In het rijk van Siameezen en Maleiers
Part 10
Aris stond daar voor mij in zijn nog tot ver boven zijn knieën natte en met aarde bevlekte werkbroek, met slijkspatten in zijn gezicht, en zijn oogen zagen er bedroefd en meelijwekkend uit.
"O, jij pracht van een laki-laki (echtgenoot)!" zei ik tegen hem.
Maar hij toonde op dit moment weinig lust in grappen. Alles heeft zijn grenzen. Aris' humor bleek ergens anders, toen hij verder aandrong.
"Toean, S'pia is goed. Ze bezit een eigen huisje, twintig rai rijstvelden en haar vader is een achtenswaardig man. Als je mij helpt om S'pia te krijgen, toean, zal ik je dienen zoolang je in Siam blijft en zal ik verder met je blijven reizen en trekken, overal, waar je mij ook beveelt heen te gaan."
Toen blafte ik hem tamelijk grof toe:
"Wreedaard, woudzwijn, dat je bent, hoe kan je van S'pia verlangen dit onbestendige leven met je te deelen; jij, die op een goeien dag plots dood zou kunnen zijn, door een olifant doodgetrapt, in zee verdronken of door de koorts opgevreten. Aris, slechte kerel die je bent, heb je geen medelijden met haar? En kom er me niet meer mee aan, ik geef je het geld niet. Zoodra je haar hebt, zal ze van je verlangen, dat je bij haar thuis blijft hokken, haar een handje helpt bij het rijst planten en met haar in de schaduw gaat liggen.
Wil je in de plaats daarvan niet liever met mij meegaan? De verre bergen in het Noorden leeren kennen, waar de lucht koel en gezond is en mooie vrouwen leven, in vergelijking waarmee S'pia maar een kale bamboerat is.
Kan je je niet veel beter een goeien ouden dag verzekeren, door je bereisdheid, je kennis van het land, door je vak? En is dat niet beter?
En je toean wil je zoo maar, of het niets is in den steek laten?"
En mij van hem afwendend, sprak ik binnensmonds, als tegen mijzelf, voort (dat is een uitstekend middel in den omgang met ondergeschikten):
"Silaka! Al deze menschen zijn toch even slecht! Geen enkele die beter is dan de eerste beste domme koelie!"
Doch ook deze beleediging bracht Aris niet van de wijs.
"Toean, ik verlang maar voor een klein oogenblikje je aandacht," bedelde hij opnieuw.
"Ik heb het huwelijkscontract kant en klaar in mijn zak. Als je me driehonderd tikals geeft, kan ik voor S'pia's vader de drie gewenschte geiten en zes mooie doeken koopen, en de huwelijksceremoniën zijn dan in een ommezien voorbij. S'pia zal thuis blijven; ze heeft me toegestaan dadelijk met je mee te mogen gaan, wanneer en waarheen je mij beveelt je te volgen"----
Nu zat ik toch deerlijk in de klem. Toch schoot me nog een laatste uitvlucht te binnen.
"Aris," zei ik heel langzaam en ik lei op ieder woord sterk den nadruk: "Jij op reis, en je vrouw ver weg, midden in het dorp--onder--allemaal jonge----menschen------!"
Doch Aris stelde mij onmiddellijk gerust: "Ik kan gerust weggaan, toean, S'pia is niet gevaarlijk mooi----" en om niet als een stommerik voor me te staan, voegde hij er haastig aan toe: "niet erg mooi----maar toch wel week!"----
Toen zag ik in, dat ik het verloren had en dacht alleen nog maar: "voordeelig, werkelijk practisch!" en gaf hem het geld.
Het werd al moeilijker in het oerwoud. Het werd twijfelachtig of de plek wel dat wat ze op het eerste gezicht beloofd had, zou bevatten. Slechte, onbegrijpelijk geringe resultaten hadden we, vlak naast goede. Met het koortsklimaat moest ook rekening gehouden worden. De half-vergroeide grenzen van een oude, misschien nog geldige concessie, toebehoorend aan een Siamees, grepen tot diep in de plek waar wij werkten en sneden er het rijkste brok van het heele dal uit.
Het was de vraag of er ooit menschen zouden zijn, die het bij geregelden arbeid hier konden uithouden. Zelfs de sterkste Siameezen werden ziek. Of ik wilde of niet, ik moest er al meer over nadenken, hoe onzinnig het was, bij de al geringer wordende uitzichten bij deze moeizame poging te volharden.----
Op een ochtend toen ik wakker werd, stond Aris besluiteloos bij den kokkie.
Ik keek op de klok.
"Waarom ga je niet met de mannen aan den gang?"
"Ze zijn er niet toean."--
"Wat, nog niet uit het dorp terug? Dan zullen we weer nieuwe koelies moeten zoeken, als de anderen het werk beu zijn."--
Twee minuten later kwam Aris terug met de boodschap: "Toean, Krot is daarnet aangekomen. De andere drie hebben vannacht buikpijn gehad, en twee van hen zijn al gestorven--."
Nu wist ik, dat de cholera, die in de groote steden al sedert weken sluipend haar slachtoffers besprong, zich ook over het land had uitgebreid.
"TROPENWEE"
In het oerwoud ging het met mijn gezondheid al dreigender achteruit; al zeldzamer werden de koortsvrije dagen.... toen, op een ochtend, pakten Aris en Holloeki, energiek ingrijpend in mijn leven, mij op den rug van P'hang noi, den ouden olifant.... maar nu is het dan ook hoog tijd!.... en net zooals je een zak vuil waschgoed naar de waschvrouw stuurt, brachten ze mij het dal uit, naar het open land, naar het dorp, terug bij de menschen.
Een jonge olifant droeg mijn uitrusting. Holloeki stapte er met twee Siameezen achteraan, tot over zijn knieën in de modder, terwijl Aris aan den Nam Dam achterbleef om het werk te regelen en mij later in te lichten.
Op onzen terugtocht naar de zee kwamen wij door Toeng Qoeang, dat leeg en verlaten neerlag. Alleen een paar tot geraamten vermagerde, armzalige honden en een schurftige kat jankten langs de hutten. Maar de inwoners waren allen voor de cholera het oerwoud in gevlucht.
Iederen keer, wanneer met den drogen moesson de epidemie komt, pakken de menschen hun boeltje, nemen hun leven in hun handen, snellen de wildernis in, zoo dicht mogelijk bij de bergen, waar het water frisch en helder stroomt en leiden zoo een nomadenleven tot de ziekte afneemt. Velen onder hen keeren nooit terug, sterven in het oerwoud.
Hutten, waarin zich sterfgevallen hebben voorgedaan, worden nooit meer betrokken, doch aan het toeval overgelaten, geteekend door rondom er aan opgehangen mandjes met zoenoffers voor de verschrikkelijke geesten.
Eens ontdekte ik, ver, bij de grens van Birma, te midden van den wirwar der hooge bergen een eenzaam dorpje, dat een half jaar te voren was uitgestorven, toen de vreeselijke ziekte heerschte. De jungle had het nu in den loop van zes maanden volledig heroverd; struiken en heesters, twee-, drie-man hoog, overwoekerden het, zoodat we de oude dorpswegen nauwelijks terug konden vinden; en alle hutten waren door uit oude stronken nieuw opgroeiend geboomte opengebroken.
Bij de laatste hutten van Toeng Qoeang, waar Dehng woonde, zag ik een afgrijselijk beeld. De oude grootmoeder lag als een wassen lijk, als een mummie uit een voorwereldlijk graf voor de deur van het huis, doch leefde nog. Dehng zelf, hoewel ook al doodelijk getroffen, zat nog rechtop; maar zijn oogen glinsterden, zijn wangen waren hol en terwijl hij--nog met een half-hoopvol glimlachje--over het vreemde spook sprak, dat in hem huishield, was het makkelijk te voorspellen, dat hij morgen niet meer zou lachen------
"Breek jullie mijn provisiekistje maar open en drink zooveel jullie kunt van mijn groene pepermuntlikeur!" zei ik tot de mannen, die nog half in leven waren en--gaf het teeken om verder te trekken. Het stond helaas niet in mijn macht om meer te helpen.
Het is daarom zooveel treuriger bruine menschen te zien sterven, omdat wij niet kunnen weten welke voorstelling zij van den dood hebben; Boeddhisten sterven misschien in de verwachting na het eindelijk "uit deze harde wereld weg te mogen gaan" misschien een nog jammerlijker wezen te zullen worden; maar zoo'n Siamees, wien door zijn religie verteld wordt, dat hij den volgenden keer misschien als os, als kikker of misschien zelfs wel als slang zal leven of een rat zal bewonen, die men verzuipt----
Vermoeid en ongemakkelijk en door mijn zwakheid zeer onbeholpen schommelde ik door het oerwoud, en het harde houten zadel drukte mijn uitgeputte leden meer dan een gezond mensch.
En ook verder was het een droevige tocht. Ik schaamde me bijna, nu werkelijk niet tot iets beters in staat te zijn dan boven op een olifant vastgekleefd te zitten en taai te hopen bijtijds in de gezonde zeelucht te komen, eer het met mij gedaan was.
Bij elken zwaai, bij elken nieuwen stoot ontwaakten wrevelige, angstige gedachten in mij, en de twee dagen van reizen eer P'hang noi mij eindelijk midden tusschen de dubbele rij hutten en kippenhokken op de markt van Sitsjon neerzette, leken mij eindeloos toe. (Markt noemt men die gedeelten in het centrum van een dorp, waar de Chineesche winkels en kramen dicht opeengedrongen staan, bijna zooals in een stad.)
Ik strompelde Nai Sih's huis binnen, waar ik dadelijk op een ligstoel neerviel.
"Holloeki!"--
"Toean!"--
"Zie, dat je ergens een bus melk te pakken krijgt----merk Switzerland."
Het krot, waarin ik lag, was winkel, woonkamer en voorraadschuur tegelijk, en alle dorpsbewoners liepen er in en uit, zonder zich den minsten dwang aan te doen. Mijn koelies hadden het zich gemakkelijk gemaakt; ze zaten op rijstzakken of lagen op den vloer. Het was smerig in het vertrek, roode kringen van betelnootspeeksel kleefden op den drempel gelijk bloedvlekken, en ik voelde mij in mijn door de ziekte aangelaaide gevoeligheid, zoo armzalig alsof ik in een Europeesche werkmanskroeg zat.
Op den in orde en helderheid grootgebrachten blanke maakt het vuil en heel de onzuiverheid van zoo'n Siameesch-Chineesch huis in het begin een walgelijken indruk. Later went hij zich er wel aan, een romantische manier van alles te bekijken ontwaakt in hem, dringt zich bemiddelend op den voorgrond en het gevaarlijke "Tida apa--alles is eender," doemt op; het groote "zich laten gaan en alles, alles in lankmoedigheid aanvaarden," dat in heete landen het gemoed zoo welkom is, en dat zich langzaam-aan zoodanig van hem meester maakt, dat hij zich in de allerergste wanordelijkheid op zijn gemak begint te gevoelen, tot Europa ten laatste voor hem die lang in het Oosten heeft geleefd, absoluut onmogelijk wordt.
Nai Sih's vrouw, die dubbel zoo dik en licht was (in tweeërlei opzicht, van huidkleur en geest) als haar heer en meester, kwam behoedzaam, alsof ze mijn moeder was, aantrippelen en vroeg naar mijn welzijn: "Nai hang tjep!--Ben je ziek, heer?"
In het kamertje er naast lagen twee stroomatrassen naast elkaar, als een lits-jumeaux, elk met een houten blok als kussen, en daarboven, aan den muur, had mijnheer Sih in bruine onschuld een reeks blanke plaatjes met gedecolleteerde meisjes uit cigarettendoosjes vastgeprikt (blijkbaar omdat ze in zijn smaak vielen), een wandversiering, van welker primitiefheid de brave familie geen flauw vermoeden had.
Toen kwam Holloeki: "Toean, je veldbed is klaar!"
Over het zandige dorpsplein voor Nai Sih's huis rolden afgejakkerde honden jammerlijk blaffend voort. Onder tien dieren waren er niet meer dan twee, die niet bij elken stap dien ze deden van honger en ellende door hun beenen zakten.
Vele dagen achtereen strompelde ik van mijn bed naar den ligstoel, dien ik vlak bij de deur liet neerzetten, zoodat mijn blik een gedeelte van het dorp beheerschte.
Sitsjon bestond bijna alleen uit twee rijen hutten. Kokospalmen wuifden boven de huisjes uit, hoog en vreemd, en met zware vruchten behangen. Het straat-dorpje was door visschers en schippers bewoond, die de rijst van het binnenland naar de dichtstbijzijnde groote dorpen over de baai brachten en van daar allerlei waren, doeken en zoo, mee aan land brachten. Meer dan de helft der hutten stond op palen, omdat de zee de kleine rivier waaraan Sitsjon lag iederen dag, gedurende zes lange uren tot midden in het dorp opstuwde.
Op het Malakka-schiereiland is het mogelijk den regentijd te ontwijken, zooals men in den regentijd in de bergen boven den nevel de kou ontvlucht.
Terwijl we eenige dagen te voren aan de Zwarte Rivier heel de troosteloosheid der zondvloed ondergingen, begon hier, iets noordelijker en aan de Oostkust de droge moesson al.
Met vermoeiende regelmatigheid ging de zon ochtend na ochtend op. Hoe prachtig haar vroege goud in de kronen der palmen lag, hoe aangenaam haar eerste schijn na den koelen nacht ook over het gele zand straalde--even vreeselijk en wreed werd haar middaggloed. Het huis van mijn gastheer, als zijnde dat van een rijk man, droeg een luifeltje van golfijzer en daardoor brandde de zon nog gloeiender naar binnen.
Wanneer de middag over het land lag, drukte hij zijn stempel op het doen van alle menschen. Wie het zich ook maar eenigszins kon veroorloven, kroop in de schaduw. Dan lag mijnheer Sih op zijn buik naast zijn vrouw, languit op den koelen houten vloer uitgestrekt, iedereen in het dorp steunde "ron--heet" en iedere lach, elk onnoodig gepraat was verstomd onder de drukkende hitte.
Als in den schouwburg zoo lag ik in mijn ligstoel, en het leven trok langs mij heen in kleurige beelden. Zonder zich buitenmatig te moeten inspannen, beheerschte mijn blik den ingang tot de hutten in de buurt van mijn woning en weldra onderscheidde ik onder de menschen, die op den zandigen weg voorbijstapten, sommigen, die voor mij van beteekenis werden, naast anderen, die nooit zouden terugkomen en maar voor een paar minuten op het dorpsplein halt hielden.
Het twaalfjarige Chineesche meisje, dat in haar zwarte broekje, in haar zijden overjakje en met haar olie-gladde vlechtje er zoo heldertjes uitzag als een zoo pas afgeregende blauwe pruim, zou stellig nog menigmaal voorbij mijn deur naar school toe wandelen, dacht ik, terwijl die zwervers ginds onder den dorpsboom wier heele vermoeide houding zei: wij komen ergens uit den jungle vandaan en gaan weer op een andere plek terug het oerwoud in--weldra uit mijn wereld zouden verdwijnen.
Het waren eenvoudige mannen, wier gansche bezit uit twee doeken, de broek- en de halsflarden bestond, uit een afgedankte Engelsche blikken cigarettendoos, waarin misschien een pruim tabak, een paar betelnoten en wat kopergeld zaten. Oude, witharige mannetjes als zij waren, met draderige baardjes, afgematten blik en door het kauwen vermoeide hanglippen, schenen zij te wachten, tot het koel genoeg werd om den terugtocht te aanvaarden.
Of een troepje oerwoud-vrouwen kwam er aan, de een achter de ander aan, de ouden (en vertrouwden?) de mooie jongen in haar midden nemend. Ze traden in deze vier-houten-hutten-stad als boerendochters uit het afgelegen Emmendal in de Bondstraat in Bern------reusachtig kleurig en vroolijk gestemd, om zich heen koekeloerend en door iedereen bekoekeloerd. Het een of andere zuinige zaakje bracht ze na twee uur loopen door het meedoogenlooze oerwoud hier: omzet 33 bananen à 2 satang; zuivere winst--66 stuiver.
Ontzettend en onverbiddelijk rijst in de tropen de zon boven de aarde op en broeit dag-in dag-uit steil en gewelddadig over het land, zoodat de mensch geen uitweg vindt, nergens haar ontloopen kan en dof-klagend lijdt. De heete tijd talmde boven het dorpje als een ongeluk. Alle menschen klaagden over pijn in heel hun lichaam en zelfs de donkerste inboorlingen verdroegen de overdreven hitte moeilijk.
In deze tijden staat het water in de drinkplaatsen laag en troebel, en de cholera maakt haar verwoestende reizen naar het Zuiden, uit het reuzenlichaam van Azië omlaag kruipend naar het Malakka-schiereiland, als een duizendpootig opdoemend en weer verdwijnend menschen-vretend spooksel.
Op een morgen keek ik naar een hevige vechtpartij op het dorpsplein, "om een gebroken bord," waarbij gele gal en fiksche klappen rondvlogen. Maar toen kwamen een paar blauwe Chineesche vrouwen "zonder voeten" tusschen de vechtenden aanstrompelen, en weldra ging ieder weer rustig aan zijn werk. Chineesche drift is mooi. Omdat ze echt is. Al wat echt is, is mooi. Altijd. Nai Nok, meneer Vogel, in de tweede hut schuin tegenover de mijne, speelde onwrikbaar en taai-volhardend op een fluit, en in een der weinige winkels zat een oud verschrompeld vrouwtje, dat eigenlijk niet veel reden meer had om vroolijk te zijn; maar ze lachte heel den dag en was vroolijker dan menig mooi jong meisje. Ze scheen van een reusachtige taaiheid te zijn, dit rimpelige, gebroekte Chineesche wijfje met haar gele leêren gezicht. Ze was er altijd, alle dagen, sinds jaren misschien al. Om acht uur 's ochtends was ze er, om elf uur; 's avonds om zes uur zat ze in haar hut, de handen op een harer knieën gevouwen en aan de afschuwelijke nauwkeurigheid en plichtsgetrouwheid van een Europeesch vrouwtje achter een snoepgoedstalletje herinnerend. Urenlang zat ze alleen, met blij-stralend gezicht naar iets in de wereld starend, en maar heel zelden verkocht ze een paar Chineesche bonbons, betelnoten of vuurroode pepervruchten.
"Waarop," dacht ik, "zou die in het leven nog wachten------?"
Op een keer, niemand was meer aan het werk, toen ik me wat beter voelde en op een driepoot voor Nai Sih's winkeldeur zat, kwam een oude Chineesche heer, goudsmid van zijn vak, op mij toe en hield mij zijn klein, tweejarig dochtertje voor, dat volkomen naakt was en in haar spannend huidje stak als het vleesch in een versche, volgestopte leverworst. "Neem haar, als je haar hebben wilt!" begreep ik.
Ik was onthutst en het kostte eenige moeite, eer Holloeki hem aan zijn verstand kon brengen, dat ik met dit kleine wezentje niets kon aanvangen, omdat ik binnenkort terug naar Europa ging en geen tijd had om hier te wachten tot het--groot genoeg was, "en trouwens," ging ik zelf toen voort, daar de Chinees Maleisch bleek te verstaan: "T'a boedak ambil--t'ada soesoe!----(Ik kan dat schepseltje toch immers niet overnemen, omdat ik geen melk voor haar heb)."
En toen begreep ik pas, dat hij zijn lieveling alleen maar door mij wilde laten photografeeren.
De derde hut links aan den overkant was vol met kleine kinderen, en een dikke, vette moeder woonde daar, met geweldige, wiebelende hangborsten, waar ze zoo plomp mee te koop liep, dat ik bijna mijn blik moest afwenden. Met haar ronde vleeschgezicht en haar verwarde, tot op haar schouders afhangende haren was zij het goede motief voor een titelplaat bij een brochure, uitgegeven door een vereeniging ter bevordering van de natuurgeneeswijze: "Gezegende spijsvertering en vruchtbaarheid!"
Af en toe kwam ze naar buiten rennen en liet een natuurkreet los: "Hee-loek-maa-nii! Loek-hee-maa-niiii!" en dan kwam er een dreumes of een hond of een kip aangedribbeld; en dikwijls scheen zij enkel en alleen uit een in elk opzicht bevredigd-zijn zoo te krijschen.
Ik martelde lang en vergeefs mijn brein af met de vraag, waar toch de vader van dit gezin mocht zijn, tot hij op een avond verscheen. "Het is een bootsman, die in zijn stuntelige jonk dwars over de Golf naar China vaart," verklaarde Holloeki mij. Toen hij thuis kwam, stak zijn familie kaarsjes aan en bracht den goden offers.----
Op een middag, dat het weer ontzaglijk heet was, dacht ik: "Goed, nu wil ik een heele poos ziek zijn! Zou Noe Kiang dan komen om mij te verplegen? Of die slanke in haar witte hemdje, die altijd lacht en zulke blinkende tanden heeft en zulk mooi lang haar, dat je van verbazing haar al te groote, bijna een beetje uitpuilende oogen door al de overige schoonheid vergeet?"
Iederen ochtend kwamen er marktvrouwen van het land en brachten groenten en visch. Onder hen was een Maleische in een rood-blauwe sarong en een witte kabaai. Ik vond haar sympathiek, omdat ze een ietwat menschelijker taal sprak dan de Siameesche vrouwen. Wanneer ik als Maleier op de wereld was gekomen, dacht ik, zou ik misschien mooi kunnen dichten.
Mijn oude kennis, de "timmerman met de knuppelpijp" sprak met haar. Hij droeg een blauwe, dunne broek, die boven zijn gespierden buik was dichtgebonden. Hij was een prachtkerel en scheen haar bedoelingen uitstekend te begrijpen. Ik vroeg mij langen tijd af, of hij het op de laatste harsfakkel welke zij te koop had, had voorzien of zij op zijn--twee tikals.
"Holloeki, ik wil een beetje slapen; als ik wakker word, kun je me citroenlimonade geven!"--------
De zon stond met verzengenden gloed aan den hemel.
Ik voelde hoe ze mij uitteerde, hoe ze in mijn heupgewrichten vrat------
Toen was de timmerman weg. De mooie Maleische was er nog. Nu had ze oogen als smeulende kolen------van uit de verte. Als ze nog een paar keer voorbijkomt, word ik opeens gezond.
Tropen-dagen zijn eindeloos. De zon staat van 's ochtends tot 's avonds steil aan den hemel. Ze is er of ze is weg. Als ze weg is, is het nacht.
Alle leven in de tropen is in hevigheid aanwezig of het ontbreekt volkomen. Leven en dood staan in heete landen zoo dicht naast elkaar als dag en nacht------
Plechtige avonden vol wijding heb ik in Sitsjon doorgebracht: wanneer de Chineezen den hamer en het werktuig terzijde legden, naar hun viool grepen en korte hortende muziek alle straten en mijn huis met haar juichende zig-zag-melodieën vervulde, wanneer ik voor de winkeldeur zat en vol verwondering in alle hutten staarde, waar flakkerende olielampjes van de simpelste dingen heele sprookjes maakten.
Dan ben ik wel als in een droom door het dorp gegaan. Holloeki vertelde mij van dezen Indiër, dat hij "banjak oentoeng" had, dat "hij veel verdiende" en van dien Chinees, dat hij al eens in Bangkok geweest was, een mooie vrouw had, maar geen geld bezat. Op zulk een wandeling ontdekte ik de woning van Zwartbroekje, het propere Chineesche pruimpje, of ik zag waar een mijner andere oude kennissen gehuisvest was. Dan voelde ik iederen keer deelnemend: zoo, is dat jouw schamele paleis.
Later betrok ik het paviljoentje van een voornamen Chinees, dat onder palmen dichtbij zee lag, buiten, voor het dorp.
Het was nog nieuw, eenvoudig gebouwd en helder. Op de kleine veranda stonden een paar rieten meubelen, ik had na langen tijd voor het eerst weer eens een tafel en onderging het met een dankbaar hart, dat ik voor enkele dagen volkomen uit de kwellingen van mijn zwerversbestaan verlost was.
Met een ruk stond toen de herinnering aan vroeger tijden in mij overeind en ik dacht op dit stille plekje eindelijk, mijn moede ziel ontlastend, neer te schrijven, wat mij sedert weken en maanden zoo vervulde, heel die bonte reeks van avonturen zwart op wit te fixeeren, opdat het mij met nieuwe kracht vrij en vroolijk te moede zou worden.
Dadelijk, den eersten avond al, ging ik aan de keurige tafel met de lichte lamp zitten, maar--inplaats dat ik doen kon, wat ik meende te moeten doen, dwaalden mijn gedachten telkens weer af: telkens weer ging ik in den ligstoel liggen en keek naar buiten naar de zee of luisterde naar de stemmen, die op weg naar het dorp langs mij heen trokken. En het was mij, alsof mijn diepste wezen een ongeluk was wedervaren: en een bang vermoeden bekroop mij, dat ook ik misschien al verteerd werd door de dierlijke onbestendigheid en rusteloozen zwerflust, die een diepe karaktertrek is van allen die den jungle bewonen.
Ochtend aan ochtend zag ik de zon uit de zee opkomen. Als ik uit mijn kamertje kwam, vlamde een laaiende gloed over den hemel, en een zachte, koele bries herinnerde mij aan den winter in de bergen. In den vroegen morgen stond de zee laag en likte haar kracht verterend met duizenden glinsterende tongen naar het glimmend-vochtige, groenige strand. Spiegelende lichtglansen lagen in de verte over de open zee, en de steil-opgaande wanden der rotsachtige bergen, die aan weerszijden de golf omgaven, waren zacht-rood getint.
En als de zon dan hooger steeg, fonkelden de glanzingen der golven heel den middag door de fijn-getakte palmen als vloeibaar zilver naar binnen.----
Met al deze beelden, dacht ik, op mijn veldbed liggend, ben ik rijker dan honderdduizenden, die ze nooit zullen aanschouwen. En om dit alles zijn ze veel armer dan ik. Heele werelden blijven hun onthouden. Daarom moet ik lijden, ervoor betalen. Het leven is een strenge meester. Het schenkt ons niets. Hij, die tot genieten wordt uitverkoren, moet sterk zijn en dulden.
Maar het leven blijft ook zelden iets schuldig. Alleen, moeilijk te onderscheiden--soms bijna niet te onderscheiden--is vaak zijn wijze van beloonen.----------------