In het rijk van Siameezen en Maleiers

Part 15

Chapter 153,858 wordsPublic domain

Maar daar hield nu toch alles bij op! Nu moest ik me er warempel nog toe leenen om den Chineezen van Hoey Yot te laten zien, dat ik, blanke, beter Chineesch Nieuwjaar wist te vieren dan zijzelf als Chineezen. Van de manier waarop zij het deden------luieren en met feestelijke kleeren pronken----had ik genoeg. Dat was geen Chineesch Nieuwjaar!

Zoo kwam ik op het denkbeeld "Tsjaoe mo le." "Tsjaoe mo le" is een spel, dat het "nog-jong-zijn" van den speler wil bewijzen en verder niets is dan een leuk soort buiteling. "Tsjaoe mo le--luchtsprong" zou al te blufferig klinken. (In de gladde geasphalteerde stationsstraat in Zürich kan men na middernacht heele kettingen van wel tot twintig van zulke jeugd-bewijzen netjes aan elkaar hangen.)

Op het kleine oerwouddorpsplein daarentegen moest ik me met zes tevreden stellen. Maar------eigenlijk heeft een alleen het al gedaan. Zelfs degenen, die zich al in hun huizen hadden teruggetrokken, klapperden nog eens op hun houten sandalen aan, om het te bestaren. Zooveel achting als op dien avond, is mij nooit te voren ten deel gevallen. Kaarsrecht stond mijn eer en trotscher dan ooit. Dat beviel mijn Chineezen beter dan wanneer ik ze boorgaten liet maken op plaatsen, waar ze toch geen erts vonden.----Nog toen het al donker was, toen de kikkers in het moeras met hun concert allang weer waren aangevangen en de lucht van het nachtelijk krekel-gezang trilde, hoorde ik, terwijl ik voor mijn schrijftafeltje zat, hoe aan den overkant in het huis van den voorman beraadslaagd werd, hoe de toean toch wel dit "Tsjaoe mo le" deed. Maar het allerbeste:

Li Tiang's vrouw heeft dit alles gadegeslagen. Zat ze voor mij nu voor haar huisdeur in een scharlakenrooden-en-witten mantel (zolderkamertjes-beddetijk), ging ze om mijnentwille den zandbodem nazien, of er niets verloren was gegaan bij het spel, was ik nu misschien toch eindelijk de oppertoean, hoewel de andere blanke in Hoey Yot een dikkeren buik had en lichter haar op zijn hoofd?----

DE TIJGERVAL

Toen ik op een avond laat in het donker nog iets achter mijn hutje zocht, kwam Hoeng Song, mijn nachtwaker, vlug op mij toe en gaf mij een veelbeteekenenden wenk.

Daar was iets niet in orde!

Behoedzaam bracht hij mij bij een vreemdsoortige opstelling van stevige, krom gespannen en gebonden touwen en knuppels.

"Haha, jij vindt het dus noodig en nuttig, achter mijn bed een tijgerval op te stellen! Beste kerel!" dacht ik.

Van zijn lange rede in het Siameesch over werking en doel der machine verstond ik destijds tot mijn spijt nog niets. Ik voelde alleen maar vaag: Dus is het toch waar, dat hij den vorigen nacht achter mijn huis een zwarten panter heeft gezien, en het gebruik, alle kippen en honden op te sluiten, zoodra het donker wordt, is dus blijkbaar niet zoo belachelijk als het mij tot nu toe leek.

Maar omgekeerd was het mij, nieuweling, toch ook weer half en half een raadsel, hoe er een tijger of een ander eenigszins groot dier in dezen val kon blijven hangen. Hierin zou een panter eerder woest worden en mijn heele huisje mitsgaders het heele stangengedoe omverrennen!

Dus ging ik dien avond meer verontrust dan gerustgesteld slapen. Mijn eenige troost, dien ik tot mijn beschikking had, bestond uit de jaren geleden gemaakte waarneming: Nachtwakers kent men nooit heelemaal!

Doch het werd inmiddels ochtend, zonder dat mij het verwachte groote gemiauw en geblaas had gewekt en na dien nacht nog zoowat een keer of veertien.

Pas toen ik me over de voorzichtigheidsgrap van Hoeng Song begon vroolijk te maken klakte op een keer plots midden in den stikduisteren nacht, nauwelijks een paar meter achter mijn hoofd, het vreeselijke ding dicht.

Ik sprong op als iemand die gegeeseld wordt en rende naar buiten, waar Hoeng Song al met een knuppel in zijn vuist rondsprong om den--Chinees, die aan verlangen naar mijn zilveren tabaksdoos leed----snel te bevrijden.

OP EEN AVOND,

toen ik in de beek achter het dorpje baadde------wie kwam daar toen plotseling aantrippelen?----

De vrouw van den nachtwaker----!

Op klaaglijke jammertonen krijschte ze om haar man, die ergens in het oerwoud was.----

Dat klonk zoo 's avonds in den schemerenden jungle net zooals wanneer men in de bergen zoekt naar iemand die verdwaald is en dien men misschien zelfs wel dood zou kunnen vinden.

Doch Hoeng Song kwam weldra welbehouden terug met een bos geneeskrachtige wortelen.

Vreemd, ook wanneer ik alleen het oerwoud in ga, is het heele dorp bang voor een ongeluk. Maar wanneer weerlooze marktvrouwen en onbeschermde kinderen een verren tocht dikwijls even voor het vallen van den avond aanvaarden, dan is dat iets vanzelfsprekends.

Alsof het van deze sierlijke schepseltjes minder jammer is, dan van Hoeng Song, den nachtwaker, of van mij.

HET BAD

Gisteren------heeft Li Tiang, mijn Chineesche meesterknecht, mij een zekere plek om te baden zeer, zeer warm aanbevolen:

"Veel water, niet ver weg en goed achter de boomen!" herhaalde hij telkens opnieuw.

Kunt gij raden, waarom----------? --------ik geloof, omdat daar, waar ik gewoonlijk baad,----zijn vrouw mij zien kan (als zij zich een beetje moeite geeft).

Is dat niet slecht van hem, haar van dit pretje te berooven? Moet niet het "een-blanke-zien-baden" de schoonste droom dier bruine vrouwen zijn! Zal zij ooit in haar leven iets lichters vinden------?!

Vandaag------heb ik haar zien baden!

Li Tiang's jonge vrouw is prachtig! Tusschen vier en vijf uur 's middags. Twee-derde van het edelste China, één-derde Siameesch bruin. De zon drong juist met schuine stralen door het loover en scheen tot op den bodem van den stillen vijver. Ze is waarschijnlijk nog geen zeventien jaar. Door het glas-heldere water zag ik alle de fijnste bizonderheden.----

Morgen wil ik, moet ik------weer op mijn oude plekje baden!

TIN-SPOELSTERS

Ik heb een gezelligen middag gehad------hurkend bij de tin-spoelsters in de beek en half omdat ik moest, half omdat ik ze wilde beluisteren, hielp ik flink mee. Wie dit "goudwasschen" niet van jongs af aan als handwerk heeft beoefend, kan vermoeide knieën krijgen en de zon brandt hem heet in den rug.

Al deze vrouwen hier waren zoo goed als naakt, hadden heur rok-doek tot op "mannen-zwembroekjes-uiterste-grens" geheschen en draaiden de vlakke houten borden met vlijtige handen.----

Telkens wanneer het zand in mijn eigen waschkom verdween en het tinerts als een zwaar hoopje zuiver achterbleef, schonk ik deze kostbaarheid met een paar vriendelijke woorden aan de eerste de beste die naast mij zat. Als antwoord sloeg ik dan meestal een blik te meer in deze eenvoudige menschen.

Zelf als uitgewasschen, blootgelegd en al het bijkomstige weg, zaten ze om mij heen als zich van de werkelijkheid losgezaagd hebbende levens. Vijf of zes. Rimpelige oudjes, met plooien in den buik, sporen van zwaren arbeid op den rug, soms een halven teen missend, een heel leven achter zich hebbend, grootmoeder------overgrootmoeder misschien.----

Ze spraken enkel over het re tiboek (het tinerts), over het gebrek aan water, over de hitte, alles beschouwd in het licht van den satang, het Siameesche geld.

Eén enkele was er onder die niet meepraatte------en haar heb ik het meeste geschonken, hoewel ze als antwoord enkel maar lachte.------Deze was nog geen moeder.----

VERDORDE ZIELEN

Van Tarsala op weg naar Hoey Yot, ontmoette ik bij een bocht van den weg plotseling drie vrouwen.

"Mai mi p'ha!--Ik heb mijn borstdoek niet om!" verontschuldigde zich tot mijn groote verwondering een der drie, druk krijschend, half lachend, half beschaamd, verrast.

Ze kwamen er aan, zooals marktvrouwen loopen, alleen die eene op dat oogenblik niet. Het bizondere was: Zij strekte op dat moment nog bovendien juist haar beide armen omhoog, om de mand op haar hoofd vast te grijpen.

Misschien verbeelding, maar zij leek mij zóó werkelijk nog iets naakter dan de anderen.----

Om haar te troosten, riep ik haar daarom toe: "Mai pen a'rai!--'t Hindert niets!" en dacht (in stilte en alleen voor mijzelf): Hoewel jij het eigenlijk bitter noodig zoudt hebben!--

KLEEREN

Het gebeurt hier ook wel eens, dat je tot je vriend zegt: "Zeg, kijk eens, wie is die mooie vrouw daar------?!"

En de vriend antwoordt dan, geblaseerd: "Och, dat is immers Meh Dehng (juffrouw Meier), maar ze heeft alleen--een schoonen doek aan vandaag.----

TOONEEL

Vandaag heeft er weer eens een geprobeerd mij over mijn hondje heen in vriendschap te naderen. (Dat is ook hier een voor de hand liggende weg, dien al velen hebben ingeslagen.) "Hond-wijfje!" zei ze en wees op "Hoedli."

Omdat er echter mos en ander vlekkige dingen op haar borst groeiden en ze ook verder heelemaal niet bezienswaardig was, antwoordde ik enkel kort:

"Hond-wijfje goed!------Mensch-wijfje niet zoo goed----!" waarna ze------heenging.

Zoo ontbreekt het ons hier in de wildernis ook niet aan blijspelen en kluchten die het harde werkleven verzachten. Dikwijls zijn het weliswaar maar simpele natuur-eenacters, maar ze weten toch meestal heel goed het "zielespel-zijn-willende-tooneel-in-de-stad" te vervangen.

EENVOUDIGE WERELDEN

In een driemaal te wijde Chineesche zijden broek zit ik voor mijn hut.----

Een grootmoeder kruipt op handen en voeten eerbiedig om mij heen------zoekt versch betelnootkauwsel.----

Haar kleinzoon speelt op een grashalmfluit een mager wijsje: "ti-toe-ti--ti-toe-ti--telkens weer ti-toe-ti------."

Anders niets----------------! ----dan laat hij mij zien, dat je op deze fluit ook door een--neusgat kunt blazen----!

TSJE ARIS

Toen ik alweer bijna een jaar in Europa terug was, kreeg ik het volgende briefje van Aris in het Maleisch, maar met Latijnsche letters geschreven, zoodat ik het zelf, hoewel met wat moeite, lezen kon:

Op Siameeschen bodem den .... November 19....

Goeden dag, o Heer, en wees gegroet door uw trouwen dienaar Aris.

Heer,

Zoojuist, toen uw brief in het land Siam aankwam, regende het wat minder dan eerst, maar de prijs van de ongepelde rijst is toch wat lager dan vroeger, omdat de Groote Koning van Siam niet meer veroorlooft, dat de rijst van het land Siam naar andere landen uitgevoerd wordt, en ik, uw dienaar, o heer, heb dit jaar den tijd gebruikt om mijn rijstvelden in orde te maken, en ik heb wee span ossen gekocht en een nieuw huis gekocht, en daar ik, uw dienaar, hoop, dat gij, heer, op Siameeschen grond terugkomt, ben ik niet in iemands dienst getreden.

Niet waar, heer, gij zult zeker terugkomen, en ik heb er op gewacht, want gij zijt goed, heer, en ik herinner mij en vereer steeds de wijsheid van mijn heer, die reeds vleesch en bloed wordt in uw dienaar.

Een andere blanke heeft mij, uw dienaar, reeds geroepen en bevolen, hem uw geheimen en vondsten in het oerwoud te verraden. Hij zal mij hetzelfde loon geven als gij, maar ik wil het niet, want ik wacht tot gij, o heer, terugkomt, en wijl uw hulp tegenover mij, uw dienaar, zoo goed was, en ik u dit nooit kan vergelden, hoop ik, dat Allah, God de Heer, u geluk zal geven, dat groot is, gelijk hij het mij gaf van toen ik nog geen vrouw had tot nu, dat ik een vrouw bezit en rijstvelden en een eigen huis,

en misschien drie of vier maanden na dezen brief zal ik een zoon hebben.

Vaarwel en wees gegroet door

Uw dienaar Aris.

NOE KIANG

TOEAN, MAKAN! ETEN, HEER!

Wonderlijk natuurlijke vrouwen zijn er onder deze bruine menschen. Zij zijn als levend geworden droomgestalten met het ovale gezichtje in het kort geknipte haar. En die zachte, zachte armen.----

Zij neemt eieren uit een kistje en legt ze in een draagmand.--

"Toean, makan!"--

"Ja!"

Die ronde, bruine schouders------!

In Nai Sih's winkel zit ik tusschen knapen en oude lieden, en voor de deur, maar drie pas ver, neemt Noe Kiang eieren uit een kistje en legt ze in een draagmand.

Het eene ei na het andere. Hoe "veel tijd over hebbend," statig en gracieus, hoe rhythmisch--in volmaakte schoonheid. Of ze het vermoedt, dat ik haar arm bijna opeet------?

"Toean, makan!"

"Ja, ja Holloeki, wacht even------er zijn nog minstens------honderd eieren in het kistje----!"

DE MAAN KOMT OP.

Op de maan wachtend zit ik voor mijn bamboehuisje. Weer is een heete, klare dag voorbij.

Het kleine dorpje, geheel in de tuinen liggend, schijnt te slapen. In den flakkerenden schijn van smeulende vuren drukken de huisjes zich in den grond. De nacht steunt er zwaar bovenop. Warrige hoopen van kokos- en betelpalmen staan zwart voor den sterrenhemel.

De palmen over het dorpje zijn het zinnebeeld van al de menschenlevens daarin, sierlijk gegroeide gelukkige naast kromme. Deze, door den wind ontredderd, draagt een woest gorgonenhoofd, en gene is, niettegenstaande de stormen die over hem heen gingen, in de kalme hoogten van een rustigen ouden dag gegroeid. Een bizonder slanke werd door het lot vroegtijdig het hoofd afgerukt. Arme schoone!

Ik wacht heel rustig, in den aanblik van den avond verzonken. Glimwormpjes fonkelen in de warme lucht hier en daar op, sprongsgewijze, gelijk mooie gedachten in middagdroomen opduiken. Een vleermuis fladdert hoekig rond. Hoek, hoek roept een dier in de verte en aarzelend wordt 't lichter.----

Daar ijlt uit het slanke bamboe een donkere gestalte op mij toe, en in zilveren glans stijgt de maan boven de palmen uit.

"Noe Kiang------------?!"

"--------------------Toean!"

NOE KIANG

De eerste maal, dat ik Noe Kiang zag, wandelde ze juist op haar grootmoeder heen en weer--werkelijk.

Het oudje lag uitgestrekt in Nai Sih's huis en Noe Kiang wandelde met bloote voeten, zich met de handen aan den wand in evenwicht houdend, van de teenen af langzaam en met volharding, stap voor stap de magere beenen van de grootmoeder op, trad haar met voorzichtige zorgvuldigheid op de maag, op de verwelkte borsten, en stapte omhoog naar den hals.--Toen ik mij, ten zeerste verwonderd over het doen van het mooie meisje, naar de beteekenis van de seance informeerde, luidde het antwoord: Grootmoeder kwam vandaag van diep uit het oerwoud. Ze heeft veel geloopen en heeft spierpijn. Noe Kiang masseert haar met haar voeten. Noe Kiang is de liefste meisjesnaam, die ik in Siam tegenkwam. Noe beteekent: "Muis." Kiang beteekent: "Langs den wand sluipen."

MELAJOE!

Wat hier het mooiste is?

Het woud met zijn orchideeën en varenplantwonderen?

Of deze bruine jongens met hun stralende oogen, als zij met zijïge poezen in de zon spelen, naakt, zoodat hun zilveren voet- en armspangen glinsteren en glanzen----?

De door den storm gebogen kokospalmen aan het strand van de zee?

Het kostelijkste is, als Noe Kiang "ja" zegt.

Dit Maleische "Ja!" Deze eenige klank, die aan de taal van het vaderland herinnert. Dat witte woordje in den mond eener bruine vrouw. En hoe ze het uitspreekt! Hoeveel open trouwhartigheid, welk een wereld van gevoel weet Noe Kiang erin te leggen, zoodat ik het elken keer weer opmerk, mij opnieuw verbazen moet, dat aldoor weer nieuwe verwachtingen in mij ontwaken, hoewel in den diepsten grond van mijn hart een zachte stem probeert te klagen: bij bruine vrouwen moet je niet het laatste willen zoeken--!

KERSTMIS IN DEN JUNGLE

Noek! Noek! vandaag vieren wij blanken een feest! Wil je mij helpen den heelen dag lang rond te luieren en heelemaal niet te werken--?

"Toean!"--

"Noe Kiang, wat glanzen je witte tandjes lief!"

"O, Toean!"--

"------als sneeuw------!"

GESPREK

"Noe Kiang------!"--

"Toean------! Wat zeg je, toean------?"

"Men zegt, dat Noe Kiang naar Kedah wil gaan------om te------trouwen------!"--

"Ja, toean, dat is waar!"--

PAUZE

"Toean----Wil jij je niet voorgoed in het land Siam vestigen----? Wil je hier geen vrouw nemen----? Zou je geen zoon willen--? Toean----! wil je of wil je niet------?"--

"Ik kan niet willen----Noe Kiang------ik moet------naar Europa terug!"--

PAUZE

"Noe Kiang, wanneer wil je naar Kedah gaan?"--

"Ik wil heelemaal niet naar Kedah!"--

PAUZE.

"Toean, als je naar Europa terug wilt gaan, dan wil ik naar Kedah. Als je niet naar Europa terug gaat------dan gaat Noe Kiang niet naar Kedah----! Toean, wil je of wil je niet----?"--

PAUZE

"O, Noe Kiang------de toean kan niet willen, ik moet------terugkeeren naar mijn vaderland------"--

UIT DE VERTE

toen ik mij vandaag nog wat in de lauwe avondlucht wilde verkwikken, kwam ik Ah Tsaoe tegen, mijn vroegeren voorarbeider, dien ik in langen tijd niet gezien had----

"Tsjeng Noei zendt den toean haar groeten--!"

"Tsjeng Noei--ik kan mij dien naam niet herinneren------!"--

"Tsjeng Noei------zoo heet Noe Kiang nu! Zij is kort geleden naar Kedah verhuisd als de vrouw van een rijken Chinees. Ik heb haar in Hohkien-Chineesche kleederdracht, met gouden pijlen in het haar gezien, en ze hoopt spoedig moeder van een Chineesje te worden----!"

DE NACHT BIJ PRIESTER NIANG

De zon was in stralenden gloed achter de oerwouden verzonken, en de avond begon de wijde wildernis met zijn blauwe schaduwen te omvangen, toen wij de woning van een zonderlingen heilige bereikten.

Aris kende Priester Niang nog van vroeger. Het was mij 's ochtends al opgevallen, dat mijn Maleier giechelend bij een paar Chineezen naar ons nachtkwartier geïnformeerd had en ik wist, Aris' gezicht langzamerhand tot in het laatste vouwtje kennend, dat er iets merkwaardigs ging gebeuren.

Wederom waren we sinds weken onderweg, trokken van het eene dorpje naar het andere, van de eene Siameesche hut naar de volgende en zwierven door het land gelijk vagebonden.

Nu was ik blij verrast, een goed getimmerd huis te vinden, dat er proper uitzag en vriendelijk en gastvrij midden in een vruchtentuin lag.

Niang, de priester, was een man met een hooge Noord-Indische gestalte, met een ronden kaal geschoren schedel, waaruit een paar verstandige oogen keken, die aanhoudend schenen te willen zeggen: Denk er aan, wij zijn uit een andere wereld!

Onder het huis lag een kwade zwarte hond aan den ketting en twee vrouwen vlochten daar een mat. De eene, dacht ik, is waarschijnlijk Niang's zuster, de andere ook een familielid.

"Aris, deze priester heeft het goed, de vrouwen zorgen voor hem en hij kan zich schitterend aan zijn hoog beroep, het "niet-anders-doen-dan-denken," wijden."

Doch Aris lachte terug: "Veel erger, dit zijn allebei werkelijk Niang's vrouwen! 's Ochtends drijft hij de buffels in het veld, 's avonds haalt hij ze terug, anders doet hij niets, en zijn loon zijn deze twee stille, werkzame vrouwen met heur hertenoogen."

Ik trok mij vroeg in mijn klamboe terug, die Holloeki binnen in het huis had opgehangen. Ik hield er van, daar 's avonds in te liggen. Zooals alle sluiers, had ook deze de goede eigenschap, dat men, zelf bijna ongezien, de dingen er buiten des te rustiger kon bekijken. En tot zonderlinge beschouwingen noodigde het muskietennet mij altijd uit, zoolang ik in Siam reisde. Op dien avond hield mij de priester bezig, die tegen de voorschriften van zijn godsdienst scheen te leven.

Een onrustige nieuwsgierigheid plaagde mij: Waar zal hij slapen? Zijn dit werkelijk zijn vrouwen? Waarom hebben de Chineezen vanmorgen gelachen, toen Aris met hen sprak?

En ik kon het gevoel niet van mij afzetten, dat daar iets zeer gewichtigs aan het gebeuren was, dat deze magere bruine met zijn valen schedel en de als naar binnen toe levende oogen een ontwakende god moest zijn, die, de zede-voorschriften der oude religie wegwerpend, zijn eigen wijze had gevonden om zalig te worden. En in het schemerlicht werd de houten hut voor mij tot den, een nieuwen geest gewijden en van de diepste ontroeringen die het menschdom kent, doorbeefden tempel.--

Daarna vergat ik weer alles wat mij door den geest gegaan was; in tijden van zwerftochten worden mijn gedachten ongehoorzaam en dwalend en hebben moeite om in den eenmaal gevormden kring te blijven.

later hield mij een eentonig-prevelend gerucht wakker, Niang bad nu met zijn vrouwen bij den flakkerenden schijn van een gebrekkig kokosolievlammetje.

Naderhand ging de eene na de andere, schuw en gebukt langs mij heen sluipend, in de kamer vlak naast mijn bed en na een poosje waarin niets gebeurde en het mij was alsof de tijd stil stond, blies de priester het licht uit en trok zich ook in het vertrek----bij de vrouwen terug.----

Weer omgaf mij heel de tooverwereld van een tropischen nacht in een huis in de wildernis. Klein gedierte liet zijn jachtkreet weerklinken, het zoemde rondom mij, terwijl ik lang half te waken en half te droomen lag, vergeefs wachtend op gezonden slaap. Zwaar en dik broeide de lucht in het kleine vertrek, bijna om ziek te worden. Door het kleine getraliede venstertje drong een afglans van buiten naar binnen, waar nu in het volle licht der maan de wereld prachtig lag uitgespreid.

Mij plaagden duizend vlugge gedachten en koortsachtig voelde ik mij in de hand van het leven; het kookte angstig in mijn bloed: de vraag naar het doel en de reden van het bestaan, en morgen zou de dag weer heet zijn, en deze gelukkige bruine daar in de kamer, en------.

"Zeg, Aris!" riep ik opeens naar de veranda, "de goeie God is onrechtvaardig! Waarvoor is dàt nu weer goed: dien kerel geeft hij twee vrouwen en hij is nog wel een Boeddhistisch priester en heeft op geen enkele het recht; en ik, blanke, die toch stellig een veel beter mensch ben, mag toekijken!"

Aris troostte mij door den wand terug:

"Ja, toean; 't is werkelijk krankzinnig!" en na een poosje ging hij voort: "Zoo zijn de Siameezen! Er zijn er wel die tien en meer vrouwen bezitten----!"

Bij deze op minachtenden toon geuite woorden hoorde ik hem nog lang in de duisternis rondspoken, en het was mij alsof ik nu in het licht der maan op zijn gezicht de plechtig-godvruchtige overtuiging las, toen hij voortpredikte:

"Toean, dan zijn wij Maleiers toch betere menschen. Onze Allah, onze Mohammedaansche godsdienst, de Islam veroorlooft ons niet meer dan------vier vrouwen te hebben------niet meer dan vier------!"

Na een poosje, waarin ik ernstig over de wijsheid van den godsdienst, die in mijn vaderland gebruikelijk is, had nagedacht, riep ik Aris weer toe:

"Onze blanke Allah is toch ook niet kwaad. Hij zegt in de Heilige Schrift: Zoo iemand twee van iets heeft, twee stuks, twee exemplaren----dan moet hij daarvan een afstaan aan dengene die niets heeft----!"

Aris begreep het dadelijk:

"Toean, jullie God is volkomen!"

De nacht lag in het venstertje als een melkvlek, zooals het lichte oog van een betere toekomst door de zwartheid der ellende straalt. Rusteloos woelde ik onder mijn net. Dwang hield mij destijds vast, zware arbeid onder de zon, karig brood.----

Soms liet een der mannen buiten een steunend geluid hooren. Aris praatte vreemdsoortig in zijn slaap, als uit een vreemde wereld sprekend, als een dier dat van de maan droomt.

Eindelijk, lang na middernacht, kwam de slaap over mij, weldadig en verrustigend, en de wederwaardigheden van mijn leven verdwenen, gleden uit mijn denkvermogen weg, zacht en stil, zonder dat ik wist waarheen.----

"Vier vrouwen, niet meer dan vier," wervelde het nog door mijn brein, heel vaag maar, zonder dat ik in staat was iets duidelijks te denken; ik voelde mij opgeheven, als zwevend, als vliegend in de zon.----

En toen begon zich voor mijn oogen, als uit een nevelmuur zich losmakend en langzaam en onmerkbaar nader tredend en al duidelijker gestalte aannemend, een vreemdsoortig beeld te verheffen, en de nevel nam vorm aan, een dicht heen-en-weer-gegolf van witte wollige veeren van den heiligen reiger ontstond eruit, en midden uit deze weeke donzige omlijsting glimlachte mij een gezicht toe: Net een leuke grootvader. Een gezellige oude heer. Witte rijp van levenservaring boven zijn voorhoofd, een, die meesmuilend zeggen kan (maar dit nooit werkelijk doet): ik heb het leven overwonnen, het heeft mij nooit heelemaal verslagen------de wereld is toch goed!

"God------!?!" voelde ik vaag.