In Het Oerwoud En Bij De Kannibalen Op De Nieuwe Hebriden De Aa
Chapter 5
Na vier weken kwam de stoomboot naar de Bankseilanden. Ik had een uitnoodiging gekregen van den heer Ch. directeur van een caoutchouc-plantage. Het was de eerste rubberonderneming op de eilanden. De boomen waren echter niet goed ontwikkeld en men was maar weer tot de oude, beproefde kokoscultuur teruggekeerd. De plantages lagen verspreid op heel Venua Lava, het hoofdkwartier was Port Patteson, van waar uit met een kleine motorboot alle handelsstations bediend werden, die de maatschappij op de naburige eilanden onderhield. Ik had nu mijn standkwartier op Venua Lava en goede gelegenheid, als passagier op de boot de andere eilanden van de Banksgroep te bezoeken. De zee is in den open archipel veel gevaarlijker dan in het haast gesloten bekken van de eigenlijke Nieuwe Hebriden, maar onberekenbare stroomingen leveren hier toch steeds gevaar op.
Kort vóór Kerstmis doorleefde ik in Port Patteson een stormachtigen tijd met een hevigen cycloon, maar op den feestdag lag de zee turkooisblauw tusschen de zoomen van de wit schuimende branding. In de verte lag het vulkaaneiland Mota Lava scherp afgeteekend tegen de lucht. Te middernacht werden wij wakker door het aanslaan van de honden. We hoorden bloote voeten schuifelen op de veranda, een fluisteren, dan nadrukkelijk kuchen en eindelijk een lied uit schorre kelen. Het waren de inboorlingen uit een christelijk dorp, die ons op kerstliederen onthaalden in een voor ons onbekende taal, niet mooi gezongen, maar toch indrukwekkend.
Toen de zang geëindigd was, trad de directeur naar buiten, en de harde man, dien men bij eerste kennismaking alle gevoeligheid ontzegt, had tranen in de oogen en kon enkel door gebaren den inboorlingen zijn dank betuigen. Wij gingen met de zangers naar de store, waar ze geschenken kregen en werden onthaald, waarna ze ook voor de beambten en arbeiders hun zang herhaalden.
Gedurende de volgende dagen voer de motorboot naar alle stations van de maatschappij en bracht de arbeiders en de opzichters mee, om Nieuwjaar te vieren. Er kwamen de heer C. van het naburige Gaua, een fransche oud-gendarme, dan een luitenant uit den Boerenkrijg, een expriester, een bankbeambte, een kantoorbediende en een cowboy uit Australië, dus wel een bont gezelschap van voor het meerendeel door den alcohol gestrande wezens, maar uiterlijk heel nette menschen.
De aankomst van iedereen zonder onderscheid moest worden beklonken, zoodat een geregelde stroom van bedienden uit het kwartier van de beambten naar het Directeurshuis op den heuvel vloeide met geheimzinnige briefjes, die het verzoek om nog een flesch inhielden. Alle verzoeken werden ingewilligd, zoodat er in den loop van een paar dagen een massa leêge absinth- en whiskyflesschen zich opstapelden. Zooals het gaat met zulke menschen, die door alcohol niet plezierig, maar verdrietig worden, was er al gauw oneenigheid. Ze waren allen prikkelbaar, en het was te vreezen, dat er ernstige ruzie zou komen.
Er werd intusschen moeite gedaan, om het feest te doen slagen, door het huis van den directeur met guirlanden te versieren en de eetzaal met bloemen en varens in een lustpriëel te veranderen. Na den maaltijd verraste ons de gendarme met een fakkeloptocht van zijn arbeiders, waar ze de Marseillaise bij zongen. Hij had met oneindige moeite en geduld hun de wijs en de woorden geleerd, zoodat het niet kwaad klonk met zijn hulp en die van den expriester. Jammer, dat de avond met een ranselpartij eindigde, waarna de vechtersbazen op alle mogelijke plaatsen en in onmogelijke houdingen den nacht verder sleten.
De Nieuwjaarsmorgen beloofde een heerlijken dag en tevens den wereldvrede, want kantoorbediende en luitenant, gendarme en expriester, alles kwam bijeen, gaf handdrukken en verontschuldigingen en leverde een tooneel van algemeene verbroedering. Een morgenslokje bezegelde het verbond, dat echter des avonds weer vergeten was en nieuw geharrewar niet kon tegengaan.
Een der volgende dagen voer ik met den directeur naar een plantage op Venua Lava, waar de directeur een voorbeeld moest stellen. Een arbeider had gehoorzaamheid geweigerd, en toen de opzichter hem had heen en weer geschud, had hij zijn boschmes getrokken. De sterke opzichter had den man gemakkelijk vermeesterd en geboeid; maar de andere zwarten hadden hem daarbij niet geholpen, toen hij hun toegeroepen had, hem meer touw voor het binden te brengen. Al kon men niet bepaald over een oproer spreken, het was toch een geval, dat streng moest worden gestraft.
Op het station werd recht gesproken en de aangeklaagden werden gehoord in tegenwoordigheid van alle arbeiders. Het was opmerkelijk, dat eigenlijk niemand zich door leugens trachtte te redden; allen gaven toe, dat ze schuld hadden, de voornaamste zondaar, zoowel als de anderen. Dat is een verschijnsel, dat men overal kan waarnemen, dat de inboorling van de Nieuwe Hebriden voor het gerecht zelden onwaarheid spreekt. Men kan haast altijd de waarheid ontdekken. Het vonnis was in dit geval een verlenging van de arbeidsjaren voor de schuldigen en voor den dader nog zes geeselslagen bovendien. Niet de veroordeelde, maar zijn broeder brak in tranen uit.
Des avonds was de executie, en de delinquent nam de niet erg aankomende slagen gelijkmoedig op. Maar de verzamelde arbeiders waren toch blijkbaar onder den indruk, zoodat het voorbeeld wel afschrikkend zal werken. Ten slotte is de Melanesiër hier een ongevaarlijk, geduldig en serviel individu; openlijk verzet komt bijna niet voor.
Den volgenden dag gingen wij naar Ureparapara, een vulkanisch eiland, waar de wand van den reusachtigen krater aan den eenen kant is ingestort, zoodat het eiland een hoefijzer vormt met één hoogen wand, die een baai insluit. Daar ankeren vaak schepen, en in overeenstemming met het feit, dat er veel blanken komen, is het eiland dun bevolkt met inboorlingen. Juist als op het naburige Meralava is er haast geen vlakke vierkante meter op het eiland; de kleine dorpen hangen tegen de hellingen aan, die in zee bij een breed koraalrif aansluiten. Wij konden landen en copra innemen, en des avonds vonden we in de baai een ideale ankerplaats.
De vroegere kraternatuur van de baai was nog gemakkelijk te herkennen. Het moet een geweldige catastrofe geweest zijn, toen de wand doorbrak en de zee zich stortte door de opening. De inboorlingen vertellen, dat een reuzenvisch tegen het eiland was opgezwommen en de opening had gemaakt. In ieder geval is het een interessant gevoel, thans daar in een boot te liggen schommelen, waar eens de vloeibare lava en het vuur uit de diepte hebben gewoed. Het water is slechts flauw gerimpeld, en kleine golfjes spelen tegen de vlakke oevers met de mangrovenboschjes. Neen, van de woedende elementen bespeurt men nu niets meer in deze vreedzame omgeving.
Van de baai uit konden we de strooien daken van een inboorlingendorp zien; in de diepe schaduw onder de groote boomen hurkten inboorlingen om een vuur, en vlakbij lagen de lange booten op het strand. Aan drie zijden rezen de hooge kraterwanden, zoodat men zich kon wanen aan een stil bergmeer en onwillekeurig luisterde naar de klokjes van de kudden. In plaats daarvan hoorden we de lokroepen van de groote boschduiven en heel in de verte het rollen van de branding.
Wij konden niet nalaten, op dit lieflijk plekje een rustdag te houden, en eerst den volgenden morgen stapte ik de bergen op en volgde het steile pad tot op den kam, waar eenige tarovelden lagen, van waar de vrouwen, dagelijks op en neer klauterend, de vruchten halen, stellig met koordedanserstalent, maar het eiland heeft niet veel grond, waar een aanplanting kan worden ingericht.
Ureparapara was het noordelijkste punt, dat ik tot nu toe had bezocht, en de nabijheid van de kunstlievende Salomonseilanden was hier, in vergelijking met de centrale groep, duidelijk merkbaar. Terwijl op de Nieuwe Hebriden tegenwoordig iedere kunstuiting buiten de mattenvlechterij in verval blijkt te zijn, vond ik hier nog enkele zeer fraaie voorwerpen, sierlijke gesneden oorstaafjes, matten met mooie patronen en armbanden. Ook trof ik hier een vorm van trommel, die op de Nieuwe Hebriden totaal ontbreekt, namelijk een echte veltrommel, een hollen houten cylinder, waarvan het eene eind in den grond wordt ingegraven, terwijl over het andere eind bladen van de wilde banaan het kalfsvel vervangen.
Al zijn dit en andere verschijnselen ook slechts détails, ze passen toch bij de bevolking, die grootelijks verschilt van die der Nieuwe Hebriden. Men ziet hier lange gezichten, hooge voorhoofden, vaak smalle en haakvormig gebogen neuzen. Besluit men op dien grond tot een hoogere beschaving, dan wordt dat oordeel door de ervaring bevestigd, want de inboorling van de Banksgroep is opgewekter, levendiger, opener en intelligenter dan de vaak wantrouwige, knorrige en apathische bewoner van de Nieuwe Hebriden. Kannibalisme moet op de Bankseilanden nooit inheemsch zijn geweest. Ten gevolge van het geringer verkeer met de blanken kan het zijn, dat de inboorlingen nog niet zoozeer het vertrouwen in de Europeanen hebben verloren als op de andere eilanden.
Ik kon, helaas, weinig goede ethnografica meer krijgen, daar eenige maanden te voren een engelsch oorlogsschip in de baai had geankerd. Wie de verzamelwoede van de Blauwjakken, van den kapitein tot den scheepsjongen toe, kent, zal zich niet verwonderen, dat daardoor het kleine eiland grondig geplunderd was. Het speet mij, dat zooveel waardevol materiaal op die wijze voor altijd verloren was gegaan, want bijna al die curiosa worden later verloren en vergeten en hebben, daar er geen data en herkomst op vermeld staat, zoo goed als geen waarde meer. Gelukkig zijn er echter kleinigheden, die de leek versmaadt en die even belangrijk zijn als knodsen en vergiftigde pijlen. Ook is er altijd nog wel wat te voorschijn te halen, al is het ook onder roet verborgen en door insecten beknaagd.
Op den dag na den terugkeer naar Port Patteson bracht de boot mij naar een plantage op Venua Lava, van waar de vulkaan gemakkelijk was te bestijgen. De vulkaan is hoofdzakelijk werkzaam door zwavelbronnen en heeft aanzienlijke afzettingen van zwavel gevormd, die ongeveer vijftien jaren geleden werden ontgonnen. Er was in Nouméa een maatschappij opgericht, een filiaal van de bekende Société Française des Nouvelles Hébrides. Ontslagen gedeporteerden waren als arbeiders in dienst genomen en groeven eenige weken of maanden ook werkelijk in de buurt van den vulkaan. Maar het bleek al spoedig, wat men eigenlijk wel eerst had mogen onderzoeken, dat de dagelijksche zwavelproductie van de bronnen zeer gering was, en dat over het geheel de ontginning niet loonend zou zijn. Men had intusschen groote voorraden en rollend materieel aangevoerd, die nooit in gebruik werden genomen en verroestten en verrotten. De strafkolonisten waren allen drinkebroers en stierven binnen korten tijd. De directeur bekommerde zich niet in het minst om de onderneming; er werden ongehoorde hoeveelheden alcohol verkocht aan de inboorlingen, die dan ook als vliegen wegstierven, en men beroemde er zich op, dat van ledige jeneverkisten een flink huis was gebouwd. Nadat men van pret en alcohol had geleefd en eenige tonnen zwavel had verscheept, gaf men de onderneming op. Dit is een bijna typisch voorbeeld van de manier, waarop in die jaren op de eilanden maatschappijen gesticht werden en geld werd weggegooid. Er loopen interessante verhalen over het weelderige leven van de opzichters der plantages van een nu nog bestaande maatschappij. Groote sommen, voor de aanplantingen bestemd, gingen als champagne door de kelen van de aangestelden of verdwenen op andere wijze. Er schijnt zoo goed als geen contrôle te zijn uitgeoefend, waarom het geen wonder is, dat de maatschappij, die thans met geringe kosten alle goede terreinen op de Nieuwe Hebriden zou hebben beplant, daar de arbeidsloonen in die tijden zeer gering waren, nauwelijks eenige noemenswaardige plantages bezit. Men mag het gerust aan de werking van de zwavelmaatschappij toeschrijven, dat daar, waar voor vijftien jaren, naar men mij zeide, duizenden en duizenden inboorlingen hadden geleefd, nog een dorp van ongeveer vijftig zielen is te vinden. Het gelukte mij het hoofd van dit "volk" als gids mee te krijgen. Hij had ook vroeger zwavel van den vulkaan naar de kust gesleept en leidde mij langs den ouden weg, die nu nog slechts een dichtgegroeid pad was. Om den vulkaan hangen haast voortdurend regenwolken, zoodat het woud moerassig is met een drukkende, zwoele atmosfeer.
Na een marsch van twee uren stonden we aan den rand van een plateau, waarvan dichtbij elkander twee beken naar beneden vloeiden in trotsche watervallen. De zilveren banden schitterden tusschen het groen en verzonken in de donkere diepte aan onze voeten, om dan als een scherpe scheur in het bosch naar de kust verder te gaan. De eene beek was door de zwavel melkachtig gekleurd, en alles in het bereik van het water was met wit slijk overdekt, terwijl de andere roodachtig water voerde en alle rotsen met een rooden neerslag had belegd. Het water voelde lauwwarm aan. Kort daarna betraden we een open plek, waarboven nevelflarden hingen, en waar een stekende damp in de oogen en den neus drong en den adem benauwde. We waren aan het benedeneind van de zone der solfataren, waarheen het pad leidde. De bodem bestond eerst uit murw, door zuren ontleed gesteente en daarna uit zwavelblokken, waarop de schoenen knarsten als op hard bevroren sneeuw. De kleur van de zwavel was grijsgroen; maar zuiverder brokken hadden de gewone zwavelkleur en dikwijls zagen we welgevormde zwavelkristallen. Bij het stijgen hoorden we steeds duidelijker een sissen, alsof stoom uit een nauwe opening kwam. Spoedig bevonden we ons te midden van talrijke tumuli, op welker toppen de gele zwavel schitterde, terwijl door de reten en voegen stoom ontweek. De heele bodem scheen doorgroefd door een netwerk van kanalen, waaruit het dampte en borrelde.
Onze schreden klonken hol; groote steenblokken lagen in een evenwicht, waaruit eene lichte beweging ze verschoof, zoodat ze verbrokkelend in een kloof rolden, waar een grijze beek de heete bronwateren naar de diepte leidde. Vaak omhulde de stoom ons geheel; we hoorden dan de sissende bronnen dubbel sterk, tot een windstoot de nevels verstrooide en we weer een blik op den top van den berg konden werpen.
Het was een griezelig gevoel, te midden van de kwaadaardig piepende en fluitende heuvels te staan, en als de gids zich niet zoo zorgeloos had getoond, zou ik mij niet zoo ver op het dampende zwavelveld hebben gewaagd. Ik kon het mijn bedienden niet kwalijk nemen, dat ze zich niet behagelijk voelden, zich als schuchtere schapen om mij heen drongen, niets zeiden en eindelijk erop aandrongen, dat we zouden omkeeren. Ik kon hun zin echter nog niet doen. We stegen hooger, waar men plassen zag met heftig borrelend water erin, geel of zwartachtig; de heele omgeving was overtrokken met zwavel in een harde massa als met een dikke laag ijzel.
Van daar volgden we een beek, waarvan het water heeter en heeter werd, tot men er niet meer in kon loopen, maar van steen op steen moest springen. We waren blij, eindelijk den krater te hebben bereikt, ook weer een kleurlooze vlakte, waar in de diepte een grijze plas kookte. Dat was nu echt een barsche zwavelpoel te midden van een doode natuur, zwart, stil, licht bewogen, blazen opstuwend en met golven borrelend. Tegenover ons bedekte een stoomwolk een spleet in den kraterwand; maar boven was de lucht helder, en een sterke tegenstelling met deze doodsche en vijandig uitziende omgeving vormde het gezicht op de kust, de blauwe zee en een eilandje, dat vreedzaam op de wateren lag.
Den volgenden dag voer ik naar Gaua. We gingen langs de noordkust naar het westen, waar ik aan land stapte en den dag daarop aan een andere ankerplaats weer zou worden afgehaald. Overal waren de wegen nog door den laatsten cycloon versperd door omgevallen boomen, en bijna alle kokospalmen hadden hun vruchten verloren. De wind ruischte door het woud en joeg den regen over de heuvels.
Het was mijn plan, beelden van boomvarens gemaakt, te erlangen. Hier versiert namelijk ieder rijke man, dat is, ieder man van een hoogen rang, de omgeving van zijn huis met hooge standbeelden van het mannelijk of het vrouwelijk geslacht. Hij zet ze meestal langs een muur of terras rondom zijn huis. Zeker hadden ze eens een godsdienstige beteekenis; maar de diepere zin schijnt verloren te zijn gegaan ten minste op de Bankseilanden, en ze zijn nu niets anders dan versiering en teeken van welstand, want men moet voor het vervaardigen veel aan den kunstenaar betalen, vooral als het beeld een personnage voorstelt van hoogen rang. Dien rang kan de ingewijde aan allerlei teekeningen en ornamentlijnen herkennen, ook aan het aantal varkenskaken, die in het snijwerk zijn aangebracht. Meestal levert de kunstenaar vooraf een ontwerp voor het beeld, een gestiliseerde teekening in roode, witte en zwarte kleuren op een plank, en die teekeningen dienen weer als patronen voor de tatoeëerfiguren der mannen en vrouwen. Bij elke verhooging in rang mag een man of een vrouw zich het daarbij behoorende patroon laten aanbrengen, zoodat een kenner direct den graad van den bedoelden persoon kan waarnemen. Bovendien gelden de teekeningen ook als versiering, vooral voor vrouwen, die hierdoor en ook omdat men voor de teekeningen, die ze op het lichaam dragen, veel moet betalen, in waarde stijgen. Dergelijke patronen vindt men ook op oorhangers, knodsen, armbanden en gordels, kortom, ze leveren de motieven voor alle ornamenten, en men kan daaruit zien, hoe bij de primitieve volken, waar het geheele leven om één gedachte draait, er op den grondslag van die eene allen gemeenzame gedachte een stijl ontstaat. De herhaling van steeds hetzelfde voorwerp laat de voorstelling allengs worden tot een bloot symbool, waarin de oorspronkelijke vorm van het voorwerp nauwelijks is te herkennen. Daar de vereenvoudiging blijkbaar aan zekere wetten is gebonden, die voor een deel ook door den aard van het materiaal, waarmee gewerkt wordt, beheerscht worden, en de symbolen, als ze eenmaal alle overeenkomst met de werkelijkheid hebben verloren, geslachten na geslachten lang nauwkeurig gecopiëerd worden, ontstaat er een soort van hieroglyphen, zoodat de kunst der Melanesiërs meer de uitdrukking eener idee is, meer symbool, dan wel versiering.
Het deed mij genoegen, dat ik hier een groot aantal schedels kon krijgen, dank zij de eigenaardige begrafenismethode, die er gebruikelijk is. Men legde op Gaua namelijk den mannelijken doode op een verhoogd bed in de hut, waaronder men een sterk rookend vuur onderhield. De weduwen en de naaste verwanten moesten als teeken van rouw naast het vergaande lijk slapen. Na tweehonderd dagen was het lijk meestal vergaan, waarna men de lange beenderen verzamelde, om er pijlpunten van te maken, terwijl men de overige beenderen in een mand legde en begroef of bij de wortels van vijgenboomen bijzette. De inboorlingen brachten mij bij zulk een boom, waar ik met weinig moeite een rijken buit vond. Men deelde mij verder mee, dat men vroeger de schedels van zeer geliefde dooden vaak in een mand lang met zich meedroeg en bij voorbeeld aan een feest liet deelnemen. Dat is dus dezelfde gedachte, die het gebruik op Zuid-Malekula in het leven heeft geroepen, om aan de schedels van voorouders en kinderen gezichten te fatsoeneeren, er haren aan te hechten en ze bij zich te dragen of in de gamal te plaatsen.
In de eerste dagen wordt voor de dooden voedsel neergezet; maar toch schijnt de voorstelling van een bestaan na den dood hier maar vaag ontwikkeld te wezen. Men legt de spijs ter zijde als een uiting van rouw met het idee: "Dat zou uw portie zijn, als ge nog in leven waart." Een bepaalden dienst der voorouders, zooals bestaat op de Nieuwe Hebriden, kon ik op de Bankseilanden niet meer vinden, al is hij er vroeger stellig wel gebruikelijk geweest. Ook de Suque moet op de eilanden een centrum hebben gehad en heeft er sporen achtergelaten in de wallen en altaren, die men er zeer talrijk vindt. De mannenhuizen zijn ook op een vaak twee meter hoog steenen voetstuk gezet, en links en rechts staan ongeveer twee meter hooge steenhoopen als reuzenkwadraten van twee tot vier meter in het vierkant. Dat zijn altaren, waarop varkens werden geofferd. Vóór het huis is een pleintje, dat aan alle kanten door verscheiden rijen van steenen muurtjes is ingesloten, die tot tien meter lang, één meter hoog en twee meter breed zijn. Op die muurtjes dansen de mannen bij feesten, en langs de muren staan de genoemde standbeelden, afwisselend met palmen.
De muren zijn verschillend, nu eens van platte steenen platen zorgvuldig samengevoegd, dan weer van grootere bazaltblokken opgebouwd. De bouwsels moeten zwaren arbeid hebben gekost; maar ze zijn nog niets, als men ze vergelijkt met de arbeidssom, noodig voor het oprichten van de tallooze en eindelooze muren, die bijna het geheele eiland als met een net overdekken en de velden en dorpen insluiten. We vinden ook wel op andere eilanden muren, maar dat zijn meestal slechts lange steenhoopen van geringe hoogte, terwijl we hier manshooge bouwwerken vinden van grootere blokken opgetrokken. De totale lengte van die muren zal wel verscheiden honderden kilometers bedragen, als men bedenkt, dat de weg vaak uren lang tusschen zulke muren, als bij een nauwe straat, doorloopt. Voor het transport zijn er lage poorten in aangebracht. Een groote steenen plaat of een primitief gewelf vormt het dak van de poort, die gewoonlijk met steenen is afgesloten. De mensch klimt over de muren, maar het zwijntje mag door de poort gaan.
Voor het overige lijkt het leven van de menschen op de Bankseilanden veel op dat van de bevolking der overige Nieuwe Hebriden, maar speren treft men hier niet aan, alleen als wapens pijlen, knodsen en slingers.
Toen ik van mijn uitstapje des avonds terugkeerde, zag ik van de hoogte af een wildbewogen zee, waar de wind overheen raasde als in den vorigen cycloon. Ik schikte mij in de gedachte aan een langer verblijf op het eiland en at mijn laatste voorraden bedachtzaam op. In den nacht regende het geweldig, zoodat ik wakker werd door een onaangename koude en zag, dat ik half in een plas lag. Het regenwater had het zwakke aarden dijkje om de hut doorgebroken en de hut overstroomd. Wij redden ons in een halfklaar huis, dat ten minste een drogen grond had, al blies de wind het regenstof ook in wolken onder het dak door.
Ik doorleefde nu vier sombere dagen, vol onrust en bezorgdheid over de boot. Ik was namelijk volstrekt niet zeker, of die nog vóór het uitbreken van den storm de veilige ankerplaats had kunnen bereiken. Als dat niet was gelukt, dan zou het vaartuig zonder twijfel op de koralen stuk gestooten zijn, en hoe ik dan naar Venua Lava zou terugkeeren en de verwachte stoomboot zou bereiken, was mij een raadsel. Het zou mij een verblijf van weken op Gaua kunnen kosten, wat een treurig vooruitzicht was.
Ik begon nu al den tijd lang te vinden, en de dagen gingen ontzettend langzaam. Ik zat aan het rookende vuur en stelde mij tot taak, het vochtige hout zoo economisch mogelijk te verbranden, keek naar het weer, schikte weg van den regen, sliep en floot. Vaak kwamen enkele inboorlingen en zaten met mij om het vuur. Ik maakte gelukkig kennis met een spraakzamen man, die mij wat van de gewoonten van de bewoners kon vertellen. Maar zooals dat met de inboorlingen meestal het geval is, werd hij altijd gauw moe van het denken en praten en zweeg dan stil, zoodat de zittingen nooit lang duurden.