In Het Oerwoud En Bij De Kannibalen Op De Nieuwe Hebriden Deel
Chapter 6
De bevolking van Port Olry, zooals de kleine haven aan den mond van een riviertje heet, verschilt nog al van die der andere eilanden. Ze is donkerder van kleur en heeft een ander gelaatstype; ook is ze grooter dan elders. Men moet haar als typisch melanesisch beschouwen, terwijl de bevolking van Vao bij voorbeeld veel polynesische elementen in zich heeft opgenomen. Het waren hier gespierde gestalten met nog al brutale gezichten, waaruit weinig intelligentie sprak. De leefwijze was dan ook nog zeer primitief. Kleeding en versiering waren beperkt tot het eenvoudigste, zoodat we hier de primitiefste bevolking van den archipel vóór ons hadden. De versiering bepaalde zich tot kammen, die groote vormen hadden en van bamboe waren gesneden, of die bestonden uit varkensstaarten, bevestigd aan vederschachten, die in de dichte haarpruik werden gestoken. Wie zich mooi wilde maken, liet het haar lang groeien, rolde dan de haren tot rollen op, die netjes naast elkaar werden gelegd, of maakte vlechtjes, die aan alle kanten langs het hoofd neerhingen. Met kokosolie, roet en vet werden de haren ingesmeerd.
Een merkwaardige vervorming van den neus werd door beide geslachten in toepassing gebracht en gaf een aanblik van groote leelijkheid. Het tusschenschot van den neus wordt namelijk doorboord, en behalve dat er in de opening een houtje wordt gestoken, komt het vaak voor, dat men een spiraal neemt, die de neusvleugels omhoog drukt, zoodat een breede punt aan den neus komt, die bij mannen op hoogen leeftijd een afschuwelijk uiterlijk geeft. Het duurt lang, eer men aan het gezicht gewend is. Bovendien maken ze op dien opdringerigen neus nog roode strepen of een roode streep tusschen twee zwarte.
Veel mooier is het, als de mannen zich kleurige bloemen in de haren steken. Een violette of roode bloem boven ieder oor ziet er op den donkeren grond aardig uit. In de oorlelletjes dragen ze spiralen van schildpad of vlakke plaatjes van been. Ook daaraan worden varkensstaartjes vastgemaakt. Als ze uitgaan, beschilderen zich de mannen vaak het gezicht met roet en olie, dooreengemengd. Meestal wordt het bovengedeelte van het voorhoofd zwart gemaakt, en ook wel de rug van den neus en het benedengedeelte van de wangen.
De kleeding der mannen bestaat uit een breeden gordel, die laag afhangt, en waaraan van voren een zestal smalle matjes hangen. Vroeger, en nu nog op feesten, droegen ze op het kruis een merkwaardig houten ovaal, waarvan de beteekenis aan ethnografen veel hoofdbrekens heeft gekost. Men zal wel het naast bij de waarheid zijn, als men denkt, dat ze erop gingen zitten, want de Melanesiër gaat niet graag zóó op den grond zitten en gebruikt, als het kan, liefst een stuk hout, waar hij dan met dit kleedingstuk niet naar behoefde te zoeken.
Terwijl dus de mannen een, hoewel niet mooien, maar dan toch interessant wilden indruk maken, worden de vrouwen door de mode zoozeer ontsierd, dat men eenigen tijd noodig heeft, om er niet meer door te worden afgestooten. Ze mogen niet veel versiering dragen en moeten daarentegen het haar zeer kort houden, waarvoor ze zich den schedel met kalk insmeren, zoodat het kale hoofd levendig aan een gier herinnert, vooral ook omdat de neus uitsteekt als een snavel, en de mond juist niet klein is. Daarbij zijn bij de vrouwen als teeken van het getrouwd zijn de bovensnijtanden verwijderd. De kleeding bepaalt zich tot een zeer klein blad, bevestigd aan een dun lendekoord. Van achteren dragen vrouwen en mannen altijd een bosje bladeren, knapen en vrouwen meestal geurige kruiden, en de mannen crotonbladeren van verschillende tint naar de kaste. De zeer hooge kasten mogen de donkere kleuren dragen. De voorraad wordt geleverd door de crotonstruiken, die altijd worden aangeplant om de gamals of clubhuizen.
Half sieraad, half rest van een medicijn zijn de groote litteekens, die men hier veel ziet, het vaakst op de borst of op de schouderbladen. Men maakt namelijk, als geneesmiddel voor inwendige pijnen, groote sneden in het lichaam. Dat gebeurt door zich bij voorbeeld stijf een touw om de borst te binden, zoodat de huid tusschen de windingen omhoog wordt gewerkt. Dan kan men, zonder veel pijn te voelen, er in snijden. De korsten na de genezing worden steeds weer weggekrabd, totdat een dik litteeken is verkregen, dat als een sieraad wordt beschouwd.
Bij rheumatiek neemt men een ongeveer twintig centimeter langen boog en bindt aan het spankoord een klein pijltje met een haarscherpe punt, tegenwoordig meestal een glassplinter; met dat pijltje worden fijne sneden in de huid geschoten, waarvan de litteekens haast niet zichtbaar zijn en toch fijne, dikwijls mooie patronen op de huid achterlaten.
Eenvoudig als de kleeding, zijn de vormen van den eeredienst en het leven over het geheel. Men vindt hier niet, als op Vao, zorgvuldig omheinde tuinen of stemmige dansplaatsen. De huizen staan in het bosch verscholen, onregelmatig geplaatst om een gamal, die eenzaam midden op een leêge plek staat. Beelden of staande trommels ontbreken; eenige niet groote liggende trommels zag ik vóór een gamal.
De woonhuizen zijn eenvoudig daken, zoo goed als zonder zijwanden, maar meestal met een voor- en achterwand van bamboe. Vaak waren ze in tweeën verdeeld, om een stal voor de zwijnen te hebben, als men er niet de voorkeur aan geeft, met de varkens samen te wonen. Eenige vlakke houten schotels zijn bijna het eenige huisraad, dat de natuur den inboorlingen niet zoo goed als klaar in de hand heeft gedrukt. Voor het koken heeft men verder niets noodig dan steenen, die, in het vuur verhit, om het in bladeren gewikkelde voedsel worden opgestapeld. Die steenen moeten natuurlijk vuurvast wezen; kalk kan men niet gebruiken en daar zulke kooksteenen in de kalkformaties volkomen ontbreken, moeten ze vaak van ver, van het zeestrand, worden gehaald, zoodat men ze zeer trouw bewaart. Vork en lepel heeft men niet noodig, en als mes voor het schillen van vruchten dienen schelpen of splinters van bamboe. Daarmee kan men niet goed naar zich toe snijden, zoodat de inboorlingen de gewoonte hebben behouden, alle vruchten van zich af te schillen, ook als ze een mes gebruiken van staal. Bedden worden versmaad, en men voelt zich hoogst behagelijk op eenige evenwijdig gelegde bamboestaven.
Tegen den middag ziet men de mannen meestal bijeen in de gamal bij de gewichtige laplapbereiding. Laplap is het nationale gerecht van de bewoners der Nieuwe Hebriden, en ze brengen zeker een vijfde deel van hun leven door met het koken van laplap. Het werk is eenvoudig en gemakkelijk; men kan er net zoo heerlijk bij droomen als bij het naaien en breien. Vóór zich heeft men een rij bananenbladeren, kruiselings over elkander gelegd; naast zich eenige yamsknollen, die men schilt en dan op een rasp, dat is een stuk koraalkalk of een ruwe bladnerf, fijn wrijft. Men krijgt dan een taaie, witte brij, die men zorgvuldig in de bladeren inpakt. Intusschen is in een kuil een vuur uitgebrand en heeft de steenen tot gloeihitte gebracht. Die neemt men met een tang, dat is een gespleten bamboe, uit den kuil en legt de brij in de bananenbladeren op hun plaats, bedekt alles met de heete steenen, legt daarop weer een bundeltje droge bladeren en wacht slapend, pratend of rookend, tot het gerecht klaar is. Het is dan een massa geworden, die op brooddeeg lijkt en waaraan men met allerlei kruiderij wat meer smaak kan geven. Men giet er ook wel kokosmelk van geraspte kokosnoten over of mengt er kool door of vet of geroosterde noten, terwijl het ook heel lekker moet wezen, ze met vleeschmaden te vermengen. Behalve van yams kan laplap ook worden bereid van taro, maniok of halfrijpe bananen.
Men eet hier ook veel bataten en als het seizoen daar is, de heerlijke broodvrucht, boven het vuur geroosterd; ook noten, bananen, ananas en mandarijnen. Er is haast altijd wat te snoepen, en als de inboorling maar wat wilde vooruit zorgen, dan behoefde hij nooit gebrek te lijden.
De mannen lieten zich door onze komst weinig storen in hun werk; ze schoven wat ter zijde en gaven ons een blok, om op te zitten; er volgde een poosje zwijgen, en toen begonnen ze over ons te praten. Er was in de gamal al evenmin veel te zien als in de woonhuizen. Overal waren in het dakstroo wapens verborgen, tot dadelijk gebruik gereed, pijlen, bogen en geweren. De knodsen schijnen meer tot het uitgaanstenue te behooren en worden steeds meegedragen. Het zijn rechte stokken of ze zijn kromgebogen als sabels. Ze worden, anders dan de sabels, gebruikt met de concave zijde naar voren. Die knodsen worden op hoogen prijs gesteld en zijn vaak oude erfstukken. Ze worden bij elke zegepraal van een inkerving voorzien en die zegepralen worden bevochten door een vergelijking in sterkte met de knodsen van anderen. Ik heb een oud stuk gezien, dat zeven-en-zestig inkervingen droeg. Vroeger was de werpspeer in gebruik met tweehonderd-vijftig beenpunten; maar die is door het geweer verdrongen.
De beenpunten voor speren en pijlen verkrijgt men van de beenderen van verwanten. Men begraaft het lijk in het woonhuis zeer oppervlakkig. Als het lijk vergaan is, wat in ongeveer een half jaar is gebeurd, graaft men het geraamte op. Den schedel laat men liggen, maar de beenderen worden verwerkt. Men neemt aan, dat met de beenderen ook de geestelijke en lichamelijke kracht op den bezitter overgaat, en dus zijn de beenderen van leden der hooge kasten zeer gezocht. De beenpunten zijn natuurlijk vol van lijkengif en veroorzaken, ook bij lichte verwondingen, den dood. Ook de pijlpunten bestaan uit been van menschen; ze worden naaldscherp geslepen, zitten maar heel los in de schacht en blijven bij het uittrekken van de pijl in de wond zitten. Die is dan vergiftigd met een harsachtige massa, waarvan de bereiding slechts aan weinigen bekend is.
Toen wij eenigen tijd in de gamal hadden gezeten, kwam de hoogste van de leden der aanwezige kasten en legde ons eenige yamsknollen voor de voeten. Het was een gastgeschenk, waarvoor we met wat tabak onze dankbaarheid betuigden. De lengte van de gamal richt zich naar de kaste van den hoogste, die de gamal ook laat bouwen, voor welken arbeid hij de mannen moet beloonen met een gastmaal en kleine geschenken. Voor zeer hooge kasten kan de gamal de aanzienlijke lengte van zestig meter bereiken, en als thans die huizen ten gevolge van het uitsterven van de inboorlingen ook onzinnig groot lijken en meestal leeg staan, ze herinneren aan vroegere tijden, toen met de kaste ook het gevolg van iemand aangroeide. Daar hier alle mannen in de gamal slapen, waren ook die reuzenhuizen eens vol slapende krijgers, die er met hun wapens boven zich in lange rijen rustten en bij een aanval dadelijk voor den strijd gereed waren. Tegenwoordig zijn de lange, ledige, pijpenla-achtige ruimten zoo ongezellig, dat ze veelal in het gebruik vervangen zijn door een nieuw gebouwde, kleinere gamal, waar de mannen zich gemoedelijker voelen.
Een man te hebben gedood, is nog altijd een eer, en met trots draagt zulk een held een bos van zwart en witte veêren op het hoofd, waaraan ieder kan zien, welk een dapper persoon vóór hem staat. In Port Olry waren zulke bepluimde hoofden niet zeldzaam.
De vrouwen worden niet hoog gesteld, mogen niet eens in of bij de gamal verschijnen en moeten de velden bewerken, maar dat is geen zwaar werk, zooals men wel kon denken, als men ze des middags onder een grooten last van de velden ziet terugkomen. Ze dragen de veldvruchten en het brandhout op het hoofd, hebben soms een zuigeling op den rug en een grooter kind aan de hand. Maar tegenwoordig is zulk een aanblik zeldzaam, nu er zoo weinig geboorten plaats hebben. Op den akker bestaat het werk enkel in het verzamelen der vruchten, het uitgraven van de yams, en wordt opgevroolijkt door gebabbel en door wat te snoepen, terwijl men vaak zit uit te rusten onder een opgeslagen afdak, waar gepraat en gerookt wordt.
Ernstig is het werk alleen in den planttijd, als het bosch gerooid wordt en de omheiningen om de nieuwe velden worden gemaakt. Maar dan helpen de mannen mee; de geslachten sluiten zich aaneen, en gezellig gaat de arbeid als spelend van de hand. Men beloont elkander aan het eind wederkeerig met maaltijden en geschenken. Het aantal vrouwen bedraagt in Port Olry hoogstens een vierde van dat der mannen. Daaraan heeft mee schuld het gebruik, om bij den dood van een hoofd al zijn vrouwen op te hangen, een zede, die te verderfelijker werkt, daar de hoofden altijd veel jonge vrouwen hebben, terwijl de jonge mannen zich op zijn best een oude vrouw kunnen koopen. Gelukkig heeft men die gewoonte daar, waar de zendelingen en de planters hun invloed kunnen doen gelden, afgeschaft, vooral door het beroep op de jonge mannen, dat ze zich zelven daarmee het meest schaden. De vrouwen waren er echter niet mee ingenomen; velen wenschten den dood, daar ze anders door de ziel van den ontslapen echtgenoot zouden worden verontrust.
Daar ik nog geen bedienden had, kon ik niet veel ondernemen in de dorpen van het binnenland. Ik hield mij meest op het zendingsstation op, waar de inboorlingen zich veel vertoonden, zoodat ik altijd menschen om mij heen had, op wie ik mijn studiën kon voortzetten. Ik gebruikte bij voorbeeld de gelegenheid, om metingen te doen en moest dan van de goede stemming gauw profiteeren. Als de toeschouwers de zaak belachelijk vinden, is ze verloren, want dan wil niemand er zich voor leenen. Het staat er al beter voor, als er vrees voor geheime tooverij in het spel is, want dan kan men met een geschenk en overreding nog wel eens moed en vertrouwen doen ontstaan. Maar het allerbest is bij de objecten het gehuichelde begrip van wat er gebeurt voor de wetenschap, of wel algeheele onverschilligheid, die zich zonder verder nadenken als object presenteert en dan met een munt of tabak getroost naar huis gaat, hoofdschuddend over de vele dwaasheden van de blanken.
Eens had ik bij mijn veranda een flink aantal jonge mannen bijeen en begon met het werk. Daar verscheen plotseling een heer Fusil, een spraakzaam Franschman, die zich sedert eenige dagen in de buurt met den varkenshandel bezig hield. Ik was juist bezig met Paul, een vroegeren leerling van de zending, die mij al vaak was opgevallen om zijn onberispelijken bouw en zijn fluweelzachte huid. De heer Fusil trad op hem toe en gaf hem een hevigen slag op de borst met de woorden: "Jij hebt mij mijn varken ontstolen!"
Negen van de tien inboorlingen zouden zich dat waarschijnlijk hebben laten welgevallen; maar Paul, die heel sterk was, zooals hij pas aan den dynamometer had bewezen, draaide zich om en maakte zich klaar, om te vechten. Dat had de heer Fusil blijkbaar niet verwacht; hij trok een mes uit zijn mouw en redde zich met een paar sprongen op de veranda van het huis, die voor de inboorlingen taboe was. Er ontstond een algemeen oproer. Beneden woedde de opgewonden menigte, Paul aan het hoofd, en wou de veranda bestormen. Ik kon Paul slechts met moeite ervan af stooten, en boven balde de heer Fusil zijn vuisten en uitte zijn woede in veel krachtige woorden.
Op het rumoer kwam de pater uit het huis en kon de gemoederen eenigermate tot rust brengen, behalve Paul, die van woede schreide en aanhoudend er bij den heer Fusil op aandrong, van de veranda af te komen. Eindelijk gelukte het, gewaar te worden, waarover de twist liep. Fusil beschuldigde Paul, die hem een varken had verkocht, en misschien terecht, dat deze de touwen na de betaling had doorgesneden, zoodat het zwijn weer naar huis was geloopen. In plaats van het dier had de heer Fusil toen een inboorling aan boord gelokt en dreigde, dien op een plantage te verkoopen, als hem het varken of de koopsom niet weer werd teruggegeven.
De pater verklaarde, dat hij in dezen niet veel kon doen en vermaande de partijen tot vrede, natuurlijk te vergeefs. De heer Fusil rende op de veranda op en neer als een roofdier in een kooi en spuwde venijn, en Paul volgde hem beneden en daagde hem uit, den twist met hem aan het strand uit te vechten. De Franschman schimpte, dat hij dat om zijn eer niet kon doen, en hij had gelijk, want hij zou stellig duchtig geranseld zijn. Dat tooneel duurde zoowat een half uur, waarin de heer Fusil door alle zwarten werd bespot. Om dien voor het prestige van de blanken zoo verderfelijken toestand te doen eindigen, liet de pater, daar de inboorlingen toegaven, dat de heer Fusil een varken was ontstolen, het dier vervangen, waarna ook de onschuldige gevangene uit de boot aan land werd gezet. Toen verwijderde de pater Paul van het tooneel, en de heer Fusil werd veilig naar het strand begeleid, van waar hij spoedig al schimpend het ruime sop koos.
De inboorlingen trokken zich tegen de schemering terug, beladen met een vracht vermaningen van den pater, maar innig pret hebbend in den streek. Mijn meten was leelijk in de war geraakt, wat de schuld was van den heer Fusil, maar die zal wel niet gauw weer zwijnen koopen in Port Olry.
Hoe nietig deze quaestie ook was, ze is een voorbeeld van de manier, waarop conflicten ontstaan. Zakelijk en kalm had de twist kunnen worden beslist, als de heer Fusil niet zoo tactloos was opgetreden. Het zou bij een anderen blanke zeker niet zijn gebeurd, want de inboorlingen weten precies, wien ze voor hebben. Gelukkig had ik de volgende dagen ruim gelegenheid, mijn metingen en het photografeeren in te halen.
Ik was al ongeveer drie weken in Port Olry en keek iederen dag met zielsverlangen uit naar de "Mary-Henry", die mijn bagage zou brengen. Ik had alleen het volstrekt noodige bij mij; mijn wetenschappelijke uitrusting had dringend behoefte aan aanvulling, en mij ontbraken de dingen, die mij moesten helpen bij het prepareeren en conserveeren van zoölogische voorwerpen. Ik had hier een rijk veld voor verzamelen, vooral vogels waren in veel soorten aanwezig. Het schip kwam eindelijk; maar mijn bagage bracht het niet mee. Die was vergeten. Mijn teleurstelling was groot, en ik zag geen kans, de zaak vlug te verhelpen.
De Mary-Henry voer naar Talamacco, en de pater en ik maakten van de gelegenheid gebruik, om mee te gaan, hij, om zijn collega te bezoeken; ik in de hoop, daar bedienden te vinden. Aan boord was ook de heer F., een engelsche planter uit Big Bay. Hij was een vriendelijke, altruïstische heer en beloofde mij, al zijn invloed aan te wenden bij de inboorlingen, om mij helpers te verschaffen voor mijn tochten.
Bij dof regenweêr gingen we met het groote zeilschip zuidwaarts, en, bij het reizen met de kleine kotter vergeleken, was dit een verbetering, nu er een flinke hut aanwezig was, en men behalve stoelen ook een tafel, in plaats van kisten als plaats voor den maaltijd, ter beschikking had. De vierde passagier was een officier van de opmetingsexpeditie, een interessant mensch van weldoende natuurlijkheid. De kapitein was een echte zeerob, blijmoedig en ruw. Hij zorgde ervoor, dat de flesschen op tijd werden geleêgd en dat de conversatie niet in al te hooge sferen belandde.
Den volgenden morgen landden we bij Talamacco in Big Bay. De pater ging naar zijn collega, en de officier en ik wierpen ons anker uit in het huisje van den heer F. Het regende in stroomen. Den volgenden dag werd een opzichter of moli van mijn gastheer erop uitgezonden, om arbeiders voor mij te zoeken, en gelukkig kwam hij met eenigen terug, van wie vier bereid waren, zich voor twee maanden bij mij te verhuren. Ik was overgelukkig en bracht den kostbaren buit dadelijk op het schip, opdat ze zich niet zouden bedenken en wegloopen.
Bij de heeren Th., jonge mannen van goede australische afkomst, die een kokosplantage op Talamacco hadden, woonden we een offerfeest bij van de inboorlingen. We moesten toen verscheiden uren door het oerwoud marcheeren. Mijn mannen hadden zich allen in Zondagsdos gestoken en hadden broeken en hemden aan van kleurig katoen. Het haar boven het voorhoofd was met houtasch bestreken, en een paar hadden zich zelfs geschoren.
"Well, boys, are you ready?"--"Yes, Master!" klonk het overtuigd; maar daarbij werden de lasten nog samengebonden. Er werd een poosje gewacht, en toen klonk het: "Well, me me go."--"All right, you go", is het antwoord. Ze leggen een paar schreden af en wachten dan weer. Eén komt aan de hut en zoekt een stok, om zijn pak te dragen, de andere zoekt een deken. Maar ten laatste gelukte het, met een kwartier verlating af te marcheeren, wat ook niet zoo erg is, daar geen spoortrein op ons wacht.
De inboorlingen juichten en lachten, maar spoedig waren we in het woud, waar het donker was en stil, en waar allen zwegen. Op een nauwelijks zichtbaar pad ging het uren lang verder door de overal gelijke dichte woudzee, waar we ons door de golven van plantengroei met het mes een weg moesten banen. Eerst tegen den avond bereikten we de plantage van de heeren Th., waar rust en een maal ons wachtten. Maar verder moesten we nog door den nacht, die donker was zonder maneschijn. De bedienden hadden fakkels gemaakt van palmbladeren, die ze door zwaaien in gloed hielden.
Na korten tijd hoorden we geluid in de verte, de trommels van de feestplaats, die we al spoedig door den glans van de vuren konden vinden. Een groep van mannen viel ons het eerst op. Ze stonden in een kring om een groot vuur, en wij aanschouwden een warreling van knodsen, geweren, vederbossen, zware haarpruiken, ronde hoofden en heftig bewegende armen. Een onregelmatig jodeln en gillen en fluiten klonk uit de menigte; dan liet zich een eentonig gezang hooren, waarbij de maat met den voet werd gestampt. Allen deden geestdriftig mee, en het zweet gudste hun langs de borst neer.
Dit waren de gasten; zij, die het feest gaven, stonden op zij bij een stellage, waarop yamsknollen lagen. De mannen liepen langzaam om dat altaar heen. In hun handen droegen ze zware bamboekokers, waarmee ze in de maat op den grond stampten, zoodat een dof, dreunend geluid ontstond. Ze zongen een eentonige melodie, door een voorzanger ingezet. Daarbij sprongen ze in de maat van den eenen voet op den anderen, langzaam en veêrend. Aan de beide kanten van dien kring van dansenden stonden de vrouwen in Eva's costuum en over het heele lichaam ingesmeerd met roet. Aan het slot van de mannengezangen zongen ze het refrein mee, en dansten ook. Nu en dan sloot er zich een vrouw bij de mannen aan en danste met hen.
Het geheel maakte een indruk van vreemde romantiek, van woestheid en hartstocht; maar het was prachtig door het roode licht, dat op de naakte, glanzende lichamen viel. Niets was anders zichtbaar tusschen hemel en aarde in den donkeren nacht, niets dan die rood beschenen groepen van een tweehonderd menschen, die zich onbezorgd aan hun vermaak overgaven, zich niet bekommerend om den volgenden dag. Het feest duurde zonder alcohol den geheelen nacht. De menigte werd steeds hartstochtelijker, de dans doller, en het gezang luider. We stonden ter zijde, niet in staat, mee te voelen, wat het vermaak van die lieden was, wat hen tot zulk een inspanning aanzette, als in een zonderlinge, voor ons gesloten wereld.
Een dikke, oude man bleef bij ons en nam de honneurs waar. Ik lette weinig op hem, tot mijn bedienden mij zeiden, dat dit de "big fellow master" was, het hoofd, die het feest gaf en die morgen door het offeren van de varkens een zeer hooge kaste zou bereiken. Toen kreeg hij natuurlijk een handvol tabaksrolletjes, en even natuurlijk vroeg hij om meer, namelijk om mijn goede, trouwe pijp. Dat verzoek kon ik, ook weer natuurlijk, niet inwilligen. Om hem niet te beleedigen, zei ik hem, dat de pijp taboe was, en daar hij als hoofd de heiligheid van het taboe in de eerste plaats had te eerbiedigen, knikte hij begrijpend en was tevreden gesteld. Ik beloofde hem dan nog, morgen op zijn eeredag tegenwoordig te zijn en nam afscheid.
Het was niet te vroeg, want nauwelijks waren we op de plantage teruggekeerd, of er brak een hevige regen los. Het zal zoowat vier uur in den morgen zijn geweest.