In Het Oerwoud En Bij De Kannibalen Op De Nieuwe Hebriden De Aa
Chapter 4
Terwijl de boot zich vulde met de glinsterende vangst, gingen wij de plantage bekijken. Het was een der oudste kokosplantages op de eilanden. Ongeveer de helft van de boomen droeg vrucht, en de opbrengst aan copra was zoowat twintig ton per maand, wat bij een minimum prijs van twaalf pond sterling per ton een groot inkomen beteekende. Daarbij kunnen van de inboorlingen nog ongeveer vijf ton per maand worden gekocht, en met den verkoop van goederen aan de zwarten wordt circa dertig procent verdiend, zoodat dit land misschien het voordeeligste station van de eilanden was. De eigenaars van de laatste jaren waren echter donkere heeren geweest, die zeer gevoelig waren voor sterken drank, zoodat het station er vervallen uitzag.
Er was eens een zwakke poging gedaan voor den aanleg van een tuin; maar alle bloemen en heesters waren verwilderd en woekerden over den weg, die naar een soort van terras voerde, waar varkens zich wentelden in het slijk en waar bananenschillen en verrotte broodvruchten door tallooze vliegen werden bezocht. Er was een veranda, bestemd voor eetkamer, waar nu koeie- en geitevellen een afschuwelijken stank verspreidden. Achter het terras lag het woonhuis, een oud planken gebouw met gapende wanden. Daar dichtbij was het graf van den eersten eigenaar, die door de inboorlingen vermoord was. Het marmer van de gedenkplaat was bekrast en behakt, en het ijzeren hek om het graf gebroken. Wat alleen in stand was gehouden, waren de beide groote loodsen en de huizen voor het drogen van de copra.
Intusschen waren de visschen in manden gepakt, die aan een boom werden opgehangen. Een massa katten stond er begeerig naar te kijken; eenige probeerden den stam in te klauteren, om bij de visschen te komen. Reeds stroomden de inboorlingen toe, meest vrouwen, met eenige yamsknollen of kokosnoten. Voor acht noten kregen ze drie visschen, waarmee ze tevreden naar het strand liepen, om ze schoon te maken. De kinderen speelden met de ingewanden, en de vliegen vermaakten zich met den afval.
Het fransche schip de "Pacific" werd verwacht, en alle zwarten werden gebruikt, om de copra in zakken te pakken. De blanken zaten op de veranda te drinken en keken door verrekijkers naar een zeil in de verte. Toen zagen we plotseling de engelsche stoomboot van achter den oever bij Dip Point verschijnen en naar het noorden stoomen. Dus was ze toch naar Dip Point gegaan, om er den nacht door te brengen, en als we dat hadden geweten, zouden we haar gemakkelijk hebben kunnen bereiken. Nu had ik de boot weer gemist en zou weer moeten wachten.
Een boot van de inboorlingen zou mij naar Olal op Malekula brengen. Ik vond mijn jongen vriend, den heer D. ziek en treurig gestemd. Hij had altijd een vaag vooroordeel tegen chinine gehad, en nu leed hij aan koorts, die ook met een groote dosis chinine niet te bestrijden was. Bovendien was hij verkouden en zag er met zijn dikke wollen muts, zijn zware kleêren en dekens meer uit als iemand uit de poolstreken dan als een tropenbewoner. Hij dacht erover, de eilanden te verlaten, ofschoon hij thans flink verdiende met de copra. Mijn aankomst scheen hem op te fleuren, en hij maakte het mij gezellig.
De gewone wachttijd was er weer, zonder dat ik veel kon uitrichten, want er kon elk oogenblik een schip komen, dat mij naar Aoba kon brengen. Zoo verliepen drie weken. Ik verdreef mij den tijd met mijn boys te onderrichten. Een van hen had op een zendingspost een beetje lezen geleerd, en ik probeerde hem ook te leeren schrijven. Het was merkwaardig, dat hij gedrukte lectuur bijna vloeiend kon lezen en in zijn gebedenboek knap den weg wist; maar dat het lezen van geschreven schrift hem de grootste moeite kostte. Ik gaf hem nu elken dag twee uren les; hij kon al gauw schrijven en spellen ook; maar de engelsche orthographie bleef een struikelblok, en bovendien was ik er nooit recht zeker van, of de slimme kerel mij niet wat wijs maakte uit louter beleefdheid, want daarin zijn de inboorlingen heel knap. Hij zou zich bij voorbeeld kunnen inbeelden, dat ik er plezier in had, hem lezen te leeren en hij mij daarom dat genoegen niet moest ontnemen, terwijl hij eigenlijk geen nieuws leerde. Zoo deed hij eens bij het zwemmen. Ik meende, dat hij niet kon zwemmen en was een week bezig, het hem te leeren. Hij liet mij, schijnbaar dankbaar gestemd, mijn gang gaan, deed angstig en onhandig, terwijl ik zijn hoofd boven water hield en naast hem zwom, tot ik op een middag zag, dat hij als een visch kon zwemmen. Sedert dien tijd heb ik nooit meer getracht, een inboorling iets te leeren.
Eindelijk kwam een heer W. voorbij, die bereid was mij naar Aoba te brengen. Eerst wou hij nog een paar dagen aan de kust van Pentecôte verblijven, om te werven. Hij was een jonge australische planter uit Malo. Wij lagen aan de kust vier dagen bij slecht weêr. De heer W. was een van die kolonisten, die na den Boerenoorlog met de oorlogssoldij in de Nieuwe Hebriden een plantage hadden aangelegd. Hij had gedurende anderhalf jaar den oorlog in Zuid-Afrika meegemaakt en zijn interessante verhalen verkortten de anders zoo lange uren aan boord.
Den laatsten dag was het prachtig weêr, en na een prettige vaart zette de heer W. mij af op Aoba, het kleurrijke eiland, dat als een groote schaal vol bloemen op het water ligt. Daar was ik de gast van een neger. Albert was afkomstig van de Westindische eilanden en was als stoker en matroos zoowat overal in de wereld geweest, om zich ten slotte op Aoba te vestigen en er coprahandel te drijven. Hij was analphabeet en hield er een allerkluchtigst taaltje op na, waarin negerfransch, engelsch en riche la mar een zonderlinge mengeling vormden, waar men niet altijd uit wijs kon worden. Hij was nog jong en deed zijn huishouding met de hulp van twee inlandsche vrouwen, die alles netjes in orde hielden, zoodat hij moest worden gerekend tot de fatsoenlijke kolonisten, die zijn best deed, in alles als een gentleman te handelen, wat van veel blanken niet kan worden gezegd. Hij verdiende goed geld en scheen de bewering te bevestigen, dat de neger ver staat boven den Melanesiër. Dat hij een beetje in alcohol handelde, kon men hem niet al te kwalijk nemen, want de regeering hield in het geheel de hand niet aan het verbod. Men kan vooral in de tropen niet verlangen, dat alle menschen uit pure eerlijkheid een zaak, waar ze veel geld bij verdienen, opgeven, omdat anderen er nadeel van ondervinden. Het is zaak van de regeering, die verder moet zien dan haar onderdanen, zulk een handel te onderdrukken, als hij op den duur schadelijk blijkt.
Albert ontving mij zeer vriendelijk en gastvrij, al kon hij mij geen slaapvertrek aanbieden, zoodat ik buiten onder een afdak moest logeeren. Maar het beviel mij best bij hem, en aan de maaltijden bleek hij een fijnproever, maar met een min of meer exotischen smaak. Hij zette mij bij voorbeeld een octopus voor, waar mijn maag zich heftig tegen verzette.
Op Aoba woonden nog meer negers dichtbij Albert, o. a. zijn vriend Marmaduke, een lange Senegalees, die echter niet zooals Albert zich moreel goed had gehouden, maar achteruit was gegaan, en geheel als de inboorlingen leefde, aan de Suque meedeed en varkens offerde bij de dansfeesten. Hij kwam ons wel eens bezoeken, wat een vermakelijken avond opleverde, want de beide negers konden elkanders koeterwaalsch bijna niet verstaan. Albert voelde zich veel beschaafder dan Marmaduke en verbeterde diens taalfouten met nog dwazer onmogelijkheden. Daarbij legden beiden uitbundige beleefdheid en vormelijkheid aan den dag, en Albert sprak later afkeurend over het boersche gedrag van Marmaduke, als die een enkele maal van zijn mes had gegeten. In het drinken waren ze uiterst matig. Vaak spraken ze over spoken, waaraan beiden vast geloofden, zoodat ze er dikwijls door werden geplaagd. Marmaduke werd herhaaldelijk des nachts door oude wijven geworgd en Albert had in het begin van zijn verblijf op het eiland ook veel van geesten te lijden gehad, tot hij op een nacht zijn winchester naar alle zijden had afgeschoten, wat de spoken had afgeschrikt.
Het was voor mij ook een troost en geruststelling, dat Albert verzekerde, dat de spoken iemand niet naar het leven stonden, maar de menschen alleen wilden ergeren of hoogstens aan den grooten teen het bloed uitzuigen. Voor mij was dat alles zeer interessant; menschen, die in ernst aan zulke dingen gelooven, had ik behalve onder de inboorlingen nooit ontmoet, maar ze moeten onder de blanken ook nog wel bestaan.
De bevolking van Aoba is zeer verschillend van die der andere eilanden. Ze is licht van huidskleur, heeft geen kroeshaar, is mooi, intelligent en heeft in haar zeden veel van de Polynesiërs. De Suque heeft er niet de beteekenis van elders en is niet tot een geheim genootschap geworden; ook de scheiding van de geslachten is veel minder streng dan in zuiver melanesische gebieden. De mannen en vrouwen koken en wonen samen in de gamal, die hier een groot dak is, dat slechts aan één zijde den grond raakt en aan drie zijden open is. Daar is het gezin overdag en de ongetrouwde mannen slapen er, terwijl de getrouwde in de gewone hutten wonen.
De betere maatschappelijke positie van de vrouw blijft niet zonder invloed op haar gedrag. Ze zijn zelfstandig, gaan niet voor elken man op de vlucht en kruipen in de dorpen niet weg, maar blijven in de buurt en laten met zich spreken. Ze zijn als arbeidsters op de plantages zeer gezocht, en daar ze druk worden gerecruteerd, zijn er veel vrouwen van Aoba verdwenen, daar ze haast nooit terugkomen, tenzij ze ziek zijn. Eenige vrouwen van Aoba zijn zeer geachte echtgenooten van blanken geworden; ze zijn zeer netjes en huiselijk, baden graag dagelijks in zee en blijven lang slank en frisch. Het gezicht heeft vaak een edele uitdrukking; het mooiste eraan zijn de oogen met een zachte warmte erin en de kleine, welgevormde mond. De rhythmus van de bewegingen geeft aan haar gang een gratie, die men zeer zelden bij europeesche vrouwen aantreft. Ook de mannen zijn van een uitmuntend type, en het is wel jammer, dat juist op Aoba de alcohol en de tuberculose in de laatste jaren veel ellende hebben gebracht.
Snijwerk ziet men haast niet op het eiland, behalve aan de trommels, die hier op den grond liggen en soms verbazend groot zijn. De toon van zulk een trommel van ongeveer 120 centimeter middellijn en drie meter lengte is diep, zwaar en vol, net als die van groote kerkklokken. Daarop speelt de virtuoos, en de anderen slaan de begeleiding op kleinere, helderder klinkende instrumenten. Men kent allerlei maten en verscheiden manieren van slaan, en goed te kunnen trommelen is een kunst, die onder de inboorlingen hoog in aanzien staat. Voor den Europeaan klinkt het concert wel wat lawaaiig.
De hoofden leven niet veel beter dan de andere lieden; misschien hebben ze een of twee vrouwen meer dan de gewone inboorlingen; ze hebben meer armbanden en matten, waar ze groote sommen voor hebben betaald; hun huizen zijn grooter dan die van de anderen, maar dikwijls zijn ze vereenzaamd, wonen alleen in het oerwoud en peinzen over hun varkensweelde en de hooge plaats, die hen in het hiernamaals wacht.
Langs de kust varend, begaf ik mij naar het noordoosten van het eiland, waar de bevolking in sommige opzichten weer verschillend geaard is. Ik had daartoe eenige menschen uit de buurt gehuurd, maar ze kwamen op hun toestemming terug, omdat het hun te ver was naar den melanesischen zendeling, die aan de baai bij Loloway een bescheiden huisje had. Ik was dus gedwongen, mij aan boord te begeven van een der vele werfschepen en had toen het geluk, een zeer interessanten Deen, den heer P. te treffen, die mij zijn hulp aanbood. Hoe hij op de eilanden kwam, is een opmerkelijke geschiedenis. Hij was als kapitein in San Francisco en leed aan tuberculose, waarom hij zocht naar een gelegenheid, om te kunnen varen naar de zuidelijke zeeën. Gedurende den wachttijd leerde hij een paar idealisten kennen, mannen, die een socialistenclub hadden opgericht en besloten, ergens in de Stille Zuidzee een socialistische kolonie te grondvesten. Ieder van de ongeveer zeventig leden moest zijn aandeel bijdragen, om daarvan een oud zeilschip te kunnen koopen. Als kapitein bood de heer P. zich aan, zonder dat hij lid der club werd. Het schip werd uitgerust met al, wat tot stichting van een kolonie noodig was; matrozen en bedienden werden niet gehuurd, daar dat met de principes van het gezelschap in tegenspraak zou zijn geweest.
Het uit alle beroepen gerecruteerde gezelschap zou alle werk in overeenstemming met de krachten en bekwaamheden van ieder deelnemer zelf verrichten. Als doel nam men de Salomonseilanden. Er deden zich echter spoedig na het vertrek teleurstellingen voor; ieder wilde graag het beste bed hebben en het lichtste werk, en de heer P. zag weldra, dat van de zeventig eerst zoo geestdriftige socialisten slechts een enkele werkte voor de gemeenschap, terwijl de anderen hun persoonlijk voordeel najaagden en zooveel mogelijk het onaangename op anderen lieten aankomen.
Toen men bij de Fidsji-eilanden was gekomen, brak de algemeene ontevredenheid los; men kon het niet eens worden over het einddoel, en het kwam zoo ver, dat de heer P. alle wapens aan boord moest confiskeeren, alleen om bloedvergieten te voorkomen. De meerderheid besloot, de onderneming op te geven, naar Nieuw Zeeland te varen en daar het schip te verkoopen. Maar het was in die dagen juist zeer stormachtig, en de heer P. weigerde, het bouwvallige schip tegen den wind in verder te besturen en sloeg de richting naar Nouméa in, waar het gezelschap uiteenging, nadat het schip verkocht was.
Nadat we eenige dagen aan de kust hadden gelegen, zonder dat de heer P. arbeiders had gekregen, bracht hij mij naar Loloway, een der bekoorlijkste punten op de Nieuwe Hebriden. Hooge rotsen sluiten er een bijna cirkelvormige bocht in, aan welker ingang zich een zoo goed als onafgebroken koraalrif heeft gevormd, zoodat de golven worden gebroken en in een lichte rimpeling over het kalme water van de baai strijken, om als liefkoozend aan het strand te vervloeien. Overal is bosch, waar des avonds de koele landwind doorheen golft. Het witte bootje van den zendeling danst op den groenen waterspiegel, en uit de diepten van het woud hoort men het geluid van wilde duiven. Het was er uiterst rustig; alleen was het jammer, dat het zendingshuis op een terras aan het strand slechts zoo zelden bewoond werd, daar de zendelingen zoo goed als nooit te huis zijn, maar altijd rondvaarten maken door de dorpen van de inboorlingen. Reverend G. was op het punt, om te vertrekken, toen ik bij hem kwam, maar stelde de vaart eenige dagen uit, opdat wij te zamen de inboorlingen konden bezoeken.
In zijn lekke zeilboot voeren we naar het Westen. Twee bedienden moesten voortdurend het water uit de boot scheppen, die op de ankerplaats aan land werd getrokken, waarna wij de bergen in gingen.
De bevolking, die ik op Aoba trof, was gelijk aan die van de westelijke helft van het eiland, maar enkele kunsten hadden zich hier beter ontwikkeld, namelijk het mattenvlechten en het tatoeëeren. Over het eerste is niet veel te vertellen, daar het op dezelfde manier gebeurt als op Pentecôte; maar de kleuren en de patronen zijn veel afwisselender, en het materiaal is fijner dan daar, zoodat de matten soms aanvoelen als een ijl weefsel. Getatoeëerd werden hoofdzakelijk de vrouwen, maar de mannen, vooral die uit de hooge kasten, dragen vaak een siccablad op de borst, dat wel een godsdienstige beteekenis zal hebben. Bij de vrouwen is echter het heele lichaam met armen en beenen bedekt met tatoeëering, als door een ragfijn spinneweb.
De operatie wordt uitgevoerd bij gedeelten, iederen dag een eindje. Als kleurstof dient het roet van een harssoort, dat men laat neerslaan op koude steenen. Het wordt dan verwreven met het sap van een vleezigen bladsteel. Met een staafje wordt eerst het patroon op de huid geteekend, dat dan gevolgd wordt door de in het roetige vocht gedompelde naald. De tatoeëernaald bestaat hier uit drie oranjedorens, die rechthoekig zoo aan een stokje worden gebonden, dat de punten dicht bijeenkomen. Op enkele plaatsen gebruikt men een beentje met twee punten. De naald wordt met de linkerhand langs de teekening geleid, terwijl de rechterhand met een zacht staafje tikjes op de naald geeft, waardoor de punten in de huid worden gedreven. Daarbij wordt natuurlijk telkens een beetje roetvocht onder de huid gebracht. Men gaat zoo vaak over de teekening heen, dat er een dikke, donkere lijn komt te zien. De operatie is niet pijnlijk; maar men is natuurlijk wel blij, als ze is afgeloopen, zooals ik aan mijzelven ondervond. De gewonde huid wordt dan met een sappig kruid ingewreven, waardoor ze blijkbaar gedesinfecteerd wordt, want de getatoeëerde plaatsen etteren nooit. In den loop van de volgende dagen vormt zich een korst, waarmee ook een groot deel van de kleurstof mee afvalt, zoodat later de teekening veel onduidelijker is dan kort na de operatie. De tatoeëeringen van de vrouwen zijn ingewikkelde ornamenten, zonder dat men de voorstellingen kan onderscheiden. Zonder twijfel stelden al die versierselen oorspronkelijk voorwerpen voor, maar zijn in den loop van den tijd eenvoudig tot lijnversiering geworden.
De lijnen zijn gracieus en sierlijk, en de kunst wordt door vrouwen uitgeoefend, die zich er goed voor laten betalen, zoodat alleen rijkere menschen uit de hooge kasten hun dochters over het geheele lichaam kunnen laten tatoeëeren. De meisjes zijn dan vaak maanden lang onder behandeling en worden voor den last beloond door de bevrediging van haar ijdelheid en door de bewustheid van hoogere koopwaarde.
Ik had tot daartoe op heel Aoba nog geen enkelen schedel kunnen krijgen, en juist van dit eiland had ik graag een paar gehad. Het was mij dus aangenaam, toen de menschen mij aanboden, mij binnen een paar dagen schedels te brengen, zoodat ik beloofde, over acht dagen weer te komen. Wij zetten intusschen de reis langs de kust voort, toen de zendeling plotseling weggeroepen werd, om een zieken ambtsbroeder te verplegen. Hij kon mij gelukkig zijn boot overlaten, en daarmee voer ik naar het dorp terug, om de schedels te halen. Daar wilde echter niemand zich iets van een belofte herinneren. De boden, die ik naar de mannen uitzond, kwamen terug, zonder hen te hebben gevonden, zoodat ik na drie dagen woedend en onverrichterzake moest terugkeeren.
Zulke woordbreuk behoort tot de ervaringen, die iedereen met de natuurmenschen opdoet. Het schijnt iets, dat bij de atmosfeer past; maar het blijft altijd een ergerlijk verschijnsel.
Ergens in het noorden moesten heftige stormen hebben gewoed, want de zee kwam in machtige golven aanrollen, die donderend schuimden op de lavabrokken aan het strand. Wij hadden de boot ongeveer tweehonderd meter uit de kust voor anker gelegd en moesten door de branding naar buiten zwemmen, om haar dichterbij te halen en te laden. Ik verzuimde daarbij het goede oogenblik, werd door een golf gegrepen en met geweld tusschen de rotsen heen en weer gegooid, zoodat ik kwetsuren had over het heele lichaam en blij moest wezen, dat ik geen ledematen had gebroken.
De vaart terug naar het huis van Albert was zoo onaangenaam mogelijk door de hooge zee; maar eindelijk kwam aan de reis een eind, en ik kon den neger behouden de hand schudden.
Enkele dagen later kwam een stoomboot, die op de eilanden nieuw was en een concurrent was van de stoombooten van Burns, Philp en Co. Het was een net en zindelijk schip, dat zeer goed als passagiersboot was ingericht. Ik nam van Albert afscheid en liet mij naar Noord-Malo, naar den heer W. brengen, waar ik hoopte de Burns-Philpstoomboot naar de Bankseilanden te treffen.
Twee maanden later is dat groote schip tijdens een cycloon tusschen Malekula en Ambrym eenvoudig omgeslagen, waarbij ongeveer veertig menschen het leven lieten. Wat de reden van het merkwaardige ongeluk was, is nooit precies opgehelderd. Het schijnt, dat de lading niet goed verdeeld was, en dat het schip wel voor de riviervaart geschikt, maar niet zeewaardig was op den oceaan. Die gebeurtenis was niet geschikt, om mijn vertrouwen te sterken in de vaartuigen, die den archipel bedienden.
Ik hoorde, helaas, van den heer W., dat de stoomboot naar de Bankseilanden reeds weer teruggevaren was, zoodat ik weer een maand moest wachten. Hij noodigde mij uit, dien tijd bij hem door te brengen, daar er op Noord-Malo nog van allerlei te zien was.
Hier trof ik een bevolking, die in tegenstelling met de beschaving van Zuidoost-Malo, deed denken aan de kustbewoners van Zuid-Santo. Wat ik hier echter in overvloed kon krijgen, waren toovermiddelen en amuletten voor allerlei gebruik, waarin de nog wel heidensche bevolking toch geen vertrouwen meer stelde en die ze voor geld wel van de hand wilde doen. Er waren steenen, die, als men ze in de hand hield, geluk aanbrachten bij den aankoop van varkens; netten, die, als men ze in den gordel stak, iemand onzichtbaar maakten, en taschjes met een geheimzinnigen inhoud, die tegen verwondingen beschermden. Andere taschjes van spinnedraden doodden iedereen, in wiens huis ze werden verborgen, en een zwart poeder overwon den afkeer van elk meisje, als men haar er een spoor van kon toeblazen. Het veelvuldigst kwamen voorwerpen aan het licht, die op een overeenkomst berusten, zoodat o. a. een steen in den vorm van een broodvrucht bij een broodvruchtboom wordt gelegd, om den boom te dwingen, rijk te dragen. Een varken, dat door een steen met een gat erin wordt gevoederd, zal mooie slagtanden krijgen, die snel doorgroeien; als men de haren van zijn vijand verbrandt, verdort ook zijn hart, enz. Zulke kinderlijke voorstellingen komen ook onder de menschen in Europa nog vaak genoeg voor.
Ik ondernam op een dag met den heer W. een uitstapje naar het nabijgelegen Zuid-Santo, om in een grot eenige schedels en skeletten te verzamelen. We wilden dan ook een bezoek brengen aan een broeder van den heer W., die daar een plantage had. Het was hoog tijd, dat we kwamen, want hij lag sinds drie dagen door jicht geheel verlamd in zijn ellendige hut, niet in staat het bed te verlaten. Al zijn werkvolk had van zijn invaliditeit gebruik gemaakt, om weg te loopen, en als wij niet toevallig waren gekomen, zou hij van honger hebben moeten sterven. We brachten hem natuurlijk op ons schip terug met de schedels en skeletten, die ik nog al talrijk in de grot had gevonden. Daar het hier bij de inboorlingen niet gebruikelijk is, de dooden in holen of grotten te begraven, moet men aannemen, dat ze door het een of ander gewelddadig ingrijpen daar beland zijn.
Bij een bezoek op het eiland Aore maakte mij een planter opmerkzaam op eigenaardige tumuli van ronden of langwerpigen vorm. Ik begreep niet, wat het konden zijn en deed enkele opgravingen, maar vond niets anders dan wat kapotte schelpen, die geen verklaring opleverden. Eerst op de Bankseilanden vond ik de oplossing van het raadsel, daar men er nog precies zulke heuvels aantreft, opgericht voor dans- en cultusbedoelingen. Dat zou, daar die tumuli in het tusschenliggend gebied ontbreken, wijzen op directe verwantschap van de Aore- met de Banksbevolking, wat in zoo ver niet onwaarschijnlijk is, daar de vroegere bewoners van Aore, waar nu geen inboorlingen meer inheemsch zijn, zeer licht van huidkleur waren, zooals de bewoners van de Bankseilanden nog zijn.