In het rijk van Siameezen en Maleiers

Part 11

Chapter 113,868 wordsPublic domain

In het zalige bewustzijn volkomen los te zijn van de ruwe wereld, lag ik in luchtige zijden kleeren op de veranda van mijn huisje en keek naar het vlijtige gedoe van mijn kokkie of verslond met hongerige oogen iedere kleurige menschelijke gestalte, die in rhythmischen gang voorbij mijn tuintje schreed.

Op een ochtend bezocht mij een dezer mooi gebouwde visschersvrouwen. Wijl Holloeki naar de markt was, onderhandelde ik zelf met haar. Ze droeg een donkerblauwen broek-rok en een gelen borstdoek, maar ook al was ze in lompen gehuld bij mij gekomen, dan nog hadden haar oogen haar tot koningin gemaakt. Ik ging op de bovenste tree van de ladder zitten, en zij kwam vertrouwelijk en lachend dichterbij toen ik haar wenkte, het mandje met versch gevangen visschen en schaaldieren gracieus op haar heup houdend.

"Nai hang soe pla?" vroeg ze, zoo dicht voor mij neerhurkend, dat ik haar warme lichaam voelde.

Ik bekeek lang en alsof ik er wel verstand van had, de eene visch na de andere, en vroeg toen aan het mooie vrouwtje, zooals ik dat van Aris had geleerd:

"Heb je ook een man? Heb je kinderen?" en tenslotte kocht ik alle visch van haar, met het mandje erbij.

Toen Holloeki terugkwam, maakte hij me natuurlijk een scène. Maar ik zweeg op al de verwijten, die hij me om mijn geldverkwisting maakte en ten laatste haalde ik mijn dagboek te voorschijn en schreef:

Er schijnen menschen te zijn voor wie de liefde een soort ridderlijke dienst is, aan de schoonheid op de knieën bewezen.

En ze moet dat zijn en blijven.

Met een dezer mooie bruine natuur-visschersvrouwen over een paar visschen te onderhandelen en tenslotte meer van haar te koopen dan ik kan verteren, vind ik voor mij van veel grooter nut dan------dan------. Het was weer mijn vermoeide hoofd. Midden in de grootste gedachten staakte het;--dan------. De rest van den zin is zonder belang----. De gedachte in den aanvang is goed genoeg en wel waard, het slot in het geheel niet af te denken.--

Toen overvielen me plotseling opnieuw en als uit een klaren hemel nood en ellende.

Holloeki had mij als middagmaal groene Chineesche boonen gegeven; ze waren erg houterig en lang niet zacht genoeg en dadelijk na het eten had ik al een gevoel alsof ik vergif had ingenomen. Eerst begon het met een soort lichtheid in het hoofd, een mij vrijer voelen, alsof na een paar glazen wijn de gedachten, van hun aardsche zwaarte bevrijd, levendig door het hoofd wentelen en toen opeens--wat ging dat toch gauw--voelde ik duidelijk: Aha, koorts! en een gesuis in mijn schedel en een al sterker wordend ruischen in mijn bloed nam zoo gestadig toe en groeide zoo gelijkmatig door mijn heele, anders al zoo vermoeide lichaam, dat ik, toen het kwaad pas was begonnen, al wist, dat het dezen keer ernst was.

Ik ging in mijn ligstoel liggen, mijn hoofd zoo hoog mogelijk en rookte en wachtte op de dingen die zich nu zouden voordoen. Als voorzorgsmaatregel nam ik wat kinine en calomel. Een zwaar-bewolkte middaglucht lag over de golf. De torenbergen stonden zwart-blauw achter de loodkleurige golven en het krijschen der meeuwen en gieren klonk heesch en hatelijk naar binnen.

Zonder dat ik het beletten kon, schoten wilde, buitensporige gedachten door mijn brein. Overmoedige lachkrampen maakten zich van mij meester: "Het gastspel waartoe wij op aarde, ongevraagd en door de schuld onzer ouders verplicht worden, is geen comedie, maar een treurspel----ha, ha, hi------!"

Ik stak een nieuwe zwarte Birmaansche sigaar op, morgen zou ik misschien niet meer mogen rooken, en nam nog eens kinine.

Op de golf voer een visschersboot met regelmatige, vervelende riemslagen dichtbij den oever heen en weer.

"Holloeki, als ik weer gezond ben, klim ik op gindsche rotsen; ik ben in de bergen geboren."

Ik wou, dat er iemand kwam om mij te verplegen. Doch hier komt ongeroepen net zoo min een mooie vrouw tot me als in Europa, en als ik haar roep, wil ze--veertig tikals per maand----

Alles berust op wederkeerigheid, zelfs de liefde--als er tenminste liefde bestaat------

Toen kwamen er wolken over het land gezweept, de wind wierp koel regenstuifsel op de veranda, en een huivering doorvoer me, zoodat ik me tandenklapperend in een wollen deken moest wikkelen.

Het leven vergt een inspanning, waartegen niemand is opgewassen.

Later doemde een bruine gestalte voor mij op in een wit buis, ik was blij dat ik hem herkende: dat was Aris, eindelijk ook van de Zwarte Rivier terug.

"Goeien dag, toean------!"

Ik antwoordde niets. Hij moest zien, hoe slecht het met me ging. Het is een eigenaardig feit, dat we soms menschen, die we graag mogen lijden, juist onvriendelijk behandelen als we ze het liefst om hun hals zouden willen vallen; een wreede, in heel veel menschen aanwezige zwakheid is het, te meenen dat juist diegenen onder onze vrienden ons lijden moeten helpen dragen, die ze het diepst weten mee te voelen.

Aris was doodelijk verschrikt door deze zwijgende begroeting.

"Daar, kijk eens in wat voor een toestand je toean zich bevindt!" verweet mijn knorrig gezicht hem. Zacht zei hij tegen den kokkie, toen hij, van den eersten schrik bekomen, nog verder de treden naar de veranda opkwam: "Onze toean zijn hoofd is rood!"

Het is altijd iets akeligs, als de koorts zich van een mensch meester maakt. Ik weet niet, wat verschrikkelijker is voor een zieke, zich midden in een aanval te bevinden, of dit zachte, gestadig en onophoudelijk toenemen der koorts in zich te bespeuren, dat, als er niets komt wat haar tegengaat, in enkele uren het einde kan brengen. "Holloeki, waar heb je die boonen gekocht?"

"Bij een vriend in het dorp, heel goedkoop, toean!"--

De kinine begon ondertusschen te werken. Duizenden watervallen ruischten in mijn ooren, heete koortsgloed hamerde in mijn slapen. Toen moest ik lachen:

"Dehng is dood, is 't niet, Aris?" vroeg ik nieuwsgierig en triomfantelijk tegelijk, omdat ik wist, hoe makkelijk het was een cholerapatiënt te diagnostiseeren.

Maar wijl Aris ook mij niet zoo heelemaal meer vertrouwde en hij door dit onverwachte weerzien nog heelemaal als verdoofd was, ontweek hij schuw mijn vragenden blik. Doch zijn woorden: "Toean, blanke menschen sterven niet zoo makkelijk!" die hij angstig en beklemd stamelde, hield een duidelijker bevestiging van mijn vermoeden in, dan wanneer hij eenvoudigweg "Ja!" geantwoord had.

Dat werd een stille middag. Aris en Holloeki zaten tegen den muur, radeloos, hun van koorts woelenden toean voor zich, en vooral de Maleier, die verreweg de gevoeligste was, zat versuft en treurig naar de glinsterende zee te staren.

"Dehng's vrouw is ook dood. Van de zeven menschen in zijn huis leeft er nog een!" hoorde ik hem den kokkie in het oor fluisteren----

Ik had opgehouden met rooken. Het was intusschen avond geworden. In het dorpje, achter groote flardende bananenbladeren gingen de eerste lichten aan. Holloeki werkte niet. Aris zat werkeloos onder aan de trap. Het was donker en droef op aarde.

"Aris' gezicht is vaal," dacht ik, "maar zijn oogen stralen!"

Ik wist nu: Onophoudelijk zou ook ik gedurende den nacht wegschrompelen, mijn blik zou leeg worden, zooals ook Dehng's blik leeg was geworden, mijn wangen zouden invallen en over enkele uren was ik dood.

Maar eigenlijk was me dat een beetje onverschillig. Wat zou het helpen, mij tegen deze, alle menschelijke krachten te boven stijgende machten, als koorts en cholera te verweren. Ik was nog maar door één vurig verlangen bezield: te mogen vergeten, weldra zou het met dien onzin gedaan zijn.

Toen droegen mijn bedienden mij naar mijn bed. Mijn hersens waren een en al denken.--Ik zag in de verte, heelemaal tot in Zwitserland.

Op zekeren avond zou er ginds in het dagblad staan: "gestorven in Achter-Indië aan de koorts." Eenigen mijner kennissen zouden "Zoo, zoo," zeggen en een medelijdend-benepen gezicht zetten, anderen zouden juist het tegenovergestelde doen; doch bijna bij allemaal, misschien wel bij allemaal (tenminste in het geheim) zou een zelfgenoegzaam blaasje uit hun bierglas-ziel opborrelen, hun heele weldoorvoede lichaam zou met een ruk van "zichzelf voor een dergelijk noodlottig einde veilig weten" zeggen: "Waarom is hij daar ook naar toe gegaan?"

"Aris!"

"Toean!"

"In het gele koffertje liggen een paar belangrijke dingen, geef ze, als ik dood ben, aan mijn landgenoot in Thalerng------voor mijn vader!"

Er was wind komen opzetten. Een regenbui zwiepte door het duister, trommelde kletterend op het dak van palmenbladeren, en de echo der geluiden verdubbelde en vermengde zich met de kolking van mijn hamerend bloed. Vensters en deuren stonden wijd open. Op verren afstand, over de zee, ver achter de zwarte kustgebergten, bijna in China, weerlichtte het bleek en vaag.----

Aris en Holloeki dempten hun stemmen tot fluisteren toe; het was mij opeens, als was ik weer een klein knaapje, als zouden mijn ouders daarbuiten angstig voor hun zieke kind bidden------

De ontzetting zat mijn twee bedienden in den nek. Het spooksel der cholera hing boven ons huisje. In de fijn-getakte pijnboomen loerde het, in de manen der kokospalmen; en de zee zong dien avond hol en anders dan op zonnige, gelukkige dagen.

Ver van de Zwitsersche bergen te sterven heeft voor onze dierbaren thuis iets bijna niet voor te stellen vreeselijks. Te weten, dat hij ergens aan de kust van Achter-Indië, verlaten en eenzaam, alleen onder wilden, zijn leven heeft gelaten.

In zoo'n dorp, dat uit louter mangroven en moeras bestaat, waar het regenwater dat van het dak druipt het eenige zuivere is en de modder uit heel het achterland zich met den afval van het dorp vermengt tot één akelige, soms natte, soms droge, reusachtige mestvaalt, waarop doode honden, katten en--bijna zou men denken ook menschen--liggen, door eb en vloed nu dorp-in en dan weer dorp-uit gedragen, soms in de zon verdorrend en dan weer rottend.

Vanuit de in warme behaaglijkheid en in een gevoel van saamhoorigheid bijna verdrinkende burgerlijkheid bekeken, zit er aan de groote, wijde wereld wel iets van leegte; de eenige, die daarheen trok, denken de menschen thuis, zweeft in den liefdeloozen vreemde als een eenzame planeet in de ijzige kou van het wereldruim------

Maar------of dat juist is?

Zijn hier niet ook deelnemende menschen om mij heen, zit de kokkie niet, wachtend op mijn wenschen, bij mij; komt zelfs juffrouw Sih niet uit het dorp, om te informeeren (natuurlijk op haar manier) hoe het met mij gaat? En bracht ze niet Noe Kiang op den koop toe mee?

O, ik zou me prachtige, gloedvolle droomen kunnen voorstellen, die mij over den weemoed van het sterven------heen konden zetten. Tenslotte ben je toch een kerel en voel je je sterk genoeg om ook zonder bijstand alles te doorstaan.

Visschers met hun netten liepen langs het strand naar hun werk. Fakkellichten glommen op. De zee was in duisternis gedompeld en de bezige bruine lichamen der mannen leken in de kleine wereld, die het schelle licht scherp om hen heen afkringde, als poppen, waarmee een vreemd groot kind speelde. Alle geruchten waren gedempt, wekten in mij weliswaar indrukken van bewegingen--ik zag gestalten opdoemen en rondloopen--doch zonder de geluiden, die mijn verstand als bij hen behoorend wilde verklaren, werkelijk te hooren.

Dan verwijderden ze zich, gingen naar huis om te slapen: morgen was er weer een dag------voor hen.

Niets dan de nacht bleef nu buiten, donker en koel en toch vol warmen adem. De wind floot klagend zachte melodieën, en in een oneindig, altijd nieuw, altijd weer ander, en toch altijd hetzelfde sterke rhythme, zongen de golven, al maar slaand tegen het vlakke strand. En het lied dat zij zongen, het wisselend, gelijk de hoop in de harten der menschen dan aanzwellend en dan weer wegstervend ruischen, sloop bij mij naar binnen in mijn houten huis, niet te stuiten en net zoolang totdat mijn vermoeide brein uit het gemurmel der golven zich zijn eigen melodieën puurde, waarop de woorden zich, weliswaar op bekende wegen, maar toch als op een moeilijken tocht niet dan langzaam en traag aaneenrijden:

Wenn der Schnee von den Alpen niedertaut Aus dem See blau der Himmel widerschaut, Wenn die Glocken laüten von den Alpen her, Schau ich doch die liebe Heimat nimmer mehr-- ------------------------

En opeens was het mij, alsof ik een oude vertrouwde stem hoorde, die van alle kanten aanzwol, van den zandigen dorpsweg, uit de kartelige kronen der palmen, uit de donkere wolken van ver, ver weg over zee, een vrouwestem, die klonk als het zuiver geklingel eener bel, die zacht en gedempt klaagde:

Lief vaderland, dierbaar vaderland, zie ik u dan nimmer meer------?

Toen kwam er in mijn eenzaamheid een wanhopig verlangen in mij op; Holloeki moest mijn dagboek brengen, en met duizelende zinnen begon ik bij den schijn der kaarsen een korten groet neer te schrijven:

Lieve Allemaal.

Het gaat mij nog altijd tamelijk goed. Het is hier natuurlijk wel eenigszins anders dan bij jullie witte gletschers.--Maar toch wil en moet ik nog een poosje hier blijven. Ook al valt me dat zwaar. Dat alles zal dan later, wanneer het tot herinnering geworden is, des te waardevoller zijn. En tenslotte is men toch op de wereld om van zijn leven zoo mogelijk iets goeds te maken------.

Er bestaat maar één plicht: De volgzame dienaar van zijn bestemming te zijn------en het te blijven----ook al zou dat komisch of misschien wel ontzettend worden----

maar toen overweldigde mij het wantrouwen tegen mijn eigen brief, en ik rukte met een vastberaden greep deze valsche bladzijde er uit.--

ik zonk weg in den maalstroom mijner phantasieën; koortsgevoelens en zwarte schaduwen vielen op mij aan, alle werkelijkheid en heldere gedachten verscheurend. Nu sliep ik, was dan zoo goed als wakker, dwaalde rond door vreemde werelden, viel in bewusteloosheid.--------------------

Opeens zat ik in een hall die veel had van een ridderzaal, welke geheel met blauwe zijde gestoffeerd was; blauwe vlammetjes, uit de groote tafel en uit het plafond te voorschijn flitsend, verspreidden een zoeten schijn. Op stoelen met blauwe kussens bedekt rondom tegen de muren zaten menschen, veel menschen, en allen droegen mijn gezicht. Met ingelegde, stralende saffier-kristallen stond boven de deur geschreven: Familieraad!

En een in de vergadering, een oude man, wiens sneeuwwitte baard in de blauwheid van het vertrek helder opstraalde, stond op en sprak tot de jongens, die zijn kleinzoons schenen te zijn: Er was eens een in onze familie----een vreemd heerschap. Hij wilde het leven trotseeren en alles doen, wat voor de menschen niet heilzaam is. Tenslotte stierf hij in den jungle.

Denk er aan, doe het hem niet na. Maar bespot hem niet nog in zijn graf. Want hij was au fond een goede kerel.

Het was een innerlijke stem, die hem zoo beval te leven. En het schijnt het noodlot der beste families te zijn, van tijd tot tijd zulke dwarsdrijvers en luchtsprongnaturen te moeten voortbrengen------.

Toen werd ik wakker. Koele, bleeke schijn kondigde een nieuwen dag aan. De zee ruischte door mijn venster naar binnen, en ik nam er werktuigelijk kennis van, dat ik nog niet dood was--------------------

De vermoeidheid van dien zieken tijd, waaruit al mijn zenuwen als ouder geworden, gerijpt en een nuance fijner gestemd, klaarden, hield nog vele dagen aan. Ik was wit geworden in mijn gezicht, mijn oogen lagen diep in hun kassen, en als ik in den spiegel keek, zag mij iemand aan, die niet meer van deze wereld scheen te zijn.

Maar de koorts was nu voor goed gebroken, en niettegenstaande ik er ellendig uitzag, stormde nieuw leven in mij aan.

's Ochtends en 's avonds woei er een frissche bries van zee aan, Holloeki voerde mij met versterkende ziekenkostjes, kookte kruidige kippensoepjes, en het was hem gelukt in een Chineeschen winkel een heelen stapel bussen Berner alpenmelk op den kop te tikken. Ik gaf mij alle denkbare moeite uitsluitend voor mijn herstel te leven, rookte weinig, luierde uit overtuiging en slurpte de eene bus na de andere der kostelijke vloeistof naar binnen, zooals de versmachtende in de woestijn het laatste water uit zijn zak.

Zoo sterkte ik weer aan onder Holloeki's vriendschappelijke verpleging; wel heel, heel langzaam, maar toch vlugger dan ik ooit gedacht had. En op een goeden dag stond weer mijn oude zwerflust in mij overeind, die een diep in mij wortelend verlangen is en evenzeer bij mijn arm geteisterd lichaam behoort als mijn hersens en mijn hart, en die mij telkens weer zal voortjagen zoolang dit leeft, zoolang die denken en zoolang dat slaat.

GEWELDENAARSNATUREN

Toen de draaglasten verdeeld waren, braken we op. Achter den tempel van Canboeri op zandig-stoffige wegjes verdwenen de koelies de een na den ander verder in het oerwoud.

Holloeki marcheerde aan het hoofd naast den leider, ik zelf slenterde achter de karavaan aan, samen met Aris. Ik gevoelde mij erg onbehaaglijk dien ochtend. Ik had Aris voor het hoofd gestooten. Zoo vaak zijn gezicht mij aanzag, scheen het zonder woorden te vragen: "Toean, hoe kan je dat nou doen------?" Hoe dikwijls had hij mij niet al verklaard:

"Toean, als we koelies noodig hebben, laten we ze dan zelf uitkiezen; dan worden ze door ons betaald en kunnen wij ze bevelen!"

En nu vandaag, nu we toch een onderneming voor ons hadden, die in de blauwe verte der Siameesch-Birmaansche grensbergen vaag en vol geheimenis op ons wachtte------nu was de toean op het voorstel ingegaan van zoo'n adellijk heerschap uit de stad, een man, die toch stellig geen benul had van oerwoud en bivak en reizen, en had zich mannen laten geven en had bovendien de betaling der manschappen na den terugkeer aan hem overgelaten. Dat was nu toch al te sterk!

"Toean, hoe kunnen we nu toch macht over die mannen hebben------?"

Hoewel ik zijn verontwaardiging begreep, zei ik enkel kort:

"Aris, denk je heusch, dat jouw toean ooit iets doet, dat niet weldoordacht is?" En bij mijzelf dacht ik: "Er bestaat waarschijnlijk geen enkel land op de heele wereld, waar je het iedereen naar den zin kunt maken."

Was ook ik niet een ondergeschikte, die bevelen kreeg, soms verstandige, soms ook, die meer dan dom waren. Dezen keer moest ik me schikken naar dien Siameeschen graaf uit Bangkok, omdat hij een heelen berg vol erts aan mijn firma wilde verkoopen. Hier was een beetje vertrouwen stellig op zijn plaats, als ik toch al tientallen van keeren alleen op de woorden van den een of anderen onbekende doelloos het oerwoud ingetrokken was en eigenlijk altijd reden had, teleurstellingen te duchten.

Op het laatste oogenblik voor het vertrek had Aris ontdekt, dat deze voorname man zelf "geen flauw vermoeden had van de preciese ligging van den Olifantsberg", dat hij onbemiddeld was en zonder het geld van mijn firma nooit in staat geweest zou zijn een expeditie uit te rusten om den ertsberg volgens voorschrift en zooals de wet des konings het beveelt, in bezit te nemen en in kaart te brengen. Ook had Aris met zijn speurneus al lang menschen ontdekt, die ons omtrent den "Olifantsberg" beter konden inlichten dan dit stadsmensch, dat daar nooit van te voren was geweest en ons iets te koop aanbood wat hij niet eens bezat en nauwelijks van hooren-zeggen kende.

Menschen uit den jungle, zooals alle menschen met een moeilijk vak, zijn trotsch op hun handwerk. Het was dus vanzelfsprekend dat Aris op dezen stedeling, die nauwelijks rechtop kon staan, (om van reizen en zelf-meetrekken maar heelemaal te zwijgen), heel minachtend neerkeek. "Nee, toean, dat mogen we niet doen. Wat heeft dat nu voor waarde. Dat mijnland kunnen we zelf ontdekken, zonder dezen laffen stadsgek eerst complimenten te maken en hem ten slotte nog een onverdiende fooi te bezorgen."

De voorname man, die van een adellijke zelfs den vorm niet had--het was een soort oud, giftig aardmannetje--was mij van vroeger niet erg goedgezind, omdat ik over een zijner andere mijnlanden een voor hem onvoordeelig rapport had uitgebracht. En nu was het dus te verwachten, dat hij al het mogelijke zou doen om te verhinderen, dat wij hem voor zijn neus den "Olifantsberg" wegkaapten. Vooral omdat hij wist, dat Aris en ik, wat het oerwoud betrof, geen kinderen waren.

Daarom, om hem niet wantrouwend te maken, had ik mij met zijn schikkingen betreffende de koelies onmiddellijk accoord verklaard en alleen niet verkozen, dat zijn particuliere bediende met ons meeging, een kerel, die mij al eens eerder in het oerwoud meer schade dan voordeel had gedaan. "Hij moest mij maar laten begaan, ik zou de nog zeer vage zaak onderzoeken en dan wel zorgen dat hij zijn aandeel kreeg," zei ik tot den grijsaard.

Hij ging ermee accoord: "Goed heer, Ong, mijn bediende, gaat niet mee"----

Aan dit alles dacht ik onder het loopen. Het was een frissche ochtend in November, met een zachten Noordoostenwind, ongeveer zooals een midzomerdag thuis, en ik begon mijn zwerftocht, die een paar dagen zou duren, krachtiger en vroolijker dan ik het anders in het heete Siam vermocht. Eerst ontmoetten wij allerlei lieden, die naar de markt van Canboeri gingen; kwamen nog langs eenzame hutten; daarna werd het stiller, verlatener; de weg verloor zich in het stof, en ik was diep in gedachten verzonken, die nooit kleuriger en levendiger door mijn ziel trekken dan op zoo'n ochtend van loopen, als ik wel nog frisch ben, maar de eerste teekenen van vermoeidheid zich toch al beginnen aan te kondigen.

Wij waren nog geen drie uur op weg, toen Aris opeens achter mij een nijdig gebrom liet hooren; en toen ik omkeek, kwam daar warempel, hijgend onder zijn draaglast, de bediende van den ouden graaf al aanstappen.

Ik lette niet verder op hem, hopend, dat hij spoedig een anderen weg zou inslaan. Maar ik kon een verdenking toch niet van mij afzetten, namelijk, dat hij door zijn meester gestuurd was, met onze karavaan zou meeloopen en moest bespionneeren, wat ik als zaakkundige ginds bij den berg deed, en de hoofd-gedachte: De graaf wilde zeker een zijner eigen getrouwen sturen om op de plaats zelf een plattegrond ervan te maken; een ruwe schets, naar den vermoedelijken stand der omliggende bergen en dalen en naar de opgaande zon georiënteerd. En deze schets zou de spion zijn meester dan op de een of andere manier door een overhaasten terugtocht ter hand stellen, voordat ik, blanke, terug was, en op deze manier zou die oude vent dan het waardevolle land, dat nog vrij kroonland was, met een concessie beleggen, en mij zouden intusschen mijn koelies ergens in het oerwoud op een dwaalspoor brengen of misschien wel in den steek laten, zoodat ik te laat terugkwam----.

Toen nu deze man zich 's avonds in denzelfden tempel als wij ter ruste wilde begeven en de woordbreuk van den ouden graaf heel duidelijk bleek en ik begon te merken, waar de geschiedenis op uit zou draaien, werd ik helsch en liet den kerel openlijk zeggen, dat hij moest maken dat hij wegkwam, of ik zou zijn meester met geen enkel woord vertellen, wat voor kansen de Olifantsberg bood.

Doch Aris kwam met het drastische antwoord terug: "De vent gaat toch mee----al zouden we hem doodslaan...."

Hij was half-ras China-Siam, van lenigen lichaamsbouw en had een Chineesch "Spreek-heer-je-knecht-luistert"-gezicht. Maar dat was niet echt. Als ik hem in zijn groene spleetoogen zag en merkte dat hij zoo maar in het wilde weg iets had beweerd, knepen de smalle spleetjes nog schuiner weg. En zoo duister en donker als zijn huid was, klonk zijn naam: Tsjong Ong.