In Het Oerwoud En Bij De Kannibalen Op De Nieuwe Hebriden Deel
Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
De Aarde en haar Volken: Geïllustreerd Maandblad
In het Oerwoud en bij de Kannibalen op de Nieuwe Hebriden. [1]
Naar het Duitsch van Felix Speiser.
De schetsen, die Felix Speiser tijdens zijn reis naar de Nieuwe Hebriden ten papiere bracht, willen geen uitvoerige beschrijving geven van de eilanden en hun bewoners. Hij nam de pen ter hand, om aan zijn vrienden, van wier belangstelling hij overtuigd was, iets mee te deelen van zijn indrukken. Hij heeft ernaar gestreefd, zegt hij in de voorrede van zijn boek, bij zijn bekenden eenig gevoel te wekken voor de heerlijke koraaleilanden en hun idyllischen vrede, voor den ernst van het donkere oerwoud en den grimmigen toorn van den oceaan. Hij wilde de lezers bekend maken met het eenvoudige en toch bewegelijke leven van de inboorlingen, met hun grillig karakter, waarin men nu eens op schuwe nieuwsgierigheid stuit, dan op verraderlijke vrees, heden op trotsche zelfstandigheid en morgen op goedmoedige onderdanigheid. Hij hoopte, dat uit zijn woorden mochten klinken het vleiende ruischen der palmen en het zware grommen der branding; hij zou anderen willen doen meegevoelen de vroolijkheid, die het klare koraalstrand wekt, en den ernst, waarmee het oerwoud de ziel van den zwerver vervult.
Of het hem is gelukt, mogen onze lezers beoordeelen.
Den 26sten April 1910 bereikte ik Nouméa op Nieuw Caledonië met de van Marseille komende stoomboot van de Messageries Maritimes, waarop ik mij te Sydney had ingescheept. Vier dagen later kwam de "Pacific" uit Sydney in Nouméa en nam mij mee naar de Nieuwe Hebriden. Nouméa maakt geen al te besten indruk; sedert Nieuw Caledonië geen strafkolonie meer is, nam de achteruitgang snel toe, en men krijgt in de stad den indruk, dat ze nog in haar eigen aanleg moet groeien, zoo leêg en verlaten doen zich de pleinen voor, zoo onverzorgd zijn de tuinen, en zoo weinig aantrekkelijk zien de huizen eruit. Hier en daar zijn over de trottoirs daken van gegolfd plaatijzer gespannen, waaronder men naar stoffige winkels kan kijken, en waar op iederen hoek een matrozenkroeg lokt. Er is een raadhuis, van hout opgetrokken, en de residentie van den gouverneur is ook niet veel bijzonders. De ambtenaren spelen kaart in de club en gaan vroeg naar bed, nadat ze zich hebben laten vermaken door afgespeelde operadiva's uit Sydney of door de voorstelling van een kinotheater.
De eenige afleiding is de maandelijksche aankomst en het vertrek van de stoomboot uit Sydney, wanneer iedereen op de kade zich vertoont en onbekenden toewuift met een naïeveteit, die op de verveling in de plaats een helder licht werpt. Het was een druilerige regendag, toen wij wegvoeren. Mismoedig stonden de passagiers op het natte dek en keken toe, hoe de lading werd verpakt, die bestond uit deelen van uit elkaâr genomen huizen, oude spoorrails, kisten met ingemaakte levensmiddelen, paarden, prikkeldraad, enz. Het vertrek werd van den middag tot den avond verschoven; de blanke passagiers, kolonisten, soldaten, kooplieden, werden ongeduldig; maar de inboorlingen trokken er zich niets van aan. Voor hen beteekent tijd niets; ze sloegen hun dekens om in een droog hoekje en bleven rustig zitten droomen.
Toen we eindelijk wegvoeren, veegde de regen van de bergen af door de lucht, en toen er daarna nevel opkwam, moesten wij het anker uitwerpen, want de loods was niet zeker van den weg door de vele kleine eilanden en ondiepten, die de vaart binnen het Barrièrerif zoo gevaarlijk maken. Het was volslagen donker, en het schip rukte onrustig aan zijn ankerkettingen. Wie niet zeeziek was, ging naar de rookkamer, waar het gesprek natuurlijk op schipbreuken kwam, die in den laatsten tijd talrijk waren geweest in deze wateren. Men vertelde avonturen met haaien en roggen en sprak over cyclonen. Van tijd tot tijd ging er één op het dek en keerde terug met een bedenkelijk gezicht, zoodat een ongevaarlijke positie ongemoedelijk begon te worden. Ten slotte ging men maar naar zijn hut en kon daar bij gesloten vensters kennis maken met tropische hitte en vochtigheid.
Den volgenden dag bij het ontwaken waren we het rif al voorbij en rolden op de zware, hooge golven, die de zuidoostpassaat over de onmetelijke watervlakte jaagt, en een dag later deden we Port Vila aan, de ingangshaven van de Nieuwe Hebriden op het eiland Elate. Uit den lichten nevel van den zomermorgen kwamen de vormen van een eiland voor den dag en de koepels van bergen, en bij het naderkomen onderscheidde men kronen van vijgenboomen, die hoog boven het andere groen uitstaken als kathedralen boven de huizen van een stad. Men kon nu ook de branding zien schuimen tegen de vlakke kust, zag den ingang van de wijde baai, herkende palmen, en onvoorziens waren we al in de lagune, waar het water in den zonneschijn fonkelde met den glans van juweelen. We hadden nu de vlakke landtongen achter ons, en de bocht werd hier omzoomd door steile hellingen van koraalplateau's, waarlangs watervallen van oerwoud neerstortten in overweldigenden overvloed van gewassen. Er was iets spontaans in die weelde van den plantengroei, en men werd herinnerd aan een vulkaan, waarbij de eene rookzuil de andere schijnt te willen verdringen. Zoo scheen hier de eene boom den anderen te willen verstikken als in de worsteling om het leven, waarin de zwakkeren, beroofd van hun plaats, zich nog krampachtig vastklemden aan den oever en ver daarbuiten, tot boven de spiegelende watervlakte, terecht waren gekomen. Daar, boven het water, welfden ze zich in ronde kruinen en vormden een prachtige randversiering. Slechts hier en daar bleef het strand vrij, en het blinkend witte zand scheidde het blauw van het water van het woudgroen, zoodat het landschap in kleurenpracht straalde.
De baai vernauwde zich tot de eigenlijke haven van Port Vila, en kleine eilanden lieten kijkjes toe op koele bochten, waar lichtgekleurde huizen aan het strand stonden. Op het hooge plateau bij de stad lagen grootere villa's, en in het havenbassin witte zeilschepen van de planters. Ongeveer duizend meter van het land wierpen we het anker uit.
Zooals ons het kleurige tropische landschap aangenaam aandeed, zoo was de aankomst van ons schip een welkome afwisseling voor de kolonisten van Vila. Reeds kwamen uit alle richtingen witte roei- en motorbooten nader, die om het schip rondvoeren, tot de havendokter den toegang toestond. Vlug klauterden de wachtenden tegen het schip op, en plotseling was er op dek een druk gepraat, gelach en handgeschud. Een vriendelijke planter bracht mij met mijn weinige bagage naar den wal, waar ik mij in het hôtel een kwartier zocht.
Het middelpunt van de groote plantages is Mele, maar door haar ligging werd Port Vila handelscentrum. In den laatsten tijd echter ontwikkelden de omliggende eilanden zich krachtiger, en Port Vila wordt meer en meer bestuursplaats, terwijl de eigenlijke handel zich afspeelt aan boord van de schepen. Evenmin als Nouméa gaat Port Vila vooruit; het is een droomerige, stille plaats, waar de planters uit Mele op postdagen wat leven brengen, en de inlanders waren laden en lossen. Men kan hier onder matrozen en planters gestrande levens vinden, van wie enkele hun afkomst uit betere kringen nog graag nu en dan aan den dag leggen, maar anderen ook alle eerzucht dienaangaande hebben afgelegd en van de eene herberg naar de andere strompelen, waar u grammofoonmuziek en getwist uit tegenklinken.
Iets aardigs zijn de feestelijk uitgedoste vrouwen uit de inboorlingendorpen met haar gracieusen gang, de mooie, donkere oogen en het bakvischgegichel, die inkoopen komen doen. Ook de zeilbooten op het water, waarin bruine mannen kwamen aanvaren, maakten een schilderachtigen indruk. Mijn hôtel was niet veel bijzonders. Het eten was er goed, maar men kon er zich haast niet wasschen, en de gasten waren een zonderling zoodje. Er werd 's avonds sterk gedronken, en gespeeld, wat dikwijls met vechtpartijen eindigde. Een vreemdeling voelt er zich niet op zijn plaats, en men heeft geen gelegenheid, zich terug te trekken. Toen ik het allernoodigste had uitgepakt, beklom ik het plateau, om naar de fransche residentswoning te gaan en mij den bestuurder voor te stellen. Het kantoor van de engelsche residentie was toen nog op het eiland Iririki, waar ik zonder boot niet kon komen. Het condominium heeft wel wat meer leven in de plaats gebracht door de ambtenaren van beide nationaliteiten.
Het fransche residentshuis was een laag gebouw met een weide eromheen, waar kippen en paarden liepen en die een kaal aanzien had. Maar van de veranda had men een verrukkelijk uitzicht op den uitgang van de baai, doordat de beide oevers te zien waren, die de watervlakte insloten en hun landtongen vooruit schoven. Aan den horizon verloor zich dan de open zee tot in het oneindige. Iririki ligt aan de overzij op den groenen waterspiegel, en men kan gemakkelijk de goed verzorgde tuinen onderscheiden met hun mengeling van cultuurplanten en natuurlijken plantengroei. Daarnaast ligt de wijde haven in een druk spel van kleuren, waarin het donkere purper van de koraalriffen door het water te zien is. De pracht van het landschap was wel een vergoeding voor het betrekkelijk minderwaardige van het menschenwerk.
De fransche resident, de heer Colonna, ontving mij zeer vriendelijk en noodigde mij uit, bij hem mijn intrek te nemen, zoodat ik het hôtel vaarwel kon zeggen tot mijn niet geringe vreugde. Ik had mij voorgenomen, in Vila met het land en de menschen vertrouwd te worden, daar dienstpersoneel te huren en mijn expeditie naar plaatselijke omstandigheden in te richten. Maar de resident scheen te meenen, dat ik goed zou doen, eerst ook op de andere eilanden rond te zien en sloeg mij voor, hem te vergezellen op een inspectiereis, die hij over een paar dagen ging ondernemen. Als zijn gast kon ik niet weigeren; maar wees op de noodzakelijkheid, dat ik personeel moest huren. Men stelde mij gerust met de mededeeling, dat ik gemakkelijk op Espiritu Santo, het grootste eiland, waar de resident mij zou afzetten, mannen zou kunnen vinden, en dat ik daar ook mij bij een fransche opmetingsexpeditie kon aansluiten, wier werk binnen kort in Santo zou beginnen.
Aldus gerustgesteld, trof ik mijn voorbereidingen voor het vertrek en ordende mijn bagage. De resident scheen niet te weten, dat in de haven Canal du Segond geen inboorlingen meer wonen, en dat, wat er in de omgeving aan arbeidskrachten aanwezig is, door de planters wordt in beslag genomen, zoodat ook de staatsopmetingsexpeditie geen arbeiders genoeg had en mij volstrekt niet kon helpen.
Het zou het beste zijn geweest, als ik een eigen schip had zien te krijgen; daardoor zou ik veel tijd hebben bespaard, daar ik niet van andere schepen afhankelijk had behoeven te wezen. Nu werd ik door transportmoeilijkheden opgehouden. Ik vond dus geen personeel, en daar ik onbekend was met de verhoudingen op de eilanden, verliet ik mij op den raad van den resident en vond den tocht met hem een gelukkig toeval.
De residentieboot werd te mijner beschikking gesteld voor mijn bezoek aan den engelschen resident op Iririki. Het uiterlijk voorkomen van dit residentiehuis was opvallend beter verzorgd; maar de engelsche resident was er al vier jaren, en de fransche nog slechts een half jaar. De heer Morton King bood mij eveneens gastvrijheid aan, maar als gast van den heer Colonna kon ik die niet aannemen, en eerst later heb ik veel steun en raad van Mr. King gekregen, waarvoor ik hem altijd dankbaar zal blijven. De volgende dagen had ik ook de eer, den engelschen rechter van het condominium te leeren kennen, Judge Alexander, en den bisschop van de katholieke zending, monseigneur Douceré. Beiden beloofden mij steun. Onder gezellige samenkomsten verliep de tijd tot het vertrek van het regeeringsjacht "Gallia". Het was oorspronkelijk een wedstrijdboot, wat haar vormen nog bewezen; maar van binnen was de boot zeer verwaarloosd; gelukkig had ze goede zeilen en een voldoend sterken motor, die ook in tegenwind flink kon werken.
Op een donkeren Meimorgen voeren we de baai uit, de resident, de rechter, de heer S., en de kapitein met acht politiedienaren van de Loyalty-eilanden, die voortreffelijke zeelui waren en hier dienst deden als matrozen en politie tegelijk. We hadden dien dag nog een fransche plantersvrouw met haar dochter aan boord, wier bestemming Port Havannah was in het Noordwesten van het eiland Efate.
Port Havannah is een der beste havens van de groep, omdat er veel ruimte is, en men niet door koraalriffen wordt gehinderd. Het eenige nadeel is de groote diepte, waardoor kleinere vaartuigen geen ankergrond kunnen vinden. Wij ankerden er en gingen toen dadelijk op de duivenjacht, daar de heer S. een hartstochtelijk jager was. Duiven zijn met wilde zwijnen en enkele eenden het eenige jaagbare wild op de Nieuwe Hebriden; maar als sport schijnt er mij een eigenaardige geestdrift voor noodig, om er plezier in te vinden. De duiven zijn uiterst schuw en houden zich veelal in de hoogste boomen op. Daar kan een Europeaan ze haast niet ontdekken, en als men ze met hulp van een inlander heeft gezien, vliegen ze meestal weg. Gelukt het, ze van den boom naar beneden te schieten, dan is de buit gewoonlijk onvindbaar. De inboorlingen kunnen zonder geluid nadersluipen en de buks dichtbij den vogel losbranden. Voor mij bestond de duivenjacht uit een vervelend wachten in het struikgewas, en het resultaat van verscheiden uren was één of geen duif. De vette dieren leveren anders een smakelijk hapje, dat, als het goed is toebereid, een aangename afwisseling is van busjesvleesch.
Dezen keer had niemand van het gezelschap geluk op de jacht. De avond werd nog besloten met een danspartij in de bescheiden woning van de beide dames. Op de zoete klanken van een grammofoon draaide men in het rond, en zelfs de niet meer slanke moeder kon de verzoeking niet weerstaan en huppelde met den niet mageren resident zoo ijverig mee, dat men voor beiden bezorgd moest wezen. Wij sliepen aan boord bij het zachte schommelen van het schip. Soms plaste een groote visch in het water, maar verder was het stil en drukkend warm als in een bangen droom.
We stonden al vroeg op, om weer op de jacht te gaan, maar het resultaat was al niet beter dan den vorigen dag. Gelukkig zeilden we toen spoedig weg in helder weêr en een frisschen wind. Langs de kleinere eilanden Nguna en Mataso kwam ons doel Maei naderbij en in den laten namiddag wierpen we er het anker uit. Maei is een eilandje, waar de inboorlingen, als op veel eilanden in de buurt, bijna geheel verdwenen zijn. Er was daar een kleine plantage, met welker agent de heer Colonna een onderhoud moest hebben. Toen we ons door de lastige nauwe invaart hadden heengewerkt, om door het koraalrif den oever te bereiken, vonden we den blanke in een half waanzinnigen toestand. Hij beweerde, dat hij koorts had; maar de alcohol had ook een groot deel aan zijn zonderling gedrag. De man trok de gekste gezichten, kon slechts met moeite praten en was niet in staat, om te schrijven. Hij zei, dat de koorts hem de macht over zijn vingers had doen verliezen.
De arme man werd uitgenoodigd, aan boord te komen soupeeren; maar hij kende geen Fransch; de fransche beambten verstonden geen Engelsen, en dus moest ik als tolk optreden. Dat was bij den planter, die in het Engelsch ook niet scheen te kunnen spreken en zich in mysterieuse klanken uitte, een moeilijk ding, te meer daar de man trots de afgepaste portie wijn, die wij hem schonken, al meer onder den invloed van den drank raakte en zich op het laatst beleedigend over den resident uitliet, wat ik in het Fransch moest overbrengen, om hem het antwoord dan weer in het Engelsch te presenteeren. Het was lastig en komisch, en we brachten al spoedig den planter aan land onder de hoede van zijn inlandsche vrouw en drie politiedienaren.
We rookten nog een pijpje, keken naar de uitgezette hengels, die natuurlijk leêg waren en gingen slapen op dek. Den volgenden morgen kwam de planter weer, nu wat handelbaarder. Hij bracht de inlandsche en haar kind mee, dat hij wou laten erkennen. Daar de inlandsche vrouwen vaak weer wegloopen en in het algemeen aan de belofte van huwelijkstrouw moeilijk kunnen vasthouden, worden zulke kleurlingen in het register opgenomen als kind van die en die, moeder onbekend, wat den oningewijde wel vreemd moet lijken. Na voltrekking van die formaliteit lichtten we het anker en stuurden naar Tangoa, een eiland, dat voor het grootere Epi lag. We kwamen daar nog in den voormiddag aan en begaven ons dadelijk op weg naar het binnenland. Daarheen voert een goed onderhouden rijweg, de eenige in den archipel buiten Vila.
Er was juist een heftige strijd over het recht op dien weg. De protestantsche zendeling, de heer M., had dien weg door de inlanders laten aanleggen en verlangde van een planter, den heer E., die in het binnenland woonde, tolgeld voor elken zak copra, dien deze naar de kust voerde. De planter was bereid, zijn aandeel aan het onderhoud van den weg te betalen, maar weigerde, de hooge tol te betalen. De inboorlingen, waarschijnlijk opgezet door den zendeling, versperden hem daarom den weg en dreigden, zijn huis in brand te zullen steken, als hij niet toegaf. Wij kwamen juist op tijd, om den twist voorloopig bij te leggen. Daarna keerden we naar de kust terug, aten in de schaduw van een tent en flaneerden het overige van den dag.
Tangoa is een van de weinige eilanden, waar de inboorlingen niet in aantal achteruitgaan. Daar ze allen bekeerd zijn, schrijft de zendeling zich de eer toe, dit verheugende feit te hebben teweeggebracht. Al moet men zijn werk waardeeren, toch schijnen andere oorzaken te hebben meegewerkt. Het is namelijk opmerkelijk, dat op andere, juist zoo gelegen kleine eilanden, de bevolking zich ook weet te handhaven, zooals op Paauma, Vao, Mele, zonder dat de zending tot voor korten tijd er voet heeft gevat.
Na een prachtigen, helderen nacht voeren we vroeg naar Epi, het grootere eiland ten noorden van Maei. De lucht was betrokken geworden, en een grauwe nevel hing over het land. Waar de bekoring van het landschap zoo geheel op kleuren berust, heeft een verandering in het weêr, in atmosfeer en verlichting, ten gevolge, dat hetzelfde eiland er den eenen dag idyllisch kan uitzien en den anderen dag alle aantrekkelijkheid kan hebben verloren. Onze tocht werd dan dadelijk tot een plichtreis, waar hij eerst een prettig uitstapje was geweest. Daarbij was de stemming gedrukt door ongesteldheid van den heer Colonna, die koorts had en last van zijn lever en zich met allerlei medicamenten er bovenop hield.
Op Epi wordt hoofdzakelijk koffie verbouwd door een aantal fransche planters; we hielden er ons niet op en voeren verder naar Port Sandwich op Malekula. We hadden in den nacht doorgevaren voorbij Ambrym. De roode gloed van den daar aanwezigen vulkaan bescheen de rookzuil, die overdag alleen een zware damp scheen. Port Sandwich is na Vila de drukst bezochte haven van den archipel en heeft, omdat het zulk een centrale ligging bezit, menig schip in een cycloon een schuilplaats verschaft. De ingang is smal; de baai wordt verder binnenwaarts breed en dringt ver naar het Zuidwesten binnen. Op de ankerplaats is men geheel door land omringd en meent, in een binnenmeer te wezen, want overal ziet men de oevers begroeid met dichte bosschen, waarvan de begroeide bodem tot het water reikt.
De leuze was ook hier terstond bij aankomst de duivenjacht. Ik gaf er echter al gauw de voorkeur aan, met den zoon van den aanwezigen planter de in de nabijheid gelegen inboorlingendorpen te bezoeken. Hier zag ik voor de eerste maal de echte, werkelijke wilden. Niemand, die iets voelt voor dergelijke dingen, zal de plechtigheid ontkennen van het oogenblik, als hij voor het eerst den onvervalschten natuurmensch voor zich ziet. Gebeurt dat in het oerwoud, dat zelf al een natuuropenbaring is, dan kan het zijn, dat de donkere, naakte inboorling plotseling opduikt, nadat hij onhoorbaar door het struikgewas is gedrongen. De takken uit elkaar wringend, staat hij op het smalle pad vóór ons, wij verbaasd, hij schuw. Slechts weinig steekt hij af tegen het groen van de omgeving; hij is verwant aan de omringende natuur, maakt er deel van uit en lijkt ons een vreemd wezen, tot een woord den ban breekt, iets van herkennen over zijn trekken glijdt en wij den mensch in hem beginnen te zien.
Zoo herbergt het eindelooze, ongastvrije woud, zonder wegen of open plekken, zonder zon en licht, de dichte wirwar van lianen en stammen, menschen van ons eigen maaksel! Het lijkt ons als een wonder, dat in die diepten, die als een groene, onpeilbare zee zijn, menschen kunnen leven, en men kan het van vroegere geslachten begrijpen, dat ze de verwantschap met de boschbewoners loochenden, want nooit doet zich de inboorling primitiever voor, dan als hij door het woud trekt. Naakt met enkel den gordel van boomschors en den schaamdoek, met woest, krullend haar en veêren als tooi, enkel voorzien van pijl en boog, doet hij zich weinig vriendelijk voor, en plotseling heeft het woud hem weer opgeslokt; de groene wand is weer gesloten, en ons oog en oor kunnen hem niet vinden.
Anders is het, als we zijn woning betreden of de dansplaats met de groote trommels, de geheimzinnige steenen tafels, de beelden en palen. Uit een hut kruipt langzaam een man, en uit het bosch naderen ze uit woningen, die wij eerst niet eens hadden bemerkt. Daar staan vrouwen en kinderen in vreesachtige verbazing, tot er een levendig gesprek begint of een zacht gefluister over den vreemdeling. We zijn midden in het leven, in een drukke menschenkolonie, waar het in veel opzichten toegaat als bij ons. Dan heeft het oerwoud zijn sluier opgeheven; we hebben het heiligdom betreden, en de ongastvrijheid van een vijandige natuur is verdwenen.
Zou misschien de vaak genoemde eenzaamheid van het individu in de groote steden niet een symptoom van grooter wreedheid en hardheid zijn dan de afgeslotenheid van den natuurmensch, die met de zijnen in zijn eigen kringetje leeft, waar hij gebieder is? Wij verheffen ons dikwijls op onze heerschappij over de natuur; maar is die niet een vlucht eruit, omdat haar krachtigste uitingen ons schrik aanjagen? Wij kwamen niet in nadere aanraking met de bewoners en voeren den volgenden dag langs Malekula's oostkust verder naar het Noorden.
Voor de kust liggen hier reusachtige koraalriffen, zoodat de branding een paar mijlen ver in zee begint. Die riffen zijn een samenhangende massa van verbrokkeld koraalgesteente, dat al verder in zee vooruitgroeit. De oppervlakte is effen, ongeveer ter hoogte van den laagsten waterstand, zoodat ze bij eb haast droog ligt. Dan kan men droogvoets op het rif loopen; maar men moet de vaak breede riffen aan den buitenkant eerst passeeren. Die zouden de geheele kust spoedig insluiten, als niet overal waar zoet water de zee bereikt, een opening in den gordel was gelaten, terwijl ook hier en daar grootere einden van den oever vrij zijn gebleven. Het groeien van de koralen in de open zee heeft de ingangen van de baaien vernauwd, maar voor kleine vaartuigen zijn ze bruikbaar gebleven en vormen uitstekende ankerplaatsen, omdat daarbinnen de branding zich niet doet bemerken.
De invaart in die strandbekkens is vaak zeer lastig. Toch bracht onze kapitein het er goed af en voerde ons schip in een ruime lagune achter het Eliza-Maryrif, zoo genoemd naar een groote schoener, die er voor jaren strandde. Nog lagen er groote balken en stukken ijzer op het rif, half overgroeid door koraal, en daarnaast hoopen ballast en steenen, waar latere geologen nog wel voor kunnen staan als voor een raadsel.