn blanke bladzijden sprak ik met thuis. In korte, kernachtige zinnen schreef ik er dat, wat soms mijn hart bewoog, in neer. Op lange tochten gedurende de middagrust, 's avonds in het bamboehuis bij fakkellicht, in de boot en waar ik maar even rust en tijd vond, lei ik er, verlossing vindend, dat in neer, wat op zoo'n langen heeten dag aan vreemde, wonderlijke geestesbeelden was gerijpt.

Ook al de brieven aan mijn twee, drie intiemen thuis bewaarde ik er in duplo in. En dat was wel het allermooist! Want, als dan eindelijk na langen tijd het antwoord kwam, vaak pas na weken, misschien wel na maanden, dan kon ik een tweespraak houden met Europa....

O, hoe vaak poogde ik dan, woord voor woord en zin voor zin wikkend en wegend, mijn vreemde, Aziatische gevoelens, die mij bijna dreigden te verstikken, aan het wijze, bezadigde antwoord van verstandige, geduldige vrienden te toetsen.

TOCHTEN DOOR DEN JUNGLE

Ongebreideld en hartstochtelijk te reizen, onbekommerd om inspanningen en vermoeienissen, altijd vroolijk te zijn en gereed om voor een twijfelachtig plan een paar dagen ver het oerwoud in te trekken.------was mijn eerste en heiligste plicht in Siam.

Vaak bestond mijn voornaamste arbeid hieruit, de plek waarom het ging vooral als eerste blanke te bereiken.

Al mijn tochten door den jungle verliepen op dezelfde wijze als de maan toe- en afneemt. Vanaf het oogenblik van vertrek namen luxe en comfort af; eerst legden we een goed stuk met het Siameesche spoor af, dan wel eens op een motorboot nog een of twee dagen verder, de kano kwam aan de beurt of de buffelkar nam mijn bagage over en ten langen leste moest ik dan door een paar koelies vergezeld te voet het dichte oerwoud binnendringen.

Het avontuur nam meestal regelmatig met den aldoor grooter wordenden afstand van wet en orde en met den duur der reis toe, doch niet altijd. Terwijl we vroeger in de bergen de onherbergzaamste streken opzettelijk opzochten, en vandaar de diepste indrukken mee naar huis namen, waren mij in Siam de wouddorpen met hun menschen het liefst en niet het eenzame oerwoud, dat te ongezond was en te verschrikkelijk, om op den duur begeerenswaardig te blijven.

Hoeveel duizenden mijlen het spoor en de Siameesche rivierboot mij ook meenamen, hoe ver ik ook op den ronden rug van een olifant door het land reed--er is iets dat me dwingt, niet al deze hulpkrachten, scheepslieden en leiders allereerst te danken, doch in de allereerste plaats voor mijn twee trouwe, weliswaar dunne, maar toch nog stevige beenen eerbiedig mijn hoed af te nemen.

De olifanten waren te langzaam, de krokodillen vraten bij voorkeur de pooten der kleine Siameesche pony's af als we een rivier over trokken, buffelkarren waren erg stuntelig, en daarom waren voetreizen door het dichtst van het woud dikwijls het eenige onfeilbare middel om vooruit te komen. En Siam, het brok van mijn leven, waarboven ik kortweg "Jungle" zou willen schrijven, en dat een afgerond beeld in mij vormt, zooals ik mijn jeugd bijvoorbeeld door het eene woord "Bergen" zou willen karakterizeeren--heel mijn verblijf van twee jaar in de tropen was een voortdurende, rusteloos-onrustige zwerftocht.

Aris, die zich van een gewonen mijnkoelie tot den trap van voorman had opgewerkt, was sterk en de moeilijkste marsch was voor hem een peuleschilletje. Het speet mij dikwijls, dat de aan zijn beroep verbonden waardigheid hem niet veroorloofde ook maar den geringsten last te dragen.

Niet zoo door den jungle gehard was Holloeki. Hij had zijn jeugd in de stille huizen van stads-Europeanen doorgebracht, maar de een of andere verborgen neiging (waar zoo'n peuter van een idee fixe een mensch al niet toe brengt!) deed hem in dit zwerversbestaan toch ook een soort vreugde vinden en zijn van een vroegeren meester overgenomen tropenhoed glansde op zoo'n heeten dag vaak urenlang voor mij uit, vriendelijk in al dat groen, des te vriendelijker, wijl Holloeki tegelijkertijd de drager van mijn veldflesch was.

Ikzelf slenterde zonder eenige bagage achteraan of ver voor de kolonne uit, niets dan mijn bamboestok in de hand en soms misschien nog mijn sierlijke Japansche parasol, wanneer ik die tenminste ook niet uit pure luiheid aan Holloeki overliet.

De koelies trokken, voordat we op marsch gingen, alles uit wat zij van hun dunne plunje konden missen; alleen een kort lendendoekje hielden ze aan. Als ze Chineesche broeken droegen, rolden ze de wijde zijden pijpen op gelijk gymnasten hun hemdsmouwen, zoo hoog als hun anatomie het maar eenigszins toeliet.

Opvallend was het, zoo bang als ze voor regen waren. Zelfs de visschers op zee hadden watervrees en wikkelden zich geducht in jassen en doeken, zoodra het regende. Het gaf niets of ik al dacht, dat voor hen de beste vlucht voor het natworden het volkomen uitkleeden en weggooien van hun paar armzalige kleedingstukken was.

Op heete tochten begonnen we onze dagtaak met de uitdrukking op onze gezichten van boeren, die op onvruchtbaren bodem zaaien, als boetedoeners, wien niets dan ellende en zware arbeid meer wachtten.

Dan bestond mijn vreugde en om zoo te zeggen de eenige belooning in ontmoetingen met menschen uit de wildernis en andere merkwaardige dingen.

Men ziet vaak op een gewone rustplek aan den weg, aan een aanlegsteiger, bij de kruising van twee rivieren meer verschillende en vooral echtere menschenvormen dan alle schouwburgen ter wereld ooit in staat zijn ons te bieden.

Maar wat me daar altijd weer meer pakte dan de extravagante toiletten en de verwaande geblaseerdheid van een Indischen of Chineeschen gentleman, waren de natuurfiguren:

Moeder met kind, de vrouw van den commissaris van politie in het bruin (en hoe vol waardigheid!) de zwoegende echtgenoot (een haan onder zijn linker- en een van zijn eigen telgen onder zijn rechterarm voortsleepend) en meer van dergelijke ongewone en toch vertrouwde beelden. Niettegenstaande alle waardigheid, die mijn blanke huid mij zoo maar zonder meer verschafte, waren de landlieden in den omgang vertrouwelijk met me. Argeloos kwamen zij vaak op mij toe, mij hun onbedekte ziel als een geschenk aanbiedend.

"Heer, je hebt harige beenen....! hoe vindt je vrouw dat wel....?"

Met deze openhartige woorden sprak mij eens een rijstboer aan, toen ik ergens onderweg in een kraam op de markt zat uit te rusten.

Hij vroeg me dat medelijdend, vol belangstelling. Zijn stem trilde zacht. Het leek hem iets ongehoords. Ik voelde, dat hij mij beklaagde of benijdde.

"Loeck mi, mai mi?--heb je ook kinderen?" sprak Aris alle vrouwen aan, die wij op onze tochten tegenkwamen. En als er een onder was die neen zei, trok hij een minachtend gezicht: "Dat kan je nog niet eens?" Aan mannen vroeg hij kort en bondig: "Waar is je vrouw?"

Er zat een diepe trek van menschelijk meegevoel in Aris. Van nature en zonder dat hij persoonlijke voordeelen uit zijn intieme vragen poogde te trekken, sprak hij zoo met de menschen.

Soms had ik er schik in hem in plechtigen, half poëtischen vorm te begroeten:

Tsje Aris, ana' tsje Hassan toedjoe kali sa-malam mau djoempa satoe prampoean, tapi.... ta boeli.

Met dit rijmpje, dat ik uit een Maleisch liedje in elkaar geflanst had, ontving ik Aris 's ochtends wel eens.

Het beteekent niets, maar duidt veel aan: "Aris, de zoon van Hassan, probeerde gisteravond zeven keer een vrouw te ontmoeten--maar--vergeefs....!"

Aris kon dit vers niet uitstaan. Hij kon er nooit heelemaal achter komen, hoe ik het bedoelde, of ik, voelend dat ik de taal volkomen begon te beheerschen zoo maar wat zei, of.... niet recht snik meer was.

Heelemaal vanzelf had ik mij aangewend menschen die ik tegenkwam, vroolijk te begroeten, gelijk het 's lands gebruik wilde, en altijd zooveel aan geest te doen meetintelen als mij maar eenigszins mogelijk was.

De sympathie van een buffelwagenkoetsier verwierf ik tenslotte zoo:

Klap ma tjak pa-- Non mia di kwa....

Als je uit het oerwoud huiswaarts keert, zal het nog eens zoo heerlijk zijn weer bij je vrouw te slapen.

Ook de goedkoope wijsheid van simpele rijmpjes, zooals bijvoorbeeld die der volgende:

Fon mai mi--den dai di-- Fon tok mak--den lambak.

waren in staat wonderen te doen.

"Als er geen regen valt, is het reizen heerlijk, bij regen is het vreeselijk."

Andere begrippen hebben de belangstelling van deze menschen.

Over de kritiek der zuivere rede hoefde ik nooit te praten, van onzuivere rede heb ik nooit veel gemerkt.

Alle menschen uit de wildernis, die je onderweg ontmoet, hebben den blik van het oerwoud, kort en schichtig en norsch. Duizenden wonderen weerkaatsen hun oogen, en een voortdurend tot den sprong gereed zijn voor verrassingen spreekt daaruit.

Ook ik onderging het als een pijnlijk gevoel in wijde verten te moeten kijken, wanneer ik na vele maanden te hebben doorgebracht in de dichtheid en verwarring van het oerwoud op de open rijstvelden kwam.

Vaak ben ik heelemaal alleen, met het kromme kapmes den weg zelf snijdend, de wildernis ingetrokken en ben dan ook meer dan eens verdwaald.

Dat is zoo heerlijk en gaat zoo vlug. Je doorwaadt bijvoorbeeld een beek (de wegen die regelrecht daarheen leiden, waar je naar toe zoudt willen, zijn er immers nooit). De beek slingert zich zoo maar ergens op goed geluk heen, tot je hoofd je duizelt van al de kompasnaald-dwarrelingen; en dan merk je opeens, dat je verduveld ver weg bent; en als nu niet heel gauw de verwachte rivier voor den dag komt, of die en die boom, dien je nog van vroeger kent, dan moet je den ganschen langen weg, dien je hebt afgelegd, zoekend zien terug te vinden.

Dan wordt het oerwoud plots tienmaal zoo dicht; elke liane lijkt je een slang toe, de apen huilen opeens als wilde katten; je hond doet je achter iederen struik schrikken; en als je dan in het zand der beekbedding den weg tracht terug te vinden, langs je eigen, vreemdsoortig-kronkelende spoor en je vindt dan plotseling vlak daarnaast het versche spoor van een groot roofdier--dan kan je een diepen blik slaan in het wezen dier weerlooze wilden, die in de wildernis geboren zijn en in het oerwoud eens zullen sterven.

Eén ding heeft me telkens weer opnieuw met verbazing vervuld: Al kwam ik ook den donkersten, afschrikwekkendsten woudbewoner tegen, één, wiens huid zoo ruw en rimpelig was als een oude boomstam, één met verdraaide oogen en woeste lange haren--en ik vroeg zoo iemand dan naar den weg en de omgeving, dan kreeg ik stellig beter en duidelijker informaties dan thuis het geval is, wanneer ik buiten wandel.

En de wildste wilden schreven brieven voor mij met de nauwgezetheid van graphische kunstenaars. Dat vindt zijn oorzaak hierin, dat al die vele Siameesche tempels tegelijkertijd ook scholen zijn, waar de priesters les geven. Schrijven en lezen is voor de Siameezen een tijdverdrijf zooals bijvoorbeeld het balspel.

Diepen indruk maakten op mij altijd ontmoetingen met olifanten, vooral in dorpen, waar ze vaak grooter waren dan een alleenstaande hut.

Eens ontmoetten wij midden in het bosch een stoetje van zes dieren. Op vier van hen zaten Siameezen, en toen ik vroeg: "Waar naar toe?" luidde slagvaardig het antwoord:

"We gaan wandelen!"....

Een der groote dieren was een moederolifant met twee sierlijke baby's. Toen ik vroeg of de jonge olifanten in de gevangenschap waren geboren, zei Aris: