In het rijk van Siameezen en Maleiers
Part 14
Isap rokok, tembakau tjina, Asap-njah k'loear seperti boenga. Ajoha adik abang bertanja: Djin-djin di sjari siapa jang poenja?
(Sigaren en Chineesche tabak! Als bloemen kronkelt zich de rook! Ajohah! vraagt de jongste den oudsten broeder: Van wie heb jij een ringetje aan je vinger?)
Berapa tinggi poetjoek pisang? Tinggi lagi asap api! Berapa tinggi goenoeng Ledang? Tinggi lagi harap hati!
(Hoe hoog is de bananenloot? Hooger dan de rook van het vuur! Hoe hoog is de berg "Ledang"? Hooger dan de hoop in het hart!)
AH TSJAN
Heel, heel in het begin van mijn Oostersche levensperiode, toen ik voor den eersten keer zoo bediend en verzorgd en verwend werd, na het eten alleen maar even om mijn tabakspijp hoefde te roepen, 's ochtends vroeg bij het wakker worden de koffie als vanzelf bij mij aan mijn bed kwam, en bijna elk oogenblik een dier zwijgende bedienden wachtend op een wenk van mij tegen den muur stond------destijds dacht ik kort en bondig: "Deze kokkies en boys zijn buitengewoon!" De vriendelijkheid, waarmee ze hun meesters bedienden, de blijheid--heel hun doen en het toch volkomen ontbreken van elke slaafschheid of kruiperigheid deed mij goed.
Zonder dat ik ooit te voren in mijn leven gelegenheid had gehad ook maar de kleinste rol als meester en meerdere in te studeeren, noch ooit den geringsten aanleg tot heerschen in mij had bespeurd, werd ik plotseling op de handen gedragen als was ik een koning. Het is maar één keer gebeurd dat een van deze in het wit gekleede, stille bedienden-scharen achter mijn rug een half-onderdrukt jongensachtig lachje wegslikte. Het was in een der eerste hotels van het heele Oosten. Maar ik kon het me best verklaren------daar hoorde ik niet thuis!
Nooit anders is buiten mijn wil mijn waardigheid als toean, welke te bewaren mij in het algemeen moeilijker valt dan duizenden anderen heeren om haar ook maar voor één oogenblikje te vergeten, verongelukt. De bescheiden Chineesche logica, volgens welke een toean eenvoudig een toean is en daarmee basta!--kwam mij altijd van pas. Ik geloof, dat Chineesche boys vaak zoo goed voor hun meesters zorgen, omdat elk van hen graag den keurigsten en den mooisten toean wil hebben, om zich in zijn afglans te koesteren.
In die tijden van het allereerste begin was Holloeki nog niet bij mij, maar een andere Chinees had de eer mij te voederen en te verzorgen.
"Ah Tsjan, Hongkong- en Kantonman"----aldus staat zijn naam onder de kiek, die ik als herinnering aan hem nog steeds bewaar.
Als ik tevreden over hem was, noemde ik hem Ah Tsjannetje, maar meestal minder vriendelijk en bijna ruw Ah Tsjan(ae). Dit "ae" had zijn eigen beteekenis.
Ah Tsjan was een zeer bereisd jongmensch, geheel en al in den zin der opgaande zon van zijn land, en kon niet alleen beter koken dan ik, maar zoowat alles. Eens had het leven hem als scheepsjongen heel in Hamburg doen belanden; hij had ook in Bangkok bij Duitschers gediend en daardoor sprak hij een komiek, allerdwaast Engelsch, dat niet is weer te geven. Bovendien probeerde hij met een vreemdsoortig accent aan elk woordje dat er maar even voor in aanmerking kwam een "ae" te hangen. Inplaats "I like" zei hij "I like(ae)" en zoo voort. En zooals de meeste Chineesche tongen struikelde ook de zijne over de moeilijke Westersche "r".
Bovendien was Ah Tsjan(ae) een echte grillig-hartstochtelijke Chinees en paste daarom goed bij mij. Zijn opgewekte geestige beweeglijkheid stelde mij schadeloos voor de betrouwbaarheid en orde en al die andere goede eigenschappen, die een boy moet bezitten------ik haat knechtenzielen.
Af en toe, meestal geheel onverwacht, stroomde hij over van vertrouwelijkheid, hurkte naast mij neer en begon familieverhalen en dingen uit zijn leven te vertellen. Hij, de jonge, onooglijke Chinees had al meer achter den rug, dan menige groote, trotsche, prachtige Europeaan.
Op een keer ruimde hij in mijn bijzijn zijn Japansche reismand op. Wat daar toen niet te voorschijn kwam! (Naast een paar potloodstompjes en andere kleinigheden van mij, die hij in de haast vergeten had.) Een heele Chineesche reisrommeltentoonstelling!
"All this I like(ae) ve(l)y much three hundred dollar!" verklaarde hij. "I have(ae) got(ae) mamma in Bangkok. She plenty rich. My father San Francisco, my blappa [5] carpenter!--And this here belongs my wife, she Kanton, same country I; she no good." En hij pakte een portret uit! "Met groet en kus, je Julius"--ansichtkaart in het Chineesch. Een pikzwarte opgedirkte, wit-gepoederde dame met lak-roode lippen. Ik kon nog net even gauw zeggen: "I congratulate you!" en verdwijnen----------
Het volgende is een knipsel uit een briefje, dat Ah Tsjan aan zijn "Mamma" schreef. Hieruit valt de verklaring niet moeilijk af te leiden, waarom Ah Tsjan altijd een gezicht vertoonde dat straalde van tevredenheid.
"------Master plenty good. I make(ae) plenty money, and eat(ae) his rice all the same. He never make(ae) I write(ae) how much, when go market. Master only give(ae) money, I buy.
He eat(ae) plenty eggs, ten pieci one day, and like(ae) ve(l)y much carony. [6]
Master funny man. Sometime(ae) night he speak(ae): Ah Tsjan(ae), make(ae) light!----and he take(ae) paper and write(ae) plenty and then start(ae) laugh(ae).
He never bad with me, but when sun hot and sick little he no more speak(ae).
He belongs Swiss.
He no drink(ae).
He go plenty jungle. He speak(ae), like(ae). Sometime(ae) he ask(ae) me: Ah Tsjan(ae) do you like(ae) jungle?----Then I speak(ae): No, no! I like(ae) much more better nice house, I like(ae) Bangkok. Bangkok ve(l)y, ve(l)y ve(l)y nice! But master only laugh(ae): Ah Tsjan(ae), Bangkok no good, all big town no good, plenty bad people! Master like(ae) "orang-oetan"-people in jungle ve(l)y much. Sometime(ae) he go dirty siamese hut and speak(ae) black men. But he never take(ae) woman. But he like siamese girl, yes, I know, I------have(ae) seen. Why he not take(ae) sleep nice girl? I think(ae), he mad a little--
Eens sloot Ah Tsjan vriendschap in een Chineesch dorpshotel, waar wij den nacht doorbrachten. In de kamer naast de onze sliep een Chineesch gezelschap van een man of zeven, acht, bestaande uit een dikke oude moeder, waarschijnlijk den erbij behoorenden vader, twee, drie jonge mannen en een paar bekoorlijke dochters (met geoliede kapsels), die Ah Tsjan in de oogen staken.
Den volgenden ochtend, toen ik op het station van R. op den trein wachtte, kwam Ah Tsjan plotseling met een doodernstig gezicht op mij toe en zei klaaglijk-bedelend tegen mij: "Master, this woman"--hij bedoelde die oude Chineesche moeder met haar grijze haren en haar rijstbuik--"beg(ae), you give(ae) her little money. She not can take(ae) one ticket. She speake(ae)," ging hij voort, "will give(ae) you something" en de oude vrouw, die intusschen op haar halve voeten was komen aantrippelen, begon inderdaad al aan een van haar prachtige ringen te draaien.
Maar daar ik destijds nog nieuw was in dit vreemde land en mijn chef vlak naast mij stond, meende ik deze heele geschiedenis met een streng gezicht te moeten negeeren.
Eens philosofeerde ik met Ah Tsjan over zielsverhuizing.
Het was toen de griep in Siam heerschte (de Chineezen stierven als vliegen in den laten herfst). Toen vroeg ik:
"Ah Tsjan, do you like(ae) die?"
Waarop hij ontsteld antwoordde:
"Master, how can! Anybody man no like(ae) die!"
"Die, no matter," ging ik voort, "lateron dead man return dog, buffalo, cattle."
Ah Tsjan (glimlachend): "Yes sometime(ae) dead man come(ae) back beast."
Pauze.
Ah Tsjan, in Bangkok zijn tweeduizend menschen aan de griep gestorven. Nu zullen daaruit tweeduizend honden ontstaan of buffels, niet waar?
No, no Master!
Jawel, zeker!
No master, look see, Europe now big fighting. Sometime(ae) die 50.000 pieci men. But not come(ae) back 50.000 cattle--Europe plenty hungry!
Een Chineesche boy kan oneindig vriendelijk worden en voorkomend, wanneer hij door een brandend verlangen wordt gekweld, 's meesters toestemming noodig heeft om zijn verlangen te stillen.
Zonder zijn bedoeling ook maar eenigszins onder stoelen of banken te steken, kwam Ah Tsjan soms op het gekste tijdstip en gekleed om door een ringetje te halen bij mij praten, mij wat vertellen, iets interessants, dat zijn meester aan het lachen moest maken of op een andere manier aangenaam zou aandoen, en zoodra hij de uitwerking zijner woorden van mijn gezicht kon aflezen, knoopte hij er zijn verzoek aan vast (dat meestal op permissie om uit te mogen gaan uitdraaide), net zooals wij als jongens aan een goed rapport een wensch vastknoopten.
"Have(ae) got(ae) friend, knife not can go inside----" "ik heb een onverwondbare vriend," wilde hij daarmee zeggen.
"Zou je hem vanavond willen opzoeken?" vroeg ik hem spottend terug.
Een leuke vriendelijkheid (en aardige toespeling op mijn magerheid) was: "Master, you and I all the same--not have(ae) got(ae) much beef------!"
Of plotseling en schijnbaar zonder eenigen grond trad hij op mij toe en sprak: "Bangkok-women belong cut(ae) hair, all dress like men, can only know here a little (op zijn jongensborst wijzend) boy or girl."
Ik kwam al heel gauw tot de ontdekking, dat hij 's nachts vaak uit was. 's Avonds, zoo na het "afdrogen", verdween hij gewoonlijk, en ik geloof, dat als ik niet zoo'n vasten slaap gehad had, ik hem pas zoowat tegen het aanbreken van den dag had kunnen hooren binnensluipen. Maar, om alle verstandige menschen de handen van ontzetting ineen te doen slaan--ik moet bekennen, dat ik soms mijn menschen liever liet begaan, dan voor paedagoog te spelen. Hoe vaak was ik zelf niet liever ergens anders gaan slapen,--voor mijn part op de maan,--dan op zoo'n eenzame bamboeschraag in een gebrekkige kongsi te kruipen.
Er ging een gerucht rond, dat Ah Tsjan plenty opium rookte. Hij, zoo goed als elke andere Chinees, was daartoe ook wel in staat. Maar of Ah Tsjan waarlijk zoo dom was, vroeg ik mij af en hier in Siam een opiumroes noodig had. Hij, met de zilverblanke tinnen knoopen aan zijn buis en de khaki-kniebroek; Ah Tsjan, die altijd zoo keurig was; Ah Tsjan, met zijn zoo voornaam klinkende en bijna toovermacht bezittende wijze van spreken in echt grootsteedsch, Bangkoksch dialect------.
Hoewel, toen ik hem er eens mee plaagde, verklaarde hij mij plechtig: "No, I no like(ae) woman" en toen ik het eerst niet goed wilde gelooven, ging hij voort: "Yes master, I no more like(ae) woman--have(ae) had before plenty fifty pieci!"--
En een anderen keer, toen ik mij vroolijk maakte over zijn deugdzaamheid en hem vroeg: "Ah Tsjan(ae), no like(ae) gamblac, [7] no like(ae) woman, no like(ae) opium--Ah Tsjan(ae), what do you like(ae)?"----toen antwoordde hij trouwhartig en zoo vrijuit, dat ik het bijna moest gelooven: "Like(ae) house, where people plenty tell story----!"
Zooals in alle mooie, buiten de wet vallende menschelijke levensverhoudingen----en zoo was immers de verhouding tusschen mij en mijn boy--vielen er om een haverklap conflicten met Ah Tsjan voor. Zijn invallen gingen tot in het ongelooflijke over, zijn eens zoo grappige gezegden werden mij onverdraaglijk, en opeens moest Ah Tsjan plaats maken voor Holloeki.
Holloeki heeft minder scherts verstaan en was in buitengewone omstandigheden minder slagvaardig, maar hij heeft mij trouwer en langer gediend dan Ah Tsjan. Hij was zoo precies en nauwkeurig als een jaar-in, jaar-uit de uren afbellende schoolklok, en ik moest hem menigmaal bewonderen, wanneer hij zelfs onder de lastigste omstandigheden op reis nooit hulpeloos tegenover een mijner wenschen stond en nooit wanhoopte onder het moeizaamst gezwoeg in het oerwoud.
Maar als ik nu zoo in de stilte over deze tijden zit te peinzen, dan lijkt het me toch bijna, alsof Ah Tsjannetje in zijn drie maanden meer voor mij heeft beteekend dan Holloeki, de modeljongen, in al zijn zeventien.
BIJ PET DEN DORPSKONING
I.
Pet is koning.
Zijn huis staat minder scheef dan al de andere in het dorp en is het gebruikelijke pied-à-terre voor de reizigers.
Ik heb er drie nachten gewoond.
In de bruine pracht van een strak-spannenden buik weerspiegelt zich Pet's majesteit. Wie met hem spreekt, kruipt vrijwillig, en ik heb nooit kunnen vergeten------Pet verstaat de kunst om twee vrouwen in eendracht naast elkander te----voeden.------------
Pet's huis heeft een ruime benedenverdieping, welker eenig meubilair uit het algemeene betelkauw-gerei alsmede de door het gebruik rood geworden kwispedoor bestaat. Behalve dit bevinden zich daar in twee schuinloopende hoeken nog twee britjes, net tingeltangeltooneeltjes in een zevenderangsch werkliedenkroeg----
En voor mij zijn dat werkelijke, echte tooneelen zooals in een schouwburg, links in een hoek, rechts in een hoek----
Dat zijn de plekjes, waar Pet's vrouwen den dag door-kauwen.
Ieder à drie tot vier kinderen.
Juist nu, terwijl ik daar zoo op mijn pakje beddegoed neerzit, kruipt de eene op handen en voeten den harden leemen grond opdweilend rond, zoodat ik onwillekeurig moet denken "geit"! en de andere lacht me verleidelijk toe--!
Maar Pet, die dubbel rijke----arme, werpt een langen blik naar mijn whiskeyflesch.----
II.
Iederen keer, wanneer Pet's "vrouw-nummero-twee" zoo vriendelijk is,--vriendelijk, zonder het zelf te vermoeden--haar borstdoek weg te leggen, of (eigenlijk nog beter!), na het vooraf luchtig te hebben uitgeklopt hem opnieuw om te doen------moet ik aan mijn bleeke vaderland denken, waar--o, welk een smaad!--de koe het symbool voor melk is.----
III.
Pet's familie gaat zonder scherp afgeteekende grenzen in de dorpsinwoners over.
In zijn huis hangen ineengedrongen jongens rond; jonge mannen, mannen, grootvaders komen een kwartiertje babbelen, gaan weer heen, rooken even gauw wat, brengen boodschappen, halen orders.
Dat kunnen Pet's zoons zijn, vaders, broers, neven, ooms------wanneer Pet afwezig is, zijn zij------plaatsvervangers.----
Onder anderen Loem.
Als vergankelijk vleesch beschouwd, zooals men ook een stuk vee bekijkt, is Loem een prachtexemplaar van een man. Hoe hij aan zijn naam is gekomen, die "gat" beteekent, is een van de vele, nog niet opgeloste Siameesche raadsels.
Loem rookt, en tweemaal op een dag, een keer 's ochtends en een keer 's avonds, maakt hij zich gereed om aan zijn werk te gaan, klautert in een suikerpalm naast het huis om een zorgvuldig in schors gewikkelden knop te----kietelen!
Dat gebeurt zoo, dat hij dezen knop zoowat een kwartier lang heen en weer beweegt, zooals men een houten pin, die men uit den grond wil rukken, al maar heen en weer duwt.
Toen ik Loem vroeg: "Tham a'rai--Wat doe je?" riep hij: "Tham nam tan----Ik maak suiker!"
IV.
Wat, Pien, Sali, Prom, Tsju, Kin enzoovoort zijn koningskinderen.
Eenigen van hen zijn jongens, de anderen meisjes. Ik kan de namen niet goed meer uit elkaar houden. Pien is geheel naakt, en Tsju draagt niets dan een strook van schors om de heupen.
Sali is een schakeering minder donker dan haar broertjes en zusjes.
De heeren der schepping herkent men bovendien daaraan, dat ze zilveren been- en armspangen dragen.
Doch de hoofdpersoon in deze kleine menschenwereld is Wat, een mollig juffertje, met een rond rijstbuikje, van nog geen drie jaar. Ook zij is geheel naakt------alleen haar toekomst is bedekt door een vijgeblaadje, dat sierlijk uit zilver gesneden en met zwarte was prachtig ingelegd is----
Zoo mogelijk moet Wat later koningin worden!
ONG EH
In een ver wouddal aan den Kau-Yai, den grooten berg, heb ik een tijdlang bij Ong Eh, een grijzen Chinees gewoond, aan wien ik niet minder vriendelijk terugdenk dan aan een mijner grootouders. Bejaarde lieden, dunkt mij, zijn menschen in den meest menschelijken vorm; in hen zijn de hartstochten vervaagd, en dikwijls is al het slechte en kwade in het op- en neergaan van hun lange leven bezweken.
Den drie-en-zestigjarigen Ong Eh met het streng-gevormde, gladgeschoren ascetengezicht, de grijze, tot een dunner wordende vlecht gedraaide haren en de verstandig kijkende oogen, vond ik een der sympathiekste onder al de vele Chineezen die ik ontmoette.
Bij de twintig jaar leefde hij destijds al aan den Kau-Yai, had zich met taai volhardende Chineesche vlijt zijn huis en zijn tuintje, dat op den duur tot een tuin werd, verdiend en leidde daar van de karige opbrengst zijner bananen en boonen en suikerriet een eenvoudig leven. Negentien keer was reeds de regentijd met zijn bruisende wateren gekomen, had zijn beetje aarde weggesleept of steenen en slik over het vruchtbare land gedragen----iederen keer verhielp hij de aangebrachte schade, en ieder jaar kwam ook weer de droogte, zoodat hij nauwelijks water genoeg te drinken had en 's ochtends en 's avonds met den gieter zijn tuinbedden moest nagaan.
Ong Eh's doelbewuste arbeid scheen geheel de uiting te zijn van een idealistisch, gelukkig-tevreden leven.
Maar zoo heel beschouwend en idyllisch zijn Chineezen niet aangelegd. Om zoo'n beetje groente zou hij zijn oude dagen toch zeker niet in den vreemde--want dat is Siam immers voor een Chinees--hebben doorgebracht. Neen, hij wist, dat er in den grond onder zijn tuin tinerts lag en hij wachtte er op, dat er iemand kwam om hem zijn land af te koopen. Drieduizend Singapore-dollars, een aardig sommetje, was zijn prijs. En hierin had zijn groote voorliefde voor het tuiniersvak zijn oorsprong gevonden.
Ik woonde gedurende een paar weken in Eh's huis, welks deuren allemaal gewend waren, naar den kant waar de zon opkwam en waarin ik toch nooit het gevoel kwijt raakte, alsof het mèt de zon zou ondergaan. Over een steile trap en door een valluik kwam men op de groote, oneffen zolderkamer, waar men Ong Eh vaak achter drie groote kisten, die zijn schatten verborgen, rookend, lezend, den tijd langs zich heen latend trekken of ook wel slapend kon vinden.
Hij was de oudste man in het dal en als zoodanig tegelijkertijd opperpriester en plaatsingsbureau voor de koelies in de enkele in het oerwoud verspreid liggende mijnen.
Iederen avond boog hij ootmoedig voor zijn goden, onder wier altaar mijn reismatrasje was neergelegd, en offerde hun in deemoed een paar kaarsjes en wierookwolkjes, en hij werd eens zeer ontstemd, toen ik die "dwaze lichtjes" uitblies, omdat ze mij hinderden bij het inslapen. Hij was een maniak. Iederen ochtend werd hij precies op tijd wakker, hing zijn beddegoed op, spuwde eens flink (door een kwastgat in den houten vloer) en ging eindelijk rijst koken. De half gare rijst zette hij in een hoek (altijd precies in denzelfden) en tusschen het koken en het gaar worden in gunde hij zich iederen dag precies driemaal een pijp tabak.
's Ochtends wandelde hij rond in den tuin, somstijds diep in gepeinzen verzonken, doch meestal luid met zichzelf pratend. Van tijd tot tijd zag ik hem aankomen, zijn linker broekspijp ongelooflijk hoog (heelemaal tot boven aan toe) opgerold of het lijfje, dat behalve de broek zijn eenige kleedingstuk was, tot aan zijn harige borst afgeslagen. Wat dit buik-zonnen beteekende heb ik nooit kunnen ontdekken.
Als hij in zijn drie geheimzinnige schatkisten muisde, ritselde en rinkelde het vreemdsoortig. Op een dag liet hij mij, een half dozijn over elkaar heen geknoopte smerige gescheurde lappen openmakend, het heiligste zien wat hij bezat, een glashelderen, kleinen kogel, dien een Maleier zoogenaamd in een schelp had gevonden. En hij vertelde mij, dat hij tweehonderd dollar voor het wonderding had betaald. Ik dacht: Jij goeie, oude slimmerd, wat mag er in jouw sluwe brein zijn omgegaan, eer zich de overtuiging er voor goed in had vastgezet, dat deze parel een half vermogen waard is. Want ik zag onmiddellijk dat dit kogeltje niet een echte parel was, maar uit een "kogelfleschje" stamde. En vanaf dat oogenblik was het met de betoovering, die er van zijn drie kisten uitging, gedaan.
Vredige avonden heb ik in Eh's huis doorgebracht, wanneer ik na den arbeid in den jungle een pijp rookend op mijn plekje uitgestrekt lag. Dan drukte Ong Eh soms zijn grooten, gaffelvormigen hoornen bril op zijn overhoekige jukbeenderengezicht (om nog een stichtelijk uurtje te hebben) en begon mij eentonig met bijna tandelooze kaken uit een soort Chineesche Odyssee voor te prevelen.
Ong Eh was mij van meet af zeer genegen en ik voelde al duidelijker: hij mag me wel.
Zijn warme begroeting zei me dat, wanneer hij, mij bij mijn pols grijpend, over mijn blanke hand streelde, zijn twee veel te lange scheptanden vertelden mij van zijn genegenheid, als hij mij van uit de verte toeriep:
"Toean, di?--Is het land goed?" en ik merkte het, als hij Holloeki een bosje verschgeplukte spinazie voor mij bracht.
Hij hield van mij op deze manier: Misschien is dit de vreemdeling, die mijn tuin koopt, zoodat ik geld genoeg zal hebben om terug naar China te gaan, nog voordat ik dood ben.----
Zijn voorliefde voor mij was dus menschelijk. Zooals elke liefde. Doen wij zelf ook niet al wat goed is alleen daarom, omdat wij hopen net zooveel of duizendmaal meer aan schoonheid en aan geluksgevoel terug te winnen! Is onze reinste en beste en schijnbaar onbaatzuchtigste liefde in wezen niet ook maar een middel, dat in ons innerlijk harmonieën en gelukzaligheden wil wekken, die de beste vergoeding zijn, welke er in het leven der menschen is!
Het was roerend, hoe Ong Eh soms mijn hand greep:
"Toean, is het land goed, ik zou zoo graag mijn vaderland nog eens terugzien----?!"
En Aris verklaarde mij later: "Alle Chineezen smeeken om een zoon, die, als zij zelf niet levend in hun land kunnen weerkeeren, tenminste hun gebeente eens naar China kan terugbrengen. De meisjes achten ze geringer, daarom kan men die koopen."
Maar op een ochtend was Eh dood.
Men vond hem achter zijn kisten.
De mare van zijn overlijden ging snel en opwindend als een onweer door het dal. Van alle kanten kwamen zijn vereerders aangeloopen, angstig trachtend bij de hemelvaart van den heilige mee te werken.
O, wonderlijk-zwaar beeld: Chineesche begrafenis! Leven en dood! Drieëndertig mijnkoelies droegen de baar, waarop de doode lag. Een man met offer-gebraad voor de goden opende den stoet, een hamerde op een gong en onder het geknetter van vuurwerk ging het op een draf (opdat vooral geen booze geesten op het laatste oogenblik een hekserij konden bedrijven) over heg en steg langs en door de onstuimige beek naar den jungle------Ong Eh ruste in de eeuwige zaligheden----!
Half zingend en vreemdsoortig-onsamenhangend krijschend verdween de lijkstoet.
Een wegje was van te voren door het oerwoud gekapt en midden in het dichtste geslinger van teeder wuivende rotangpalmen een laag graf gedolven. Het was precies noord-zuid gericht. Wolkjes van heilige vuurstaafjes trilden door de lucht en de stralende zon bescheen Ong Eh's graf.
Siameesche en Chineesche priesters prevelden lange gebeden, elk der aanwezigen wierp een handvol aarde in de groeve en toen ik ontroerd door het woud naar huis wandelde, nog geheel onder den indruk der plechtige ter-aarde-bestelling, dacht ik: minstens zoo mooi als wanneer bij ons een beroemd professor sterft!--
Ong Eh zal weder opstaan! Op een dag zal daarginds ergens in het Rijk van het Midden zijn zoon een ernstig gezicht zetten, ernstig met zichzelf pratend rondloopen, zal plotseling, een besluit nemend, in een zeilboot stappen en over de Golf van Siam hierheen varen.
Dan zal Ong Eh's verbleekte gebeente nog één keer wit in het licht der tropische zon opschijnen naar den "grooten Berg," voordat het den verren terugtocht naar het land der vaderen aanvaardt.----
Zoo is het den menschen beschoren. Ook zwervers, die het leven naar vreemde werelden voert, zouden ergens thuis willen hooren. Zelfs Chineezen hebben een vaderland.--Het heet China.
IN HOEY YOT
TSJAOE MO LE