In Het Oerwoud En Bij De Kannibalen Op De Nieuwe Hebriden De Aa
Chapter 6
Hij vertelde bij voorbeeld, dat als er een kind geboren was, de vader aan de schoonmoeder geschenken moest geven. De moeder had al voor de geboorte veel fakkels van hars en bladeren gemaakt, om de hut te verlichten, opdat de booze geesten, die het kind zouden kunnen schaden, werden afgeschrikt. Den vijfden dag mag de moeder uitgaan en het kind mee naar het veld nemen. Ze strooit daarbij haard-asch op den weg, om spoken ver te houden, want die houden niet van asch. Daaruit spreekt de beschermende, heiligende en zuiverende eigenschap van het vuur, den besten vriend en trooster van den mensch in het donker van den nacht. Op het veld heeft de broeder van de moeder een klein huisje gebouwd en daarbij plant de moeder voor het kind taro, een symbolische handeling, waardoor het kind vlijtig op het veld en gelukkig met zijn werk zal worden. Op den terugweg legt dan de moeder kleine geschenken neer, die door de dorpsgenooten worden opgenomen. Bij de eerstgeborenen verzamelen zich vaak alle vrouwen uit het dorp in het huis van de moeder en leiden er weken lang een vroolijk leventje op kosten van den vader, die zich in de gamal moet terugtrekken.
Men was voor mij vriendelijk en hulpvaardig, bracht mij yams en taro en nu en dan een soort van kool, in steenen gekookt en met kokosmelk bereid, die heerlijk smaakte. Maar die zuivere plantenkost kwam mij vreemd aan, en al gauw begon ik sterk naar vleesch te verlangen. Ik zou graag een zwijn of hoen hebben laten braden, maar daar men elke vergoeding voor eetwaren tot nu toe weigerde, zou het onbescheiden zijn geweest, mij ook vleesch te hebben laten geven. Ik slikte dus de droge yamsknollen en droomde van busjesvleesch bij het verlangen naar verandering.
Ik was hongerig, nat en eenzaam, lusteloos en bang, al mijn opgewektheid te verliezen. Men houdt zich in zulke gevallen veel te veel met zichzelf bezig, vergroot de zorgen voor de toekomst en denkt aan allerlei narigheid.
Den vijfden dag verliet ik het gastvrije dorp, om de vermoedelijke ankerplaats der boot te bereiken. In den regen volgde ik den weg hoog door de bergen. Alles was vochtig, en de wegen waren moeilijker dan anders door de vele gevallen boomen, terwijl de nevel het ademen bezwaarde. Om het half uur bereikten we een gehucht, waar de mannen ons vragend aanstaarden en de vrouwen uit de hutten kwamen en rillend ervoor neerhurkten. De gids verklaarde dan onze aanwezigheid, nam zijn loon in ontvangst, en een man uit de plaats bracht ons naar de volgende nederzetting. Na een paar uren hoorden we van de inboorlingen, dat de boot de bedoelde ankerplaats niet meer had kunnen bereiken, maar halfweg op het rif ergens was binnengeloopen. We veranderden dus onzen marsch, gingen op de kust aan en troffen bij het dalen den kapitein en de matrozen, die naar het door ons verlaten laatste dorp op weg waren.
Ze hadden voor enkele dagen de boot voor anker gelegd en hadden in een hut aan het strand gekampeerd. De over het rif brekende golven en de storm hadden echter een zoo sterke strooming langs den oever teweeggebracht, dat de boot de ankers had meegesleept en nu midden in de hevigste draaikolken lag, zoodat ze waarschijnlijk zou ondergaan. Tot overmaat van ramp had de kapitein, waarschijnlijk onder den invloed van den alcohol, de kleine roeiboot bij de eerste landingsplaats weggezonden, en ze kon bij den storm niet meer worden teruggebracht, zoodat we in het geheel geen gemeenschap met het schip konden krijgen, want de heftige strooming konden de inboorlingen ook zwemmend niet overwinnen. Daarbij was de kapitein bang, dat de zee de hut aan het strand zou overstroomen, en dus liet hij het schip in den steek, om in het dorp boven te gaan kampeeren.
Ik ijlde naar de kust, om mij van de hopeloosheid der situatie te overtuigen. De kapitein had niet overdreven. In de heftigste branding schommelde de boot op en neer in de hooge golven, die van alle kanten schenen toe te schieten en het dek overstroomden. Toch hield het vaartuigje nog stand, en het was nog niet op een rots gestooten, zoodat als de ankers het uithielden verder en het niet te veel water innam, we nog hoop konden hebben. Ik keek zoowat een half uur lang toe en kon in dien tijd geen verplaatsing waarnemen; al was het pijnlijk, den strijd van ons vaartuig te aanschouwen.
In niet zeer opgewekte stemming ging ik naar het dorp terug, waar de kapitein ook al niet fleurig was gestemd, en waar de nacht in de van ongedierte wemelende hut ver van prettig was. De regen trommelde op het bladerdak, en de windstooten donderden door het bosch als sneltreinen door een tunnel. Den volgenden morgen vonden we de boot nog op dezelfde plaats, waar we haar gisteren hadden verlaten en waren nu vol goeden moed, omdat des avonds de storm scheen te kalmeeren. Dien nacht was het veel rustiger en des morgens waagden de zwarten het, de kleine roeiboot aan te sleepen. Van roeien was om den stroom nog geen sprake, en dus begaven ze zich te water en al stootend duwden ze de boot vooruit, tot ze haar met veel moeite bij de ankerplaats brachten. Ze deden te vergeefs een poging, het schip te bereiken; de strooming voerde ze ver weg, bijna buiten het rif, en bracht hen midden in de woeligste gedeelten van de zee. Maar ze wisten toch allen veilig aan land te komen.
Den volgenden morgen had de zee een rustiger aanzien binnen het rif, al gingen daarbuiten nog hooge golven. Wij konden het schip bereiken, en het bleek, dat er geen schade was aangericht, maar dat het wel zeer veel water had ingekregen, zoodat alles in de pakruimte en de hut doornat was. De machinist begon dadelijk de machine op orde te brengen, en dienzelfden avond liepen wij bij het station op Gaua binnen, waar een groote schaar inboorlingen ons verwachtte aan het strand, daar er al geruchten van onze schipbreuk hadden geloopen. Uit het oponthoud, dat eerst maar een kwartier had zullen duren, werden natuurlijk twee uren, en onderwijl zakte de barometer weer en stak een noordwestenwind op.
We hadden geen andere keuze, dan de terugreis toch te wagen; we waren allen bang, toen we het anker lichtten, en niet zonder reden, want de zee ging al gauw verbazend hoog. Als een kurk schommelde ons hulkje op de wateren; vaak konden we de bergtoppen niet onderscheiden van het naburige eiland, en dan weer leek het, of we op een hoogen heuvel waren met een ruim gezicht over den oceaan.
De ongewenschte westenwind werd gelukkig maar langzaam sterker, en behouden kwamen we te huis in Port Patteson. Daar arriveerde de stoomboot eenige dagen later en bracht een treurige lijst van ongelukken. Ongeveer een dozijn schepen waren voor anker vernield; vier ervan waren totaal verdwenen en van drie wist men, dat ze met man en muis waren vergaan, en dan was er nog bericht gekomen van een groote stoomboot, die gestrand was, waarbij 27 menschen het leven hadden verloren. Een der officieren was na 24 uur nog levend door de golven aangespoeld. Nog nooit had het cycloonseizoen zooveel offers geëischt en dat reeds in de eerste maand.
Zwaar was de weg nog, ook voor de stoomboot, door de heftige branding en deining; de meeste van de aan de westkust gelegen ankerplaatsen konden we niet bereiken; overal zagen we bruine oevers en bladerlooze boomen als in het bosch in de gematigde luchtstreek in den winter, dooreengewoelde plantages en afgebroken boomen, en nog bij Port Vila kregen we berichten van ongelukken.
Van de grootere bewoonde eilanden der Nieuwe Hebriden bleef mij nu enkel nog de zuidelijke groep voor een bezoek over. Ik voer met de stoomboot, zonder mij in Port Vila op te houden, naar Tanna. Het groote eiland Erromango bezocht ik niet, daar de bevolking in haar geheel christelijk is geworden en haar eigenaardigheden heeft verloren. Ze is daarbij van vijf duizend zielen op zevenhonderd geslonken, en ik mocht aan het eiland geen volle maand besteden. Net zoo is het gesteld met de kleinere eilanden Aneytum, Aniva en Futuna. Ik gaf er de voorkeur aan, Tanna goed te leeren kennen, ook omdat het eiland karakteristiek is voor de heele zuidelijke groep. Ook hier mocht ik gast zijn van de presbyteriaansche zending aan de oostkust van het eiland.
De bevolking verschilt veel van die der noordelijke eilanden; men zou haar polynesisch kunnen noemen, als door het kroeshaar niet op melanesischen invloed werd gewezen. Lichtgetint, groot en steviggebouwd, met de gespierdheid, die den Polynesiër vaak onderscheidt, hebben de menschen vaak zeer fijne, open gelaatstrekken, smalle neuzen en ovale hoofden en een intelligente uitdrukking in de oogen. Ze zijn energieker, oorlogszuchtiger en onafhankelijker van aard, en ook hun cultuur is anders. Het meest valt op, dat de Suque niet bestaat. Waarschijnlijk was het verkeer van Tanna uit met de centrale groep altijd gering. De afstand van Erromango naar Fate is dan ook zeventig zeemijlen, zoodat de Suque de zee niet zoo licht kon oversteken als van de Bankseilanden naar de Nieuwe Hebriden, waar de afstand maar 40 mijlen bedraagt, terwijl de dienst ook voor de meer polynesisch denkende Tanneezen mogelijk niet aantrekkelijk was.
Zoo ontbreekt hier ook de scheiding van de geslachten en der vuren en de ontwikkeling van de geheime mannenbonden, alsook de talrijke "hoofden", vertegenwoordigers van de hooge kasten der Suque. Daarentegen vindt men op Tanna een erfelijke hoofdenwaardigheid als in Polynesië, die bepaalde dynastieën vormt, waarvoor de onderdanen groote vereering voelen en die zeer veel gezag uitoefenen. Maar het schijnt, helaas, aan geen enkel geslacht gelukt te zijn, zich tot heerscher over het geheele eiland te maken, zoodat de bevolking in talrijke stammen verdeeld is, onder wie voortdurend strijd heerscht en die sedert den invoer van de vuurwapens elkander al meer afbreuk doen, zoodat er weinig van de bevolking zou zijn overgebleven, als niet de zending tusschenbeide was gekomen en aan de oorlogen een eind had gemaakt.
Hier bleek nu, hoeveel voordeel uit het bestaan van de erfelijke hoofdenwaardigheid voortvloeide tegenover de Suque, want als een hoofd op Tanna zich bij de zending aansloot, kon hij ook zijn dorp tot de aanneming van het Christendom dwingen en instaan voor de handhaving van wet en recht. Hij bracht dus al een soort van organisatie mee, en de hooge kasten van de Suque daarentegen verloren door hun bekeering den toegang tot de kaste en daarmee alle autoriteit, terwijl ze als Christenen geen invloed meer hadden.
Dat verlies van de kaste verhinderde de meesten, het Christendom aan te nemen; de hooge kasten staan er bijna alle vijandig tegenover, en in de christendorpen van het Noorden ontbreekt de noodige organisatie en mist men de aanzienlijke en invloedrijke inboorlingen, die er eerbied voor de wet kunnen helpen bevorderen.
De schitterende resultaten van de zending op Tanna zijn dus in hoofdzaak een gevolg van de daar heerschende maatschappelijke toestanden; maar daarom gaat er niets af van de verdiensten der zendelingen op het eiland. Ze hebben het werven van inboorlingen krachtig bestreden, zoodat het tot een minimum is beperkt; dan maakten ze een eind aan de eeuwige twisten en wonnen het vertrouwen van de inboorlingen in die mate, dat dezen hun hygiënische voorschriften opvolgden en de oude, vuile woningen verbrandden, om nieuwe, zindelijke, luchtige dorpen te bouwen. Daardoor werd de tuberculose bestreden; er werd een isoleerkamp voor lepralijders opgericht, en daarheen brengen nu de inboorlingen hun patiënten uit vrijen wil.
Een inlandsche rechtspraak handhaaft de orde in het land, en de opgelegde straffen bestaan meestal in het aanleggen van wegen, waardoor Tanna al een vrij volledig wegennet heeft. In het begin verzetten de inboorlingen zich tegen den wegenbouw, maar thans hebben ze het nut daarvan ingezien en stellen nu zelf veel belang in de uitbreiding van hun aantal rijwegen. Het aantal inboorlingen, dat zoo sterk achteruitging, blijft nu op peil; de levensmoed is er op vooruitgegaan, en overal vindt men een groot aantal kinderen en vroolijken arbeidsdrang. Misschien is dit alles een vingerwijzing, hoe ook op de noordelijke eilanden het ras zou kunnen worden in stand gehouden.
De oorspronkelijke huizen op Tanna waren ellendige, kleine dakjes van rietgras, ruw bevestigd aan een licht getimmerte. Dat lag waarschijnlijk aan de eeuwige oneenigheid, waardoor de menschen steeds weer van woonplaats moesten veranderen, ja, die wel eens het noodzakelijk maakte, dat vrouwen en kinderen ergens in het bosch den nacht moesten doorbrengen, om voor aanvallen veilig te zijn. De oorlogen werden hier hoofdzakelijk met speer en knods gevoerd, in tegenstelling met de noordelijke eilanden, waar pijl en boog de voornaamste wapens waren.
Een eigenaardigheid, die men elders ook wel kon opmerken, was het gebruik van een vroeger gebruiksvoorwerp als versiering. Tegenwoordig dragen op Tanna de mannen en de vrouwen als sieraad en als erfstukken bij wijze van amulet ringen van nephriet aan hun halsbanden.
Dat mineraal schijnt op Tanna niet voor te komen, maar moet in vroeger tijden zijn ingevoerd, van waar is onbekend. Eenige van die doorboorde en gepolijste steenen laten echter nog duidelijk zien, dat het eens bijlklingen zijn geweest, die door langen dienst klein en onbruikbaar zijn geworden. Men stelde den steen intusschen zoo hoog, dat men hem niet wegwierp, maar hem doorboorde en aan een koord bij zich droeg, tot hij bij latere geslachten tot sieraad en amulet werd.
Een echt polynesische kunst is het maken van tapa, stof van boombast voor kleeding. Men kan er hier geen grootere stukken van vervaardigen, maar bepaalt zich tot gordels, die een deel van de mannenkleeding vormen en beschilderd worden met eenvoudige teekeningen. Men neemt daarvoor oker en roet, welk poeder men wrijft met het rubberachtige sap van den vijgeboom en teekent dan met een staafje. De kleeding van de mannen is gelijk aan die op de centrale Hebriden; die der vrouwen bestaat uit een schortje van planten vezels, van achteren wat langer dan van voren, bij ongetrouwde vrouwen op zij open. De vouwen dragen ook graag hoeden van bananenbladeren, die in groote, tulbandachtige vormen voorkomen.
Veel gecompliceerder is de haardracht der mannen. Ze laten al vroeg het haar lang groeien. Na het feest der rijpheid wordt het in dunne lokken verdeeld, en ieder der lokken wordt met een bastvezel omwonden, zoodat slechts een klein bundeltje aan het eind vrij uit het omwindsel naar buiten komt. Er zijn soms wel vijftienhonderd van die omwikkelingen noodig, om al het haar te bewerken. Die pruik wordt naar achteren gestreken en daar met een touw samengebonden. De mannen krijgen daardoor een wat vrouwelijk voorkomen. Natuurlijk moet het verder groeiende haar weder worden omwonden, zoodat het kapsel veel tijd vordert, en men altijd mannen bij elkander kan zien zitten, die wederkeerig bezig zijn als kappers te fungeeren. De invloed van het Christendom werkt die mode tegen en maakt, dat het haar kort geknipt wordt.
Over het algemeen is er weinig eigen cultuur op het eiland. Snijwerk ontbreekt geheel; de vlechterij beteekent niet veel en evenmin de lichaamsversiering, die uit niets dan eenige schelpringen en armbanden van kokosnoothout bestaat met nog enkele oorhangers van schildpad; maar men kan wel zeggen, dat de bewoners van Tanna tot de meest bescheiden eischen zich bepalen, temeer daar hun voorwerpen van dagelijksch gebruik tot de allereenvoudigste behooren.
De goede wegen veroorloofden mij een gemakkelijk verkeer op het eiland, waarbij ik over de paarden van den zendeling kon beschikken. De vulkaan gelijkt op de vroeger door mij beschrevene. Er is hier ook veel zwavel en de berg is voortdurend in werking, doch doet thans alleen in de dichte nabijheid allen plantengroei den dood aan. Op mijn tochten had ik de gelegenheid de vrees en het wantrouwen op te merken, die den Tanneezen nog altijd in het bloed zitten, juist als ze voorkomen op de andere eilanden. Maar hier ziet men het beter op een afstand bij de rechte wegen, terwijl elders de kronkelpaden een gemakkelijker verdwijnen mogelijk maken. Men merkt namelijk, dat menschen, die den tred van het paard hebben gehoord, onrustig worden en precies het oogenblik weten te gebruiken, dat men niet op hen let, om plotseling te verdwijnen. Men zal, ook als men goed toeziet, niet kunnen ontdekken, waar ze in het bosch zijn verdwenen, en toch komen ze zeker weer te voorschijn, als ze een vijftig meter achter u zijn. Het is een bijzonder instinct van den natuurmensch, zich de dekkingen ten nutte te maken, waarbij hem zijn donkere huidskleur, die zoozeer met het bruin van de stammen en bladschaduwen overeenstemt, ten zeerste dient.
Aan de andere kust is het hospitaal van de presbyteriaansche zending, dat door Dr. N. prachtig wordt geleid. Er zijn dertig bedden, een kleine, maar uitstekend ingerichte operatiezaal, en daar het huis bijna altijd vol is, heeft men eenige strooien hutten erbij laten zetten voor de niet zwaar zieken. Op de royale manier, die bij deze zending gebruikelijk is, wordt aan blanken en zwarten kostelooze behandeling geschonken; de eenige verplichting, die de inboorlingen op zich nemen, is dat ze het hospitaal steunen met hun veldvruchten. In de laatste jaren hebben de inboorlingen de waarde van het hospitaal op prijs leeren stellen, en waar ze vroeger haast met geweld tot een behandeling moesten worden gedwongen, melden ze zich thans dadelijk aan. Als men weet, hoeveel ziekte kan worden voorkomen bij tijdige behandeling, kan men nagaan, hoe een hospitaal helpt tot de instandhouding van het ras, en hoezeer het te wenschen zou zijn, dat op elk van de grootere eilanden een ziekenhuis werd opgericht.
Een maand na mijn aankomst op Tanna bracht mij de stoomboot weer naar Port Vila, waar ik opnieuw de gastvrijheid van den heer King aanvaardde. Mijn eerstvolgend doel waren de Santa-Cruzeilanden, en de stoomboot van de anglicaansche zending, de "Southern Cross", moest mij in staat stellen, dat doel te bereiken. De boot was op een driemaandelijksche vaart door het geheele zendingsgebied en deed Port Vila aan, om dan door de Nieuwe Hebriden, de Banks- en Santa-Cruzeilanden naar de Salomons-eilanden te varen en langs denzelfden weg weer naar Nieuw Zeeland terug te keeren.
Ik verzocht den kapitein om passage en werd op de uitreis bij den eenigen blanke, die op Santa-Cruz woont, afgezet, om op de terugreis na zes weken weer te worden afgehaald. Weer voer ik de mij zoo welbekende route van Vila noordwaarts door de Nieuwe Hebriden en de Banksgroep. Tot Ureparapara was ik nog in bekende wateren, maar daarna kwam weer het onbekende. Het schip was een stoomboot van vijfhonderd ton, die speciaal was gebouwd voor het vervoer van één- tot tweehonderd inboorlingen en ongeveer twaalf zendelingen, alsook voor waren voor de zendingsstations. Het was er alles eenvoudig; maar een goede bibliotheek en aangenaam gezelschap maakte de reis prettig. Ik trof eenige zendelingen, die van hun vacantie terugkeerden, om den arbeid in de woeste streken van de Salomonseilanden te hervatten, want deze zending heeft vele primitieve en gevaarlijke terreinen, waar ze werkt. Dit zijn waardige opvolgers van de pionierszendelingen, van wie zooveel tot de anglicaansche zending hebben behoord, en als wier eerste bisschop Patteson moet worden genoemd, die op de Santa-Cruzgroep als slachtoffer van de inboorlingen is gevallen.
Ons schip diende ook voor het transport van jonge inboorlingen van hun eilanden naar Norfolk, waar ze op een centrale school naast het Christendom ook allerlei nuttige kennis zich verwerven. Uit alle deelen van Melanesië neemt de zending leerlingen aan, die gedurende drie of zes jaren worden opgevoed door blanken en daarna weer naar hun vaderland worden teruggebracht, waar ze door hun levenshoudingen hun gedrag de inboorlingen gunstig moeten stemmen voor het Christendom en de christelijke beschaving van den blanke. De knapen maakten een uitstekenden indruk; ze waren gezond en welgevoed, gedroegen zich netjes en zagen er aantrekkelijk uit met enkel hun schaamdoeken en de naar de toenmalige mode van voren tot een kussenachtigen ring opgekamde haren. Het was interessant, de typen van de verschillende eilanden te vergelijken, den korten, breeden plebejischen inwoner van de Nieuwe Hebriden, de lange Salomonen met hun energieken blik, en de bewoners van de Bankseilanden met hun intelligente gezichten.
Dezen keer was de vaart belangrijk, omdat het de eerste was, die met gekleurde bemanning werd volbracht. Het was den kapitein gelukt, zich met veel geduld en toewijding een scheepsbemanning van inboorlingen op te leiden. Hij had het scepticisme van de blanken kunnen overwinnen, en nu zou blijken, of de Melanesiërs voor een arbeid, die initiatief, overleg en verantwoordelijkheid eischte, waren te gebruiken. Tot nu toe, dus in de eerste weken, was alles goed gegaan, en werkelijk arbeidden de menschen zoodanig, dat het zelfs mij, die zeker geen slechte meening over de intelligentie van den Melanesiër had, ten hoogste verraste. Nu waren de meeste matrozen van Mota Lava afkomstig op de Banks-eilanden, waar een der flinkste rassen van de eilanden woont. Al dadelijk kan ik vertellen, dat de inboorlingen zich op de gansche reis voorbeeldig hebben gehouden en dus hebben getoond, dat ze ook voor ander dan plantagewerk zijn te gebruiken.
Op een morgen voeren we om een landtong heen en om het eiland Tumotu, dat de westelijke grens vormt van de Graciosabaai op Nitendi. Het leek, alsof het strand hier een veel tropischer aanblik bood dan op de Nieuwe Hebriden, alsof de plantengroei meer verscheidenheid had en meer vormen en kleuren te zien gaf. Ook kon ik mij er een denkbeeld van vormen, hoe de kusten der Nieuwe Hebriden er eenmaal moeten hebben uitgezien, toen ze dicht bevolkt waren, want hier rijde zich dorp aan dorp, en het strand was bezaaid met prauwen, die vlug in het water gingen, toen wij voorbijvoeren. Veel dozijnen booten waagden zich in de open zee en volgden de stoomboot, zoolang het ging. Toen we echter in de baai binnenvoeren, bleven de menschen achter, om niet langs vijandelijke dorpen te varen.
In de baai verschenen nu andere kano's om ons heen, en toen we voor anker lagen, omgaf ons een zoo groote vloot, dat men haast droogvoets rondom het schip had kunnen wandelen. Hier zag men weinig gekleede menschen, maar oerechte wilden, die de roeiriemen verrassend handig hanteerden en, in hun heftige begeerte om te ruilen, ons bestormden met allerlei voorwerpen.
De Santa-Cruzeilanden behooren tot de minst bekende van de Stille Zuidzee. Hun bewoners gaan voor gevaarlijk door, vooral om hun giftige pijlen, die ze met overleg gebruiken. Voor enkele maanden was een zendeling gedwongen, de eilanden te verlaten, nadat hij verscheiden dagen door de inboorlingen belegerd was. Ik was dus niet erg gerust, toen ik mij aan land liet brengen naar den heer M., die daar met eenige arbeiders van de Salomonseilanden voor de groote zeepfabrikanten Levers Bros een kokosnootplantage aanlegde. Sedert jaren was de heer M. de eenige kolonist op het eiland en hij stond nu met de inboorlingen op goeden voet, nadat hij in de eerste jaren met hen op voet van oorlog had verkeerd. Hij begroette mij als een welkomen gast in zijn eenzaamheid, en ik had goed vertrouwen, dat ik hier een rijken oogst aan ethnographische voorwerpen zou kunnen binnenhalen. Ook moest ik weer naar helpers omzien, want ik had niemand bereid gevonden, mij naar de Santa-Cruzeilanden te vergezellen. De heer M. had door den coprahandel veel betrekkingen met de menschen en beval mij een paar aan. Een viertal huurde ik, van wie een paar vrij goed het Biche la mar spraken, de taal van de kusten en van den handel.