In Het Oerwoud En Bij De Kannibalen Op De Nieuwe Hebriden Deel
Chapter 5
Des avonds haalden we Belni uit de scheepsruimte. Hij was onder een hoedje te vangen, maar zag blijkbaar zijn schuld niet in. Nu ja, hij had een man doodgeschoten; maar dat leek hem meer eer dan schande. De boys bleven op een afstand; alleen Macao gaf hem te eten, hurkte voor hem neer met haat in de oogen en onder felle dreigementen. Hij kwelde Belni zoo wreed, dat ik den schuldige weer liet opsluiten, en wij waakten des nachts, om te beletten, dat Macao een moord beging. Het was een heldere maannacht. Een van de boys leed aan krampen en bleef op dek kreunen. Allen meenden, dat hij door de bloedverwanten van Belni ziek was getooverd, en ze wilden dadelijk wegzeilen. Den volgenden morgen brachten wij aan boord door in afwachting van de inboorlingen. Ze verschenen, ongeveer twintig man sterk, maar zonder den vluchteling van gisteren; ze beweerden, dat het schot hem had getroffen, en in den nacht was hij gestorven. Dat kon wezen en daar wij toch niets tegen het dorp konden ondernemen, drongen we niet verder aan. Het geweer en de patronen brachten ze ons terug en twee groote varkens. Daarmee hoopte het hoofd, dat wij tevreden waren gesteld, wat hem betrof, en van toen af hadden we enkel met de beide moordenaars te doen.
Daar wij den goeden wil van de menschen erkenden, verklaarden we ons tevreden en keerden naar boord terug. De varkens werden bij Belni opgesloten, en wij lichtten het anker en voeren noordwaarts in een wind, die ons in vier uren den afstand deed afleggen, waarvoor we op de heenreis vier-en-twintig uur hadden noodig gehad.
Georges besloot, naar huis te varen, omdat we bang waren dat onze boys Belni zouden vermoorden, want als de golven bijzonder hoog waren, hadden ze telkens gevraagd, of ze hem nu niet in zee mochten gooien. De terugreis ging vlug; maar de golven sloegen over de boot en alles was doornat. We troostten ons met de gedachte, dat het nu spoedig voorbij was, en gemak en zindelijkheid leken zeer aantrekkelijk na de ellende op de kleine boot. Wel had onze werving geen succes gehad, maar dergelijke tegenslagen behooren tot het handwerk.
Met vreugde begroetten we de eeuwig door regenwolken bedekte kusten van Espiritu Santo en brachten onzen gevangene heelhuids aan land. Wat met hem zou gebeuren, was nog onbepaald. Vooreerst zou hij op de plantage werken. Bij aankomst zagen we, dat ons oude schip voor een vierde deel vol water stond. Gelukkig dat we er onderweg geen hinder van hadden gehad, maar lang hadden we ons niet meer boven water kunnen houden.
Na den terugkeer van die reis deed zich het vraagstuk, om van het Canal du Segond in een beter werkgebied te komen, nog dringender voor. De eenige hoop was nu de eventueele aankomst van den pater van Port Olry in het noorden van Santo met zijn kotter, waarmee hij nu en dan tochten naar zijn collega's ondernam. Hij deed dat alle paar maanden, en het was mijn geluk, dat hij toevallig na ongeveer veertien dagen door het kanaal voer en bij den zendeling het anker liet vallen. Ik bracht hem een bezoek en besprak mijn toestand met hem. Hij ried mij, met hem naar Vao te varen, waar hij zijn kotter moest laten repareeren, wat wel een paar weken zou duren, en dan later met hem naar Port Olry terug te varen. Mijn bagage moest ik dan voor een groot deel achterlaten, maar ik kon de gelegenheid niet voorbij laten gaan, om uit het verloren uithoekje van het Canal du Segond weg te komen, en de kapitein van de "Marie Henri", het zeilschip van de opmetingsexpeditie, dat dikwijls naar het noorden voer, beloofde mij, mijn hebben en houden dan naar Port Olry mee te nemen.
Terwijl wij op gunstigen wind wachtten, brak er op een nacht het hevigste onweder uit, dat ik ooit heb beleefd. Van zonsondergang tot den morgen volgde de eene donderslag op den anderen met een geweldigen regen; men hoorde in het woud de takken breken en men kon elkander niet verstaan onder het plaatijzeren dak van het huis. Stroomen vloeiden over den weg, en des morgens stond het huis als in een meer. De heele aanplanting was vernield, en het kanaal zag totaal geel.
Wij zeilden weg en hadden bij den tegenwind twee dagen noodig, om op Vao te komen. Het is een eilandje, dat vóór Malekula is gelegen in het Noordoosten. Als men de doodsche kust van laatstgenoemd eiland voorbijvaart, is het als een openbaring van iets schoons, Vao te zien. Niet enkel, dat de natuur afwisseling biedt, maar vooral de levendigheid is aantrekkelijk. Vao is een der dichtstbevolkte eilanden van de Nieuwe Hebriden. Er wonen vijfhonderd inwoners op een eilandje van anderhalven kilometer lengte en één kilometer breedte, voldoende, om overal menschelijke werkzaamheid te toonen zonder overhaasting, op vroolijke, luchthartige wijze verricht. In deze omgeving vonden we hutten en haardvuren en levendige menschen, die den vreemdeling weer hoop en vertrouwen gaven.
Ongeveer zeventig uitleggersbooten lagen aan het strand. Het waren boombooten, door dwarsstangen verbonden met de uitleggers, die ze voor omslaan behoeden. Aan de punt hebben ze een gesneden houten reiger, waarschijnlijk een halfvergeten totemteeken van de inboorlingen. Al naar de maatschappelijke positie van den eigenaar is het snijwerk meer of minder rijk uitgevoerd, en er wordt streng op gelet, dat niemand zijn boot versiert met snijwerk, dat niet in overeenstemming is met zijn rang en positie. Dan zijn er ook nog kleine dwarsbalkjes, die zich in aantal ook richten naar den stand van den bezitter. Onder afdaken werden in de schaduw van de woudboomen een paar groote zeilbooten bewaard van europeesch fabrikaat. Enkele familiën hadden die gekocht, om verre reizen te kunnen doen naar de grootere eilanden in de buurt, Espiritu Santo, Aoba, Ambrym, enz., waar ze varkens koopen. Die zeilbooten vervangen de lange, groote booten uit vroegeren tijd, oorlogsvaartuigen, waar dertig tot veertig man in konden zitten, en waarmee groote rooftochten werden ondernomen. Want de bewoners van Vao waren echte zeeroovers, die overal gevreesd werden, omdat ze onverwachts bij eenig dorp landden, de bewoners overvielen en met rijken buit terugkeerden. De europeesche invloed heeft aan die liefhebberij een einde gemaakt, en met den invoer van europeesche booten zijn de groote pirogen verdwenen en rotten ongebruikt weg aan het strand.
In den vroegen morgen was het strand ledig, maar een paar uren na zonsopgang werd het druk; mannen en vrouwen baadden er, de moeders waschten de kinderen, en in het warme zand werd daarna gerust, tot het tijd was voor de vaart naar den overkant, waar op het vasteland de aanplantingen waren. De vrouwen schoven de booten in het water, jonge meisjes, slank en sterk, de moeders en oudere vrouwen wat onbeholpener, velen met een kind op de heupen. Uit loodsen of verborgen hoekjes aan den wal haalden ze zeilen van palmbast, driehoekig en in bamboestangen gevat, en maakten ze vast aan de booten. Daarna stieten ze zich af van den wal en zaten of stonden in het smalle bootje, dat nauwelijks plaats had, om de voeten naast elkander te zetten. De kleine zuigelingen zaten op den schoot der moeders of hingen op haar rug in bedenkelijke nabijheid van het water.
De kleine flotille volgde eerst de landtong en kwam toen onder den invloed van den frisschen, stevigen wind, die de booten snel voortdreef. Tusschen tien en vijftien booten gleden over de zee, geelbruine vogels, waartegen de korte golven opsprongen. Een vrouw stuurde, en de anderen schepten met kokosschalen het water uit het vaartuig, een echt Danaïdenwerk. Maar gauw was het kanaal overgestoken en de booten werden op den veiligen wal gehaald. Een jonge man was bereid, ons in zijn boot te nemen en bracht ook ons naar den anderen oever.
Smalle paden, aan weerszijden begrensd door dicht oerwoud, voeren ons over koraalblokken naar de aanplantingen op de hoogte. Bij eenige kokospalmen stond de gids stil en klauterde behendig langs den slanken stam naar de kroon, met de voeten steunend tegen den stam, alsof hij een ladder beklom. Drie zware, groene noten vielen met een plof op den grond. Met een paar handige meskloppen werden ze geschild en geopend, en de verkwikkende, zuurachtig smakende melk werd mij aangeboden als een geschenk aan den gast.
Zijpaden leidden van den weg naar de aanplantingen. Ieder individu had een stuk land, waarvan hij zijn levensonderhoud betrok. Daar groeien vleezige bananen met groote, sappige bladeren; yams klimmen tegen vlechtwerk op en hebben kleurige bloemschermen, en ertusschen staan kokospalmen, broodvruchtboomen, roodbloeiende crotonstruiken en veel sterk geurende kruiden. In die groene weelde brengt de inboorling zijn dag door, een weinig arbeidend en veel luierend. Hij schiet op de groote duiven en de kleine papegaaien en nuttigt ze als welkome toegift bij de geroosterde yams.
Tegen zon en regen waren beschuttende daken opgesteld, waar des middags allen samenkomen en eten en praten. Lang geleden lagen hier dorpen, waarvan een reusachtige, nu gebroken monoliet nog getuigt. De steen was vijf meter hoog en moet door ondernemende menschen van de kust hierheen zijn gesleept als sieraad voor een dorpsplein, misschien ook als monument op een begraafplaats.
Terwijl des namiddags de vrouwen den voorraad voor den avondmaaltijd verzamelden, keerden wij naar Vao terug. De wind was heviger geworden, maar veilig kwamen we over en trokken nu naar het binnenland van het eiland. Eerst liepen de paden nog door het oerwoud, toen door een rietveld en daarna gingen we tusschen steenen muurtjes met rechts en links kleine aanplantingen. Toen werd de weg breeder; steenblokken stonden aan weerszijden, en we traden onder het ruime gewelf, gevormd door een geweldigen vijgenboom. Uit den zonnegloed kwam men in de diepste schaduw, uit de middaghitte in de vochtige koelte.
We stonden op een wijde vlakte, die ver overschaduwd werd door de knoestige takken van den reuzenboom. Aan den eenen kant was de stam, die al zwaar genoeg was, nog versterkt door de vele luchtwortels, die als dikke touwen van de kroon naar den grond gaan, hier en daar den stam geheel bedekkend, als een vlechtwerk of als de touwen langs een scheepsmast. Eenige lianen slingerden zich door de takken, alsof reuzenslangen in een gevecht waren verstijfd.
We waren op een van de offerplaatsen van Vao. De rijen steenen langs den weg hadden zich verdubbeld en verdrievoudigd en sloten het plein in. Bij den stam van den grooten boom was een steenen altaar, en daaromheen stonden offertafels, zware steenen platen, rustend op dikke steenen blokken. Een rotsblok lag midden op den weg op een houten slede, half onder steenpuin en aarde bedolven. Een dikke liane diende als sleeptouw. Een vijftigtal mannen zullen er aan getrokken hebben, om het zware blok van den oever naar den kleinen heuvel te transporteeren, en halfweg is hun de arbeid onmogelijk geworden en tot latere tijden uitgesteld.
Rechts van het groote altaar stonden de "tamtams", uitgeholde stammen, die als trommels dienen. Aan het boveneind zijn ze uitgesneden als een menschengezicht, met breeden, lachenden mond en ronde, holle oogen. Scheefstaand naar alle richtingen, lijken ze spoken, die den beschouwer uitlachen om hun eigen grootte en de kleinheid van de menschen. Daartegenover stonden mansfiguren, ruw uit stammen gesneden, met lange lijven en overlange gezichten, vaak slechts een hoofd met denzelfden scheeven mond als de trommelboomen, een langen neus en smalle oogen. Ze waren rood, blauw en wit beschilderd en steunden met de hoofden reuzenvogels, met uitgebreide, lange vlerken. Dat waren weer reigers, zwevend, alsof ze zoo juist uit het woud waren komen aanvliegen.
Dat was alles op de dans- of offerplaats; maar het was voldoende, om een diepen indruk te maken. Want als daarbuiten de zon brandt, als de bladeren in den wind ruischen en de wolken langs den hemel jagen, is het hier donker en koel als in een dom. Geen wind waait, en er beweegt niets. Een behagelijke stemming, een wenschloos zich laten gaan, een verheffende gedachteloosheid, een stichtelijk droomen worden gewekt door de schaduw van den reuzenboom, den zachten boschgrond en het groene mos, dat overal op groeit, op de steenen, de trommels en de idolen.
Buiten straalt de zon op boomen met purperen bloemen en de roode gloed schijnt door het groene loover; buiten zingen de vogels, maar hier sluipen ze stil door de bladeren; buiten werken de menschen, maar hier is het eenzaam; buiten is het leven, hier heerscht onder den reuzenboom de gewijde stilte van een tempel. De plek zou voor den verhevensten godsdienst kunnen dienen; zoo zal het er hebben uitgezien om de steenen altaren der Druïden.
Achter de dansplaats was een open ruimte in het woud, waar, tusschen roodbloeiende boomen, het groote mannenhuis stond. Op palen rustte een groot dak, dat tot den bodem reikte. Van voren en van achteren werd de ingang vernauwd door groote steenen platen. Dooreengeslingerde takken vormden een haag om het huis, en aan den eenen kant stond een stellage, waaraan honderden van zwijnekaken waren bevestigd.
In het huis zagen we eenige vuurhaarden en primitieve bedden, bestaande uit een rooster van naast elkander gelegde bamboestaven, een nachtleger, dat een niet verwenden Europeaan toch wel hard en ongemakkelijk zal voorkomen. Onder het dak waren allerlei curiosa verborgen. Dansmaskers, merkwaardige visschen, zwijnekaken, beenderen, oude wapens, enz. alles met een dikke korst van roet overtrokken door de bijna voortdurend brandende vuren. Die mannenhuizen zijn een soort van sociëteiten of clubhuizen, waar de mannen samenkomen; ze brengen er ook wel den nacht door. Bij regenweêr zitten ze pratend en rookend om de vuren of knutselen aan het een of ander voorwerp.
Elk geslacht of familie heeft zulk een mannenhuis, dat natuurlijk voor de vrouwen taboe is; op Vao zijn er vijf, in overeenstemming met het aantal geslachten. In de nabijheid en min of meer rondom het mannenhuis liggen de woonhuizen, ieder met een lap grond eromheen en ingesloten door een meterhoog muurtje van los op elkaar gestapelde koraalblokken, zoo los, dat men niet tegen de muren kan leunen. Achter de muren heeft men meer dan manshooge schermen aangebracht, van riet gevlochten, die ongewenschte blikken naar binnen verhinderen. Daar de terreinen dikwijls bij elkaar aansluiten, zijn de wegen ertusschen zeer smal; men loopt als door een steegje tusschen de steenen muurtjes en de rietmatten. Soms kan men bij een bocht vrouwen zien wegloopen en kinderen schreiend aanschouwen, want de blanke schijnt hier de rol van boeman te vervullen.
Als men met de bewoners aan het strand een beetje vertrouwd is geraakt, kan men soms wel eens in de geheimzinnige woningen binnentreden, natuurlijk altijd vergezeld en bewaakt door een mannelijken bewoner.
Men krijgt weinig bezienswaardigs te kijken; kleine hutten liggen binnen de omheiningen, een voor den huisheer, terwijl iedere vrouw haar eigen woning heeft, die ze met haar kinderen bewoont en waar ze meesteres is. Op de open ruimte tusschen de hutten loopen varkentjes rond en honden en kippen in vreedzame harmonie met kinderen en volwassenen.
Het varken is op Vao, net als op bijna alle eilanden van Melanesië, het hoogst geschatte dier. Om het varken draait het denken en trachten van den inboorling, want door dat dier kan hij allerlei begeerenswaardigs erlangen. Hij kan er een vijand door uit de wereld laten helpen; hij kan veel vrouwen koopen; hij kan op de maatschappelijke ladder tot de hoogste sporten stijgen, en hij kan er zich het paradijs mee verzekeren.
Het is dus geen wonder, dat de varkens even zorgvuldig of nog zorgvuldiger worden verzorgd dan de kinderen, en dat het de belangrijkste plicht van de oude vrouwen is, over het welzijn van de zwijntjes te waken. Het zijn intusschen alleen de mannelijke varkens, die zoo hoog op prijs worden gesteld, het vrouwelijke varken beteekent niets; men laat het vrij rondloopen en bekommert er zich weinig om; maar het heeft daardoor juist een veel prettiger leven dan het mannelijke dier, dat jaar uit, jaar in aan een kort touw aan een paal is gebonden en zich haast niet kan bewegen. Wel wordt het dagelijks gevoederd, doch het eten wordt hem vergald door hevige tandpijn, want men heeft het dier de bovenvoortanden uitgebroken. De tanden van de onderkaak vinden nu geen vlakte meer, waartegen ze kunnen schuren en groeien tot een vervaarlijke lengte, gaan een boog vormen, tot ze op de kaak stooten, waarna ze in het vleesch van de wang dringen, waar een wonde ontstaat, die maar zeer langzaam geneest. De tanden groeien voort en buigen buiten de kaak een tweede maal, en als het arme varken lang genoeg leeft, een derde maal.
Die varkens met gebogen tanden zijn de trots en de rijkdom van de inboorlingen. Macht en aanzien richten zich naar het aantal van zulke zwijnen, die een man bezit en naar de grootte van hun tanden; daarom worden ze zoo zorgvuldig behoed en vastgehouden, dat hun maar geen ongeluk zal overkomen en ze nergens hun tanden breken. Rijke lieden bezitten een groote hoeveelheid van die dieren; anderen slechts één of twee, en zeer arme menschen hebben er geen enkel. Er is in Melanesië dus sprake van een soort van eeredienst van het varken, die men daar Suque noemt, en waarbij het zwijn het offerdier is, misschien omdat men dan het grootste zoogdier van de eilanden aan de goden afstaat, dus de beste uitdrukking van vereering geeft, of omdat mogelijk het zwijnenoffer in de plaats is getreden van het menschenoffer. De Suque is de vereeniging van alle mannen, die zwijnen hebben geofferd, een bond, die in tallooze kleine groepen is verdeeld naar districten en dorpen. Wie niet tot de Suque behoort, staat eigenlijk buiten het leven van de inboorlingen, heeft geen vrienden en mist alle geloof. Als knaap kan men al tot de Suque toetreden, als een oom van moederszijde in den naam van den neef een zwijn offert. De jongen mag dan het "gamal", het clubhuis van de Suque, betreden.
Op Vao had ik gelegenheid, een doodenfeest bij te wonen. De man leefde en was gezond en wel, maar hij wou zeker wezen, dat het feest niet werd verzuimd na zijn dood en liet het dus al bij zijn leven plaats hebben. Als namelijk een man van Vao sterft, reist zijn ziel naar het eiland Ambrym, ten oosten van Malekula, terwijl Vao bij de noordpunt van dat groote eiland is gelegen. Op Ambrym is een vulkaan, die door de ziel in een reis van vijf dagen wordt bestegen. Halfweg op den tocht naar den krater zit een monster met een krabbeachtig uiterlijk en twee reusachtige scharen. Heeft men nu voor den overledene vóór den vijfden dag geen voldoend aantal varkens gedood, dan is de arme ziel alleen, en het monster pakt en verteert haar. Maar als men het offer heeft gebracht, dan draven achter de ziel aan alle zielen van de geofferde zwijnen, en deze eet het monster liever dan de menschen. De overledene kan dientengevolge ongehinderd zijn weg vervolgen en komt spoedig in een paradijs met veel zwijnen, vrouwen, dansen en eten. Op den feestdag werden geschenken naar de offerplaats gebracht, en in den morgen kreeg iedere familie eenige yamsknollen, een varken, een kokosspruitje en eenige bundels geld, bestaande uit opgerolde matten. Oorspronkelijk is zoo'n mat een lijkkleed, maar wordt na eenigen tijd weggenomen, als de lijken enkele dagen in den grond hebben gelegen. De groote rollen worden nu niet meer gebruikt, maar komen bij feestelijke gelegenheden nog voor den dag.
Veel plechtigs was er niet aan het feest, waarbij de gastheer met een mes de vastgebonden varkens slachtte, waarna ieder man zijn geschenk mee naar huis nam. Niet alle feesten verloopen zoo prozaïsch, maar toch zal het niet lang duren, of met deze ceremoniën wordt geheel gebroken.
Op Vao, met name in Atchin op het eiland, vindt men veel heilige vooroudershuisjes, waar een altaar wordt aangetroffen van steen. Daaronder ligt waarschijnlijk het hoofd van den voorvader begraven. Op het huis staat het beeld van een reiger, ruw gesneden en gedragen door een standbeeld, dat, schijnt het, den voorvader voorstelt. Daar de beelden in de open lucht staan en sterk verweêren, worden ze niet oud, en de jongere producten zijn niet met de oudere te vergelijken. Ik was zoo gelukkig, een oud exemplaar te krijgen van een ouden man, die er wel bezwaar in zag en meende, dat de voorvader het sterk zou afkeuren, maar ten slotte zich geruststelde met de overweging, dat de man al zoo lang dood was, en dat hij een zwijntje op het graf zou offeren, welk offer ik ook nog moest betalen. Het beeld was niet minder dan twee meter hoog en mooi gesneden.
Trots de veelvuldige aanraking met Europeanen is de oude cultuur op Vao in stand gebleven, doordat de inboorlingen zoo weinig lust hebben, op plantages te gaan werken. Maar terwijl wij op het eiland waren had er een gebeurtenis plaats, die aantoont, hoe hierin verandering kan worden gebracht. Op een morgen lag vóór het eiland een schip voor anker. Een zwaarlijvig beambte van de fransche opmetingsexpeditie ging aan wal. Hij liet alle mannen aan het strand samenkomen en deelde hun mede, dat hij tegen den avond een aantal arbeiders moest hebben tegen goede betaling voor licht werk. Men zou hem in zijn gezicht hebben uitgelachen, als hij zijn verzoek in dit geval niet had ondersteund met de bedreiging, dat hij het eiland in geval van weigering zou laten ontruimen, want dat de "Société francaise des Nouvelles Hébrides" al voor jaren de eilanden had gekocht.
De onderhandelingen duurden tot den laten namiddag, en bij zonsondergang stonden bijna alle beschikbare mannen op het strand, werden door groote roeibooten afgehaald en verdwenen in de avondschemering. Aan den oever bleven oude mannen achter en de vrouwen, die luide klaagden in aandoenlijke smart. Ook voor den buitenstaanden toeschouwer was het een treurig tooneel, dit wegvoeren van de beste krachten van een stam, die ruwe greep in het familieleven door de brutaliteit van het blanke ras, dat zich veel laat voorstaan op zijn beschaving. Men voelt geen ziekelijk medelijden met de mannen, die tot arbeid worden geprest, maar wel doet het bitter aan, te moeten zien, hoe een stuk eerwaardig oud leven en natuurlijke ontwikkeling wordt vernield. Het is, alsof een oud bouwwerk voor profaan gebruik wordt geschonden.
Den volgenden morgen was het strand eenzaam. Vrouwen en grijsaards en kinderen misten alle vroolijkheid van vroeger, en ik besefte, hoe het op de andere eilanden in de buurt was gegaan, waar thans zoo goed als geen inboorlingen meer zijn op plaatsen, vroeger met dorpen bezet. In de laatste zeven jaren is in enkele omvangrijke gebieden de bevolking tot op een derde geslonken. Er behoeven geen vijftien jaren meer te verloopen, of men zal van een inboorlingenbevolking niet meer kunnen praten. De volgende generatie zal er weinigen meer vinden.
Voor mij was die gebeurtenis het bewijs, dat ik geen bedienden op Vao zou kunnen krijgen; de jonge lieden, die erover hadden gedacht, mij te vergezellen, hadden moeten helpen, om het aantal opgeëischten vol te maken, zoodat ik teleurgesteld vertrok, toen de kotter van den pater hersteld was en wij, afscheid van het gastvrije Vao nemend, naar het Canal du Segond voeren, om van daar langs de oostkust van Espiritu Santo naar Port Olry te gaan. Daar was, in het noordoosten van het groote eiland, een zendingsstation, waar de honden, de katten en de bewaker ons kwamen begroeten, en waar ik weer gast was in het huis van den pater en er een interessanten tijd doorbracht.