In het rijk van Siameezen en Maleiers

Part 16

Chapter 162,419 wordsPublic domain

Half ontwakend hoorde ik hoe Aris de maan toeblafte. Een koele windstoot kwam van het venster. Een of ander klein dier door een bleek-phosphoresceerende lichtstreep verschrikt, ritselde heen. Toen draaide een slapende op de veranda zijn vermoeide lichaam zoo zwaar om, dat het heele huis ervan beefde.

In de kamer van den priester, dacht ik, liggen nu in eenen God vereend, drie menschenlichamen------misschien houdt de maan de wacht.----

Maar daar stond alweer die oude heer voor mij en zijn gezicht glimlachte mild, toen hij zei: "Jij hebt vermetel over godsdiensten gepraat------!

Hierbij waren zijn goedige oogen liefdevol op mij gevestigd en ik weet niet hoe het kwam, ik voelde, dat het makkelijk was vertrouwen in dezen grijsaard te hebben. En zonder dat ik bij machte was mijn gedachten tegen te houden, begon ik te klagen:

"O, waarom zijt ge zoo gierig tegen mij en laat mij heelemaal zonder vrouwen?"

En het vreemde denkbeeld van het viervoudige wezen der vrouw kwam in mij op, toen ik hem haastig en een beetje onbedachtzaam smeekte:

"Goede man, ik zou ook vier vrouwen willen hebben------"

"Een eerste, die ik elken dag anders zou kleeden; vandaag in het rood, morgen in gele en blauwe zijde, maar meestal zou ik haar in het eenvoudige voorname zwart der Chineesche gewaden kleeden------!"

"Een andere", ging ik voort, "zou ik willen hebben om--uit te kleeden------!"

Bij dezen onbezonnen geuiten wensch voelde ik iets als berouw en een onbehaaglijk gevoel voor den ouden heer, die voor mij toch tenslotte nog nieuw en geheel onbekend was en daarom voegde ik er ter mijner geruststelling en om hem in te lichten haastig aan toe (weliswaar half ongelegen en verstoord):

"Ik ben namelijk een bewonderaar van al het schoone. Vrouwen zijn er vóór alles om zoo mooi mogelijk te zijn. Misschien is dat alles!" En toen maakte ik het kort:

"Als ge nog een derde voor mij zoudt weten, die voor mij spreekt, zoodat ik mij ongestoord aan mijn gedachten kan overgeven, en een vierde, die geduldig en zwijgend naar mij luistert en al mijn verlangens en klachten in zich opneemt, gelijk de zee het water der groote rivieren opneemt, dan------zou ik misschien tevreden zijn."

Toen verdween het beeld weer en ik zonk in vergetelheid, in verlangenloosheid, niets meer voelend,--zooals het in den dood moet zijn. Ik weet niet hoe lang ik zoo heb gelegen.--

Maar opeens rees weer de nevelmuur voor mij op en beefde en borrelde en de veeren van den witten reiger teekenden zich helderder en duidelijker af, en vlugger, dan ik dorst te hopen, stond weer de vriendelijke oude heer voor mij:

"Hier, wat denk je van deze vrouw------?" en------reeds zat ik tegenover haar, op rijk geborduurde kleeden, groene kussens in den rug, terwijl groen licht sterk van alle kanten aanvloeide.--De mooie vrouw zag mij nieuwsgierig aan, met heldere oogen, die in een ovaal gezichtje van de gelijkmatigheid van een marmeren beeld zaten. Haar handen en voeten waren zoo smal en tenger als fijne rotangtwijgjes en goudig als honing. Ze droeg niets dan een sarong, die met een Maleischen knoop over haar jonge borsten was dichtgemaakt, ook zij groen, met vlammende zwarte arabesken beschilderd, en citroengele bloemen en vogeltjes waren over den doek heengestrooid met heel de fijnheid der Oostersche kunst.

En nog iets zag ik, iets vreemds: vlak achter haar stond (het is zoo moeilijk zich geheel van Westersche begrippen los te maken) een dikbuikige gele reiskoffer, en de witharige heer zei slim, dat hij daarin maar meteen de meest verschillende kostbare gewaden voor de schoone vrouw had meegebracht, en dat ik het hem maar niet kwalijk moest nemen, wanneer de tweede niet kwam,----deze hier was voor alles geschikt.----

En waarlijk, ik ontdekte nu op een der slippen, waarmee de zijden sarong over haar borst bevestigd was, in duidelijk leesbare letters: "Trekken, asjeblieft!"

Dat leek naar Europeesch-Westersche begrippen werkelijk overweldigend.

Ik was al bijna op het punt, den mij vreeselijk lijkenden knoop los te maken, toen ik mij op het laatste oogenblik bedacht: "Ai, ai, wat zal daaruit worden----en daarom in alle bescheidenheid, maar toch met een diepen zucht besloot: "Dat zal ik maar laten!"

Toch bedankte ik den grijsaard vriendelijk voor zijn attentie.

Bij al deze wonderlijke gebeurtenissen (ik was zoo verbaasd, als nooit te voren in mijn leven) bekroop mij al stelliger het gevoel: Nu ben je stellig gestorven----! Zoo geheel naar wensch, en volgens het programma en zonder onaangenaamheden kan het toch stellig alleen maar in den hemel toegaan. En ik begon, mij snel in mijn nieuwe positie schikkend, te overleggen:

Daar ik in het paradijs waarschijnlijk voor eenigen tijd zal moeten verblijven, zou het misschien wel raadzaam zijn, goede voorzorgsmaatregelen te nemen en daarom vroeg ik haastig aan den ouden heer:

"Maar zeg, waar is nummer drie nu------ Ik vraag excuus voor deze uitdrukking----ik bedoel de vrouw, met wie ik een beetje verstandig kan babbelen..------"

Op deze vraag scheen de lieve heer juist gewacht te hebben, want hij viel mij in de rede:

"Weet je, voor die daar (en naar de veranda wijzend, waar Aris en de Siameezen lagen), voor deze kinderlijke menschen is dat goed genoeg. Vier vrouwen, voor mijn part tien. Zij zijn nog wankelmoedig-onbestendig, hun grillen en wenschen zijn nog zonder eenige richting, bijna ongedekt en gelijkend op die der dieren. Dieren hebben oppervlakkig lief. De liefde pakt en verlaat hen in een ommezien. Zij kunnen niet aan een enkele vrouw gebonden zijn en blijven.--

Maar voor jou, als blanke, heb ik iets anders bedacht.

En luister dan: Meer leven heb je achter je in den ketting van je dagen dan deze bruinen en deze mooie jonge vrouw, die heb ik zorgvuldig en alleen voor jou door honderdduizenden vroegere levens heengeleid.

Gedurende honderd millioen jaren heb ik de goede zede in haar gecultiveerd, had zij niets anders te doen dan zich te leeren kleeden, zoo natuurlijk en mooi als de rozen in den tuin, als de lotosbloemen in den vijver van het paradijs openbloeien----

Door honderd levens maakte zij zich vertrouwd met de hooge gedachte, den knoop van haar sarong alleen voor jou los te maken.----

En gedurende de andere millioenen jaren heeft ze zich in het lezen der zielen geoefend, leerde ze woorden afwegen; en nu is ze heerlijk volgroeid en volleerd en zal net zoo spreken en zwijgen als jij, en jullie zult met je tweeën één taal zijn en één gedachte.------"

Bij deze profetische woorden werd het mij stralend en blij te moede (zoo iets was mij volkomen nieuw) en ik dacht alleen met iets van een duizel in het hoofd: laat ik toch maar in alle geval opletten!

Toen begon ik te vertellen; haar, die in groen en in geel en in zwart vlak naast mij zat, haar, de schoone met het zuivergelijnde gezicht lei ik in afgeronde beelden de beteekenis van het leven uit.

Haar oogen waren die van een kind; heel, heel klaar, gelijk het water van een bergmeer; en elk woord, dat ze sprak, woelde zich los uit den grond van haar hart en was blij en omlijnd en vol vorm als edel kristal. En ze zag mij aan, al mijn gedachten van mijn lippen aflezend en soms ging zij, een half aangevangen zin van mijn tong overnemend, voort, en al wat mijn ontroerde ziel probeerde uit te spreken aan diepe gevoelens, werd in haar mond als door mij gedacht en door haar veredeld tot gedichten.

Ik zweefde in een zee van licht, zonder herinnering aan tijd en aarde, en al mijn verlangens waren van mij afgevallen, hadden allen invloed en alle macht over mij verloren!--

Toen nam de oude heer, die zich gedurende ons gesprek vriendelijk in zijn donzen wolk teruggetrokken had, weer menschelijke vormen aan, maar dezen keer was de zachte, vertrouwen inboezemende glimlach uit zijn gezicht verdwenen:

"Luister!" zei hij ernstig, "deze vrouw, die je bevalt, die je in geel en groen, in rood en in blauw wenscht te kleeden, deze vrouw, met wie je verstandig kunt redeneeren, en in wier ziel jouw woorden tot gedichten worden------verneem------Zij wil je toebehooren en de jouwe worden. Gedurende de zevenhonderd levens, die zij als heilige boom in het tempelwoud van Bang Pla doorbracht, als witte duif in Wat Tsjeng, als reiger aan zee, in het oerwoud, in de bergen en in de open steppe------gedurende al deze lange tijden heeft zij den moed en de wijsheid verzameld om je zonder vrees toe te behooren, en nu is ze bereid, jouw leven in haar leven op te nemen.

Leg het in haar hand! Zij weet, dat het een menschenleven is. Vertel! Zij zal begrijpen.

Wees moedig! zei de oude man, de witte rijp der levenservaring op zijn voorhoofd, en met een stralenden blik, waarin de kracht lag, over millioenen van jaren en levens en lotsbepalingen heen te zien, alles te verklaren en nooit te verzaken.----

En de donzen veeren van den heiligen reiger groeiden weer voller, en de schoone vrouw met de glanzende oogen zat weer voor mij, dezen keer in elegante zwarte nauw-sluitende Chineesche kleeding, en haar smal gezicht was overwaasd met een teeder rood van brandend verlangen:

"O, vertel me toch," zei ze, "en de toekomst gaat voor je open, zoo heerlijk, alsof de zon in den ochtend over de onmetelijkheid der wouden opgaat--."

Maar midden in haar geestvervoering zweeg ze opeens, scheen aan iets heel vers te denken en vroeg mij plots vol deelname: "Waarom, arme man, ben je in den hemel pas tot een vrouw gekomen------?!"

Nu voer het opnieuw door mij heen, dat ik nu in het paradijs moest zijn, en van een duizelingwekkende hoogte zag ik opeens mijzelf, kruipend, op de oude morsige aarde maar eigenlijk kroop ik niet, en de modder zag er van hier niet meer als modder uit. De honderdduizend draden van het al kruisten door elkaar heen; van alle kanten aankomend liepen ze op mij, menschje van de aarde, toe, onbarmhartig trekkend en rukkend, zoodat ik onwillekeurig dacht:

"Het is jammer dat het leven----

dat het leven zoo vreeselijk is!" klonk het voltooiend van haar lippen.

Toen wist ik eensklaps, dat de mooie vrouw waarlijk mijn hemelsche vrouw was en haar vraag schoot mij weer te binnen: "Waarom, arme man, ben je in den hemel pas tot een vrouw gekomen------?"

En vlug een cigaret aanstekend (om het gevoel van onbehaaglijkheid dat mij bekroop te verbergen) kwam ik eindelijk dapper en luid met mijn bekentenis voor den dag:

"Omdat op aarde de goede vrouwen te goed en de slechte te slecht voor mij waren----! Het leven op aarde is een buiteling, een jammerklacht, een valsch gejubel in het beste geval------!"

Nu zagen haar klare oogen mij lang aan, en vol medelijden, en bijna, alsof ze bang waren, nog meer van beneden te vernemen; maar ten langen laatste zei deze heerlijke vrouw toch vol overtuiging: "Ik vrees niets!" zoodat ik haar bijna geloofde.

Maar er was een gevoel in mij dat sterker was, een wurgend, drukkend gevoel van angst------"ik------ben------nog------niet------klaar met spreken------!"

"Daar beneden jong geweest te zijn, wil zeggen, lasten te dragen. Wel ken ik nu eindelijk de laatste vragen, om met mijn wereldbeschouwing het ware doel te bereiken en misschien eindelijk zalig naar het eeuwige vaderland in hemelsche harmonie op te gaan, maar------welke aan mij verwante, schoone ziel zou niet ------------------------

Neen, neen, juist daarom, omdat jij, heerlijke vrouw, Door de wereldsche beschikking als gelijkwaardige mij geschonken werd---- Juist daarom zul je nooit meer voor mij mogen worden, Juist daarom------ben je ook------te goed------!"

De lange wimpers overschaduwden haar glanzende oogen, toen de mooie vrouw in diepe treurnis en zeer plechtig verklaarde:

"Ik ben niet meer bang voor je. Het leven daar beneden op de aarde is voor hen, die zelf daar zijn, niet te doorgronden. Niet wat er aan glans en geluk en zichtbare daden daar gebeurt, wordt hier in den hemel afgemeten; niet datgene, wat iemand doet en is en schijnt, helpt zijn ziel in de eeuwigheden----zielen zijn veel hoogere wezens, zijn------eeuwig onkwetsbaar of nooit geweest----. Laat mij hier in den hemel je aardsche lasten dragen------jij moet nu zingen------en denk niet, dat het voor mij te zwaar wordt-------- ------------------------ Bij deze heerlijke woorden ontdekte ik pas voor den eersten keer, wat voor iets kostelijks de vrouwen zijn. Maar het was een beetje laat geworden met deze ontdekking, erg laat.

Zonder dat ik bij machte was het te verhinderen, verloor ik de mooie vrouw in de groene sarong en met het ovale marmeren gezicht uit het oog.

Al strekte ik ook nog zoo smeekend mijn armen naar haar uit----

Zooals op een doffen dag de uren ongebruikt vergaan, gleed zij heen; niets dan de veeren van den witten reiger bleven nog een poosje achter, toen losten ook deze zich op, eerst in nevelen en toen zacht verfladderend grijs in grijs------en afgemat en bedrukt en hopeloos stond ik plots voor een nieuwen, nuchteren ochtend op aarde.

Met smeulende onrust in het hart, rende ik voort achter de dragers aan, door de dorre oerwouden, op ongebaande wegen, over heg en steg; en de gloeiende zon broeide onbarmhartig over den dag. Alleen Aris bleef sterk en goed gestemd. Voortdurend gaf hij beschrijvingen ten beste (voor mijn opvoeding bedoelde hij!) "Beelden uit het leven van een anderen blanke in het naakte land", bij wien hij vroeger gediend had. Zijn woorden tooverden een keurigen bungalow voor mijn verblinde oogen, het huis van den anderen toean, midden in een zwerm kleine bamboehutten die als kippetjes om een haan heen draaiden. En tientallen beeldschoone vrouwen van alle rassen drentelden daar tusschen door------.

Toen viel ik heftig uit: "Zwijg!" wat Aris maar niet kon begrijpen!

INHOUD

blz. Mata Hari 1 Holloeki, Aris en mijn Fakkeloptocht 11 Tochten door den Jungle 33 Wonderen uit de Wouddorpen 95 In de eenzaamheid der Oerwouden 141 "Tropenwee" 195 Geweldenaarsnaturen 227 Van bruine en gele Menschen 267 Aziaten 269 Meh Lieng 272 Ah Tsjan 277 Bij Pet, den Dorpskoning 286 Ong Eh 290 In Hoey Yot 297 Tsje Aris 306 Noe Kiang 308 De nacht bij priester Niang 314

AANTEEKENINGEN

[1] P'hoe yai = De groote man (Ambtstitel).

[2] Een andere uitdrukking voor meisje is loek sao = kuisch kind, doch dat durf ik bijna niet zwart op wit neer te zetten, sinds ik weet, dat de Siameezen de oe vaak als o en de o als oe uitspreken.

[3] Verdriet omdat hij "niet gretig genoeg toegetast en zich bediend heeft!"

[4] Waarop je nooit verdacht kon zijn!

[5] Ah Tsjan's woord voor "brother = broeder."

[6] Ah Tsjan's afkorting voor macaroni.

[7] Ah Tsjan's woord voor gamble: spel, hasard.