In Het Oerwoud En Bij De Kannibalen Op De Nieuwe Hebriden De Aa
Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
De Aarde en haar Volken: Geïllustreerd Maandblad
In het Oerwoud en bij de Kannibalen op de Nieuwe Hebriden. [1]
Naar het Duitsch van Felix Speiser.
Met een buurmanplanter van mijn gastheer te Talamacco op Espiritu Santo had ik afgesproken, dat hij met mij naar Wora zou gaan, een van de stations in de nabijheid van kaap Cumberland. Hij had daar een hut, die vriendelijk was gelegen met een mooi uitzicht op de zee en midden op een open plek in het woud. Vlak in de buurt woonden eenige inboorlingen, en een van hen, een reus in lengte, in tegenstelling met de kleine personen, haast dwergen, die ik ook vaak onder de inboorlingen ontmoette, had groote tarobedden voor zich aangelegd met kunstmatige irrigatie. Die ingenieuse waterleidingen moeten wel afkomstig zijn geweest uit een vroegeren tijd met meer cultuur, want men kan ze niet doen passen in dezen tijd, met de armoedige en weinig ondernemende bevolking. Door een van de vele bergbeken was van steenblokken een dam gelegd, die altijd ongeveer dezelfde hoeveelheid water liet vloeien in een kanaal. De kanalen waren vaak zeer lang, liepen langs de hellingen en waren niet alleen door de aarde, maar ook wel door de rotsen aangelegd. Of wel ze waren los en werden dan ondersteund door bamboes en boomstammen.
Bij de velden verdeelde zich het kanaal dikwijls in verscheiden armen en liep door de vlakke, in trappen aangelegde akkers, waarin de taroknollen slechts oppervlakkig behoeven te worden gelegd, om binnen korten tijd uit te groeien tot groote, zware bladeren en na tien maanden nieuwe knollen te ontwikkelen. Taro kan enkel groeien in zeer vochtigen grond; de variëteit, die ze hier verbouwen, moet zelfs in het water staan, zoodat de verbouw op de waterarme koraalplateau's zelden mogelijk is. De smaak en de consistentie van de knollen is als die van aardappelen en lijkt ook veel op die van yams, die wel op de plateau's kunnen worden verbouwd.
Na eenige dagen vertrok ik van Wora, om het schiereiland door te trekken. Het was een dag, waarop de regen nooit afnam, maar steeds in hevigheid scheen toe te nemen. We hadden al gauw geen drogen draad meer aan het lijf, en de bagage werd doornat, alsof ze in het water had gelegen. Behalve door de lastige kleverigheid van de kleêren hinderde het vocht ook door de glibberigheid van het steenachtige pad met de vele boomwortels, dat steil omhoog liep, soms langs smalle randjes op de kammen van de heuvels, waar het voor ons een echte bergtocht werd. Hier en daar voerde het pad als door een tunnel onder de planten door, maar dan weer vergunde ons een yamstuin of een taroveld eenig uitzicht in de nauwe kloven tusschen de heuvelketens, die eentonig elkander opvolgen, in de verte zich oplossend in den nevel. Wat verfrisschend aandeed, waren de heldere watervallen, die overal schilderachtig door het woud kwamen afstroomen.
De middagrust in een halfvervallen huis was wegens de vochtigheid ver van aangenaam, waarom de dragers dan ook geen bezwaar maakten tegen een vlug opbreken. De gids leidde ons langs zeer steile paden, en langzaam volgden de dragers, tot we in dichten nevel belandden, terwijl ik aan het radeloos om zich kijken van den gids, bespeurde, dat we verdwaald waren. Om hem niet in de war te brengen, liet ik hem begaan; maar het ging al hooger, en na een paar uren bekende hij, totaal verdwaald te zijn. We hielden halt en voelden ons ellendig, daarbij vergeefs moeite doende, om een pijp aan te steken. Ik wilde probeeren, den marsch met het kompas voort te zetten, toen we gelukkig diep onder ons uit den dalketel de tonen van een trommel hoorden. Daar moest het gezochte dorp wezen, en het plotselinge geluid was voldoende, dat de menschen met een prachtig instinct dadelijk de goede richting vonden bij het naar beneden klauteren.
In de schemering kwamen we er aan. Het was een zendingsdorp, opvallend zindelijk, en een ongewoon vriendelijke ontvangst viel ons te beurt. Bij een flikkerend vuur konden wij onszelven en onze have een beetje drogen en sliepen weldra op den harden grond den slaap van de vermoeienis.
Een luid tamtamconcert wekte mij des morgens en riep de gemeente tot den kerkdienst. Daarna braken we op. Weer ging het steil bergop in den regen. Eerst toen we de waterscheiding achter ons hadden, waar het weêr ons had vergund, even in het Oosten en het Westen de zee te zien, klaarde de lucht op, en tegen den avond kwam een verwarmend zonnetje ons verkwikken. De meest uit het Oosten komende wolken ontladen zich op de oostkust, die dus zeer regenrijk is en een overmatig weelderigen plantengroei vertoont. De westelijke helling is veel droger, heeft groote grasvelden, minder dicht bosch, maar heeft toch water genoeg door den regen, die op de bergtoppen valt en door de vele beken. Hoewel het aan deze kust veel warmer is dan op de andere, toch is het klimaat als tropenklimaat daar bijna ideaal te noemen, vergeleken bij de zware, vochtige lucht aan den anderen kant, die zoo vermoeiend en verslappend werkt. Wij voelden ons daarom als in een ander land, toen we laat in den nacht na een langen marsch langs het strand ons naar het dorp voortsleepten.
Den volgenden dag had de daar gevestigde planter de vriendelijkheid, mij in zijn motorboot naar een zuidelijk gelegen punt aan de kust te varen, dat er van de zee uit imposant en woest uitzag. De bergen traden er tot aan het strand en vielen soms loodrecht in zee. Diepe, smalle dalen leidden uit zee rechtstreeks naar het binnenland, bijna tot in het hart van het schiereiland. In die dalen hingen zware nevels, ofschoon het een heldere dag was. Het leek wel, alsof in die nauwe kloven en afgesloten dalketels eeuwig een dreigende weerstoestand werd gebrouwen, die, als de spanning te groot werd, overkookte en zich in donkere nevels uit de dalen over de zee uitspreidde. Herhaaldelijk trof ons een ruwe windstoot en kletterde een regenbui op ons neer, tot we buiten de gevaarlijke zône waren. Dan lag alles weer in den helderen zonnegloed; de kust bood een schilderachtig, afwisselend schouwspel met de vele violette bergsilhouetten. Men zag alleen vlak oeverland aan de mondingen van de dalen, de delta van de woudbeken.
Op zoo'n kleine delta lag ons reisdoel, een zendingsdorp, en wij gingen aan land. Pas hadden we den voet op den wal gezet, of we bespeurden een zoo hevige aardbeving, dat we nauwelijks op de been konden blijven. De stoot duurde ongeveer dertig seconden; daarna hoorden we een dof gedonder en zagen, hoe langs de heele kust groote rotsmassa's in zee rolden. Het water spoot hoog op, en weldra hing een gele damp boven alles en hulde de omgeving in zware wolken. De stooten duurden nog in minder sterke mate den heelen nacht, waarbij we het neerstorten van de steenmassa's in het woud hoorden. Toch sliepen we niet slecht onder een waggelend dak.
Den volgenden dag lieten we ons in Woes door een aardig pottenbakstertje, een klein vrouwtje van niet meer dan 1344 millimeter, een kruik vormen. In circa tien minuten was die gevormd, zonder andere hulp dan van een vlakken bamboesplinter. Zonder een pottenbakkersschijf maakte ze de ronding zeer regelmatig en gaf aan het vaatwerk een bevalligen, haast klassieken vorm. Het groote aantal kleine menschen in het dorp was opvallend; maar in de gemengde bevolking van zulk een zendingsdorp kan men geen besluiten trekken over de oorspronkelijke bevolking. Toch is hoogst waarschijnlijk ook die klein van stuk geweest.
Ik had nauwelijks den tijd, de noodige metingen te doen, want we moesten spoedig terugkeeren. Van het schip uit konden we de verwoestingen door de aardbevingen beter waarnemen. De hellingen waren kaal geworden, en de zee was overdekt met hout en takken. Ook hadden we de onaangename sensatie, een stoot in de boot te voelen. Die begon plotseling te sidderen en te schudden, alsof een reuzenvuist ons schip heen en weer schudde, terwijl tegelijk weer puin en steenen in zee vielen. Langzamerhand gewenden we aan de bevingen, want ze duurden verscheiden weken en werden geleidelijk zwakker, meer horizontaal verloopend, zoodat men het gevoel had, alsof men op een groote schommel stond.
Het andere dorp, waar pottenbakkerij werd beoefend, Pespia, lag meer in het binnenland. Ik bezocht het den volgenden dag. Een marsch van drie uren door een goed beplant, schilderachtig dal bracht ons weer in een land van naakte heidenen, wat eigenlijk een verademing is na de afschuwelijke vuilheid van de kleeding der Christenen, en die naaktheid is stellig niet minder decent. Ook hier werden we vriendelijk ontvangen, en het hoofd ijlde gewillig weg naar de verspreide hutten, om de menschen voor den volgenden dag in zijn huis te ontbieden.
Ik kreeg daardoor een goede gelegenheid, een overzicht van de bevolking te krijgen. Ik liet weer een kruik maken, die hier naar een andere methode tot stand kwam dan op Woes. De pottenbakster bediende zich van een bamboecylinder als schijf. Het optreden van de aardewerkfabricage op deze twee eenige plaatsen van de Nieuwe Hebriden is een hoogst raadselachtig verschijnsel, dat uit ethnologisch opzicht merkwaardig is. Dat de ontdekker Quiros aan de inboorlingen het pottenbakken zou hebben geleerd, is uitgesloten, althans dit deel van het eiland heeft hij niet bezocht.
Den terugweg besloot ik niet over de bergen af te leggen, maar langs de kust om kaap Cumberland. De weg was dan wel langer, maar gaf mij gelegenheid, de noordelijke dorpen te bezoeken. Ook viel het plan zeer in den smaak bij mijn dragers, die het niet op bergtochten begrepen hadden. Ik marcheerde na middernacht af, om een langen tocht door het zand niet overdag te moeten doen, daar in de tropische zon het zwarte oeverzand zoo heet wordt, dat een Europeaan ook met schoenen er niet lang door kan waden, en de inboorlingen met vertrokken gezichten en als dansende beren over den heeten grond huppelen. Bij het vertrek moest ik bemerken, dat een der dragers was weggeloopen. Daar ik op dat uur geen plaatsvervanger kon krijgen en ik mijn plan om den kerel niet wilde wijzigen, bleef mij niets anders over, dan den last op mijn eigen schouders te nemen, en ik moet bekennen, dat hij mij op den duur lastig werd, niet zoozeer om de zwaarte, dan om de drukking op de daaraan niet gewende schouders. Maar het was een nuttige ervaring, daar ik nu aan het eigen lijf de bezwaren van de dragers ondervond.
Ofschoon ik den plichtvergeten drager eeuwigen haat zwoer, was het een recht prettige nachtelijke marsch. Toen de maan in zee onderging, hadden we het moeilijke gedeelte achter ons en legden ons te slapen. Bij zonsopgang trokken we verder, en ik had veel teleurstellingen, daar ik in geen der hutten een drager kon huren. Bij de middagrust in een zendingsdorp waren wel eenige inboorlingen genegen, om te helpen, maar probeerden, mij een veel te hoog loon af te persen. Toen ik als eenig antwoord, mijn last weer opnam, deed zich op het laatst iemand voor, die de taak aanvaardde, en ik was heel blij, want de weg was nog lang en bezwaarlijk. Maar ook daaraan kwam een eind, en we sliepen dien nacht bij kaap Cumberland, het noordelijkste punt van het eiland en van den archipel.
Hier vond ik talrijke individuen met haakneuzen en vaak met klassiek gevormde gezichten en lichte huidskleur. Ik leerde later, dat dit element verwant moest zijn met de menschen van de Bankseilanden, waar ik precies gelijke typen vond. Langs de kust gingen we in twee dagen weer naar Wora en van daar naar Talamacco naar den heer F. en zijn gastvrijheid.
De laatste maal had de supercargo van het stoomschip mij verzekerd, dat de boot dezen keer den twintigsten van de maand zou aankomen. Daarom had ik al mijn hebben en houden ingepakt en wachtte van uur tot uur op de stoomboot. Maar die bleef uit tot den eersten van de volgende maand. Zoo'n wachttijd is hoogst onaangenaam. Het is niet de moeite waard, de bagage weer uit te pakken, daar men natuurlijk altijd hoopt, dat het schip een volgend uur zal opdagen, en men kan niet ver van huis gaan, om het niet te missen. Men kan eigenlijk niets degelijks aanvangen, en de altijd weer teleurgestelde hoop, de verveling en het gevoel van tijdverlies zijn hoogst neerdrukkend, zoodat die wachtperioden voor mij de akeligste waren van de heele reis, waaraan ik nooit leerde gewennen. Als vroeger zocht ik mijn toevlucht in de romanbibliotheek van mijn gastheer; maar die bestond haast uitsluitend uit goedkoope detectiveromans, zoodat na acht dagen mijn beter ik zich energiek begon te verzetten en ik dat tijdverdrijf moest opgeven.
Ik kreeg hier de eerste koortsaanvallen, wat mij verwonderde, want ik had een zeer strenge en nauwkeurige prophylaxe met chinine doorgemaakt. Maar het schijnt, alsof men op die manier zich toch niet heelemaal van koorts kan vrijhouden, ten minste ik leed gedurende drie maanden aan aanvallen en een algemeen onwelzijn, dat maar nu en dan door gezonde dagen werd afgebroken. Wel was de koorts nooit zoo hevig, als ze denkelijk zonder chinine zou zijn geweest; maar eerst na een verblijf te Nouméa, waar ik een sterke chininekuur doormaakte, verliet mij de malaria voor ongeveer acht maanden.
Het vervelende wachten liep natuurlijk juist af, toen ik, het wachten moe, een grooteren tocht had ondernomen; maar nog bijtijds zag ik het schip van af den top van een heuvel en kon haastig omkeeren en mij nog inschepen. We voeren eerst naar de Banksgroep, waar ik niet aan land ging, en daarna naar Tassimaloem in Zuidwest Santo. De daar wonende planter, de heer C., ontving mij vriendelijk en wees mij een kwartier aan in een groot huis, dat door vroegere eigenaars van muren en schietgaten was voorzien ter beschutting tegen aanvallen der inboorlingen. De plaats lag aan de uitloopers van de bergketen, die langs de westkust loopt en in de nabijheid lag de Santopiek, de hoogste berg van het eiland. Een tweedaagsche tocht gaf mij de voldoening, hem te bestijgen, maar boven hadden we door den nevel geen uitzicht en overigens hadden we geen bijzondere ontmoetingen.
Een korte reis met een inboorlingenboot bracht mij daarna weer naar Vao, waar ik een week bij den pater doorbracht, mijn ouden vriend. Jammer genoeg leden we beiden aan koorts of de gevolgen, zoodat we niet zeer ondernemend waren. In een motorboot haalde de presbyteriaansche zendeling, de heer G., mij af, om met hem naar Port Vila te reizen, waar de engelsche resident, de heer Morton King, mij de eer aandeed, mij als gast op te nemen, zoodat ik weer eens na het primitieve leven op de eilanden mij door luxe omringd zag.
Ik bracht den tijd door met het ordenen van mijn verzamelingen, die ik hier in meer of minder goeden toestand had aangetroffen, en met pakken, om ze naar Europa te zenden. De avonden bracht ik door in het opwekkend gezelschap van den heer King, die veel had gereisd, een goed kenner van het Oosten is en mij vertelde van het geduldig kolonisatiesysteem van de Engelschen, dat bij de inboorlingen zooveel door de vingers ziet. De weken in Port Vila zullen mij altijd in aangename herinnering blijven.
Half Februari 1911 scheepte ik mij in op de naar Nouméa varende "Pacific" met het vooruitzicht, ginder mijn raadsman en vriend, Dr. Fritz Sarasin, te ontmoeten. In gezelschap van Dr. Roux, ging hij een grondig onderzoek van Nieuw Caledonië ondernemen. Het duurde nog drie weken, eer mijn vrienden aankwamen, vervelende weken, maar die ruim vergoed werden door het prettige gezelschap en den aangenamen tijd, die volgden. Ik moest daarna spoedig naar mijn werk terugkeeren, en voor hen was maar al te gauw de tijd van vertrek naar het Noorden van Nieuw Caledonië aangebroken.
In een kleine, oude boot moest ik naar de Nieuwe Hebriden terugkeeren. Het aanzien van het roestige scheepje, dat overal beschadigd was, haveloos touwwerk had en er kleverig en vuil lag te wachten, paste bij de omgeving. Alles is vervallen en smerig aan de kaden van Nouméa en de weinig aantrekkelijke "La France" was daar op haar plaats. We zouden om zeven uur 's morgens vertrekken, maar natuurlijk werd het elf uur. De zee was nog al kalm, en na twee dagen kwamen we weer in Port Vila, waar de "La France" plotseling een groot schip was te midden van de kleine kotters, die de eilanden bevaren. Maar geriefelijker of zindelijker werd het schip er niet door, vooral niet, doordat verscheiden nieuwe passagiers aan boord kwamen, onder anderen ook veertig inlandsche politiesoldaten, die naar Espiritu Santo onderweg waren, om er onlusten te dempen. De beide commandanten, de fransche en de engelsche, waren voor mij een prettige verrijking van het gezelschap. Mijn bedienden hadden kans gezien, zich tijdens het korte oponthoud in Port Vila stevig te bedrinken; maar ze vielen, toen ze strompelend aan boord stapten, dadelijk in handen van den engelschen politie-commissaris, die hen duchtig ontnuchterde.
Den volgenden dag stapte ik op Epi uit, waar ik op het station van de heeren Z. en H. werd verwacht. Behalve dat ze een plantage hebben, dreven de heeren veel handel, zonden hun kleine zeilschepen naar de naburige eilanden en kochten, waar ze konden, copra van blanken en inboorlingen. Er was veel drukte op het station, daar er altijd een van de kleine schepen voor anker ligt, om te laden en te lossen, terwijl van heinde en ver de inboorlingen komen, om hun producten te verkoopen. In hun open zeilbooten leggen ze vaak den afstand van Malekula af, en men ziet ze dan lang kruisen of bij windstilte met den stroom meedrijven, want voor roeien zijn ze meestal te lui. Maar ten slotte vinden ze toch de passage, dat is de ingang van de lagune door het koraalrif. Onder geschreeuw en gelach valt dan het anker, en het troepje waadt naar den oever, hurkt met de manden van palmbladeren, waarin de copra wordt vervoerd, bij een der loodsen neer en wacht geduldig.
Het is een eigenaardig, maar mooi gezicht, als op zulke stations van beschaafde eilanden, waar alles zedig in europeesche kleederdracht rondloopt, de naakte gestalten der echte wilden met hun interessante lichaamsversiering aankomen, vooral ook omdat aan zulke bootreizen in de eerste plaats de sterke, jonge mannen deelnemen, zoodat de schoonheid van hun naakte lijven sterk in het oog valt tusschen de in vuile katoenen kleêren gehulde zwarten van het station.
Als het hem juist van pas komt, gaat de ambtenaar naar de menschen toe, weegt de afzonderlijke manden en laat allen in de winkels komen, om te koopen. Meestal nemen ze jachtpatronen, messen, bijlen, tabak, pijpen en lucifers. Maar dat zijn slechts de hoognoodige dingen, terwijl de inboorling van de kust tegenwoordig ook weelde kent en er allerlei liefhebberijen op na houdt. Hij bestelt dure zijden stoffen, die hij mogelijk eens hier of daar heeft gezien, gaat naaimachines probeeren en neemt al, wat zijn kooplust opwekt. Ten gevolge van de groote concurrentie zijn de arbeidsloonen en de prijzen voor de producten buitensporig hoog geworden, wat de inboorlingen welvaart zou kunnen brengen, als ze de waarde van het geld kenden en het verstandig gingen gebruiken. Maar ze geven het meestal dadelijk uit aan allerlei onzinnige dingen tot vreugde van den koopman, die op alle waren gemiddeld vijftig procent winst maakt, of wel hij spaart, om een varken te koopen en in sommige gevallen begraaft hij het. Het is verwonderlijk, hoe gemakkelijk de inboorling hier een klein vermogen zou kunnen sparen, en dat hij het niet doet, is niet enkel luiheid, maar ook gemis aan behoeften.
De natuur schenkt hem voedsel in overvloed, zonder dat hij zich behoeft in te spannen; lucifers, tabak en een mes, die alleen heeft hij noodig, en die kan hij met weinig moeite koopen. Wat hij meer verdient, kan hij aan zijn liefhebberijen besteden, en zoo is hij trots alles economisch baas in het land. Niet weinig handelaars hebben dat al tot hun schade ondervonden, als er wegens onaangenaamheden een taboe op hun station werd gelegd, of als om mishandeling zich geen arbeider meer bij hen wilde verhuren. Ieder koopman is dus zoo voorkomend mogelijk voor zijn klanten en tracht, net als in een modern warenhuis, de begeerte van de koopers door steeds nieuwe en aantrekkelijke fantaziegoederen te voldoen.
Voorzichtig en wantrouwend is de inboorling wel, als er sprake is van gewone gebruikswaren, maar lichtzinnig en verkwistend, als hij een gevulden buidel heeft en weeldeartikelen aanschaft. Terwijl de onderhandelingen voortduurden, gingen wij in het woonhuis, een groot, laag gebouw met witte muren, een zwaar dak en veranda's. Om het huis is een poging gedaan, om een tuin aan te leggen, maar hij is verwaarloosd; de planten zijn verwilderd, gras groeit op de wegen, en de hagen zijn vervuild. Men voelt, dat eenmaal hier een vrouwenhand aan het werk is geweest, die den tuin verzorgde. Dat zal wel lang geleden zijn, en nu stelt niemand er belang in, om de omgeving van het huis op te knappen. In het huis zelf was het zindelijk, en van de veranda had men een mooi gezicht op de zee, waarin des avonds de zon verzonk.
De beambten waren kalme menschen, die weinig spraken. Er is niet veel te vertellen. Het weder en speculaties over de namen en het doel van de in de verte voorbijvarende zeilbooten zijn de voornaamste onderwerpen van gesprek. Na de lunch gingen ze op de veranda zitten, om zich in de kranten te verdiepen, waar de post heele rollen tegelijk van bezorgt. Maar al gauw begint in den namiddag weer het werk, waarvoor de boeboe, de oude schelphoorn, de zwarten uit hun hutten roept, weg van de eeuwig glimmende vuren. Alles begeeft zich weer naar de plantage.
De opbrengst van de verschillende eilanden aan copra is zeer verschillend. Terwijl op enkele de kokospalm maar spaarzaam vertegenwoordigd is, zijn andere eilanden er geheel mee overdekt. Dat zijn vooral Aoba en Ambrym, twee eilanden van vulkanischen oorsprong, waar weinig water is in den vorm van bronnen en beken, al regent het er genoeg. Men vermoedt, dat de inboorling, die op het water van de kokosnoot als drinken is aangewezen, wel gedwongen was, veel kokospalmen aan te planten. Die bewering is wel voor bestrijding vatbaar; maar een feit is het, dat op Aoba en Ambrym de inboorling haast geen ander water drinkt dan het aangenaam zuurachtig smakende van de kokosnoot.
De zwarten werken in de plantage in rijen, stil zweetend in zon en regen, de vrouwen met haar mannen. Hier scheiden de mannen ongaarne van de vrouwen; ze zijn jaloersch en houden er niet van, dat de vrouwen onder elkander de mannen kritizeeren. Ook hebben verscheiden planters de ervaring opgedaan, dat er meer werk wordt verricht, als de geslachten samen arbeiden. Overigens zijn voor de lichtere werkzaamheden de vrouwen veel bruikbaarder dan de mannen, omdat ze van kind af gewend zijn, op het veld te werken, terwijl voor de mannen, die hun dagen in gemakkelijk nietsdoen hebben gesleten, de overgang tot geregelden arbeid niet gemakkelijk is. Er zijn planters, die het den inboorlingen niet kunnen vergeven, als ze niet begeerig zijn, om in hun dienst te treden; maar het is inderdaad niet in te zien, waarom de inboorling dat zou doen. Integendeel is het haast verwonderlijk, dat er nog arbeiders te krijgen zijn.
Tehuis zwelgt de inboorling in luiheid, maar ook dikwijls in verveling. Elke zijner behoeften kan hij bevredigen, als hij zich de kleine moeite getroost, wat copra te maken, want daarmee ontvangt hij in korten tijd veel meer geld, dan hij in het jaar op een plantage met hard werken verdient. In zijn huis is hij zijn eigen baas, heeft zijn feesten en braspartijen, die op de plantages zeldzaam zijn.