In Het Oerwoud En Bij De Kannibalen Op De Nieuwe Hebriden Deel
Chapter 2
Men had mij de jacht op het droge rif als bijzonder prettig afgeschilderd, en we maakten ons daarom den volgenden dag klaar, om bij eb op de wijde vlakte avonturen te beleven. Op het rif had zich al eenige plantengroei afgezet, voornamelijk mangroven, die zich op hun luchtwortels boven den hoogwaterstand trachtten te houden. Ofschoon er voor mij niets te jagen viel, was het waden door het stijgende, lauwe water een genoegen, omdat ik er kennis kon maken met een wereld van onbekende dieren. Er waren holothuriën, die geel of purperkleurig als worstjes in de poelen lagen en door de Chineezen worden gegeten, waarom ze een kostbaar uitvoerartikel zijn. Groot was het aantal kleurige vischjes, die in de plassen verschrikt heen en weer schoten, evenals dat van de wormen, de zeesterren en polypen. Toen het water hooger steeg, gingen we aan boord en zeilden verder naar Vao en van daar verder noordwaarts, voeren door de Bougainvillestraat met haar lastige stroomingen en wierpen des middags het anker uit in de haven Canal du Segond in het Zuidwesten van het grootste eiland der groep, Espiritu Santo of alleen Santo.
Het eigenlijke Canal du Segond is een lange, smalle inham, gevormd door de kust van Espiritu Santo en door die van de kleinere eilanden Aore en Malo. De lengte is ongeveer acht mijlen en de breedte op de smalste plaats slechts drie vierde mijl. Aan de oevers, die aan de Société Francaise des Nouvelles Hébrides behooren, woont een ongeveer honderdvijftig zielen tellende kolonie van fransche planters. Men heeft er een goede haven, maar die, helaas, niet zeer centraal is gelegen, en ook gaat er een sterke strooming in het kanaal. De oevers zijn vlak en laten de monding vrij van de Sarakatta, een groote rivier, die in het binnenland van het eiland ontspringt.
Die rivier is een bezienswaardigheid, en een vaart van de monding stroomop maakt een diepen indruk. De plantengroei om het Canal du Segond is de allerweelderigste van de eilanden, en de rivier snijdt direct in het oerwoud, zoodat men tusschen twee hooge woudmuren vaart. Geluidloos glijdt het water voort; geluidloos is het woud, en slechts zachtjes plast de boot of slaat een visschestaart het water. Altijd nieuw en verrassend is de afwisselende plantengroei en zijn de kijkjes bij de verschillende bochten van den stroom. Als in een droom glijdt men dan weer den stroom af en behoudt een liefelijke herinnering te meer.
De resident stelde mij voor aan het planterspaar, den heer en mevrouw Ch., en verzocht voor mij huisvesting. Zijn wensch was voor hen zoo goed als een bevel. Ze hadden een jaar geleden een weelderig leven in Parijs verwisseld voor het plantersbestaan op de Nieuwe Hebriden en hadden, daar ze een oude plantage van de Societé des Nouvelles Hébrides hadden gehuurd, dadelijk een huis gereed gevonden, anders dan de overige kolonisten, die de eerste grashut voor zichzelf moeten bouwen en vaak eerst na jaren zich een behoorlijk huis kunnen veroorloven.
Toen ik mijn kwartier had betrokken, voer de resident in de "Gallia" weg, en ik bleef achter aan den rand van de wildernis.
Wat er nu volgde, was een wachtperiode van twee maanden, de eerste van vele volgende. Daar ik geen dienstpersoneel had, kon ik niets degelijks beginnen, en van de inboorlingen kreeg ik heel weinig te zien. Maar wel kreeg ik een goeden kijk op het leven van een, zij het dan ook slecht geleide, plantage.
De heer Ch. had bij de plantage ongeveer dertig inboorlingen overgenomen en trachtte de verwaarloosde aanplantingen weer bruikbaar te maken. Veel hectaren stonden vol koffieboomen, maar bij de voortdurende wisseling van beambten van de maatschappij was het plantsysteem zoo vaak veranderd, dat er niet veel van den oogst terecht kwam. Ieder nieuw aangestelde had het werk van zijn voorganger laten liggen en had nieuwe aanplantingen aangelegd. In een oogenblik zijn zulke oude aanplantingen overgroeid, zoodat hier de koffieboompjes bij duizenden tusschen het onkruid en het hooge geboomte stonden te worstelen om licht en lucht en geen vrucht meer droegen. Men kan het haast niet gelooven, dat in veertien dagen op een glad gemaaiden grond weer meterhoog gras kan staan, of dat in zes maanden een gewiede aanplanting weer dicht bosch met stammen van een vinger dikte draagt. Alleen de planter weet, dat de overgroote weelderigheid zijn grootste vijandin is, en dat hij meer arbeid moet besteden aan het schoonhouden van de plantage dan aan het eerste uitroeien van het oerwoud en het zetten van de jonge planten.
Er was dus voor dezen planter veel te doen, wilde hij de koffieboomen weer doen dragen, en om toch dadelijk wat te verdienen in den tijd, voordat de koffie een opbrengst leverde, wat eerst na twee of drie jaren te verwachten was, deed hij als alle planters en zaaide maïs, die in drie maanden al vruchten levert. Zijn arbeiders, kroesharige, donkere, in lompen gekleede kerels, waren dan ook bezig, de een voet lange maïskolven te plukken. Met onverschillige hand wierpen ze de goudgele vruchten over hun rug op den grond; daar werden ze door eenige vrouwen opgezocht, in zakken gedaan en naar de loods aan den oever gedragen. De heer Ch. wekte de menschen op, voort te maken, daar de maïs voor de verzending gereed moest wezen, tegen dat de binnen enkele dagen te verwachten "Pacific" zou aankomen. Bij de groote vochtigheid van het klimaat kan men de waren niet lang laten liggen, zonder dat ze verrotten, vooral niet in eenvoudige loodsen of open ruimten onder daken van palmbladeren.
De "Pacific", waarop gewacht werd, was een engelsche stoomboot, de vlag voerend van het groote australische handelshuis Burns, Philp en Co uit Sydney, dat ook met andere eilandengroepen relaties onderhoudt. Die stoombooten doen eerst de Lord Howe- en de Norfolkeilanden aan, dan Port Vila, de ingangshaven van de Nieuwe Hebriden, om van daar in een rondvaart van vier weken alle grootere plantages van de groep en bijna alle eilanden aan te doen. Door een aanzienlijke rijkssubsidie is de maatschappij verplicht tot den postdienst, maar drijft buitendien een levendigen handel met de planters en kooplieden. Aan boord van de schepen is een ambtenaar van de maatschappij, de zoogenaamde supercargo, die de producten van de kolonisten koopt en hun daarvoor waren levert, ruil- en handelswaren voor het verkeer met de inboorlingen, alsook alles, wat ze zelf noodig hebben. Ook brengt hij alle bestellingen over van de blanken naar het handelshuis te Sydney, bestellingen van allerlei aard, van naainaalden tot paarden en motorbooten toe.
Een groote voorraad goederen wordt altijd aan boord meegenomen, vooral dingen van dagelijksch gebruik, zoodat men daar een soort van warenhuis heeft en alles kan uitzoeken, wat men aan levensmiddelen en kleeding behoeft. Daarbij wordt gaarne crediet verleend aan beginnende planters, dat zijn menschen, wier plantages nog niets opbrengen, waarvoor dan de planters de verplichting op zich nemen, al hun producten later aan Burns en Philp af te geven, en wat ze noodig hebben, ook van die firma te betrekken. Zoo komt het, dat veel planters in schulden steken bij Burns, Philp en Co, en deze, omdat er geen concurrentie is, de prijzen voor copra en andere producten kunnen vaststellen. De firma is dus een belangrijke machtsfactor op de eilanden.
Anders is het gesteld met de fransche stoomvaartlijn der Messageries Maritimes. Door een groot subsidie van de regeering ondersteund, is die lijn alleen postdienst en geeft zich niet af met handel. Het mooie schip vaart in drie weken van Sydney naar Nouméa en Port Vila, bezoekt drie planterscentra van de groep, om de eilanden al na drie weken te verlaten en langs dezelfde route naar Sydney terug te keeren. Die lijn vormt daardoor de snelste en ook de geriefelijkste verbinding met Australië in acht dagen, terwijl de engelsche stoombooten voor de reis elf dagen noodig hebben.
Buitendien circuleeren nog verscheiden kleine stoombooten en zeilschepen door de groep en trachten door hun komst in de tusschenpoozen tusschen de australische booten wat te verdienen en den kolonisten van dienst te zijn.
Bij het wachten op de boot wordt de oogst, om bederf te voorkomen, vaak tot het laatst uitgesteld, en als het dan regent, moet er weer uitstel volgen, zoodat er op het laatst een zenuwachtig haasten heerscht op de plantages, want als de producten niet klaar zijn, om te worden ingeladen, blijft alles liggen, en de heele oogst is verloren. Zoo moest de heer Ch. de helft van het veld, circa honderd zakken, ongeplukt laten, daar hij ze niet meer verwerken kon. De vochtigheid is juist aan het Canal du Segond verbazend groot; er verloopt haast geen dag zonder regen.
Wij stonden op het kleine koraalstrand, dat de oevers van het kanaal omzoomt. Onze kleêren waren doorweekt van den regen, dien we hadden meegenomen van het gras en de struiken van de plantage. Het water leek slaperig en dik; alles rook modderig, en bruine regenwolken kwamen aandrijven uit het midden van het eiland over de bergen en het oerwoud. Door de zware lucht druilde een fijne motregen, die alles doordrong. De messen in onze zakken gingen roesten, en de lucifers wilden niet branden. Het was trouwens al maanden zoo, en men behoeft zich niet te verwonderen, dat in die omstandigheden de malaria haar slachtoffers maakte. De heer Ch. zag er na een jaar al uit als een verlorene, broodmager, geel en uiterst zenuwachtig, en met zijn vrouw was het al niet beter gesteld. Zij was een dame uit de beste kringen, een Fransche, die haar man was gevolgd en met hem voor zijn fouten boette. Ze hield zich dapper, kookte en waschte en vervulde de plichten van een plantersvrouw, terwijl ze vroeger zich in het geheel niet met de huishouding bemoeide. Tot steun had ze enkel een inboorlingenvrouw, die weinig uitrichtte.
We keerden terug naar het eenvoudige houten huis, dat ongeveer tweehonderd meter van den oever verwijderd stond. De zwarte dekte juist de tafel voor den avondmaaltijd, wat haar blijkbaar veel moeite kostte en hoofdbreken, maar welke bezigheid ze verrichtte met kinderlijke zorgvuldigheid en onder het uitstooten van moeilijk verstaanbare inlandsche klanken en veel zuchten. Het was een gedrongen vrouwtje uit het Noorden van Malekula, waar het ras leelijk is. Een laag voorhoofd, kleine, diepliggende oogen en een mond als een snuit gaven haar een dierlijk voorkomen. Daarbij was haar kleine hoofd kaalgeschoren, en in haar mond ontbraken de middelste bovensnijtanden als bewijs, dat ze eenmaal getrouwd was geweest. Wij mannen maakten ons vaak vroolijk over het arme schepsel, maar voor de huisvrouw werd haar goedwilligheid slechts een kale troost voor haar gebrek aan geoefendheid.
Men kan trouwens niet ontkennen, dat de vrouwen van deze eilanden, waar ze maatschappelijk laag staan, niet zoo leerzaam en intelligent zijn als de mannen, omdat ze van der jeugd onderdrukt worden en tot machinalen arbeid opgeleid. Maar in dien lichamelijken arbeid zijn ze krachtig en flink en vlijtiger dan de mannen. Na het eenvoudige maal van vleesch uit een bus, yams en bananen kwam de voorwerker, iemand, die voor eenige jaren nog een echte wilde was uit het zeer gevaarlijke en ook nu nog niet ontsloten noordelijk district van Malekula. Ook zijn hoofd was kaalgeschoren met uitzondering van een plek boven het voorhoofd, waar de mode een pruikje haren wil zien. Hij was welgebouwd en zag er goed gevoed uit, terwijl hij zich met natuurlijke beleefdheid bewoog. Hij had iets vriendelijks in den blik en hij sprak met zachte stem. Zijn lijf leek in het lampenschijnsel een bronzen standbeeld.
De heer Ch. zei hem, dat de menschen dien avond verder moesten werken; maar vooraf wou hij hun een glas wijn geven ter opwekking. Aan alcohol zijn de inboorlingen verslaafd, en gewetenlooze kooplieden maken daar misbruik van. Wel is het afgeven van alcohol aan inlanders verboden bij de wet van het condominium; maar van franschen kant wordt daar niet de hand aan gehouden. Vandaar dat er niet weinig planters zijn, die groote sommen door den alcohol verdienen en met hun handel den ondergang van de inboorlingen bewerken. Anderen gaan daarbij indirect te werk, door namelijk elken Zaterdag aan de zwarten wijn en jenever te geven, waardoor dezen bij hen in schuld raken en vaak hun heele weekloon verdrinken. Willen ze dan na afloop van hun contract naar huis terug, dan wordt hun duidelijk gemaakt, dat zij bij hun meester nog diep in de schuld staan en minstens nog een half jaar moeten dienen, om hun schulden af te doen. De arme kerels drinken natuurlijk verder en komen nooit uit de schuld en nooit naar huis. Deze praktijk dateert nog maar van de laatste jaren en is een gevolg van het gebrek aan werkkrachten, maar tevens is ze een manier van slavernij. Zoo'n arbeider is namelijk zoo goed als rechtloos, omdat de blanken niet tegen elkander zullen getuigen, en als er al eens een ambtenaar kwam ter contrôleering, wat bij de Franschen haast nooit gebeurt, dan kan de een of andere schriftuur gemakkelijk worden voorzien van een kruisje, dat, onzinnig genoeg, als onderteekening van den inboorling wordt erkend, en als document tegen den zwarte worden gebruikt.
Mijn gastheer behoorde niet tot die klasse van planters; zijn europeesch geweten was nog wakker. Maar het moet gezegd, dat hij, helaas, zich ook hierin heeft geacclimatiseerd en later wel dingen heeft gedaan, die hij als socialist eigenlijk niet zou kunnen verantwoorden. Het afgeven van alcohol als medicijn aan zwarten, dat geoorloofd is, maakt het misbruik maar al te gemakkelijk.
De arbeiders waren dan ook dadelijk bij de hand, en ieder wachtte begeerig, tot zijn beurt kwam; eenigen dronken haastig, anderen met kleine slokjes als kenners; maar allen droegen zorg, zich ter zijde te wenden bij het drinken, net of ze een soort van schaamte gevoelden. Daarna gingen ze lachend aan het werk, en de zieken verschenen ten tooneele. Het waren meest tuberculeusen, verkouden menschen, menschen met verteringsbezwaren, koorts en infecties, en men kan nagaan, dat de behandeling al heel primitief en ondoelmatig is. Er wordt wat gewerkt met likkepotjes, patentmedicijnen en universeele geneesmiddelen, en de blanken wagen zich er maar aan, want de goede natuur geneest gelukkig veel, ofschoon de mensch haar wel eens in de wielen rijdt.
De heer Ch. heeft koorts, maar wij gaan toch naar de werkloods. Het was pikdonker, en de lucht drukkend als in een warme broeikas. De branding kon men hooren bruisen, en de regenwind zwiepte het oerwoud. Nu en dan kraakte er een zware tak. Al uit de verte klonk het geluid van de machine, die de maïskorrels uit de kolven haalt. Twee aan twee draaien de arbeiders aan de drijfraderen, die hun amusement schijnen te verschaffen, want hoe sneller en luider het gaat, des te onderhoudender schijnen ze het te vinden. De paren zijn met zorg uitgekozen, en het is een eer, zoo lang mogelijk en zoo krachtig mogelijk te draaien, waarbij ze elkander met geschreeuw aanvuren. Het leek, alsof ze op een dansfeest waren, waar ze ook den heelen nacht kunnen springen en huppelen onder gelach en geschreeuw. Zoo kon men alleen den werklust begrijpen, die allen had aangegrepen, en hun verlangen, om maar weer aan de zware raderen te mogen draaien.
Wij gingen bij den trechter staan en gooiden de groote kolven tusschen de raderen. Er waren reuzenexemplaren bij, waarvan het haast jammer was, ze te vermorselen. Maar onverbiddelijk gingen ze in de machine, werden door de tanden gegrepen en onder knarsende ratels, verwreven. Een heldergele stroom van maïskorrels en een armzalig dun kolfje rolden uit de machine. Dat laatste wordt door de arbeiders op zij geworpen, en er hoopt zich bij de machine een berg van maïskorrels op. Met emmers worden de korrels naar de zuiveringsmachine gevoerd, waar een systeem van zeven alle onreinheden verwijdert, waarna men de maïs in zakken pakt, ze dichtnaait en merkt.
Tegen middernacht stond een statige rij prachtig volle zakken in de loods, en de heer Ch. gaf het sein tot ophouden, waarna de arbeiders gingen slapen. Maar de meesten, door den dansduivel bezeten, wilden niet van ophouden weten, en toen wij door een stofregen naar huis gingen, hoorden we de machine weer dreunen. De heer Ch. was op van de koorts, en vermoeid legden we ons te bed. Den volgenden morgen om zes uur begon het werk in de koffie, en in den nacht was weer de maïs aan de beurt. Dat duurt zoo drie dagen. Dan zijn de menschen doodmoe en als lamgeslagen.
Op een morgen kwam een inboorling aan het huis en meldde, dat er "men bush" waren, menschen uit het binnenland. We gingen op de veranda en zagen magere gestalten met zware haarvlechten met lichten tred over het smalle pad naderen. Achter hen op eenigen afstand volgde een heele schaar, die bij het laatste heestergroepje op den grond gingen zitten en schuw en opmerkzaam rondkeken, terwijl de eersten wantrouwig het huis naderden. Bijna allen droegen geweren, oude Snidergeweren, die altijd geladen en gespannen zijn. De mannen bleven een poosje stom bij de veranda staan, tot eindelijk een van hen in gebroken "pidgin" Engelsch een woord mompelde. Hij duidde de waren aan, die hij en zijn vrienden wilden koopen, messen, bijlen, patronen, kruit, tabak, aarden pijpjes, lucifers, katoen en glazen kralen. "All right", zei de heer Ch., en eenige mannen haalden van de achtergeblevenen keurige, voor dit doel van palmbladeren gevlochten manden, vol copra.
Ieder, vooral de vrouw, doet mee aan het dragen, en de last komt vaak van ver uit hun dorpen en moet over slechte wegen worden vervoerd soms dagen lang, om de gewenschte artikelen te erlangen. De manden werden gewogen en de ervoor afgegeven hoeveelheid waren voor iederen korf bepaald, waarbij de blanke hier een winst van honderd tot driehonderd procent opstrijkt. Op andere eilanden moet hij zich tegenwoordig met dertig procent tevreden stellen. Ieder stuk wordt door de zwarten onderzocht; elke pijp geprobeerd of ze wel wil trekken; de lucifers afgestreken, of ze willen branden, en de scherpte van de messen wordt beproefd, terwijl de schuwe menigte op den achtergrond met gespannen opmerkzaamheid toeziet.
Toen de langwijlige ruil was afgeloopen, keerden de afgezanten terug; het gezelschap stond fluisterend op en was in een wipje verdwenen. In het dichtstbij zijnde bosch lieten ze zich neer, verdeelden de inkoopen, die bestonden uit misschien een dozijn pakjes lucifers, twee kilo tabak, twintig pijpen, een mes, een paar gordels en een pak katoen, geen schitterende vergoeding voor den bezwaarlijken tocht. Meestal overnachten ze dan nog in de buurt onder overhangende rotsen, zoo maar op de steenen, gelegerd om een groot vuur, kauwen wat scheepsbeschuit, die ze hebben gekocht en keeren des morgens terug. Vaak hebben ze een beetje geld, als ze een paar dagen bij een blanke hebben gewerkt. Ofschoon ieder planter een winkel heeft, koopen ze toch veel liever bij zijn buurman uit een vaag, maar niet volkomen ongemotiveerd wantrouwen.
Voor een werktijd van langeren duur verhuren ze zich zelden en enkel, als ze een grooter voorwerp willen koopen, meestal een geweer, waar zonder de inboorling zich niet graag ergens vertoont. Dan werken gewoonlijk een aantal mannen samen voor een enkele, die hen later naar inlandschen trant voor de hulp schadeloos stelt, door hun varkens ten geschenke te geven of hun op andere wijze diensten te bewijzen. Op de plantages zijn ze vreesachtig, wantrouwend en vaak lui, maar ongevaarlijk, zoolang men ze niet hindert of prikkelt. De heer Ch. had lang achtereen al aan dertig van zulke daglooners werk gegeven, tot eens één van hen in de nabij zijnde rivier viel, hangen bleef tusschen geknikt bamboe en, daar hij niet kon zwemmen, verdronk. Volgens de inlandsche rechtsbegrippen was dat de schuld van den heer Ch., en hij had voor den doode boete moeten betalen, wat hij uit onbekendheid met de volkszeden niet deed.
Eerst was er algemeene ontsteltenis onder de vrienden van den gestorvene; niemand wou meer naar de rivier gaan, en spoedig trokken de menschen af, verschenen na een paar dagen met geweren en zwierven om het huis, om bloedwraak te nemen. De heer Ch. werd door de andere arbeiders, die van Malekula herkomstig waren, gewaarschuwd, anders zou hij stellig verraderlijk vermoord zijn. Hij wapende zijn lieden en ging zelf nooit ongewapend uit het huis; maar toch duurde de onbehagelijke toestand eenige weken, eer de inboorlingen tot kalmte waren gekomen en verdwenen. Voortaan kwamen nu echter ook geen arbeiders meer.
Men kon trouwens aan deze "men bush" geen vertrouwen schenken. Thans waren ze nog onder den indruk van een goed geslaagde strafexpeditie van een paar oorlogsschepen in het vorige jaar, toen eenige inboorlingen een ouden, goedmoedigen planter, die de inboorlingen van alle blanken wel het allerbeste had behandeld, plotseling doodgeschoten hadden en zijn beide dochters met bijlen hadden geslagen, om zijn, naar ze meenden, welvoorzien wapenmagazijn te rooven. Ze hadden echter niet veel gevonden en moesten hun daad met het verlies van hun dorp en hun have en goed boeten.
Den derden avond was nu alles klaar voor de verzending. We zaten nog aan den avondmaaltijd in de gewone zware, vochtige lucht. Plotseling klinkt een lang gefluit: "De Pacific!" Alles springt op in blijde verrassing, want de stoomboot brengt een beetje beschaving, en haar aankomst is het besluit van een drukke week, de hoofdgebeurtenis aan het Canal du Segond, want men rekent hier niet naar maanden, maar per "Pacific".
Alles snelt naar het strand en zet op bepaalde punten lantaarns neer, om het schip de ankerplaats te wijzen. Dan gaat men in huis terug, trekt een nieuw, wit pak aan en wekt de arbeiders uit den wel verdienden slaap. Ze komen langzaam en nog half in den dut en weten, dat hen een zware nacht wacht door het laden van de zakken in de boot. Intusschen komt het schip snel nader, kolossaal en feestelijk in de duisternis; dan zoekt het langzaam naar de plaats, waar het anker moet vallen, en na een oogenblik ligt de lange rij van helder verlichte vensters rustig op het water, en de spiegeling schommelt onregelmatig op de golven door het zwart van den nacht. Dan duiken ook al uit alle richtingen de bootslantaarns op van de aanvarende planters, die hun lading opgeven en de post afhalen, om aan boord een genoegelijken avond door te brengen.
Er waren dezen keer nog een paar reizigers aan boord, planters van andere eilanden, die naar Vila, Nouméa of zelfs naar Sydney wilden, en spoedig was men aan het drinken en spelen, waaraan eerst een eind kwam, toen de rooksalon gesloten werd. Den heelen volgenden dag bleef de "Pacific" in het Kanaal, nam van alle planters goederen in, en nog twee dagen duurde de feeststemming. Toen herstelde zich de rust met het eentonige leven van iederen dag.