In het rijk van Siameezen en Maleiers

Part 13

Chapter 133,839 wordsPublic domain

Vreemd was het oogenblik, toen het onder de woudmenschen bekend werd, dat een der zoo pas aangekomenen, mij, blanke, wilde vermoorden. Hoe dit gerucht van hut tot hut ging, tot de onze kwam, het dorpshoofd ter oore kwam, wien ongeschreven wetten bevolen, mij te beschermen. Hoe zijn vrouw, een woudmensch met zware ronde drijftolachtige houten dingen in de uitgerekte oorlellen, met haar toren-kapsel boven het lage orang-oetan-voorhoofd en zilveren spangen om haar hals--hoe die er op eens van opzag, hoe ze mij toen plotseling met groote, schuwe oogen opnam en scheen te overwegen of deze vreemdeling werkelijk verdiende vermoord te worden. En haar hard gezicht, dat niet ja en niet nee zei. En hoe ik het toch als iets aangenaams onderging, dat zij, een vrouw, belangstelling voor mij toonde en hoe ik, als het ware redding van haar verwachtend, telkens weer naar haar moest kijken.

En deze gevoelens: wanneer je, het oerwoud-Siameesch maar half begrijpend, al het mogelijke (en onmogelijke) meent te verstaan en met je verhitte phantasie tracht aan te vullen; die beraadslagingen van het dorpsopperhoofd met zijn vrouw in de Birmaansche taal, in klanken, die ik nooit te voren vernomen had, in weer geheel nieuwe en geheel vreemde gorgelende keelklanken.

"Met zoo'n mes is een kop er in een ommezien af!" meende een kerel bij het vuur, waar de koelies van de laatste rijst met alle mogelijke hulpmiddelen, wortelen, kikkers en dergelijke, één dikke algemeene brei bereidden en de laatste kip slachtten. Ze hakten deze lekkernij in kleine stukjes, de beentjes en bijna ook de veeren mee--zeker zag ik ze de in kleine schijfjes gesneden kippenpootjes vreten. Woudmenschen hebben ruwe kelen.

Uit deze opgewekte overpeinzingen ontwaakte mijn oude humor, en een vroolijke inval drong zich aan mij op; misschien was het een droom.

Ik stelde mij voor, hoe romantisch het zou zijn, als mijn gastvrouw, het woudmensch met de houtblokken in haar ooren, besloot mij te redden. Als ze mij midden in den nacht een teeken gaf, haar te volgen. Ik zag mij al door het nachtelijke oerwoud achter haar aan de bergen beklimmen. Ik betrad reeds de kalksteengrot met de stalaktieten, waar zij mij verborg.

Iederen dag bracht ze mij versche rijst en groente. En op een ochtend een jongen, sterken jager, die mij terug bij de menschen zou brengen. Ik dankte mijn niet zeer lieflijke schutsgodin hartelijk; en toen ik haar een paar zilveren tikals gaf, deed ze twee van haar armspangen af en stak ze aan mijn polsen.----Maar toen voor een oogenblik haar breede gezicht in het zooeven aangeblazen vuur opdook, verdween bij dezen aanblik alle hoop op vervulling van mijn droom.--

Het was gauw licht en gauw donker. De kampvuren, waar de dragers omheen lagen, laaiden op en doofden uit. Rookwolkjes trokken dun en fijn door de boomen, de kleine, half van bamboe gezuiverde plek tusschen de armzalige woningen was een levende, voortdurend wisselende dans van lichtplekken en schaduwen, was geen dag en toch ook niet heelemaal nacht.

Af en toe drongen slaperige vreemde geluiden van de andere hutten tot mij door; twee, drie buffels wroetten telkens weer in den grond bij een boom, en van tijd tot tijd sneed de smartelijke kreet van een vervolgd hert door het zwijgende, in het licht der halve maan slapende oerwoud.

Hier en daar verhief zich een der bruinen geruischloos van den grond, half in lompen gehuld, en dan spande zich op-wakend elke spier in mij, om gereed te zijn, indien het gezicht van Tsjong Ong, dien gek, zich uit den doek zou wikkelen.----

Ook trokken heele lange reeksen van beelden uit mijn leven door mijn ziel. Waarom ben ik zoo'n zwerver? Waarom word ik altijd weer aangetrokken door oorden, waar geen andere blanken zijn? Waarom kan ik, rustelooze, alleen daar gelukkig zijn, waar het leven zoo moeizaam afgedwongen moet worden en elk oogenblik uit kan zijn! Wat dreef mij naar deze verre woudbergen?

Ik, dwaas! En ik had toch vrienden achtergelaten, die niet zoo waren, en ik achtte hen en hun praestaties. En begrijpend gluurde ik telkens weer naar hen, die het huiselijk leven in het vaderland als iets kostbaars en moois wisten te waardeeren en te hanteeren.

O, het is iets vreeselijks in mij, iets atavistisch, iets ontembaars, dat verlangt naar het wilde, het verre en onbegrensde, iets dat opbruist, dat afwisseling wil hebben en mij altijd weer zal dwingen en dringen tot zwerven en trekken.

Of was dit hier soms ook maar een haartje beter soort bivak, dan dat van vroeger, wanneer ik "ergens heel alleen in de gletschers onder een steen lag?"--Nu, dat ik toch in alle geval niet meer alleen met door phantasie opgejaagd jeugdverlangen door het woud zwierf, doch----voor mijn werk, mijn doel en mijn toekomst----

Ong lag onder zijn witten doek bij het vuur, half verborgen achter een bamboestruik: Aris haalde zwaar adem en zoog de nachtlucht gretig in als een dier, alsof hij nu nog eens zoo vast wilde slapen, omdat hij in de tweede helft van den nacht de wacht moest houden.

Kostelijk mooi was het in alle geval! Dat stond bij mij vast, al kwam het niet in mij op, te zingen.

En het was mij, alsof ik plotseling ver in mijn toekomst zag; en het leek mij, alsof het toch mogelijk zou kunnen worden, dat ik mij eens nog tot waarlijk menschelijke hoogte zou mogen verheffen.

----maar, in elk geval moest ik om dat punt te bereiken nog een zeer steile trap opklimmen, dacht ik later, met veel, heel veel treden.----

Toen schudde ik Aris wakker en sliep zelf, wel onrustig en met groote tusschenpoozen, maar toch tot laat in den ochtend.

Ik ben al allerlei zware zwerfdagen begonnen, op ongebaande wegen en waar avonturen van het ergste soort zoo maar op mij schenen te wachten----

Maar iets anders is het, wanneer het gevaar dat je bedreigt, "mensch" heet. Te weten, dat hier, waar de een op den ander is aangewezen om tot een goed einddoel te geraken, hier in dit donkere, wilde oerwoud, dat zelfs geen inboorling alleen durft te doorkruisen, hier in dit woeste, stekelige doornbosch, in deze duistere kloven, waar de zon nooit in doordringt, hier te weten: Vannacht heeft een van je mannen zijn mes expres voor jou gewet----

Om den krankzinnigen kerel niet noodeloos te prikkelen, trok ik met mijn twee getrouwen een flink eind vooruit, de koelies tusschen hem en ons latend. Maar Ong wist wel, dat nu zijn oogenblik was gekomen. Hij werd al theatraler. Zijn dor gezicht weerkaatste zijn door het gandja-rooken verhitte brein; het bevel van zijn meester loerde achter iedere spier en elke rimpel herhaalde de misdadig-wantrouwende woorden van den ouden Siameeschen dwerg: Zoo noodig----

En al dichter naderden wij de beslissende plek, al noodzakelijker werd nu een daad. Langs laag-uitgehouwen sakaypaadjes, waar de kleine inboorlingen nauwelijks rechtop konden loopen en de levende tunnelboog van het oerwoud zich over ons heensloot, sleepten en hijgden de koelies voort, druipend van het zweet en dikwijls viel er een neer. De eeltig-harde teenen tastten over de harde gestampte leem-treden. Eén keer vlood schuw een groot dier, of het een hert of een panter was, weet ik niet, met veel geritsel vlak voor onze voeten weg en vluchtte ongezien in de veilige geborgenheid der hooge, door geen mensch ooit betreden bergkammen. Soms kropen we langs gladgespoelde rotsen aan den oever voort, dan weer daalden we in zwarte ravijnen neer, kruisten scherpe steile heuvel-ribben, een anderen keer zagen we tusschen boomen door in de diepe woudkloof, waar het kronkelende zilveren lint der rivier onbekommerd om menschelijke zorgen, tijden en tijden niet achtend, eeuwig zich gelijk en sterk en vrij naar de zee toeruischte.

Ik was aan het eind van mijn krachten, niet van mijn lichaamskrachten, doch van mijn geestelijken weerstand. Sedert uren liep, zwaaiend met zijn mes, Tsjong Ong op enkele meters afstand achter mij aan, blind van woede, krankzinnig en onophoudelijk loerend op mijn leven. En bij al de moeilijkheden van den weg, waarbij ik in de rivier dreigde te storten, waarbij de doornen en twijgen en het geslinger van het dichte woud mij hinderden, bij al het "koortsig-naar-een-onbepaald-doel-toehaasten" kwam nog de aalachtige lenigheid van dezen ras-Chinees, die begeerig aasde op een eerste zwakheid, waardoor hij mij in de hand zou krijgen. Ik voelde mij als een tot brekens toe gespannen veer.

Maar Aris was altijd vlakbij mij. Soms was ik bevreesd, dat het mes hèm zou treffen. Dan pakte mij iederen keer een aanval van woede. De koelies, vermoeid en vreeselijk afgebeuld door de zware lasten, bevonden zich in een dier roekelooze gemoedstoestanden, waarin zinnelooze ruwheid en heftige moordlust uit de geringste aanleiding ontwaken.

Doch plotseling kwam er ontspanning. We stonden voor een hutje aan de rivier. Er was een dorp in de nabijheid; regel, orde, gezag. Ik heb mij meer dan eens moeten verbazen, hoe ver en tot in welk een verre wildernis het Siameesche oog der wet zijn nuttige blikken weet te werpen. Ong werd opeens klein.

En eindelijk, op den negenden dag van de reis stond ik boven op den Olifantsberg, het geweer van een dorpsopperhoofd in de hand, hamerend en zwaar zilvererts kloppend, en teekenend en schrijvend, en heel het geheimzinnige werktuig dat de Europeesche geest is, spelen latend. Steenen, die waardeloos waren, werden verpakt naast ertsmonsters, om den spion op een dwaalspoor te brengen.

Maar ook hij, Tsjong Ong, stond fierder dan ooit op de plek. Vier van de koelies hadden nu openlijk zijn partij gekozen.

Een van dezen--een vroegere soldaat--had geleerd hoe plattegronden geteekend werden.

Bovendien moest ik al heel gauw merken, dat hier, zoo ver verwijderd van de hoofdstad, mijn blanke huid een onbetrouwbare talisman bleek te zijn. Door een vreemdsoortig gemanoeuvreer, niettegenstaande al mijn zilverlingen, kreeg Tsjong Ong van uur tot uur meer vasten voet in het hart van het dorpsopperhoofd; en toen wij ons twee dagen later gereed maakten om de terugreis de rivier af op een bamboevlot door de menschenleege streek te aanvaarden, was ik overtuigder dan ooit, dat er iets zou gebeuren.

Vreemd, dacht ik, terwijl ik het vlot betrad, waarom wachten die kerels zoo lang, waar is de plek, waar ik sterf....------

Zou het eenvoudiger zijn den heer een stoot te geven met een der roeispanen, onvoorzien, maar zoo dicht mogelijk bij een dier bruisende stroomversnellingen------?

Toen we den woudburgemeester verlieten, zei ik daarom vol berekening tot hem en zoo luid, dat ook al de koelies het hoorden: "Nou, ik dank je! En vergeet je heele leven niet, dat je vandaag, op den negenden November, mij, blanke, dit bamboevlot hebt zien betreden."

Ik verheugde me, afgezien van een meer en meer toenemende nerveuze onrust, die zich in al mijn gebaren en gedachten en in heel mijn doen en laten poogde te weerspiegelen, in een gevoel van groote behaaglijkheid; zoo ongeveer als een kapitein op een salonboot zich moet voelen, toen we daar zoo den stroom af naar iets onbekends toedreven.

Dat was misschien een der schoonste ochtenden van mijn heele leven. Ik zat gemakkelijk op mijn beddezak, een zeildoek tegen de zon boven mij gespannen, en heel mijn hopen en verlangen en de dankbaarheid van mijn hart was op de schoonheid der wereld gericht. In slingerende bochten, soms statig-langzaam, soms onstuimig-vlug dreven we stroom-afwaarts, soms in de schaduw, en dan weer glinsterde mij de rivier het beeld der zon, in duizend scherven geslagen, stralend in het gezicht.

Koningsadelaars in heel de onwaarschijnlijkheid van hun kleurig gevederte schitterden door de lucht, hornbillvogels ruischten als draken van hooge boomen op, en langs beide oevers krijschten apen met de argeloosheid die hun leven eigen is.

Om mijzelf was ik nooit minder bezorgd dan nu, omdat daaraan te denken onaangenaam was en een snel korter wordende spanne tijds een groote verandering, het eindelijk ontkomen aan den ban der geweldenarij of het definitieve einde zou brengen. Dankbaar was ik van ganscher harte, dat deze ochtend nog zoo mooi was.

Mijn zeven koelies op het vlot zaten stompzinnig bijeen. Met hun draaglasten hadden ze tegelijk het laatste restje van gehoorzaamheid neergelegd. Ik bemerkte, overal waar ik rondzag, gloeiende haat en koppigheid onder de strakke hardheid hunner starre gezichten.

Aris was zwijgzaam. Zijn gelaat was gezwollen, zijn oogen verglaasd van het waken. Nu greep hij zelf naar de lange stuurstangen en spande heel de kracht van zijn aan harden arbeid gewende lichaam in, wanneer wij in de schuimende bocht van een stroomversnelling kwamen of vlug-besloten een smalle, onstuimige afkorting afschoten, inplaats de langzame, zekere vaargeul der rivier te volgen.

Ik zat zoo diep in de beschouwing der oerwoudwereld om mij heen verdiept, en ons scheepje gleed meestal zoo zacht en schijnbaar zoo weinig menschelijke hulp behoevend voort, dat ik heel verbaasd was, toen het plotseling een verraderlijken stoot kreeg en een der groote stangen wegsloeg.

Tsjong Ong was niet bij ons. De rust van een halven nacht offerend, had hij een stuntelig, veel te smal en daarom gevaarlijk vlotje (het waren nauwelijks zes of zeven bamboestangen) voor hem alleen gebrekkig saamgebonden, en hierop schommelde hij, door kreten en gebaren zichzelf moed insprekend, achter ons aan, een speelbal der golven.

Een paar keer scheelde het niet veel of----

Het gedoe van dezen vermetele maakte op mijn mannen denzelfden indruk, als misschien een geleerde of een krankzinnige op het gewone volk. Mijn koelies vermoedden iets dat niet te breidelen, niet te stuiten viel in dezen kerel, maar konden zich noch tot onbeperkte bewondering, noch tot volkomen afkeuring van Tsjong Ong opwerken.

Ook daar in de groene meer-achtige kom, waar het oerwoud zich in het gladde water spiegelde en ons ietwat plompe vaartuig bijna stil bleef liggen, werkte Aris zonder ophouden. We wisten allebei niet, waarheen de tocht eigenlijk ging. Zooals alle rivieren, slingerde ook deze zich door de menschenleege woestenij, met kronkelende bochten, ver, veraf van den weg waarlangs we den Olifantsberg bereikt hadden; en onze koelies hadden stellig een vast beraamd plan------.

Aris wilde zoo ver mogelijk varen den eersten dag; hij hoopte tot over het ravijn van Sadong heen te komen, zoo mogelijk tot in de nabijheid der eerste dorpen.

Drie lange dagen, door kort bivak in het struikgewas aan den oever onderbroken, voeren wij de rivier af. De koelies, half in muiterij, half beu van deze vreemde, henzelf eigenlijk weinig aangaande onderneming, roeiden onwillig, wachtten alleen nog op hun loon.

Weer kozen ze, zooals dat bij gewelddadige, maar laffe menschen vaak is--de meest wijze partij, zoodra de eerste eenzame hutten opdoemden. Alleen deze laatste nacht stond nog onder den ban van dit avontuurlijkste reisje, dat ik ooit in Siam heb ondernomen.

We waren ergens in de heesters aan den oever voor den nacht aan land gegaan. Ook Ong's vlot lag daar. Doch de nacht was nu donker en zonder maanlicht, en opeens was nu mijn weerstandskracht uitgeput. De trillende lichten der kampvuren wierpen de schaduwen der boschjes in phantastische vormen overal heen, en ik kon Tsjong Ong nu niet meer zooals vroeger in het licht der maan bewaken.

Elke schaduw kon zijn wrekend mes brengen, ik voelde al de koele kling in mijn nek, huiverde en trok in Aris' gezelschap, mijn waardigheid door een verstandig woord bewarend, in een hut aan den oever, barricadeerde de deur en sliep,--sliep, sliep------.

Het lukte Tsjong Ong tenslotte toch nog het plan van den Olifantsberg een halven dag voordat ik terug was aan zijn meester te overhandigen, en gebruikmakend van de regeeringstelegraaf heeft de oude Siameesche graaf zeker zijn mijn verzekerd.

Maar gewonnen heeft hij toch niets. Wel weet hij nu waar de berg ligt, maar wat voor ontginningsmogelijkheden hij biedt, wàt de Olifantsberg waard is, dat zal hij nooit van zijn leven vernemen (en zelf kan hij niets ondernemen), dat zal mijn geheim blijven--van mij en van de grenzenlooze, menschenleege oerwouden.

VAN BRUINE EN GELE MENSCHEN

....MAAR HUN ZIELEN ZIJN ALS ONZE ZIELEN, GEHEEL ZOOALS DE ONZE EN DRAGEN DROOMEN EN VERLANGENS DOOR HET LEVEN, DIE VAN DE ONZE MINDER VERSCHILLEN DAN DE BLADEREN DER BOOMEN VAN ELKAAR....

HERMAN HESSE: "Herinnering aan Indië."

AZIATEN

CHINEESCHE VROUWEN EN MEISJES

Opgedragen aan een Dame in Zwitserland

Dikwijls, wanneer ik hier iets moois, iets nieuws, iets zeldzaams vind, denk ik aan jou.----

Weet je dat wel, jij hebt iets Chineesch aan je! Je oogen, je wangen, heel je gezicht en zooals je op de wijze der Chineesche vrouwen je haar glad achterovergestreken draagt--iets van forschheid, frischheid, feestelijkheid, gaat er van je uit, iets, dat aan oorspronkelijkheid doet denken, toen Eva nog vrij was, aan--tijden toen er van een vijgeblad nog geen sprake was! Dat schoot me vandaag op het station van Soerastra-Dhani te binnen, toen er een troep vrouwen uit Kanton bijeenstond.

En toen--neem me asjeblieft niet kwalijk--enkele minuten later had ik het gevoel: Hier achter in Siam moeten toch wel een heele reeks mij tot nu toe onbekende instellingen leven, om een waarlijk verwonderlijke vruchtbaarheid en een ongehoord rijke kinderzegen--eenigszins binnen de perken te houden.

HOMO SAPIENS

Voor den Aziaat is het smeulende heden iets heerlijks--en toch heeft hij de toekomst voor zich.----

De homo sapiens daarentegen weet (of durft) met zijn heden niets bepaalds te beginnen, doch offert aan de toekomst, die hij meestal in het geheel niet heeft, de verschillende onaangenaamheden des levens, tot hij door kommer en verdriet [3] gebukt aan het graf staat.----

CHINEESCH DINER

Wanneer een bekoorlijke dame tot mij zegt: "Maar eet dan toch van mijn sinaasappels, als u veel van sinaasappels houdt----!"

Dan wil ik van deze dame ook dadelijk permissie om haar om den hals te mogen vallen!

Ik ken geen land, dat aan mijn verlangen meer beantwoordt dan Siam.

Men doet het daarginds weliswaar bijna net zoo min als hier, maar----alleen al dit zacht en teeder voorgevoel van steeds dichtbije mogelijkheden, dit zalige "zich in een minder gecompliceerde wereld weten" werkt bevrijend, en eveneens het diepe besef, Europa met zijn onzekere zeden achter zich te hebben gelaten, waar men zich toch altijd weer opnieuw vergiste.

Het is zooals het "wonen in de stad" in tegenstelling met het "in de provincie verbannen te zijn"--waar wetenschap, geestelijk leven, kunst en andere aangenaamheden als mogelijkheid tenminste aanwezig zijn, ook al maakt men er waarschijnlijk nooit werkelijk gebruik van.

MEH LIENG

I.

Toen we al bijna klaar waren met het avondeten, kwam Meh Lieng en hurkte nog gauw bij ons aan tafel, hier en daar van een laatsten zuur-zoeten schotel iets snoepend.----

Ze scheen vandaag al bizonder goed gemutst, had waarschijnlijk een of ander nieuw avontuur voor (of liever tegen) mij op touw gezet, en was dezen keer bijna zoo goed als zeker van den goeden afloop.

Maar, zooals dat bij vrouwen zoo gaat------het lieve apensnoetje van madame lei zich toen toch op zijn onverwachtst plots in zware plooien en opeens begon ze te jammeren------buikpijn!

"Baaahhhnja sakit peroet!" jammerde ze in het Maleisch.------"Ik wil veel olie drinken. Ik wil------mijn buik spoelen------!"

Ik heb Meh Lieng de wonderolie eigenhandig mogen ingeven. (Ze dronk het uit de flesch.)

Toen ik de stroperige vloeistof over haar mooie tong liet druppelen, zag ik schitterende witte tandjes.----

Ik prees: "Meh Lieng------dapper!"

Door dezen lof werd madame een en al enthousiasme en verklaarde mij stralend van geluk voor dessert en ter harer verlichting: "Over een half uur is 't misschien al over------Saja poenja peroet lekas------mijn buik is vlug------!"

II.

Meh Lieng had iets van het beangstigende, altijd met verrassingen [4] dreigende van een dame van de groote wereld over zich.----

Toen zij met echte wilde-vrouwen-gracie den aanval van menschelijke vergankelijkheid had doorstaan, richtte madame de onschuldige en vriendelijke vraag tot mij:

"Toean, ga je mee in het rijtuig van mijn oudsten broer een beetje lucht happen?"----

Maar in plaats mij dit rijtoertje onder de palmen en den verrustigenden sterrenhemel te gunnen, liet zij zich toen door mij uitnoodigen om mee te gaan naar den Siameeschen schouwburg, en plotseling, ik weet niet hoe dat zoo gebeurde, zaten we daar. In een leeg tempelachtig gebouw----veel te vroeg gekomen.

Onder het rooken van natuurblad-cigaretten vertelde Meh Lieng mij over het stuk. Ze droeg een donkerrooden p'hanong, gele, smalle, leeren pantoffeltjes aan haar bloote voeten en een lichten, bijna, maar niet heelemaal witten sluier.

Ik kon er mij niet volledig van overtuigen of zij eigenlijk een Siameesche met een tikje Chineesch bloed was of omgekeerd. Haar verschijning was Maleisch-Arabisch, en ik dacht aan de duizend en een nachten.

toen begon de zaal vol te loopen. Indiërs, Chineezen, Maleiers, Siameezen, wandelden naar binnen. Het zevenenvijftig man sterke, zeer sterke orkest had zijn zevenenvijftig rijstbuiken volgestopt en was tot onbaatzuchtige opofferingen en krachtdaden bereid.

Gongen, pauken, koperen piano's, fluiten en pijpen, houten trommels en dubbel-snarige violen werkten zoo hevig samen, dat er toch in elk geval een flinke dosis van een zeker soort muzikale begaafdheid noodig was, om dat mooi te vinden. Ik, die moeite heb, om de eenvoudigste Europeesche melodie te onthouden, bewonderde oprecht het telkens weer samen stemmen van al die verschillende instrumenten, zelfs in de meest warrelende klank-duikelingen en -watervallen, terwijl er toch schijnbaar zonder noten werd gespeeld.

Madame kreeg het warm.

Ik begon mij te vlassen op de voorstelling; Meh Lieng zou alles voor mij in het Maleisch vertalen! Ze was goed thuis in de opera. Ze verstond de kunst om uit deze klanken-salade verschillende noten van bizondere beteekenis op te diepen, waarnaar je den tijd kon afmeten, dien het nog zou duren eer de voorstelling begon: "Psjeng!"----geduld, nog een half uur, "Pioetsj!"----nog maar een kwartiertje! "Bam, bam!"--aha, de artisten zijn klaar, het spel gaat beginnen!

Ook Siameesche drama's behandelen de oude stof. In het begin was het uitgangspunt van het lintwormachtige stuk dat dien avond gegeven werd: "Twee koningen en een koningin!" Later, kort na een vreemdsoortige, onverklaarbare geboorte, waarin een groene bierflesch de rol van zuigeling speelde, herdoopte ik het drama in "Banjak bini----Banjak soesah.------Wie vele vrouwen heeft, heeft vele zorgen!"--------Heet lag de avond over het rumoerige tooneel. Consumptie was veroorloofd, maar alleen de allerkleinste. Een tante met hangborsten klauterde telkens weer over de balustrade der loge. Tamil-vrouwen met fluweelige oogen, vulden half-gesluierd een heele bank met heet leven.

Meh Lieng's stemmetje, rap als een spinnewieltje en scherp als haar kleine tandjes, vertelde: "Sekarang radja nember satoe manoe bekin prerang sama radja nember doea------Nu wil de eerste koning oorlog voeren tegen den tweede------!"

ik was op het punt hopeloos in het niet te onderscheiden gewarrel van klanken, geuren en beelden weg te zinken----maar toen kondigde zich op eens de wonderolie aan--en--redde mij.----

(Uit het Diertjesboek.)

MEH LIENGS MALEISCHE RAADSELS EN LIEDJES

Perempoean:

Kalau toean mati dahoeloe, nanti saja pintoe koeboer------

Zij: (Als je vóór mij sterft, o toean, wacht ik aan de deur van het kerkhof------)

Djantan:

Djangan djawab pintoe koeboer, pintoe soerga saja nantiii------!

Hij: (Wacht jij maar op antwoord aan de deur van het kerkhof------ik, ik wacht aan de deur van den hemel------!)

Dari mana poenai melajang? Dari sawah toeroen ka-padi! Dari mana data sajang? Dari mata toeroen ka-hati!

(Vanwaar komt de duif aangevlogen? Van het vochtige veld der rijpende rijst! En de liefde, vanwaar komt die? Van de oogen daalt ze neer in het hart!)