In het Oerwoud en bij de Kannibalen op de Nieuwe Hebriden De Aarde en haar Volken, 1918
Part 7
De kleeding van de mannen bestaat uit een lendengordel, waaraan een smal stuk witte tapa of boombaststof hangt. Over den gordel dragen ze vaak spiralen van een klimplant en ook wel banden van gevlochten vezels. Om de knieën en gewrichten bindt men zich kleine schelpen, en op de borst wordt een groote schijf gedragen van tridacna, een schelp, waar soms snijwerk van schildpad op is bevestigd, een gestiliseerde verbinding van vogel en visch. Die versiering werkt bepaald decoratief op de donkere huidskleur. In de ooren hangen groote sieraden van schildpad en aan de armen schelpringen of gevlochten armbanden met patronen van kralen, en nooit ziet men een man zonder pijl en boog. De bogen zijn 1.80 groot en worden gespannen met een koord, dat bestaat uit den gedraaiden bast van een dunnen luchtwortel van een vijgenboom. Daarmee in overeenstemming is de grootte van de pijlen, die ongeveer 1.29 meter lang zijn, gesneden van riet met een lange, houten spits, waaraan als ornament allerlei gestiliseerde weerhaken zijn gesneden. Het snijwerk is wit, rood en zwart geschilderd, meestal zoo, dat de weerhaken zwart zijn op rood en witten grond, zoodat ze er mooi op uit komen. Naar de punt toe wordt het hout al dunner en draagt de korte, zeer fijne spits van been, die maar los in het hout zit en met geel of rood lak is bestreken, zoodat men de plaats, waar het been is ingezet, moeilijk kan herkennen. De pijlen worden in pakjes van tien stuks met gelijk patroon vervaardigd. Goede schutters zijn de inboorlingen niet, maar ze kunnen een groote kracht in hun pijlen leggen en deze buitengewoon ver doen vliegen en zeer diep doen indringen. De gevechten verloopen niet zeer bloedig en zijn alleen gevaarlijk door het groote aantal in het rond suizende pijlen. Dan steekt ieder krijger zijn pijlen rechts in den gordel, om ze snel bij de hand te hebben. Knodsen gebruikt men zoo goed als niet.
De Graciosabaai is bijna geheel bezet met dorpen aan haar oevers en was dat vroeger nog in sterker mate, want thans zijn er al verscheiden nederzettingen verdwenen of uitgestorven. Toch mag men het aantal aan de baai wonende inboorlingen wel op twee duizend schatten. In het binnenland wonen bijna geen menschen. Er moeten daar nooit veel dorpen zijn geweest, daar de menschen van Santa Cruz er blijkbaar de voorkeur aan geven, aan het strand te wonen. De liefelijke baai is haar naam waardig, want ze is behalve in het Noorden door groene heuvels omgeven en de deining stoort maar even de gladheid van haar oppervlakte. Alleen bij noordenwind dringen de golven meer naar binnen en ruischen met dof gegorgel tusschen de blokken koraal, die de oevers begrenzen.
Ik kocht mij dadelijk een prauw, waarmee ik mij door mijn bedienden naar de dorpen aan den oever liet roeien. De prauwen zijn hier veel beter gebouwd dan op de Nieuwe Hebriden. Terwijl men daar den een of anderen krommen stam gebruikt en hem niet eerst recht houwt, zijn de booten hier prachtig zuiver van lijn, met mooi toeloopende einden. De boven-opening van de boot is vaak zeer smal, zoodat men de beenen achter elkander in de boot moet neerzetten en erop, niet er in, zit. Maar daardoor vullen zich in open zee de booten veel minder snel met water. Op de Nieuwe Hebriden is de uitlegger door drie stangen vast met de boot verbonden en kan niet worden afgenomen, terwijl de verbinding hier uit een kunstig systeem van stokken en stangen bestaat, die het resultaat moeten zijn van een lange ervaring en bij groote stabiliteit hoogst eenvoudig zijn. Men kan daardoor den uitlegger gemakkelijk van de boot afnemen en doet dat altijd, als men een paar dagen niet denkt te varen. Men keert de boot dan om en legt haar in de schaduw, bedekt met palmbladeren. Zoo ziet de reiziger overal aan het strand de kano's liggen. De inboorling stelt er een eer in, zijn boot mooi te onderhouden, en wrijft ze daarom vaak in met een brij van een gestampte soort van wier, waardoor bij het drogen het hout sneeuwwit wordt, alsof het met gips was bestreken, terwijl de kleur er niet gauw afgaat. Men kan maar in enkele dorpen de booten maken, zooals over het algemeen elke tak van industrie maar tot bepaalde dorpen en familiën beperkt is, menschen, die hun kunst van geslacht tot geslacht uitoefenen.
Als men bij een dorp landt, is alle handigheid van de inboorlingen noodig, om de boot op den rug van een golf veilig door de koraalbanken te loodsen naar den oever daarachter. Daar springen ze snel uit de boot en trekken die op het strand, voordat een tweede golf ze weer in de golven terug kan slingeren. Men staat dan meestal vóór een manshoogen muur van kalkbrokken, waarlangs eenige treedjes voeren naar een smal terras, waar weer een muur verrijst, die op een derde terras naar een mannenhuis voert. Meestal ontstond groote opwinding, als ik bij een dorp landde, en als bekend werd, dat ik voorwerpen kocht, was er vaak gedrang, doordat mannen uit naburige dorpen kwamen aanloopen, ieder met een kleinigheid, die hij met veel geschreeuw aan den man wou brengen, door mij het ding onder den neus te houden. Ik kon mij soms haast niet bewegen; maar over het algemeen waren de menschen gemoedelijk en niet brutaal opdringerig.
Later liet ik ze maar aan huis bij den heer M. komen, waardoor alles veel rustiger toeging. Ze drongen nog wel om mij heen en trokken mij aan de mouwen, maar het was best te verdragen. Men noodigde mij meestal uit, in het mannenhuis te komen, wat ik echter slechts op handen en voeten kon doen, zoo laag en nauw zijn de deuren van die huizen. De vloeren waren mooi effen en belegd met matten. Er wordt den gast meestal een nieuwe mat gegeven en men geeft hem dikwijls een voedzaam stuk pudding, taro en eenige bananen. Komen er meer mannen binnen, dan wordt men nauwkeurig opgenomen, en bij het onderhandelen is het merkwaardig, hoeveel er van tusschen de balken te voorschijn komt. Zeer fijne netten en touwen, eetlepels van parelmoer, sieraden van been, oorhangers, pijlen, knodsen, dansratels enz. Over alles wordt gepingeld, en de lieden verstaan de kunst, den handel voor zich voordeelig te doen zijn. Geld kennen ze zoo goed als niet en willen het ook liever niet hebben, maar ze houden van wit katoen, tabak, pijpen, lucifers en dergelijke dingen. Meestal keert men rijkbeladen naar huis terug en bezoekt den volgenden dag weer een ander dorp, waar weer andere industrieën worden beoefend. In een dorp vond ik platte steenen schalen, die wezen op de vervaardiging van de armschelpringen of trochusringen, waarin handel werd gedreven. De punt van de schelp wordt in het vuur zacht gebrand, en daarna wordt het midden er uit geklopt met een steen, en de dan ontstane ruwe ring wordt van buiten glad gemaakt en op een drievoet gelegd en ook van binnen met een stuk koraal gepolijst. Trotsch laat dan de kunstenaar de mooie, even groote, op elkander passende ringen zien.
Elders liggen groote blokken van tridacnaschalen, waarvan de borstplaten worden gemaakt; weer op een andere plaats maakt men kano's, en er wordt veel aan weven gedaan. Het voorkomen van den weefstoel scheidt de beschaving van de Santa-Cruzeilanden volkomen van die der Nieuwe Hebriden, waar de weefstoel niet voorkomt. Men ziet hier het instrument in zijn eenvoudigsten vorm, waarin het tot in Amerika is doorgedrongen. De eene lat van het raam wordt aan een balk van de hut bevestigd, door de andere spant de man, want alleen de mannen doen aan het weven, door middel van een om den rug gebonden band de schering en zittend gooit hij het spoeltje door de draden, die hij door het optillen van twee primitieve kammen met de linkerhand doet afwisselen.
Het veroorzaakt groote pret, als de blanke zelf erbij gaat zitten en probeert te weven, waarbij hij niet zeer handig is, maar men is graag bereid, het hem voor te doen. Als vezelstof gebruiken ze bananenbladeren en behalve die vezels maken ze ook van zwarte vezels gebruik, om aardige patronen in de matten te weven. Ze weven ook stof voor vrouwenkleêren, die grof en primitief is, en verder mooie taschjes voor geld en de benoodigdheden van het betelkauwen, dat hier en daar in zwang is. Kleine lapjes stof doen wel als geld dienst, en dan is er het zeer interessante vedergeld, dat groote waarde heeft. Men plukt, om dat te krijgen, een klein, donker honingvogeltje met roode borst de roode veêrtjes uit en kleeft die met hars naast elkaar tot een schijfje, zoodat alle roode veêrpunten naast elkander komen te liggen. Meer dan duizend van die schijfjes of plaatjes worden dan laagsgewijze als schubben aan een drie tot vier meter langen riem bevestigd en die riem wordt opgerold. Zoo'n rol vormt een groot vermogen, zonder dat men er practisch iets aan heeft, net als met geld het geval is. De rollen worden zorgvuldig in tapa of baststof gewikkeld en in de hut bewaard. Van tijd tot tijd verheugt zich de bezitter over den glans en de pracht van de kleur der veêrtjes, tot na een paar geslachten langzamerhand de veêrtjes loslaten en verbleeken en dus de geldswaarde ook vervlogen is. Bedenkt men, dat, om zulk een rol te maken, honderden kleine vogeltjes met een pijl gedood of in een strik gevangen moeten worden, dan kan men begrijpen, dat een geldrol groote waarde moet hebben en een reuzenarbeid vertegenwoordigt. Men kan dan ook met een enkele rol de mooiste vrouw uit de streek koopen. Afzonderlijke vederschijfjes doen als kleingeld dienst. Bij groote feesten versiert men met de geldstrooken de dansplaatsen, die meestal ronde, door brokken koraal ingesloten ruimten aan het strand zijn.
Voor den dans versieren zich de mannen met een van parelmoer gemaakt neussieraad, dat in het doorboorde tusschenschot van den neus wordt gedragen en neerhangt tot op de kin. Door gaatjes in de neusvleugels worden naar boven gerichte stokjes gestoken, en in het haar worden houten sieraden gestoken, waaraan roode veêrtjes van het vedergeld zijn vastgekleefd. Bovendien steekt men achter in den gordel waaiervormige bladeren en geeft daaraan bij den stampenden dans een schommelende beweging.
Zeer eigenaardig is hier de plaats van de vrouw, ofschoon men geen suque en scheiding van de vuren en de geslachten kent. Het lijkt hier wel, of de ijverzucht van de mannen bijzonder sterk is en bijna belachelijke maatregelen meebrengt. Het woondorp, waar de vrouwen leven en de gehuwden slapen, is altijd ver van het mannenhuis en de dansplaats, ligt ook wat meer naar binnen en is door hooge muren omgeven, evenals elk huis afzonderlijk. Het is mij nooit gelukt, zulk een huis van dichtbij te zien, want op straffe des doods is het den vreemdeling verboden, het vrouwendorp te betreden. Voor de inboorlingen geldt de regel, dat het aankijken van de vrouwen uit een ander dorp een groote zonde is tegen de zedelijkheid.
De vrouwen van Santa-Cruz schijnen trouwens niet mooi te wezen in tegenstelling van die der Rifeilanden, van wie ik later nog mooie staaltjes te zien kreeg. Het strand voor de dorpen wordt verdeeld in een afdeeling voor de mannen en een voor de vrouwen, waartusschen geen verkeer geoorloofd is. Ook de naburige dorpen zijn door steenen muren gescheiden, die van het land uit tot in zee reiken en alle gezicht benemen. Op het land zelf zijn de dorpen door bosch gescheiden, waar maar een smal pad doorheen voert en waar geen boomen mogen worden geveld.
Visschen is de voornaamste morgenbezigheid van de mannen, als de vrouwen op het veld aan het werk zijn. Het ziet er bekoorlijk uit, als een groep bruine prauwen zich ophoudt op het schitterende water, en de mannen, in allerlei houdingen op de booten of tot de heupen in het water staand, de volle netten ophalen en de glanzende massa in hun scheepjes verzamelen. Het is zulk een vroolijk en vreedzaam werk, dat men haast niet kan denken, dat deze menschen nooit zonder vergiftige pijlen uitgaan. Trouwens valt het op, hoe volkomen rustig het in de baai toegaat, veel rustiger dan wanneer twee duizend blanken zonder politie samen moesten wonen. Wel is er nu en dan oorlog, en er gebeurt wel eens wat in het verborgen, dat het daglicht niet mag zien, maar over het geheel maakt de bevolking een tevreden en gelukkigen indruk. Als ieder natuurmensch heeft ook hier de inboorling een fijn gevoel voor behoorlijkheid en fatsoen. Ruzie en onbeleefdheid merkt men nooit, en toevallige meeningsverschillen worden met een grapje bijgelegd, zoodat het grove en ruwe optreden van den blanke er sterk bij afsteekt. Uit dit oogpunt kan men niet heel goed inzien, dat de beschaving hier voor goeds kan doen; ze zal de menschen niet beter maken, maar mogelijk maakt ze hen gelukkiger, door de verveling te verminderen, waar de inboorlingen wel onder schijnen te lijden.
Ik verlangde er natuurlijk naar, een dansfeest bij te wonen. Mijn bedienden deelden mij op een avond mee, dat er een feest aan de baai aan den overkant zou plaats hebben. We besloten, nog gauw heen te varen en roeiden hard in de duisternis naar buiten. De sterrenlooze hemel gaf een flauw licht en was half bewolkt, zoodat een zilverig schijnsel op het water lag. In de nachtelijke stilte klonken de roeislagen scherp en helder, en de boot was haast niet te zien, zoodat het leek, alsof wij alleen over het water gleden, een onwezenlijk gevoel. Plotseling werd het lichter, alsof de roeiriemen zilver schepten uit de diepte, dat in vonken om ons stroomde. De naakte roeier voor mij straalde als een marmeren beeld; zijn mooie lichaam verhief zich met de regelmatige roeislagen, zoodat het zilveren schijnsel over de gladde huid heen en weer gleed en het spel der spieren prachtig verlichtte.
Het gevoel van tijd verdween, tot we in de stilte eindelijk het ruischen van de branding hoorden, die zich op de riffen wierp. Wij voeren langzamer, en daarmee week ook de droom. We volgden den oever en zochten naar een ingang, dien we eindelijk vonden, doordat de inboorlingen met de riemen naar bekende klippen voelden. Een golf hief ons op, met volle energie roeiden de zwarten en snel schoten we op een golfrug over de koraalbank en voeren knarsend over fijn, wit zand. Van daar droegen we de kano aan het strand en begaven ons naar het mannenhuis.
Tot mijn spijt had men om het onstuimige weêr het dansfeest afgezegd, maar de goede menschen wilden mij niet teleurstellen en improviseerden een feest, waaraan echter alle geestdrift ontbrak en dat dus zeer prozaïsch uitviel. Na eenigen tijd voeren wij onverrichterzake terug.
Met de kotter van den heer M. deden we eenigen tijd daarna een reis naar Utupua ten zuidoosten van Nitendi en voeren de liefelijke Carlislebaai binnen. Daar behoort de grond aan de bewoners van de Rif-eilanden, die het eilandje eens hebben veroverd en er nu een paar maanden elk jaar heengingen, om sago in te zamelen. Sago is op de Nieuwe Hebriden totaal onbekend.
Ik kreeg nu de groote booten te zien, waarin deze menschen zeer verre reizen ondernemen. Het zijn uitleggersbooten naar het beginsel van de gewone prauwen. De eigenlijke boot is een uitgeholde reuzenstam, die overdekt wordt, opdat hij zich niet kan vullen. De passagiers bevinden zich niet op de eigenlijke boot, maar op de brug, die boot en uitlegger verbindt. Die ligt zoowat anderhalven meter boven het water en biedt ruimte genoeg voor desnoods veertig man. Een klein huisje beschut voor regen en dient als slaapverblijf. Men gebruikt voor de voortbeweging in de eerste plaats zeilen, die uit palmbast zijn vervaardigd, tweepuntig met een mooien gegolfden rand. De zeilen kunnen aan beide einden van de boot worden vastgemaakt, zoodat men elken wind kan gebruiken; maar tegen den wind zeilen kan men er niet mee. De zeilen zijn zeer licht en kunnen gemakkelijk worden ingenomen; om te roeien dienen lange riemen met breede bladen. De aanblik van zulk een boot is uiterst schilderachtig, en het reizen ermee is net zoo veilig als met een europeesche kotter.
De menschen van de Rifeilanden zijn zeer polynesisch in taal en voorkomen. Sommigen zijn zeer licht van tint en hebben sluik haar; de vrouwen vertoonen de gelijkenis veel sterker dan de mannen, zoodat men enkele van haar voor Samoaanschen zou aanzien, als niet het haar kroes was. Het waren meestal mooie, volle gestalten met regelmatige trekken, door niets ontsierd. Bij het tapaschort droegen ze alle een nauwen gordel van boomschors. Naar polynesischen smaak leven ze niet gescheiden van de mannen, en het gelukte mij gemakkelijk, ze tot het photografeeren over te halen. Ze staan stellig boven de weinige vrouwen, die ik elders aan de Graciosabaai te zien kreeg.
Na onzen terugkeer volgden er drie weken van aanhoudenden regen, waarin alle paar uur een stortbui op ons neerplofte met onweêr des nachts en donder onder het ratelen van den regen op het plaatijzeren dak. De vochtigheid was zoodanig, dat alles doorweekt werd en wijzelven moe en ontstemd werden. Ik was dus blij, toen de stoomboot aankwam en ik kon afreizen. Er waren niet veel passagiers en ik hoopte al op een snelle vaart, maar, helaas, de volgende drie weken waren van de alleronaangenaamste van de heele reis.
Al dadelijk vernam ik, dat het schip niet genoeg ballast had, daar een van de thans ledige kolentanks niet dicht was en dus niet met water kon worden gevuld. Daarbij hadden we op het dek behalve de reddingsbooten en die voor de landing vier groote booten van zendelingen, die ter reparatie naar Port Vila moesten worden gebracht, wat voor het kleine schip een veel te groote deklading was. Daar was echter niets aan te veranderen, en we hoopten op gunstig weêr, dat we in dat jaargetijde ook moesten hebben. Het ging dan ook goed over Utupa en Vanikora naar Tucopia. We waren daar maar vier uur, maar die waren voldoende interessant, om alle verdere onaangenaamheden der reis te vergoeden.
Tucopia is een heel klein kegeleiland, eenzaam in de wijde zee gelegen, en dat is de reden, waarom zich daar een polynesische bevolking tot heden nog volkomen zuiver en primitief in stand heeft kunnen houden. Het zal wel het eenige eiland van de wereld zijn, waar nog echte, oorspronkelijke Polynesiërs wonen. Toen de stoomboot het eiland naderde, zagen we de menschen als kleine punten opgewonden op het rif op en neer loopen, en al spoedig konden we enkele kano's onderscheiden, die ons tegemoet voeren. De inzittenden boden een voor mij volkomen nieuwen aanblik. In plaats van de donkere, kroesharige Melanesiërs zag ik lange, bijna lichtgele gestalten, die omhuld waren door manen van dicht, lang, gouden haar. Al gauw kwamen ze aan boord en bleken echte heldenfiguren; geen een was onder de 1.75 meter groot; ze hadden zachte, donkere oogen, een vriendelijken lach en kinderlijk vertrouwelijke gebaren. Overal liepen ze rond op het schip; alles wilden ze zien en aanvatten en meenemen, zoodat het goed was, dat wij de hutten wijselijk hadden gesloten. Weigerden we iets, dan vleiden en streelden ze ons, die als zwakke kinderen naast hen waren.
Maar ik maakte haast, om aan land te komen. Daar wachtte ons aan den rand van het rif een dichte, opgewonden menigte, die onze aankomst nauwelijks kon afwachten, de boot aan den wal haalde en ons en alles aangreep en op de koralen neerzette. Twee mannen grepen mij onder de armen, en of ik wilde of niet, stapten ze vliegensvlug over de plassen op het rif naar den oever. Ik was eerst niet gesticht over die vriendelijkheid; maar het zou mij weinig hebben gebaat, mij te verweren in de armen van die reusachtige lieden. Aan land zette men mij zorgvuldig neer als een breekbaar voorwerp, lachte tegen mij, klopte mij op de schouders en streek mij over den rug. Weldra deponeerde men op dezelfde manier een zendeling naast mij. We keken elkander vragend aan, want zulk een ontvangst was ons nieuw. Tot onze groote verbazing kwam een man op ons toe, die een weinig Biche la mar kon spreken. Hij vroeg ons eerst op krachtigen toon, of we geen ziekte aan boord hadden want dan mochten we niet landen. Wij konden dat met een zuiver geweten ontkennen. De reden, waarom hij het vroeg, was, dat er eens een schip met mazelen aan boord was geland, dat het eiland besmet had, wat aan veertig inboorlingen het leven had gekost. Verstandiger dan de blanken, beproefden de inboorlingen nu zelf een quarantaine uit te oefenen.
Daarop werd ons beduid, dat we de hooge eer zouden genieten, aan het hoofd te worden voorgesteld. Dat was inderdaad een eer, want in polynesische streken genieten de hoofden een goddelijke vereering, en hun wil is voor iedereen als een bevel. Om bij het hoofd te worden toegelaten, moesten we onze hoeden afzetten en werden daarna naar een schaduwrijk plein gevoerd, waar de mannen in een kring om het hoofd zaten neergehurkt. Het was een zware, gespierde man, die op een troonachtigen zetel was gezeten, terwijl naast hem tegen een boom de staats-lans was neergezet. De spreker kroop op handen en voeten naar hem toe en meldde ons aan; we traden naar voren en schudden hem de hand, waarvoor we met een vriendelijk lachje bedankt werden.
Toen werd ons met een voorname handbeweging beduid, dat we naast hem mochten plaats nemen. Eenige vrouwen brachten een schaal vol yams en taro en eenige kokosschalen, waarin zich een papje bevond. We proefden het en bevonden, dat het lekkere sago was met kokosboter overgoten, zoodat het ons beiden goed smaakte, maar we konden tot spijt van de menschen onze portie niet geheel gebruiken. Met een herhaald handendrukken, groeten en lachen eindigde de audiëntie, en wij waren vrij, op het eiland rond te slenteren terwijl de vriendelijke, zware man ernstig bleef zitten.
Ik liep door de dorpen, waarbij een paar mannen als gidsen dienden. De huizen waren eenvoudige afdaken, in groepen langs de randen van de velden geplaatst. Wat dichter bij het strand staat een mannenhuis; daar zijn ook de bergplaatsen voor de kano's, die van hard hout zijn gebouwd en niet zeer groot zijn, met hoogen voorsteven. Aantrekkelijk was de aanblik van het strand, waar hooge, zware boomen het witte zand overschaduwden. Terwijl op melanesische eilanden enkel de dansplaatsen zijn vrijgehouden en door een groenen wand worden omzoomd, was hier alle struikgewas verwijderd, doordat er van wantrouwen en schuwheid hier geen sprake was. De oever was een parklandschap, waar men tusschen donkere, mooi gegroepeerde stammen een ver uitzicht op de blauwe zee had, en waar in de schaduw de schoone, goed geproportionneerde gestalten liepen, vrij en waardig of opgewonden zich verdringend om de vreemden.
Door de open en vertrouwelijke hartelijkheid was het een geheel ander tooneel, dan waaraan ik gewend was, zoo onschuldig vroolijk, weldoend en aantrekkelijk, dat het dringend uitnoodigde tot blijven, ook al hadden de lachende menschen met bloemenslingers om den hals en bloemen in het haar ons niet genoodigd tot een langer oponthoud. Men kan het waarlijk de zeelieden van vroeger niet kwalijk nemen, dat ze vaak op polynesische eilanden deserteerden bij dozijnen en van hun schepen wegliepen, om te leven in dat verwezenlijkte ideale land in plaats van hun existentie op een walvischvanger voort te zetten.
Telkens was het mij, of ik een klassiek tooneel in de werkelijkheid zag opgevoerd, en de betoovering van het liefelijke eiland Tucopia werd als een bedwelmende drank, die den weerstand verlamde. De groote, goudharige kinderen schenen het te voelen, hoe goed het ons bij hen beviel en drongen ons weer stellig en toch bescheiden, om met hen te gaan en bij hen te blijven en hun rustig leven te deelen. Maar het kon niet zijn; we moesten wegvaren. Een jonge man zou met ons naar Norfolk varen. Hij nam van zijn familie en van de oude hoofden der geslachten afscheid, de laatste eerwaardige grijsaards met scherpe, welmeenende trekken en dun grijs haar en baard. Deemoedig boog de jongeling het hoofd op den schoot van den oude. Die legde zijn hand hem op het hoofd en mompelde eenige woorden, hief den jongeling op en drukte het gezicht op het zijne, zoodat de neuzen elkander licht aanraakten. De knaap onderdrukte zijn tranen en ging mee, om later zijn reinen, witten tapagordel te verwisselen met europeesche katoenen kleeding.