In het Oerwoud en bij de Kannibalen op de Nieuwe Hebriden De Aarde en haar Volken, 1918
Part 8
Toen ik aan boord terugkeerde, wemelde het van mannen en vrouwen, maar wij wilden vertrekken, en daar de menschen het schip niet goedschiks wilden verlaten, werden ze weggedrongen. De weinige kano's waren overvuld, en de rest sprong in de blauwe zee en zwom onder jubelgeroep naar het verwijderde land, behagelijk zich latende drijven, terwijl het lange, lichte haar achter hen dreef. Zoo zag ik het droomeiland voor het laatst in het licht der ondergaande zon. En nog zie ik den knaap, die met een liaan omwonden en met een krans van bloemen voorop op het schip stond en weemoedig naar het verdwijnende vaderland staarde, de belichaming ook van ons verlangen.
Op het eiland kent men geen moord of twist. Als iemand de rust verstoort, beveelt hem een der machtige hoofden zijn kano te bestijgen en weg te varen. Men geeft hem wat eten mee, en hij mag zich niet meer laten zien. Het gebeurt dan wel, dat zulk een ongelukkige zich niet ver van de kust verdrinkt; maar op het eiland heerscht vrede.
Wij voeren in den regen naar het Zuidwesten en bereikten des morgens de Torreseilanden.
Den volgenden dag haalden we Ureparapara, dat we echter te laat bereikten, om in de baai binnen te varen, zoodat we den heelen nacht buiten moesten kruisen. We deden nog enkele plaatsen in de Banksgroep aan en ankerden dan aan de westzijde van Gaua. Daar, waar ik eens een cycloon heb bijgewoond, overviel ons nu weer een cycloonachtige wind, die ons geweldig schudde. Bezorgd keek de kapitein naar de knarsende ankerkettingen, want als die breken, dreef het schip hulpeloos in den woedenden oceaan. Vijf dagen lang moesten we zoo tusschen hoop en vrees wachten, of de kettingen, het zouden houden en het anker niet zou gaan slepen.
Het verblijf aan boord was ver van gemoedelijk, en eindelijk waagde de kapitein het, te gaan varen; maar het schip danste als een kurk op de hooge zeeën, en het zou onzinnig zijn geweest, verder te gaan. We keerden naar de ankerplaats terug en voeren naar de achterzijde van het eiland. Eerst de derde maal gelukte de poging en na nog hevigen strijd tegen de golven kwamen we over Mera Lava, Maevo en Aoba te Port Vila. Twee dagen later ging ik aan boord van de "Pacific" naar Sydney en had daar dadelijk aansluiting aan de Lloydstoomboot, die mij in Genua aan land zette.
Ik had afscheid genomen van de eilanden met een gevoel van weemoed en behoud de lieflijkste herinneringen aan de bewoners. Als ik denk aan vele blanken, waarmee de reis mij in aanraking heeft gebracht, planters en hun onderhoorigen zoo goed als zeelui van de wervingsschepen dan doet men beter, die blanke menschheid niet te vergelijken met de gekleurde, want men kan enkel met beschaming constateeren, dat "wilden" nooit tot de vulgariteit zouden afdalen, die men daar in woord en daad aanschouwt. De inboorling heeft oneindig veel meer tact, schaamtegevoel en gemanierdheid dan de blanken in die exemplaren, en als men een inboorling ruw, schaamteloos en oneerbaar hoort praten, dan is dat een zeker teeken, dat hij veel met blanken heeft omgegaan. Denkt men dan daarbij aan de onwetendheid van de blanken, onder wie er immers nog veel analphabeten zijn, dan wordt het onderscheid tusschen de blanke cultuur en die van de "wilden" minimaal.
Hoeveel lagen van de europeesche bevolking leven op geen enkele manier beter dan de inboorlingen en hebben even weinig eerzucht en ontwikkelingsdrang en moreele vastheid als dezen. Men denke zich de invloeden weg, die de bevolking van afgelegen districten tot de aanneming van bepaalde veroveringen der beschaving dwingen, zooals leerplicht, militiedwang en politie, en men kan zich gemakkelijk voorstellen, dat deze blanken snel tot den trap der "wilden" zouden afdalen. Hoeveel blanken zijn volkomen tevreden, als ze hun zuiver animale behoeften hebben bevredigd, net als de "wilden"; hoeveel kolonisten op de Nieuwe Hebriden en elders onderscheiden zich van den inboorling enkel daardoor, dat ze in hun voeding wat kieskeuriger zijn; hoevelen van hen begaan misdaden en hoeveel worden van misdaden alleen weerhouden door de publieke opinie en de politie? Zoo schijnt de veelgeroemde superioriteit van de blanken nog een open vraag te zijn, en de vorderingen die onze cultuur gemaakt heeft, zouden wel eens aan de inspanning van een kleinere minderheid van genieën te danken kunnen zijn, die de menschheid een richting op duwen, waarop ze dan wel voort moet. Het gros van de blanken is daarbij volledig passief gebleven en zou zonder den gestadig werkenden invloed van die minderheid spoedig stilstaan of langzaam terugzinken.
AANTEEKENING
[1] Tekst en illustraties ontleend aan Felix Speiser, Südsee, Urwald, Kannibalen. Leipzig, R. Voigtländer's Verlag 1913. Zie ook "De Aarde" 1917 blz. 361.