In het rijk van Siameezen en Maleiers
Part 12
Ook over de mannen, die ik als dragers mee had, was nog al wat te vertellen. Maar niet veel goeds. Terwijl ik vroeger met lieve, dienstvaardige bruinen, die elkaar in bereidwilligheid evenaarden, te doen had, was hier eigenlijk ieder op zichzelf een fel, scherp-gevormd gecompliceerd karakter. Allemaal wilde, ruwe gandja-rookers, kerels met hartstochten, menschen, die verslaafd waren aan opium en nog ergere zonden, eigengerechtigde venten, die zich onder de heerschappij van den hennep hadden aangewend bruut om hun eigen recht te vechten; ik-menschen, die, vóór alles wilden rooken en allang den egoïstischen trek van den rookwellusteling in heel hun doen en laten meedroegen.
De gids, die ons den weg zou wijzen, was de ergste. Zijn groote pijp van bamboe zwaaide hij dag en nacht door de lucht. Hij had een ineengedrongen gestalte, zijn stem klonk heesch en hij praatte op zijn eigen wijze met mij, kwam vlak voor mij staan en staarde met zijn dierlijke, als in koorts dwalende oogen langs mij heen. De oude papieren tropenhelm, die hij had opgezet, gaf hem een soort nimbus en macht over de anderen. Als hij halt hield om omstandig zijn groote waterpijp te rooken, wat onder het marcheeren niet mogelijk was, konden Aris noch ik onzen wil laten gelden, doch moesten wij toezien en dulden dat het al bij den aanvang met de orde in het gezelschap misliep.
Ik had me daar in een merkwaardig avontuur begeven. In sprookjesachtige verten lag nog mijn doel. Het was me alleen bekend, dat jaren geleden een aantal blanken een expeditie naar die streek had ondernomen. Ze reisden goed gewapend en rijkelijk van al wat noodig was voorzien de rivier op bij gunstigen waterstand.
En ik was nu zoo dom en overmoedig of bescheiden, hetzelfde te voet te probeeren, met zeven mij volkomen onbekende mannen, bijna zonder proviand, ongewapend en zooals men een wandeling gaat maken.
Dag aan dag legden wij ongeveer vijftien mijlen af, 's morgens met de zon op weg gaand, door open bamboe- en doornbosschen, waar de weg zich verloor, en het was mij een raadsel, hoe de mannen telkens weer konden zeggen: we loopen goed. Soms was de weg----voor mij onmerkbaar, alleen daardoor te herkennen, dat van een of anderen tak een half jaar te voren een twijgje was afgesneden, naar de gids zei.
Onophoudelijk ging het in koelie-tred van het laatste dorp verder in de eenzaamheid der oerwouden, waar geen hutten meer waren, geen menschen woonden en waar een eenzame zwerver spoedig te gronde ging.
Waar niets dan verlaten heuvelen, droge kalksteenen aan den rand van den weg stonden, waar het woud nu kaal en dood was en groote vlakten taai, al erg verdroogd olifantsgras zich moeizaam van den eenen natten moesson tot den anderen in het leven trachtten te houden. Veel heerlijker dan het ons beschavingsmenschen meestal bewust wordt, is het gevoel van eigen kracht. Ik heb deze ontdekking in den jungle telkens weer opnieuw gedaan. Dezen keer, op dezen tocht, voelde ik me sterk genoeg, om elke verstandelijke overweging uit te lachen en de vreemde onderneming tot aan het einde te volbrengen, wat er ook gebeuren mocht. De koorts was nog éénmaal uit mijn lichaam geweken, de winter-moesson had de hitte gebroken, en ik was weer geheel en al van den ouden, goddelijken ondernemingslust en de energie vervuld, welke ik vroeger in de bergen had bezeten, maar veel te hoog aansloeg en cultiveerde.
Tsjong Ong liep nog altijd achter ons aan (de eerste twee dagen had ik vergeefs gehoopt, dat hij ons ergens op een kruispunt zou verlaten). Onder het loopen hield hij zich weliswaar achteraf, bleef urenlang onzichtbaar, maar zoodra we rust hielden, dook hij weer op. Hij was van een ongelukkige, narrige driestheid, en inplaats zich tenminste niet nog gehater te maken dan absoluut noodig was, praatte hij gewichtig, stond mijn mannen in den weg en deed precies alsof hij bij mijn karavaan hoorde.
Het was zoo wat midden op den derden dag van reizen, we waren door schaarsch bamboewoud en over wijde vlakten met geel gras, waar magere koeien en half-wilde buffels weidden, aan een ravijn gekomen, waarin het spaarzame water als tot een kleinen vijver was gestuwd. Daar gebeurde het, dat, waarschijnlijk toevallig en ongewild, de rampzalige kerel mij zijn bundeltje goed vlak voor de voeten lei en zoo dicht op mij toe trad, toen we halt hielden, dat ik geheel onwillekeurig en zonder dat het verstandigste overleg hier iets had kunnen verhinderen, zoodra hij zijn stomme stem verhief, zijn prulleboel opnam en het in een wijden boog wegwierp. Dat ging akelig-vlug in zijn werk; alle onheilvolle daden, waarvan men later bijna berouw zou willen hebben, gaan vlug in hun werk. Eer het bundeltje goed en wel uit mijn hand was, merkte ik dat ik te ver gegaan was. Vervloekt slank en even boven mij uitstekend, stond Ong voor me, het mes in de vuist. Een roofdier in een Chineesche broek. En er lag een vreemde zwoelheid over ons tweeën en de overigen, die opzagen en zwijgend onzen tweestrijd, die weliswaar enkel uit gebaren en stomme oogentaal bestond, volgden. Dat ik zijn eigendom had weggeworpen, dat was te veel voor dezen wilde, dat deed hem meer pijn dan booze woorden. Nu was er iets in hem gebroken.
Maar Tsjong Ong, de halve slaaf, trouw tot in den dood, van een echten Aziatischen despoot, die aan het bevel van zijn meester hechtte als een hond, droop tenslotte toch zonder een woord, hoewel knorrend, voor den nimbus van den blanke af. Maar omkeeren wilde hij ook nu nog niet. Elk zelfstandig oordeel miste hij; hij begreep niet, dat van nu af zijn meegaan zijn ouden meester meer zou schaden dan helpen, omdat ik, blanke, nadat de haat eindelijk tot een openlijke uitbarsting was gekomen, nu onder geen enkele omstandigheid zijn meester meer zou willen helpen.
Doch aan den anderen kant sloeg ik veel te weinig acht op het voorval en had er geen vermoeden van, welk een diep beleedigden vijand ik nu achter mij had, toen we dieper het land introkken. Het oerwoud werd al woester en onherbergzamer, en het wegje smaller, en ik voelde de eenzaamheid en de menschenleege streek om mij heen als een diepe smart.
Des avonds sliepen wij in het ravijn van Sadong onder den blooten hemel. Midden op de bedding der beek, op het grint, spreidde Aris mijn zeildoek uit, het matrasje er op; rechts daarvan maakte hij op een stapel varens zijn bed klaar en aan mijn linkerkant dat voor Holloeki. De koelies droegen hoopen hout aan, rammelden wat met hun kookpannen en richtten zich in om tegen een kouden nacht beveiligd te zijn.
De beek-bedding lag tusschen steile oevers, diep in-gevreten, en de boomen stonden aan beide zijden hoog en zwaar. Weer begon het duizendvoudige zingen en juichen rondom in het oerwoud, en vanaf de bergen streek een koele wind aan. Ik was vermoeid en bevond mij in een dier gelukkige feestelijke stemmingen, zooals ze na een langen marsch en een ruwe dagtaak in zulke eenzame landstreken den zwerver wel overkomen. Hoe eenvoudiger de wereld om hem heen, hoe dichter het geluk voor het grijpen ligt!
Toen na het avondeten de maan boven de kronen der boomen opkwam en zilverige nevelwolkjes langs alle hellingen van het oerwoud zweefden, vroeg Aris, zijn pijp aanstekend:
"Toean, hoeveel steenen wel vandaag?"
Hij bedoelde hoeveel kilometersteenen--die hem van de spoorbaan bekend waren--hebben wij afgelegd.
Toen ik zei: "Wel bijna dertig!" werd hij trotsch. Aris was zoo, was idealist en verstond de kunst, zich over zijn kracht te verheugen.
Tsjong Ong had ik absoluut vergeten. Een eindje van ons vandaan had hij zijn eigen vuur aangelegd; hij scheen zich beter te willen gedragen, en mij kwam het kleingeestige, enghoofdige mannetje zoo onbeteekenend voor en zoo ouderwetsch-primitief, dat ik niets kwaads van hem duchtte. Als iemand zoo stompzinnig aan het bevel van zijn meester hing--, hoe zou die zich dan tot een pittige, zelfstandige daad kunnen opwerken? Wel bewoog hij drukker en meer dan noodig met zijn lange mes en praatte dikwijls luid met zichzelf--maar--dat doen ten slotte meer menschen, die veel alleen zijn.
Af en toe zaten een paar der dragers bij zijn vuur, zelfgenoegzaam hun pijpen rookend; later was hij alleen. Onophoudelijk ruischte de beek over de blanke kiezelsteenen. Aris sliep misschien al, Holloeki had al de kookpannen en potjes en andere kostbaarheden allang in de manden gepakt, het meerendeel der mannen rustte al, toen ook ik mij neerlei, toen ook mij het ritselende beekje in het rijk der droomen zong.--------------------
Toen wij den volgenden ochtend met fiksche stappen door het gouden oerwoud verder trokken, kwam Aris geheimzinnig op mij toe, en zijn gezicht stond star, en zijn oogen waren geel, toen hij haastig uitstiet:
"Toean, er is gisteravond bij het vuur geducht over je gesproken! De kokkie weet het. Een koelie heeft het hem vannacht allemaal verraden. Toean, je mag den Olifantsberg niet levend bereiken!"
Het ligt in den aard der Maleische taal, die enkelvoud en meervoud niet altijd precies onderscheidt, dat ik niet dadelijk begreep, hoe groot de samenzwering was.
Eén enkelen man zou ik nooit vreezen, maar toch kon ik de verdenking niet van mij afzetten, dat misschien al mijn dragers met den gids erbij, dat misschien de heele troep met hun opiumoogen van plan was--------kortom, ik verwachtte niet bepaald keurige onthullingen.
De gids, een soort hercules, een krachtmensch in bruin, zong woeste heesche krijgs- en jachtliederen, waarin telkens het donkere woordje tai = dood, voorkwam, en soms had hij er schik in, mij pal in het gezicht te krijschen, zoodat ik onwillekeurig dacht dat hij vloekte,--of lief tegen me te doen, zoo aardig en verdacht-vriendelijk, alsof hij--een echte, voorzichtige Boeddhist--een binnenkort volgende slechtheid ten opzichte van mij al bij voorbaat door goedheid wilde delgen.
Doch Aris verklaarde telkens weer als ik vroeg, wat zeggen ze nu, luister eens, waarover praten die twee nu met elkaar, waarom neemt die sterke kerel nu zijn mes ter hand--telkens weer berichtte Aris:
"Niets, toean, ik geloof vast dat alleen Ong woedend is en alle anderen ons misschien wel goed gezind zijn----."
Maar ik vond nu het vriendelijkste woord van den één even angstwekkend en vijandigheid verradend als het onmenschelijke gegrom van den ander; en toen op een keer de heele horde, wetend dat we definitief den weg kwijt waren, radeloos en dadeloos om mij heen stond, toen dacht ik: Hu--wat zouden die woudmenschen het leuk vinden, dezen blanke aan een boom te binden en aan den tijger over te laten.
Nu spraken alle boomen tot mij en in de meest onschuldige dingen meende ik teekenen van naderend onheil te voelen; en het dozijn spleetoogen, deze schare vreemde Aziatengezichten, die mij daar zoo koud omgaven, maakten opeens den indruk op mij mijn noodlot te zijn. Verraad zei ieder blad dat viel, en elke wolk, die voor een oogenblik het vage schemerlicht van het oerwoud nog duisterder maakte.
Hoewel, die eene krachtkerel, die altijd nog zoo eerbiedig tegen mij sprak, zou stellig aan mijn kant staan------en toch, hoe eenvoudig en makkelijk zou het voor deze bende zijn een voorwendsel voor handtastelijkheden te vinden, hoe vlug kwam somtijds Aris' drift op----een paar messteken, en in de zwijgzaamheid van het eindelooze oerwoud zou mijn laatste geheim voor eeuwig goed bewaard blijven.
En opeens moest ik aan mijn boek in het gele koffertje denken. Nu zouden die bladzijden dan ergens in het bamboegewarrel verrotten, de wind zou blad na blad omslaan en al mijn ontberingen en inspanningen zouden vergeefsch geweest zijn. En het meest plaagde mij de gedachte, dat ik nu hen die ik liefhad in mijn vaderland niet zou kunnen toonen, dat ik een ander was geworden, grooter; hoe ik in de ruwe wereld daarginds, hoe ik in de eenzaamheid der oerwouden tot een nieuwe levensbeschouwing gekomen, hoe ik gegroeid was.
Aan hen, die mij vaak klein en moedeloos hadden gezien, wilde ik toch zoo graag eens toonen, hoe ik nu tot grooter rust en kracht was gekomen, hoe ik nu het sterke geloof in de wereld in mij droeg, het rustige weten dat er een streek op aarde was, waar de gecompliceerdheid der wetten het leven der menschen nog niet vergiftigt, waar ik de mogelijkheid nog voorvoelde, gelukkig te worden en kalm en rustig op mijn eigen leven neer te zien. Waar ik fatalistisch alles, alles leerde aanvaarden, zonder aan arbeidskracht in te boeten, zonder neer te zinken, door nood en dood heilig er naar strevend het allerhoogste te bereiken, mijn eigen weg gaand en zonder mij erom te bekommeren welken prijs ik daarvoor moest betalen.
Van al deze belangrijke ervaringen en successen zou ik nooit meer mededeeling mogen doen; er zou altijd een beetje de schijn van een vluchteling, van een voor het leven en voor zichzelf de wereld ingetrokkene aan mij blijven hangen. "Verrek aan den Sacramentostroom!" zooals het zoo scherp in het Zwitsersche landverhuizerslied heet.
Al deze gedachten gaven mij een groote innerlijke vastheid en een taaie begeerigheid om voort te leven; en zoo afgemeten-zeker als mijn stappen, werden nu mijn korte bevelen, en ik nam mij zelf daar nu waar alsof ik een ander was, alsof ik voor mijn eigen persoonlijkheid stond en er schik in had, hoe hij daar zoo zeker en dapper tusschen al die kerels stond, een hard besluit om de lippen en met rustige oogen, die van de geestelijke superioriteit van den blanke getuigden.
Even weinig vriendelijk moest den mannen Aris' gezicht lijken. Hij liet het wit of eigenlijk het geel zijner ook-spleetoogen spelen als een verraden Maleische zeeroover uit de vijftiende eeuw, toen hij vastbesloten en voornaam tot mij zei: "Baiklah, kita poen darah merah! Kaloe toean mesti mati, kita mati dahoeloe!----Welnu, ook ons bloed is rood! Toean, als jij moet sterven----dan sterven wij eerst!"
En het was een prachtig verdrag, dat we daar met elkander sloten. Ik beloofde hem, geducht wraak te nemen, als hem ook maar een haartje gekrenkt zou worden. Ik geloof, dat de koelies ons verbond bevroedden en ik denk niet, dat er een onder hen den moed had gevonden, ook maar te vermoeden, dat ik niet toch nog ergens in het geheim een schietwapen of iets anders ter mijner verdediging had.
Wat echter niet het geval was. Met bamboewandelstokken stonden Aris, Holloeki en ik tegenover deze ellenlange messen dragende kerels. Iets van het wonderlijkste, dat de lieve Heer mij in mijn wieg beliefde te schenken, is een fiksche dosis van een soort lichtzinnigheid, of misschien beter gezegd, goedgeloovigheid, hoop in de toekomst: "We zullen wel zien----!" Hoe zou daarzonder het leven te dragen zijn! Of misschien was het niets dan luiheid die mij er schuw voor had gemaakt door al de wetsvoorschriften heen te dringen, die zelfs in Siam noodig zijn om verlof te krijgen: "een geweer bij zich te mogen dragen."
Inderdaad heb ik twee jaar lang op al mijn reizen nooit een wapen gedragen.
Mijn leven lag nu in Aris' hand. Heel makkelijk had hij het zijne tegen het mijne kunnen uitspelen. Hij wist, dat ik weerloos was. Als hij mij trouw bleef en ik moest sterven, dan zou ook hij moeten sterven. Zeven tegen drie. Ai, hoe begon ik toen ook zijn gezicht anders te bekijken, hoe leek mij ook dit, het gezicht van mijn besten en eenigen vriend opeens twijfelachtig. Zijn niet juist de beste menschen en zulke, die uiterlijk zonder zweem van iets ergs zijn, in den grond vaak misdadigersnaturen!
Had ik niet ook hem wel eens ruw moeten behandelen en grof tegen hem uitvallen! Zou hij mij altijd vergeven hebben? Bevond hij zich hier niet zelf in een oog om oog, tand om tand------in een handeling eischenden toestand? Of zou hij niet vergeten hebben, dat ik zijn hoogsten droom naar een huis en een vrouw in vervulling had gebracht?
Holloeki was minder bij deze aangelegenheid betrokken. Hij was klein en van minder belang en verloor zijn humor niet. (Wat zijn geweldige bamboeknuppel bewees). Misschien was zijn vereering en opvatting van het wezen van iederen blanke grenzenloos hoog, misschien was hij er benieuwd naar, hoe het zijn zou, als ze den toean doodsloegen. Waarschijnlijk was dat de uiting der Chineesche "harteloosheid", der concentratie van alle belangstelling alleen op leden hunner eigen familie en al hun vele voorvaderen. In elk geval scheen hij ervan overtuigd, dat er ook voor hem iets goeds uit het koffertje zou vallen, zoodra de toean dood was.
Wanneer Ong met zijn messen rondtastte, troostte hij mij:
"Tida apa! Dat hindert niets! Ong is misschien niet dapper genoeg voor den dood!"
Wijl het een twijfelachtige onderneming is, zielestemmingen van Chineezen te willen onderzoeken, vertrouwde ik meer op Aris, die door zijn toornig gezicht van zijn houding ten mijnen gunste had blijk gegeven en zeker niet veel sympathie meer van de anderen te wachten was.
Goed, dat ik bij kracht was en van begin af aan streng met de kerels had omgesprongen. Een toean moest voor zijn koelies altijd iets hebben dat hun angst inboezemt, iets van een god, die tegelijk een duivel is.--------
Gelukkig bleek toen als eenigermate waarschijnlijk, dat alleen de eene--Tsjong Ong--mij werkelijk diep-vijandig gezind was. De anderen schenen zich meer uitsluitend in afwachting van een frisch en vroolijk bedrijf en in halve onverschilligheid te bevinden. Maar kwam het tot bloedvergieten, dan zouden ze heel gauw partij kiezen. Dat was wel heel zeker.
Ik voel vandaag den dag nog de heete zon in mijn rug, nog zie ik, hoe wij, de laatste sporen van den weg verloren, aan den oever stonden, rondom hooge bergen, met eeuwige, ondoordringbare wouden bedekt, ontoegankelijk en vijandig. Ik zie nog dien stroom voor mij, soms onstuimig en over scherpe rotsen schuimend, dan weer tot lange, rimpellooze meren gestuwd, die diep-groen--ondoorgrondelijk leken. Het was 's middags drie uur geworden, het gevoel kwam al dringender in mij op, dat het niet lang meer zou duren of het was avond; dan zou het nacht worden en lag het laatste dorp met zijn beschutting en orde al meer dan honderd kilometer achter mij.
De dragers streden met de gidsen en telkens meende er een, dat hij den goeden weg gevonden had, en telkens weer opnieuw poogden dan de mannen met haastige schreden een uitweg te vinden uit deze eenzame streek.
De hoeveelheden rijst waren klein geworden. Het vleesch was opgegeten en aan omkeeren, met welke gedachte ik mij al inniger bezighield, viel niet te denken. Dan zou er vele dagreizen lang geen rijst voor de koelies te vinden zijn en de ruwe horde van menschen zou krankzinnig-wild worden, en zou----
Eten is hier in de natuur te belangrijk en een soort godsdienst, waaraan niet getornd mag worden. Het gebeurt nooit, dat een koelie om een of andere utiliteitsreden zijn eten uitstelt, en vooral niet, wanneer het hem boven zijn loon gratis is toegezegd. En ik was dwaas genoeg geweest om dit te doen. Het was mij, alsof ik de geprikkelde brommende magen om mij heen hoorde, die geen welwillend begrip over hadden voor het feit, dat ook ik de laatste vezels van mijn verwaaid idealisme al bijeen had moeten schrapen en tot het culinaire, voor een Europeanen-maag weinig aanlokkelijke menu van "varens met bamboerattengebraad" was overgegaan.
Daar lagen complicaties en moeilijkheden voor mij, die aan het vraagteekenachtige van het begrip "noodlot" deden denken.
Zag misschien daarom in haar onvruchtbaarheid de wereld er te goudener om uit? Het licht der zon, die in de tropen meestal te steil en te hoog staat om in de oogen te schijnen, straalde nu op dezen laten Novembermiddag vlak en fel in mijn gezicht. Een rotswand schitterde uit de geslotenheid der opeendringende wouden op, ver en toch dichtbij in zijn lichtheid en gelijk een kasteel van marmer.
En toen opeens, terwijl we weer radeloos op den steilen oever stonden, boven een der diepe, den indruk van meren makende, verbreedingen in den stroom, riep ons van over het water geheel onverwachts een woudmensch iets toe en kon ons den weg wijzen.
Het dorp, waar wij heen wilden, was nog twee dagen ver en alleen menschen die de omgeving kenden, zouden in staat zijn den weg over de bergen te vinden. Doch we moesten maar met hem meegaan, hij zou ons een plek wijzen waar de woudmenschen altijd heengingen om te rusten; daar konden wij den nacht doorbrengen en den volgenden dag zouden wij een andere nederzetting bereiken, waar waarschijnlijk rijst te vinden was.
Er waren twee of drie woudhutten, zei hij; Birmaansche nomaden hadden een vliegend dorpje aangelegd, om bamboe te hakken, dat zij op groote vlotten naar het dal brengen, om in de lage streken der rijstvelden, waar de menschen weinig bouwmateriaal hebben, te verkoopen.
Hoe vaak ben ik vanuit de eenzaamheid bij de menschen gekomen! Ik heb mij nooit zóó over menschen verheugd, als over degenen, die ik nu op het punt stond te ontmoeten. Lieten het de meest primitieve wilden zijn,--ik was al blij, niet meer aan de willekeur mijner eigen mannen overgeleverd te zijn. We zouden toch stellig onder hen ook wel menschen vinden, die Aris' en mijn partij zouden kiezen.
Over een paar in elkander vervlochten bamboestangen staken wij, de een na den ander, de rivier over. Tsjong Ong, dien ik niet weerde en niet hielp, om strengheid noch zwakheid te verraden, zwom met bioscoop-heldachtige avontuurlijkheid over den diepen stroom, zijn bundeltje rijst op een paar takken voor zich uitschuivend, de zwarte pijpen van zijn broek tot onder zijn buik opgestroopt, het scherpe, vonkelende mes tusschen zijn tanden.--
"Toean," zei Aris, toen we op een verlaten heuvel-nest van witte mieren zaten, midden tusschen de drie, vier loofhutten, waar naakte kinderen rondspartelden en een jonge vrouw, die niets dan een korten lendendoek droeg, het avondlijke huiswerk verrichtte.
"Toean, hoeveel jaren tel ik al! Ik heb met mijn vader door heel Java gereisd, ben bij de koppesnellers in Borneo geweest, ik ben van Singapore af het heele Malakkaschiereiland doorgetrokken, maar zooiets heb ik nog nooit gezien. Zulke eenvoudige hutten, zulke onbedekte menschen."
"Dat zijn Birmanen, Aris, die hooren eigenlijk achter de bergen thuis."
De slanke jonge wilde stampte rijst en bij elken slag, waarin zij heel de pracht van haar lenig lichaam lei, sprongen haar zilveren halsspangen rhythmisch op en neer, en haar stevige, kleine borsten deinden mee op de maat.
Terwijl een Chinees hier misschien niet beter had weten te doen, dan zijn minachting voor deze naakte natuurmenschen te uiten--Aris was zoo niet. Hij verstond het, bij dezen aanblik vreugde te gevoelen.
"In welke nieuwe streek we ook mogen komen, het is overal en altijd min of meer gek in dit land!" was de beteekenis zijner verbaasde gedachten, die hij voor mij zat uit te kramen.
Soms nam hij als de eenige die in staat was te voelen zooals ik, naast zulke primitieve wezens een eigenaardige waardige houding aan en begon met mij te spreken, alsof ook hij een blanke was, als moesten deze natuurmenschen voelen, dat hij, niettegenstaande zijn bruine huid, beter was dan zij. Nu zei hij met de vanzelfsprekende gelatenheid van een hofphotograaf:
"Wat jammer dat het al te donker is om te photografeeren!"--
"Aris!--Waar is Tsjong Ong?"
"Toean, Ong doet ons nu niets, maar vannacht moeten we waken, we zijn nogal tamelijk ver in het woud en Ong's mes is heel spits en scherp.--Silaka!"--
Dat was een plechtige, bange nacht. De minuten talmden voorbij, een voor een, behaaglijk zich rekkend en zonder zich te haasten. Zwijgend lag ik naast Aris, in den rug eenigermate gedekt door een dak, terwijl Tsjong Ong, met het mes in zijn hand, bij het vuur tegen de koelies zat te bluffen. We waren gansch en al bevangen door deze weinig spraakzame uiterlijke kalmte.