Part 8
Ik betaalde de dragers uit het andere dorp met tabak en lucifers, nadat ze met den prijs zich tevreden hadden verklaard. Toen ze op het punt waren, weg te gaan, zei de tolk, dat ik de vrouwen nog moest betalen, wat echter in den prijs was begrepen. Ik hield het voor een middeltje, om den blanke nog meer af te persen en weigerde beslist. Er was lang een ontevreden wachten voor de hut, tot ze eindelijk verdwenen, maar de stemming was erdoor bedorven, en ik beproefde niet, de menschen te meten, wetend, dat ik geen succes zou hebben met mijn verzoek. Daarbij deed zich het onaangename gevolg gevoelen van mijn verblijf onder deze wilden, want ik vond in mijn hoed, mijn zakken en overal bloeiende koloniën van ongedierte. Het was een gruwelijke gewaarwording, en hier kon ik niet aan een grondige reiniging denken.
Slechts met groote moeite kon ik eenige dragers voor het volgende dorp krijgen, waar het hoofd en eenige mannen voor de gamal zaten en koel en onvriendelijk waren. De dragers verlieten ons, en ofschoon ik hier geen hulp kon krijgen, waren ze niet te bewegen tot verderen dienst. Het hoofd, dat goed Engelsch sprak, wou wel met ons meegaan, maar zei, geen enkelen gezonde ter beschikking te hebben. Mijn mannen waren ook mismoedig; ik kon hun geen zwaardere lasten geven. Ik liep met den hoofdman vooruit, toen de moli mij kwam zeggen, dat er een bedenkelijke gisting onder de lieden was; ze waren bang, om verder in het binnenland door te dringen en wilden allen deserteeren. Ik liet stilhouden en verklaarde, dat de lasten niet te zwaar waren, dat ze gisteren bijna niets en vandaag nog niet veel hadden gedaan, en dat ze allen konden wegloopen, als ze wilden; de moli en ik zouden den weg wel samen vinden. Als de lasten te zwaar waren, zou ik de conservenbussen wel weggooien en ook de beide flesschen sterken drank, die ik niet voor mijzelf had meegenomen. Ik beval, de flesschen uit te pakken en tegen de rots te verpletteren. Dat was te veel; haast schreiend smeekten ze mij, dat toch niet te doen; ze wilden den last wel dragen, en de weg was niet meer lang. Aarzelend gaf ik toe en na een paar dreigementen had ik gewonnen spel, maar het vertrouwen in mijn mannen had een schok gekregen.
De volgende dagen bleven ze gewillig en goed, terwijl ik in het Noordoosten van het eiland nog eenige dorpen bezocht. De moli begon naar huis te verlangen, en het seizoen was niet gunstig, om dragers te krijgen, daar de inboorlingen op hun velden moesten zijn. Daarom besloot ik tot den terugtocht. Het bevel daartoe gaf mijn mannen nieuwe kracht, zoodat we in razende vaart voort marcheerden. In een halven dag hadden we de helft van den terugweg afgelegd, en des avonds sloegen we ons kamp op aan den oever van de Jordaan, waar we ons in het koele rivierwater flink konden afspoelen. Hier was het in den frisschen wind beter kampeeren dan in de dorpen tusschen varkens en honden en kippen, samen met allerlei ongedierte.
Het ging den volgenden dag langs de rivier door een onbewoonde streek, en in den laten namiddag lag de baai voor ons. Nu moest er nog een paar uren gemarcheerd over het strand, waarbij we rivieren moesten doorwaden, maar des avonds waren we bij den heer F. Na de afbetaling der dragers volgden een heerlijk bad en een goed maal.
Wetenschappelijk had de reis niet veel opgeleverd, maar ik had de natuur en de leefwijze van de binnenlandsche stammen leeren kennen, en moest tot het bedroevend inzicht komen, dat wegens ziekte, gebrek aan vrouwen en weinig geboorten er niet veel jaren meer behoeven te verloopen, of de bevolking van Centraal Santos zal uitgestorven zijn.
AANTEEKENING
[1] Tekst en illustraties ontleend aan Felix Speiser, Südsee, Urwald, Kannibalen, Leipzig, R. Voigtländer's Verlag 1913.