In Het Oerwoud En Bij De Kannibalen Op De Nieuwe Hebriden Deel

Chapter 7

Chapter 73,939 wordsPublic domain

Den volgenden dag gingen we opnieuw naar de feestplaats. Het regende nog steeds, en van de struiken veegden we de droppels, zoodat we in korten tijd doornat waren. Terwijl dat op zichzelf al niet heel geschikt is, om iemand in feeststemming te brengen, kon wat we zagen, dat evenmin doen. Om het plein in het natte woud stonden en hurkten de inboorlingen in groepen, beverig en katterig. Bij een paar vuren trachtten ze zich te warmen, maar zonder veel gevolg. In verveling keken ze ons zonder een woord aan en lieten ons voorbijgaan. Eenige vrouwen hadden zich van groote bladeren regenschermen gevlochten, vlakke schijven, die ze op de onbehaarde hoofden lieten balanceeren. Het zwartsel van de feestdracht had de regen totaal afgewasschen. De feestplaats was verlaten. Een troep blaffende honden sprong als gewoonlijk op ons toe, eenige kinderen speelden in het slijk, anders was er niets te zien.

Wat we des avonds niet hadden kunnen zien, was nu zichtbaar, namelijk de gamal of het mannenhuis, waarvoor als zuilen eenige met wilgenloof omslingerde palen stonden. Zoowat ieder half uur bracht een man een varken aan een touw op het plein. Daar sommige van die dieren met de gewonden tanden heel kwaadaardig zijn, waren er wel eens twee mannen noodig, om het varken vast te houden. Het hoofd danste herhaaldelijk om het dier heen en ging dan de gamal binnen.

Het valt niet gemakkelijk, zich telkens het noodige aantal zwijnen te verschaffen, om in een hoogere kaste te worden opgenomen. Men leent ze vaak, en nu bestaan er talrijke amuletten, die den zoekende bij zijn vragen kunnen helpen. Meestal zijn dat vreemd gevormde steenen, vaak ook kleine varkentjes, uit zachte tufsteen gesneden, die men in de hand of in den gordel draagt, om de harten milddadig te stemmen. Zulke amuletten erft men dikwijls, en ze worden voor groote sommen gekocht.

De heele namiddag ging ermee heen, eer alle varkens omdanst waren. Wij brachten den tijd meestal in de open lucht rillend door, wat we nog verkozen boven het oponthoud in de hut. Daar toch lagen schots en scheef over elkander in de ongemakkelijkste houdingen de dansers van den vorigen avond te snorken. Anderen klappertandden van kou, en weer anderen keken grimmig in het rond. Er werd ons een eereplaats aangeboden op een dwarshout, en daar zou het wel goed zijn geweest, als niet een bevende oude man zich, als om warmte te zoeken, tegen mij had aangedrukt en in zijn halve sluimering zijn met olie gedrenkt hoofd op mijn schouder wilde leggen, en het alleronaangenaamst waren myriaden vlooien, waarvoor ik mij eerst veel te laat door de vlucht uit de voeten maakte.

In den namiddag waren ongeveer zestig varkens vastgebonden. De hoofdman nam een ouden geweerloop en sloeg den dieren den schedel in. Honden en menschen vielen op de stuiptrekkende slachtoffers aan; de honden likten het bloed op, de menschen droegen brokken mee naar huis, en de gastheer, de "big fellow master", kon het hoofd eenige duimen hooger dragen, al was het feest in den echten zin in het water gevallen; wij gingen druipnat door het druipende woud naar huis en trokken zoo spoedig mogelijk droge kleeding aan.

Vroeger werden bij dergelijke gelegenheden ook menschen opgegeten, om de feestelijkheid te verhoogen. Het laatste kannibalenmaal was in deze streek in het jaar 1906 gehouden en had de volgende aanleiding. Verscheiden jonge mannen liepen als altijd met hun geladen en gespannen geweren door het bosch, de een achter den ander. Daarbij ging het geweer af van een jongen knaap, die geen vrienden en verwanten had, en doodde zijn achterman, den zoon van een invloedrijk inboorling. Allen waren het erover eens, dat er van een moordplan geen sprake was, maar dat alleen een ongelukkig toeval in het spel was. Niettegenstaande dat verlangde de bedroefde vader een aanzienlijke som van den armen jongeling, die ze zelf niet kon betalen en wien niemand de verlangde zwijnen wilde leenen. Daar de vader dreigde en aandrong, vluchtte de jongen naar een naburig dorp. Daar werd hij wel vriendelijk opgenomen, maar in het geheim stuurden de menschen een boodschap naar den vader en verzochten instructies, wat ze met den jongen man moesten doen. Het antwoord luidde: "Straf hem met den dood en eet hem op!" De dorpelingen gaven toen een groot feest ter eere van hun lieven gast, en sloegen hem daar met een bijl dood, om hem daarna naar den eisch te braden.

Ik keerde naar Port Olry terug, waar ik den pater niet meer aantrof. Hij was op een voorbij varend schip weer naar een anderen collega gereisd, daar zijn beroepsplichten hem veel vrijen tijd lieten. Hij bezette namelijk in Port Olry op Espiritu Santo een verloren post, daar de inboorlingen van de zending niets wilden weten, al stonden ze er niet bepaald vijandig tegenover. Maar een innerlijke behoefte aan bekeering voelden ze niet, en daar de arme katholieke zending hun geen groote voordeelen kan aanbieden in tegenstelling tot de rijkere presbyteriaansche missie, zagen ze geen reden, waarom ze hun oud geloof zouden opgeven. De goede pater leefde hoogst eenvoudig in een bouwvallig huis met een oud echtpaar uit Malekula.

Bij de afwezigheid van den pater verliep het leven als gewoonlijk. Ik bezocht de dorpen, verzamelde schedels of ging op de jacht of uit visschen. Paul en een vriend verkochten mij een paar aardige varkentjes, waarvan het eene dadelijk in den kookpot verhuisde. Den volgenden dag kwam een schuchtere man en beklaagde zich bij mijn bedienden, dat Paul de zwijntjes van hem had gestolen.

"Natuurlijk weer Paul", dacht ik en ijlde naar het dorp met het stellig voornemen, hem eens duchtig de waarheid te zeggen. Ik vond hem in de hut, languit voor het vuur uitgestrekt. Hij bekende in de grootste openhartigheid, dat hij wel zelf de dieren niet had gestolen, maar ze voor zijn vriend, die ze had weggenomen en die de Biche-la-mar of vreemde taal niet kon spreken, had verkocht. Ik vond zijn kalmte daarbij zoo opmerkelijk, dat het mij bijna speet, de koopsom, wat tabak, weer terug te vorderen. Hij gaf die gewillig af, en toen zetten de dief en de bestolene zich samen aan het vuur en bespraken het geval rustig en zakelijk, alsof ze er niet zelf bij betrokken waren. Ik keerde toch onbevredigd terug en wist niet, of Paul zeer naïef of uiterst slim was.

Eenige dagen later klaagde een inboorling, dat zijn broeder ziek was, en of ik hem medicijn wilde geven. Ik kreeg eindelijk zooveel uit hem, dat de patiënt een gezwollen lijf had en vernam toen ook de oorzaak, namelijk dat hij acht dagen geleden op een doodenmaal alleen een heel vierdepart van een varken had opgegeten. Men wou dat echter niet als de oorzaak van de ziekte erkennen; maar men hield stijf en sterk vol, dat hij door den een of anderen vijand was vergiftigd.

Ik gaf den man calomel met de aanwijzing, het den zieke dadelijk te brengen, want het moest gauw gebeuren. Maar de man verpraatte zijn tijd; het werd nacht; hij durfde niet alleen door het bosch te gaan en sliep aan de kust. Den volgenden morgen stierf de zieke. De bode haalde de schouders op en zei, dat het nu eenmaal zoo was.

De dood maakte natuurlijk de vergiftiging tot zekerheid, en daarom werd het lijk niet begraven, maar in de hut op een baar gelegd met al zijn sieraden. Om hem heen zaten de vrouwen.

Een afschuwelijke reuk vervulde al spoedig de hut, waar de vrouwen nog tien dagen lang bij het rottende lijk in een wolk van vliegen moesten verblijven. Ze verbrandden daarbij sterk riekende kruiden, en om de vloeistoffen te laten wegloopen uit het bewoonde gedeelte van de hut, werd dwars erdoorheen een goot gegraven.

Neus en mond van den doode waren met aarde en kalkbrij dichtgemaakt, misschien, om de ziel in het lichaam te houden. Om het lijk maakte men in de hut een miniatuurhuisje van bamboe en liet het daarin vergaan.

In de naburige gamal zaten de mannen, boos en wraakzuchtig, en zinden op oorlog. Die brak dan ook spoedig uit na mijn vertrek en stelde den zendeling aan groote gevaren bloot.

De heeren Th. hadden de vriendelijkheid gehad, mij uit te noodigen voor een tochtje naar Maevo, het noordoostelijkste eiland van de groep. Nadat we verscheiden dagen op goed weer hadden gewacht, voeren we eerst naar Aoba, waar we den nacht doorbrachten; toen langs de kust, waar we niet minder dan twaalf werfschepen zagen, die natuurlijk ieder minstens een half dozijn inboorlingen aan boord hoopten te krijgen. Als men bedenkt, dat dit meer dan een half jaar zoo voortduurt, en dat alleen die inboorlingen zich verhuren, die om de een of andere reden zich te huis niet meer op hun gemak voelen, zal men inzien, dat de niet meer talrijke bevolking der betrekkelijk kleine eilanden niet aan de behoeften van de planters kan voldoen.

Met een flinke vaart voer de kleine kotter door het kanaal tusschen Aoba en Maevo. In een kouden regen wierpen we het anker uit bij Naroworo. Na de gebruikelijke dynamietontploffing brachten we eenige arbeiders aan land, die hun jaar bij de heeren Th. hadden uitgediend. Een deel van hun loon hadden ze in goederen omgezet, en nu versierden ze zich met al die heerlijkheden, om zich aan de hunnen voor te stellen in volle pracht en staatsie. Splinternieuwe broeken, prachtige witte tricothemden, kleurige dassen, elegante hoeden, schoenen, die hun het loopen moeilijk maakten, en, groote parapluies. Ze zagen er beklagenswaardig uit in dien staat, want ze voelden zichzelven ongemakkelijk in de ongewone kleeding en hadden veel moeite, die behoorlijk aan te trekken. Tegen den middag kwamen vrienden en bloedverwanten aan de kust, om hen af te halen. De ontvangst was aan weerszijden merkwaardig koel; nauwelijks groette men elkander, en het leek, of men elkaar pas gisteren had gezien. Met meer belangstelling werd de inhoud van de kist onderzocht, die ieder arbeider meekrijgt, en waarin de rest van de goederen wordt geborgen, die hij niet aan het lijf kan hangen, lampen, petroleum, katoen, messen en dergelijke dingen. Meestal worden die koffers door de lieve verwanten al aan de kust geplunderd, zoodat de man weinig loon voor zijn arbeid krijgt. Hier echter liet men den schat intact en droeg de zware kisten de bergen in. Zonder een plechtig afscheid van hun meester slopen de arbeiders achter hun bezitting aan. Dat en de koele ontvangst zijn hier zoo de étiquette.

Maevo is beroemd om de mooie vlechtwerken, die er vervaardigd worden, kleine en groote matten van pandanenbladeren, vaak prachtig gemaakt. Eenige vrouwen hadden er verscheiden voor ons uitgespreid, en we konden een groot aantal koopen. Overigens wordt er weinig moois op Maevo vervaardigd, en houtsnijwerk ontbreekt geheel.

De bevolking verschilt van die van Santo, en de zeden zijn er anders. De mannen dragen niets dan een bosje bladeren voor het lijf; de vrouwen een dergelijke rij matjes als op Malekula. Het viel mij op, hoeveel lang krullend haar men er ziet, meestal samengaand met een nog al lichte huidskleur. Ook zijn hier de vrouwen groot en geneigd tot zwaarlijvigheid. Eenige mannen waren ook forsch gebouwd en hebben haakneuzen, wat op polynesische bloedmenging kan wijzen. Naast dit type vindt men er een kleiner, donkerder, met kroeshaar als van negers. Dat is het melanesische type.

In het kalkgesteente, dat de kust der eilanden vormt, zijn verscheiden holen, waar de inboorlingen thans nog voor een deel slapen, als ze aan de kust komen. Een ervan was zeer diep, en de zwarten waren er bang voor en wilden ons niet begeleiden bij ons bezoek, daar gebracht. We vonden er niets anders dan vleermuizen, die bij de storing ons om het hoofd vlogen. De andere holen waren niet anders dan overhangende rotsen. Ik groef er in de vuurplaatsen, of ik er mogelijk steenen werktuigen zou kunnen vinden; maar de haarden waren maar oppervlakkig, en ik haalde er slechts wat splinters van schelpen uit.

Op een dag ondernam ik een tocht dwars door het eiland, dat daar heel smal is. Mijn bediende uit Santo was vreesachtig en waarschuwde mij, dat de menschen van Maevo niet te vertrouwen waren. Hij wou volstrekt wapens meenemen, en om hem gerust te stellen, liet ik hem het jachtgeweer dragen. Hij belastte zich nog bovendien met een heele doos patronen en was dus van plan, zijn leven duur te verkoopen. Natuurlijk hadden we de wapens niet noodig; de menschen waren allen vreedzaam en gastvrij, al hadden ze nooit blanken gezien. Voor de handelaars heeft het aan copra arme eiland geen belang, en het klimaat is zoo vochtig, dat de zendelingen zich allen na korten tijd moeten terugtrekken om hun rheumatiek. Nu bezoekt telkens een zendeling van de melanesische missie het eiland voor een paar weken in het jaar en laat voor het overige het werk in handen van de inlandsche onderwijzers.

De weg was steil, en mijn boy kreeg de straf voor zijn onredelijke vreesachtigheid door de zwaarte van de patronen. Ik genoot van de schilderachtige uitzichten. De flora was veel rijker dan op Santo, en de bergachtigheid riep prachtige landschappen te voorschijn. Van de pashoogte, die wij in ongeveer drie uren bereikten, hadden we door het woud een heerlijk gezicht op den Stillen Oceaan, de eindelooze watervlakte, die ik in San Francisco eens uit het Oosten had bewonderd. Het ging nu steil naar beneden, en kleine beekjes vergezelden ons op ons pad. Liefelijke watervalletjes waren overal tusschen de kleurige planten te zien, en zooals de beide knapen, die met ons gingen als gidsen in hun bruine naaktheid met de roode bloemen boven ieder oor, zich onder den straal plaatsten en het afkoelende water in den mond opvingen, schiepen ze een tooneeltje, dat mij nooit uit de herinnering zal gaan. Men is bij zoo'n gelegenheid teleurgesteld, dat de kleurenphotografie nog niet practisch bruikbaar is, of ook dat men met de camera te laat komt, want tot poseeren kan men de inboorlingen natuurlijk niet brengen.

De menschen in het dorp waren zeer vertrouwelijk, en brachten mij hun schatten, matten, wapens, banden van schelpen en varkenstanden. In de buurt van de huizen waren de goed onderhouden dansplaatsen, en verder in het bosch stonden manshooge monolieten, resten van een vroegeren eeredienst, dien het tegenwoordige geslacht niet meer kent, maar waartegen ze nog eerbiedig opzien.

Bij den terugkeer naar de westkust vond ik in een dorp de arbeiders, die wij hadden teruggebracht. Enkelen waren nog in hun, nu vuil geworden, feestdracht; de anderen hadden zich weer aan het nationale costuum gewend, den eenvoudigen katoenen lendenband. Het bladerbundeltje was hun toch te primitief. Ze waren juist aan de voorbereiding van kawadrinkerij en begonnen al aardig vroolijk te worden. Men drinkt hier kawa als wij bier, dus als men er lust in heeft, en de gelegenheid zich voordoet. Van de oude plechtigheden bij gebruik en bereiding van den drank is niets overgebleven. De wortel wordt met scherpe koralen geraspt en de vezels met water gekneed. De dunne brij wordt door de scheede van een palmblad in een kokosschaal gegoten en smaakt naar zeepwater met pepermunt. Ze brandt in den mond, zoodat de drinkers telkens met kokosmelk spoelen voor de verzachting. De uitwerking bij overdadig gebruik is een slaperig tevreden stemming en een lam gevoel in de beenen.

Nadat we ons nog een paar dagen aan de kust hadden opgehouden en daarbij twee inboorlingen hadden kunnen recruteeren, voeren we naar huis, waar we door de beide honden van de heeren Th. met stormachtige blijdschap werden begroet.

Zooals afgesproken was, verwachtten mij mijn boys met de kleine roeiboot van den pater in Hog Harbour. Wij voeren langs de kust naar Port Olry, waar na een paar dagen een van de broeders Th. weer verscheen. Hij deed een toer om Santo en bood mij aan, mij naar Talamacco mee te nemen. Ik nam van mijn gastheer, pater B., weemoedig afscheid, want wij waren in de bijna twee maanden, die ik in zijn huis had mogen doorbrengen, vrienden geworden, en ik geloof, dat hij zijn hernieuwde eenzaamheid niet juist met genoegen tegemoet zag. Ik heb hem, helaas, niet meer gezien. In Port Olry en Hog Harbour is het later zeer woelig geweest; maar de pater is er niet het offer van geworden.

In Talamacco ontving de heer F. mij weer gastvrij en ruimde voor mij een huis in, dat hij eens voor zijn jonge, kort geleden gestorven vrouw had laten bouwen. Hij heeft mij gedurende mijn verblijf van twee maanden de grootste vriendelijkheden bewezen en mijn studiën naar vermogen gemakkelijk gemaakt.

Daar er in de naaste omgeving niet veel interessants was te zien, besloot ik, een reis naar Centraal Santo te ondernemen. Ik besprak het plan met den heer F., die mij zijn opzichter, den moli, voor den tocht ter beschikking stelde. Deze zorgde voor dragers en beloofde, op reis toezicht op hen te houden. Ik heb veel dienst van hem gehad, vooral omdat hij met bijna alle hoofden van het binnenland bekend was, en ik mij in alles op hem kon verlaten.

Na een lange regenperiode was er een heldere dag gekomen, waarop wij na een vaart van drie uren bij de monding van de Jordaan aan wal gingen. De dragers droegen de bagage aan land en trokken toen met geschreeuw en druk gepraat de boot in het struikgewas en dekten ze met takken toe. Over een paar dagen zou de boot door andere inboorlingen weer naar haar plaats worden teruggebracht.

Wij trokken ons terug in de schaduw van het oerwoud en kookten ons middagmaal, een taak, waar de dragers zich met ambitie aan wijdden. Er was rijst en voor ieder, om de geestdrift voor de onderneming aan te wakkeren, een teugje absinth. Ik liet toen de bundels snoeren en de negen dragers braken op met den moli aan de spits. Eerst ging het door de vlakte, die de Jordaan gevormd heeft met bergpuin; we lieten de rivier westelijk liggen en marcheerden in zuidoostelijke richting. Na een uur traden we uit het woud in een moerassige vlakte, wat op Santo iets zeldzaams is; het riet was er meer dan van manshoogte. Tegen de schemering moesten we door het bosch ons op een door den regen glibberig pad omhoog werken naar een overhangende rots, waar we den nacht zouden doorbrengen. We waren er droog; het schijnsel van de vuren reikte niet ver en zette slechts de naaste omgeving in een rood licht. De zwarten moesten zich wegens watergebrek met thee en beschuit tevreden stellen, daar we geen rijst konden koken. Ze gingen al spoedig slapen op een legerstede van bebladerde takken naast het glimmende houtvuur. Ik las nog korten tijd en bluschte toen de lantaarn.

Des morgens moesten de dragers zich met droge beschuit vergenoegen; er was nog juist zooveel water, dat ik een kop thee kon krijgen. De moli was den weg kwijt, en eerst na lang zoeken kwamen we weer op het goede pad. Het was een eentonig dringen door de struiken, ontwarren van lianen en omtrekken van al te dichte gedeelten. Gelukkig stieten we op bamboeboschjes, die water leverden voor mijn dorstige dragers. Ook vulden we ons vaatwerk en kookten thee. Over een oneffen plateau vervolgden we onzen weg, en na een half uur troffen we een goed onderhouden aanplanting van yams en weldra een ontgonnen gedeelte, waar bataten, yams en kawa werden gekweekt. In de nabijheid van het dorp verzamelde ik mijn troep en in een net gelid trokken we het dorp binnen.

Hoewel de bewoners vriendelijk gezind heetten, kon ik toch bemerken, dat mijn mannen zenuwachtig waren. Ze grepen hun wapens ostentatief vast en bleven dicht bij elkander. Op een plein stond het mannenhuis, een lang en laag gebouw met rieten dak, rustend op den grond. In de donkere, vochtige ruimte lag maar een enkele man, die door lepra een voet had verloren. Met moeite stond hij op en deelde aan den moli mee, dat de beide hoofden in een naburig dorp bij een feest waren, en dat de andere mannen verspreid waren op de velden. Wij gingen dus geduldig op den grond zitten wachten, door varkens besnuffeld, terwijl de moli een trommel bewerkte, die voor de gamal in het slijk lag. Hij had zijn eigen maat, die de inboorlingen van het district kenden en gaf daardoor zijn aankomst te kennen. De mannen kwamen langzamerhand opdagen.

Bijna allen waren ziek en leden aan lepra, elefantiasis of tuberculose. Allen waren na de lange regenperiode verkouden, waren aan het hoesten of leden aan rheumatiek, een treurig beeld van ziekte en verval. Ik liet de bagage in de hut brengen en beval de boys eten te koopen, kippen, yams, varkens en kokosnoten. De menschen schenen overvloed te hebben, want ze brachten ons meer, dan we noodig hadden, en waren met wat tabak en een paar doosjes lucifers tevreden. Terwijl mijn mannen bezig waren met het vuur, deed ik eenige lichaamsmetingen, en al was er wel een beetje wantrouwen bij het zien van de glinsterende instrumenten, de tabak was te aanlokkelijk en overwon de bedenkingen. Een nieuwsgierige menigte stond om mij heen en verhoogde de onbehagelijkheid van wie object van mijn arbeid moest wezen. Men is verbaasd, vreest voor geheime tooverij, maar wil den blanke toch niet graag het bevelend verzoek weigeren. De vrouwen, die in de verte toezagen, want ze mogen het plein om de gamal niet betreden, waren leelijk en hadden weer het met asch besmeerde, kale hoofd, terwijl ze in het tusschenschot van den neus korte stokjes droegen of platte steentjes.

Tegen den avond verschenen de hoofden, twee groote, knappe mannen met lange baarden en dichte haarbossen. Als teeken van hun waardigheid hadden ze breede armbanden om en donker gekleurde crotonbladeren aan den lendengordel. In hun haar hadden ze een eenvoudigen kam en zwijnestaartjes, en in de ooren sieraden van schildpad en been. Op mijn laag veldbed sliep ik in de gamal, omsnuffeld door honden, die kwamen en gingen in de hut. Des morgens liet ik de vrouwen aan den rand van het plein komen en begon mijn metingen. Er heerschte onder de vrouwen en meisjes een stemming van onderworpenheid en gedruktheid, zooals bij haar slavinnenpositie te verwachten was. Komisch was het, hoe onhandig ze waren bij het photografeeren. Ze konden zich niet rustig houden en bewogen handen of vingers, voeten of teenen op zenuwachtige manier. De profielopneming was haar niet aan het verstand te brengen. Toch gelukten ten slotte enkele opnamen.

Voor het vervoer van de groote, den vorigen dag gekochte yams had ik meer dragers noodig, en gewillig boden de hoofden aan, mij te helpen. Er was niet veel lust bij de mannen, om mij te vergezellen, en het bevel van de hoofden had weinig effect. Toen had één van hen het idee, zijn vrouwen voor den dienst te gebruiken, en dadelijk stonden zijn vijf gemalinnen op en belastten zich met driemaal zoo zwaren last als de mannen. Die werd met lianen samengebonden en op het hoofd gedragen. Alleen de favoriete droeg niet anders dan een kleine vrucht en mocht voorop gaan en den weg open slaan. Zij was een nog mooie, jonge vrouw.

De heele colonne van wel dertig personen liep nu in den helderen morgen een paar uren over vrij gelijk terrein tot naar het volgende dorp. Bij den rand van de open plek om het mannenhuis gingen de vrouwen zitten naast de lasten. De vrouwen uit het dorp kwamen bij haar en lieten zich allerlei vertellen van den grooten dokter en toovenaar. Wij mannen begaven ons in de gamal, waar de bewoners ook terstond werden ingelicht. De gezondheidstoestand was hier nog treuriger dan in het eerste dorp; ik zag geen enkelen gezonde, en de zindelijkheid liet nog meer te wenschen over. Overal zweren en builen en uitgeteerde gestalten.