Part 4
Op het water waren wij volkomen veilig, want de inboorlingendorpen liggen vrij ver naar het binnenland, en de menschen zelf schuwen de zee en komen enkel naar het strand, om nu en dan tusschen het koraalgesteente wat schelpen en mossels te zoeken. Ook bezitten ze geen vaartuigen, in tegenstelling met de oeverbewoners uit andere streken, die met hun primitieve boombooten met uitleggers vaak verre reizen naar naburige eilanden ondernemen.
Wij brachten Bourbaki, die zeer er naar verlangde, zijn verwanten te zien, naar land; op een smal pad verdween hij in het bosch met het geweer over den schouder.
We keerden naar de boot terug en wachtten. Men mag bij het werven niet op tijd zien, maar moet zich wapenen met veel geduld, want alleen daardoor kan men op eenig succes hopen. De zwarten zelf hebben geen idee van de waarde van den lijd en geen begrip van de haast, die onze beschaving in het leven heeft geroepen.
In den namiddag verschenen eenige naakte gestalten aan het strand. Eén van hen wenkte met een tak. Weldra kwamen er meer, en op het laatst waren het ongeveer vijftig man; op den achtergrond, half verborgen in het bosch, stonden eenige vrouwen, ongeveer een dozijn.
We gingen in de booten, telkens twee boys en een blanke, en naderden langzaam de kust. De inboorlingen droegen geweren in de rechterhand en in de linker groote yamsknollen. Ze wilden ruilen. We beduidden hun, dat ze de geweren moesten neerleggen. Toen ze dat niet deden, spanden wij de hanen van onze geweren en toonden ons gereed, om te schieten. Daarop legden enkelen de wapens aan den boschrand neer, en de anderen gingen met hun geweren zitten en keken naar ons. Toen legden ook wij de geweren in de boot en toonden onze ruilwaren, tabak, lucifers, aarden pijpen en katoen.
Het waren meest allen knappe mannen van iederen leeftijd. Hun uitzien was echter wild en dreigend, toen ze met hun yams naar de booten toekwamen. De knollen waren zeer groot en wij gaven één of twee rollen tabak ervoor of pijpen. Katoen en lucifers waren niet erg in trek. De menschen waren geheel naakt buiten een gordel van palmbast, dien ze eenige malen om het lijf hadden gewonden, zoodat hij als een dikke rol afstond. Daaromheen hadden ze gevlochten banden geslingerd van rood gekleurd gras, waarvan de uiteinden als langen kwasten ter zijde afhingen. Onder den gordel hing de nambas, die ook van rood gekleurd gras was vervaardigd. Daarbij kwamen nog kleinere sieraden, als oorringen van schildpad, bamboe-kammen, armbanden en halskettingen van schelpen. Maar op de mooie, lenige lichamen zat een hoofd, dat aan de geschiedenissen van menscheneters uit sprookjesboeken kon herinneren.
Boven de oogen en den neuswortel stak het voorhoofd vooruit en daaronder gluurden de oogen loerend en onrustig, en hun duistere blik werd niet verzacht door de bruinachtige kleur van het oogwit. De neus was een beetje gebogen met dikke neusvleugels, die door een bamboestaafje nog verbreed leken. De bovenlip was meestal kort en bedekte maar half een opvallend breeden mond met een stevig gebit. Men denke zich het heele gezicht omgeven door lange, ruige haren en baard en besmeerd met een zwarte vetlaag, dan heeft men een goede voorstelling van de zoo moderne kannibalen.
Wij hadden in het begin niet veel trek, aan land te gaan en hielden onze vis-à-vis goed in het oog. Die werden langzamerhand vertrouwlijker, vergaten hun schuwheid en gedroegen zich als luidruchtige, vroolijke kinderen; maar de minste heftige beweging van onzen kant deed hen opschrikken en achteruit gaan. Zoo gingen velen op de vlucht, toen ik haastig een aarden pijpje wou grijpen, dat van de zitplaats ging vallen.
Nadat onze booten met yams waren gevuld, waagden we, aan land te gaan. Wantrouwend stonden ze om ons heen, elke onzer bewegingen bespiedend. We lieten hun onze wapens zien, die ze met bewondering en verbazing bekeken. Hoe grooter de patronen en de kogels waren, des te meer indruk maakten ze, en onze revolver beschouwden ze met een verachtelijk schouderophalen, tot we ermee begonnen te schieten. Bij elken knal wendden ze zich verschrikt af en lachten dan om hun eigen angst, maar hadden van toen af groot respect voor "them small fellow musquets".
Geleidelijk werden ze driester, kwamen nader en begonnen ons aan te raken, eerst met de toppen van de vingers, dan met de hand. Ze wilden alles zien, onze patroontasschen, onze kompassen, enz. Fluiten en smakken met de lippen waren de teekenen van eerbied en bewondering. Toen er niets meer te kijken viel, werden wij zelf de voorwerpen van onderzoek, en daar ik daaraan niet gewend was, kon ik het moeilijk verdragen. Het ging nog, dat ze hun donkere armen en beenen naast onze lichtere huid hielden, en dat ze liefkoozend over de zachte huid van de binnenzijde der armen streken; maar toen ze ook de stevigheid van de bovenarmen en de dijen onderzochten en met kennersdruk de consistentie van onze spieren nagingen, daarbij onverstaanbare klanken uitend en heftig smakkend, blijkbaar tevreden over het resultaat, toen werd het mij hoogst onbehagelijk te moede, vooral toen ik een man van begeerte zag trillen en van den eenen voet op den anderen zag springen. In zoo'n geval is het gevoel, met zijn beiden te zijn en een wapen te hebben, innig troostrijk.
Langzamerhand waren we den boschrand genaderd en konden tersluiks eens naar de vrouwen kijken. Zij hadden grasschorten om het lijf en een merkwaardige hoofddracht van gerolde vlechten van gras. Allen hadden haast kinderen, die ze op de heupen droegen. Velen hadden groote wonden van het zitten in vocht en vuil aan haar beenen en enkels. Men drong ons echter vlug weg van de vrouwen en joeg ze in het woud; na eenigen tijd was het strand eenzaam, en wij keerden naar de boot terug.
Tegen den avond kwamen weer eenige mannen aan het strand. Vergenoegd over de gekochte tabak, dansten ze een vreugdedans, van den eenen voet op den anderen springend, zich draaiend en erbij zingend met lagen, eentonigen klank. Het rumoer en het hinnikende lachen klonken door de schemering. Toen de nacht aanbrak, werd het rustig, en ze verspreidden zich aan het strand, ontstaken vuren en roosterden hun yams. In de verte bliksemde het, de branding bruiste, het scheepje stampte, en de roeibooten stieten er onrustig tegenaan. De wind ruischte door het oerwoud, en nu en dan rolde de donder. Wij voelden ons eenzaam; zou er storm komen? Op ons notedopje waren we niet veilig. Na de lamp te hebben uitgedaan, gingen we op het dek liggen. Daar sliepen we in, tot een hevige regen ons opschrikte. In een oogwenk was het dek overstroomd; we trokken ons in de hut terug en brachten in de benauwde ruimte een onaangenamen nacht door.
Den volgenden morgen waren weer een twintigtal mannen aan het strand. Het spelletje van den vorigen dag herhaalde zich. Nu en dan trokken we ons op de boot terug; maar de menschen werden vertrouwelijker, kwamen zonder wapens, en toen hun voorraad yams was uitgeput, gingen ze naar het dorp terug. Een oogenblik van rust gebruikten we, om langs het smalle, glibberige pad den hoogen oever te bestijgen. Halverwege stieten we op twee oude mannen, die yams droegen. Bij onzen aanblik beefden ze sterk, bleven staan en begonnen te praten. Wij legden de geweren neer en wenkten, dat ze naderbij moesten komen. Toen wierpen ze hun yams weg en vluchtten in het dichte struikgewas. We gingen maar terug, om niemand te prikkelen.
Des avonds kwamen langs de kust uit het Zuiden een troep inboorlingen met yams. Ze naderden voorzichtig en tot schieten klaar. Ze waren van een anderen stam, die met den stam hier oorlog voerde. Ze hurkten neer, altijd bereid, om op te springen en nauwkeurig den boschrand bespiedend. Eén van hen sprak een beetje pidgin-Engelsch. Ze noodigden ons uit, bij hen te komen en yams te ruilen. We beloofden het voor later. Daar klonken roepstemmen uit het bosch. Plotseling sprongen ze op en liepen weg. Georges wou met hen spreken en ijlde achter hen aan, met de karabijn in de hand. Toen zwaaiden ze dreigend met hun geweren en verdwenen achter de rotsen. Ze meenden, dat wij op ze wilden schieten. Zoo ontstaan wel meer misverstanden, die met schieterijen en moord eindigen, als men niet de grootste kalmte bewaart.
Den heelen dag regende het in sterke buien; alles was vochtig, en de nacht was donker en stil. We leden in de stiklucht van de hut.
Des morgens kwam Bourbaki terug met een schaar inboorlingen. Weer werden wij betast en bewonderd. Ik liet enkele mannen met een geweer schieten, waarbij ze het wapen ver van hun lichaam hielden en op goed geluk schoten. Bourbaki vertelde, dat er over een paar dagen een groote slachtpartij van varkens zou plaats hebben, en dat tot dien tijd alle menschen het druk hadden. Het hoofd was niet te spreken en bleef voor ieder onzichtbaar, behalve voor een bediende, die hem zijn eten bracht.
Wij landden een geitje en twee varkens. Het geitje wekte groote verwondering, en niemand waagde, het aan te raken. Bourbaki gelukte het, drie oude mannen aan boord te lokken. Onhandig gingen ze in de booten en angstig hurkten ze op het dek van het schip, stom en met groote oogen. Slechts langzaam overwonnen ze hun schuwheid en bekeken alles. Een kookpan bracht hen in verrukking en smakkend betastten ze de planken van het schip, terwijl de aanblik van de hut hen sprakeloos maakte van bewondering. Als ze iets niet begrepen, haalden ze den rechterschouder op. We lieten hun een spiegeltje zien. Het duurde lang, eer ze het gebruik uitvonden; maar toen ze begrepen, dat ze zichzelf erin konden zien, lachten ze luid en staken de tong uit. Al spoedig zagen ze in, dat de spiegel een toiletinstrument kon wezen en staken lucifers in hun haar ter verfraaiing. Een horloge wekte een geresigneerd schouderophalen en maakte verder geen indruk. Geld wilden ze zien; maar ze waren teleurgesteld en hadden het zich heel anders voorgesteld.
Zelfs een goudstuk liet hen koud; een stukje papier hadden ze liever. Daarentegen imponeerde hen onze voorraad patronen kolossaal. We lieten Bourbaki vragen, of wij het groote feest mochten bijwonen, en of ze ons niet zouden opeten.
Na een uur verlieten ze ons weer, wel minder angstig dan ze waren gekomen, maar toch blij, het schip te kunnen verlaten met al zijn wonderen. Bourbaki maakte zich vroolijk over hun naïeveteit en kwam zich verbazend beschaafd voor; maar hij is zelf nog ruw en vertrouwt mijn fotografietoestel maar half. "De blanke man weet te veel", is zijn uitspraak.
Het regende den geheelen dag, en eerst tegen den avond klaarde het op. Eenige inboorlingen bleven den nacht over aan het strand. Ze maakten vuur en zongen. Onze boys lachten om hen, bootsten het gezang na en voelden zich ver verheven boven de wilde boschmenschen, vergetend, dat voor slechts enkele jaren zij zelf niet veel beter waren, en dat ze, als ze naar hun dorp terugkeerden, al gauw alle beschaving weer zouden hebben afgeschud.
Langzamerhand werd het stil; alleen de branding was te hooren. We sliepen weer op het dek en werden als te voren door een regenbui opgeschrikt, om ons te redden in de nauwe hut. Den volgenden dag verschenen er haast geen inboorlingen. Ze hadden het druk met de voorbereiding van hun feest. Wij hadden niets te doen. Onder de grauwe lucht en den stofregen kreeg de verveling vat op ons. Men bespeurt de ongerieflijkheden van het leven en krijgt een gevoel, zijn tijd te verliezen, wordt prikkelbaar, stoot zich aan kleinigheden en maakt zich noodeloos boos. Als mijn metgezel maar minder slecht gehumeurd was, zou het beter gaan. Men mist het rustige praatuurtje 's avonds bij een kopje thee en een pijp. Alleen zijn zou beter wezen dan deze eenzaamheid met z'n tweeën.
Onder het luisteren naar de branding begreep ik voor de eerste maal dat verlangen, dat de wind toch bericht mocht brengen uit het vaderland. Is dat heimwee? Toen er een paar heldere dagen kwamen, werd alles dadelijk beter. De boot leek geriefelijker, en het groene tapijt van het oerwoud langs de rotsen maakte meer indruk. Het was doodstil; alleen lokte in de verte een vogel in het woud. Dan deed het goed, in het zand te liggen en te vegeteeren, zonder gedachten, slechts overgegeven aan de zaligheid van het bestaan.
Twee groote wilde zwijnen kwamen dien avond aan het strand en groeven uit het zand de yams, die de inboorlingen er begraven hadden. Een jacht, die niet slaagde, gaf ons wat beweging en afleiding. We konden gerust ons van de boot verwijderen, want de inboorlingen waren allen boven, in hun dorpen. Heerlijke zonsondergangen besloten heldere dagen. Een wolkenbank bedekte half de zon, die gloeiend zich met de zee scheen te verbinden. Naar boven schoten heldergele stralen in den staalblauwen hemel. Daarna loste alles zich op in een zee van vuur, en spoedig viel de nacht. De sterren blonken, eerst het zuiderkruis. Halley's komeet was nog flauw te zien.
Des morgens was de hemel wolkenloos en doorliep alle kleuren, tot de stijgende zon hem stralend blauw kleurde. Dan ziet men op den bodem van de zee elken steen, ziet de wonderbare koraalbanken, de bizarre vormen van de afzonderlijke groepen, de gedempte en toch vurige kleuren, rose, violet en geel, dat schittert als gedegen goud. Daarop liggen groote, blauwe zeesterren; reusachtige visschen in heldere tinten strijken langzaam en welbehagelijk langs de klippen; kleine schieten haastig als dol ertusschen door, sommige zuiver blauw getint. Alles ademde welbehagen en vrede.
Bourbaki kwam met zijn broertje. Hedenavond zou het groote feest beginnen; ik vroeg hem, of er veel varkens zouden wezen, om te worden geslacht. "O", antwoordde hij, "dat beteekent niets; wij hebben een mensch. Gisteren hebben we hem in het bosch gedood en hedenavond zullen we hem opeten". Hij zei het met het kalmste gezicht ter wereld, alsof hij het over het weêr had. Ik moest mij geweld aandoen, niet van hem weg te gaan en keek hem ongerust in het gelaat. Hij keek verloren in de ruimte, alsof hij al aan het maal smulde, nam een stuk kokosnoot en rukte met zijn sterk gebit het vleesch van de schaal. Dien heelen morgen was hij zeer vergenoegd en behulpzaam.
Des middags ging Bourbaki weer weg en twee dagen lang zagen wij geen inboorlingen. Ze waren allen boven in het dorp bij het groote feest, terwijl wij de dagen in doffe rust doorbrachten. Eentonigheid overal; de zee en het strand en het oerwoud, alles werd vaal en grauw onder de regenlucht. Wat is men toch afhankelijk van de omgeving! Een zonnestraal kan leven brengen en onze stemming meteen verhelderen.
Den derden dag kwam Bourbaki terug, wat vermoeid en gedrukt, maar zichtbaar tevreden. Eenige vrienden vergezelden hem. Hij bracht een boodschap van het hoofd, waar we zeer mee waren ingenomen. Het hoofd liet zeggen, dat hij ons welgezind was en niet ongenegen, ons boys te leveren. Hij had echter nu nog in het dorp te doen en zou eerst over tien dagen aan zee komen, om ons te bezoeken. Tot zoo lang moesten we geduld hebben.
Om de tien dagen te benutten, besloten we, dadelijk naar de Tesbelbaai in het Zuiden te gaan, om daar ons geluk met de werving te probeeren. We hadden ook van daar een boy, Macao, aan boord, door wien we hoopten, te zullen slagen. Bourbaki, die in de weinige dagen, die hij thuis had doorgebracht, wat verwilderd was, kreeg verlof tot onze terugkomst. Hij moest in dien tijd flink voor ons werken. Hij scheen over die vacantie niet weinig in zijn schik, en dus waren we des te meer verbaasd, toen hij kort vóór ons vertrek aan boord terugkeerde en zich zonder nadere uitlegging verdienstelijk maakte. Wij zagen daarin een teeken van zijn aanhankelijkheid en vergaven hem sommige ongemanierdheden.
De wind was niet gunstig voor onze vaart. Den geheelen nacht kruisten we heen en weer, zonder vooruit te komen. Regenvlagen streken over de zee, en even daarna was er geen zuchtje te bespeuren. Maar in de hoogte dreven zwarte wolken naar het westen, en ertusschen zagen we enkele sterren in volle sterkte. Het dek was door allerlei voorwerpen en kisten versperd, dus wist men nog minder dan anders, waar men zich zou bergen, als men niet in de hut wou stikken. Als er geen wind is, fluiten de boys om hem op te wekken, eentonig, onvermoeid, en zijn vast overtuigd, dat zij den eerstvolgenden windstoot hebben uitgelokt.
De roeiboot moest ons naar onze ankerplaats sleepen, want de wind was weer gezakt; Bourbaki juichte en ging aan het roer zitten. De Tesbelbaai was een mooie bocht, door hooge koraalrotsen ingesloten. Er stonden aan het strand twee mannen, die ik kon huren voor den volgenden morgen, om mij naar de dorpen in het binnenland te geleiden. Bourbaki en zijn vriend Macao marcheerden vroolijk wenkend weg, om den nacht in het dorp van Macao door te brengen.
Na zonsopgang liet ik mij met Georges naar den oever roeien, om eens in het binnenland te kijken; maar halverwege zag ik Macao aan het strand als een bezetene heen en weer loopen, schreeuwend en wenkend, waarbij ik, toen ik hem kon verstaan, mij hoorde toeroepen: "Bourbaki is dood, kom en help mij!" Ik nam hem in de boot en voer naar het schip terug. Macao trilde over zijn heele lijf, stiet wilde verwenschingen uit en schreide. Tusschen de vingers van zijn linkerhand had hij zijn patronen geklemd. Men kon niets verstaanbaars uit hem krijgen. Alles, wat hij kon zeggen was, dat men tegen den morgen Bourbaki had doodgeschoten, en dat hij zelf was gevlucht. Wij vermoedden, dat Bourbaki wat op zijn geweten had gehad; maar achtten het toch noodig, zijn lijk te halen. Genoegdoening te erlangen zou wel niet gaan. Macao zei, dat het dorp dichtbij was. We wapenden ons en de boys en landden na tien minuten. Den jongsten, een veertienjarige, lieten we achter; hij moest met de roeiboot dichtbij het strand blijven. Zijn oudere broer, een sterke knaap, wou ook liever in de boot blij ven, en nu waren we nog met ons vijven. Macao liep vooruit op het smalle pad in het oerwoud, scherp rechts en links uitkijkend.
De weg was heel slecht, glibberig op de hellingen, met veel boomwortels, steenen, beken en hoog gras. Elk oogenblik kon een aanval plaats hebben, maar we stelden ons gerust met de overweging, dat de inboorlingen slecht schieten en ons wel door een niet raak schot zouden waarschuwen. We liepen een uur en vroegen ongeduldig aan Macao, wanneer we er nu zouden zijn. "We zijn er dadelijk", antwoordde hij steeds. Na anderhalf uur kwam de zaak ons verdacht voor, maar we hadden ons eenmaal eraan gewaagd en moesten het plan volvoeren. Plotseling waren we eindelijk in een dorp. Een dozijn mannen en een half dozijn vrouwen stonden er blijkbaar te wachten op wat er zou gebeuren. De aanwezigheid van de vrouwen toonde ons terstond, dat de stemming vreedzaam was. We zagen een ouden man, een bloedverwant van Macao, zich bij ons aansluiten en wij volgden beiden naar een dorpsplein, waar ongeveer dertig mannen met geweren stonden.
Macao sprak met hen; ze legden de geweren op den grond en voerden ons naar twee hutten op zij. Daar lag Bourbaki dood op den rug; hij had vóór een hut gezeten, toen men hem van achteren à bout portant had doodgeschoten. Hij was nog opgesprongen en had willen vluchten; maar was dadelijk neergestort. Zijn geweer en zijn patronen waren er niet. De mannen stonden om ons heen en spraken heftig, maar blijkbaar hadden ze geen vijandelijke bedoelingen. We beduidden hun, dat ze Bourbaki moesten begraven, wat ze ook terstond begonnen te doen; met toegepunte stokken groeven ze gemakkelijk in den zachten grond een graf. Toen verlangden we het geweer en de patronen van Bourbaki en vroegen naar de moordenaars. Er moesten twee zijn geweest. Na eenig overleg verwijderden zich een paar mannen, onder wie een oude grijsaard met wit haar, gewapend naar de oude zede met boog en pijlen en een grooten knods aan een draagband.
Na ongeveer een half uur kwamen ze terug; twee mannen stonden schuw ter zijde. De inboorlingen hurkten neer en fluisterden te zamen, tot een van hen ons naar de beide mannen leidde. We begrepen, dat het de beide moordenaars waren, en Georges en ik grepen elk een aan. Ze verzetten zich, weinig; maar er volgde wel een algemeen tumult, waarbij er waren, die de misdadigers vervloekten, maar ook verwanten, die ze niet wilden uitleveren. Wij zeiden, dat wij met de uitlevering van de schuldigen ons zouden tevreden stellen; anders zouden we het oorlogsschip inlichten, en dan zou dat wraak nemen op het heele dorp. Toen mijn gevangene zich begon te verzetten, bond ik hem vast, en toen ik daarmee bezig was, hoorde ik een schot, en ik dacht al, dat het uit was met den vrede, toen Georges mij toeriep, dat de andere gevangene ontvlucht was. Hij had van de onderhandeling van Georges met de inboorlingen gebruik gemaakt, om zich los te rukken en in het woud te verdwijnen. Een schot had hem niet opgehouden.
De stemming werd intusschen zoo opgewonden, dat wij het maar het best vonden, ons terug te trekken. We namen den gevangene mee en keerden naar de kust terug. Eenige inboorlingen volgden ons. Toen we het dorp verlieten, braken de verwanten van den gevangene in luide weeklachten uit; ze dachten, dat we den man zouden martelen; Belni, zoo heette de schuldige, trilde als een blad en schreide als een gestraft kind. Hij vroeg Macao telkens, wat er met hem zou gebeuren. Macao zal hem wel niet hebben gerustgesteld, want hij was woedend en wou tot elken prijs zijn vriend Bourbaki wreken. Wij lieten Belni opsluiten in het schip en deelden toen aan het dorp mee, dat wij voor den volgenden middag de uitlevering van den vluchteling, de patronen van Bourbaki en twee varkens verlangden. We leerden toen ook de oorzaak van den moord kennen. Belni's broeder had zich met de vrouw van het hoofd ingelaten en was door dezen tot betaling van eenige varkens veroordeeld. Hij was echter arm, had geen varkens en wou zijn schuld boeten door iemand te dooden. De ongelukkige Bourbaki kwam hem juist gelegen, en hij stookte daarom Belni op, hem te vermoorden. De broeders praatten den heelen nacht met hun slachtoffer en Macao, lieten zich het geweer van den eerste vertoonen en speelden ermee. Toen Macao zich op eenigen afstand bevond, maakten ze van de gelegenheid gebruik, om Bourbaki in den rug te treffen en namen toen de vlucht. Daarmee was de schuld tegenover het hoofd geboet, wat wel zeer merkwaardig mag heeten.
Nu de eerste opwinding voorbij was, kregen onze boys, die des morgens zoo moedig waren geweest een gevoel van angst. Ofschoon ze op het water volkomen veilig waren, dachten ze aan allerlei gevaren van de zijde van Belni's verwanten. Macao meende, dat ze zijn vader in het dorp wel konden opeten, en wij waren beiden ook niet recht gerust. Hier in de Tesbelbaai konden we niet blijven, en onze werving onder de Big Nambasbewoners gaf niets. De boys waren slechts met moeite te bewegen, naar land te roeien, om water en hout te halen. We behielden ons de beslissing voor den volgenden dag voor.