In het Oerwoud en bij de Kannibalen op de Nieuwe Hebriden De Aarde en haar Volken, 1918

Part 3

Chapter 34,015 wordsPublic domain

Bijna loodrecht viel vóór mij de binnenrand van den krater naar beneden naar den kraterbodem, een ruwe oppervlakte van bruinzwarte lava, overal verbrokkeld, dampend en rookend onder witte en geelachtige wolken. Aan den overkant was de andere zijde van den krater, die veel hooger was en zeer steil. Boven dampte het daar uit veel scheuren. Tusschen ons was nog een kleinere krater, de eigenlijke opening. Ook daar was de rand aan de overzijde de hoogste, terwijl die aan onzen kant verbrokkeld en voor een deel ingestort was. Door die scheur kon ik in de opening zien; maar veel was er niet te kijken, ook slechts lava, waar witte walm nu eens heviger, dan zwakker uit opsteeg. Maar de totaalaanblik was toch zeer indrukwekkend, de steile, naakte wanden, de kraterbodem, de gele en roode neerslag hier en daar, de rookkolommen boven de voegen, de stoom en de rook boven de opening, door den wind heen en weer bewogen, en de afgeslotenheid van het tooneel tusschen de monumentale kraterwanden. Er waren daarbij niet eens de benauwende reuk, het doffe stooten en dreunen en het rollen van den vulkaandonder noodig, om bij mij eerbiedige verbazing te wekken, ja mij bang te maken. Toch kostte het mij moeite, mij los te rukken van het gigantisch tooneel. Was er echter toch niet iets als teleurstelling voor mij in den aanblik van den krater? Uit de verte ziet men enkel de geweldige verschijnselen; men let alleen op den vulkaan, als hij zijn reuzenkrachten laat spelen en door de monumentaliteit van de verschijnselen een verheven indruk maakt. Maar van dichtbij aanschouwt men hem in rust en ziet den onoogelijken kraterbodem, waar giftige dampen uit opstijgen. In plaats van den vuurhaard, dien men verwacht, ziet men lavablokken en asch, geen verheffend gezicht; in plaats van de ontplooiing van elementaire krachten ontwaart men een vuile massa, die in bescheiden mate glimt. Het kost moeite, hier den oorsprong van de erupties te denken, die het heele eiland doen schudden en sidderen, en men is eerder geneigd, in den kratergeest een boozen kobold te veronderstellen dan een donderenden reus.

Ik ging naar den oostelijken krater, besteeg daar de helling, tot ik een plaats had gevonden, van waar ik de werkzaamheid van den krater kon zien. Daar wilde ik den volgenden morgen een foto nemen. Toen keerde ik naar het kamp terug. Het was avond geworden; de zon ging rood onder, en de nevels zweefden als een ring om de bergen. Toen schoot nog een zware dampzuil omhoog, waarvan de eene zijde zich in het zonlicht baadde, terwijl de andere donkergrijs was. De top smolt samen met den avondhemel. Het was wonderschoon, maar het duurde kort. De nacht sloop aan over de vlakte, en de maan verzilverde de struiken en het gras.

Ik hoopte tevergeefs op een uitbarsting als den vorigen avond, toen we vlammen boven den krater zagen. Maar het bleef alles rustig en donker; zelfs de nevels werden dichter en bedekten de bergen en de maan. Het werd onaangenaam koel, en er viel een sterke dauw. De inboorlingen rilden in hun dekens, en ik voelde mij ver van behagelijk onder het zeil van de tent. Vóór zonsopgang waren we allen wakker en hadden het koud bij 19 graden Celsius.

In de morgenschemering stiet de vulkaan weer een zware dampwolk uit, en toen boeide ons de strijd tusschen de zon en den nevel. Het leek, of overal het helderste weêr heerschte, zooals wij door toevallige scheuren in de wolken konden zien, en of alleen rondom ons de nevels samentrokken. Bijna moest de zon het verliezen, maar ten laatste zoog ze toch de wolken op en overgoot ons met streelende warmte.

De vrijwillige geleiders keerden terug; de koude nacht had blijkbaar hun ondernemingslust gebroken. Ik ging met de boys naar de gisteren gekozen waarnemingsplek. Tegen de steile helling groef ik het toestel in het puin in; toen gingen we zitten en wachtten geduldig, maar tevergeefs. Ik genoot van het heerlijk uitzicht. Men kon Epi zien, Malekula en Aoba, en alles zwom in licht, dat zelfs de voegen en rimpels van de vulkanen violet tintte.

Wij wachtten verscheiden uren en hadden het koud ondanks de heldere zon tusschen de vochtige wanden van den kuil, waarin we zaten. De vulkaan scheen uitgeput. Wel bromde en gorgelde en donderde het nog dof, ook de damp rees en daalde, maar een eigenlijke uitbarsting beleefden wij niet, en een beetje teleurgesteld, keerden we naar het kamp terug. Vlug gebruikten we de middagrijst en ijlden toen de hoogte af. Nu ging het snel over de vlakte, door de beekbedding en het bosch; de lucht werd voelbaar zwaarder en dichter, maar tegen zonsondergang kon ik stof en vulkaanasch in het lauwe water van de zee afwasschen.

Nu moest ik weer bedienden zoeken, daar de maand van de Ambrymeezen voorbij was. Een niet al te florissant troepje kreeg ik van Epi en daarmee ging ik naar Olal op de noordpunt van Ambrym. Daar woonde ik bij een jongen Australiër van goede familie, die uit eigen ervaring het vrije leven van de wildernis wilde leeren kennen. Maar hij was er niet bijzonder geschikt voor, te verwend, altijd ziek en niet flink genoeg tegenover de inboorlingen, zoodat zijn coprahandel ondanks de goede omstandigheden in Olal niet floreerde.

In zijn buurt woonde de bedenkelijke troep fransche drankverkoopers. Over het geheel wordt op Ambrym het meeste drank gebruikt en vooral in Olal, waar de inboorlingen veel kokospalmen bezitten en dus goed in het geld zitten, om alcohol te koopen. Des nachts hoorden we vaak brullen en schreeuwen en vechten, en den dag erna was er dan niemand te zien.

De hut van den jongenheer D. was een typisch staaltje van een woning, zooals nieuwe kolonisten zich inrichten. In een omtrek van ongeveer vijftig meter had hij het woud laten rooien en op het open gedeelte had hij een hut laten zetten zoowat twintig meter boven het strand, een huisje van drie meter bij twee meter. Het was in tweeën verdeeld; vóór had hij een verkoopruimte en achter een klein woonvertrek, waar een veldbed en een van kisten gespijkerde tafel al het huisraad vormden. Op het stroodak lagen wat stukken plaatijzer, waarvan de afloop een watervat moest vullen.

Een paar schreden van het woonhuis stond een andere, nog primitiever hut, waar de copra werd gedroogd en waar de paar daglooners sliepen. Aan het strand stond de loods, waar de klare copra bewaard werd, tot ze door de stoomboot werd afgehaald.

De arbeid, dien een coprahandelaar heeft te verrichten, is al van heel weinig beteekenis. Hij heeft niet anders te doen dan te wachten op de inboorlingen, die in troepen bij hem komen met ruwe kokosnoten of met manden vol copra. De goederen worden gewogen, betaald en de menschen gaan weer weg met het geld of gaan naar de verkoopplaats en kiezen, onder veel dingen en onderhandelen, wat hun bevalt. De arbeiders dragen de copra in de loods, en als er twee of drie van die troepen zijn geweest, is het dagwerk van den koopman gedaan. De rest van den dag kan hij rooken, drinken en romans lezen. Het is duidelijk, dat bij de meesten deze lediggang het begin van allerlei kwaad is; maar bij den heer D. was dat niet het geval, want hij beproefde in jeugdig idealisme, de inboorlingen beter te maken en op te voeden. De uitwerking was echter niet schitterend.

Ik leerde hier niet veel nieuws over het leven van de inboorlingen, al kon ik een aantal dansmaskers en muziekinstrumenten krijgen, die ik elders niet had gezien. Reeds sinds een paar dagen had een nette, jonge man voor mij gewerkt, een Ambrymees, die zich ten slotte voor drie maanden bij mij verhuurde met tranen in de oogen, want, zei hij, hij was er zeker van, dat hij op Malekula, waar ik van plan was, heen te gaan, den dood zou vinden. Waarom hij toch de voor hem, naar het scheen, zoo gevaarlijke onderneming waagde, had zijn oorzaak in een romannetje, dat hem in moeilijkheden had gebracht. Lingban, zoo heette de knaap, was christen, had een zeer lichte huidskleur en van nature blond haar. Hij was ook overigens een fatsoenlijk mensch, en zoo bleef het niet uit, dat alle jonge meisjes in het dorp verliefd op hem werden en hem vervolgden met haar attenties. Zeer energiek was daarbij zijn nicht, met wie hij echter niet mocht trouwen naar de zedewet van de inboorlingen. De schoone had zich over dat bezwaar heengezet, en nu was de arme Lingban er moeilijk aan toe. Als christen had hij het meisje moeten trouwen, of hij zou uit de gemeente met schade en schande worden uitgezet, en zijn heidensche verwanten stonden het huwelijk niet toe, daar hij dan naar hun meening een groote zonde beging, die op Ambrym met den dood werd gestraft. Dus bleef het arme offer van zijn eigen schoonheid niet anders over, dan het lieve vaderland vaarwel te zeggen en met mij in den vreemde te trekken en daar aan vijanden ten offer te vallen. De zaak gaf mij het voordeel van een goeden bediende te krijgen, en een paar van de onbetrouwbare mannen van Epi weg te kunnen zenden.

Lingban nam dus van zijn vrienden een bewogen afscheid en trok met mij naar Dip Point en dan naar Malekula, waar ik in Onua bij den zendeling Paton een onderkomen vond. Die Paton was de zoon van den grondlegger der presbyteriaansche missie in de Nieuwe Hebriden; hij was er al twintig jaar, had zijn vrouw verloren en leefde nu als oude weduwnaar onder de inboorlingen en offerde zijn leven en al zijn energie voor hen op, een werkelijk ideale zendeling.

Malekula heet het gevaarlijkste eiland van den archipel. De inboorlingen daar schijnen veel onafhankelijksgevoel te hebben en laten zich van de blanken weinig welgevallen. Bovendien is Malekula als het op één na grootste van de eilanden in het binnenland nog weinig bekend, en hier en daar wonen er nog sterke stammen, die zich verzetten tegen het binnendringen van de cultuur der blanken. Een paar van die stammen had ik al in het vorig jaar aan de westkust aangetroffen, en nu wilde ik de zuidkust leeren kennen. Grootere reizen in het binnenland waren onmogelijk, want men kon naar die gevaarlijke oorden geen dragers mee krijgen, en de heer Paton verzekerde mij, dat ik aan de kust best de beschaving van het binnenland ook kon nagaan.

Mijn gastheer bracht mij naar een in het Zuiden werkenden ambtsbroeder van hem, die mij op een van zijn reizen afzette op de kleine, vlakke koraal-eilanden, die vóór Zuid-Malekula liggen. Die eilandjes, de Maskelynes, zijn verheffingen van een uitgestrekt rif, dat zich daar ver in zee uitbuigt en de talrijke eilandjes onder de oppervlakte van de zee onderling verbindt. De streek is bekoorlijk; de zee schittert boven de ondiepten in allerlei kleuren, en in alle richtingen ontdekt men tusschen de openingen van de mangrovewouden door de kleine eilandjes, die als coulissen vóór elkander liggen. Op Kuliviu, waar ik bleef, is alles bekeerd, en van de andere had de heidensche bevolking zich op het vasteland teruggetrokken.

Er heerscht op dit eilandje een heel eigenaardige zede, die in de Stille Zuidzee zelden optreedt en hier op een betrekkelijk klein gebied is gelocalizeerd, namelijk de misvorming van het hoofd, dat in de lengte wordt uitgerekt. De grond voor dit bijzonder gebruik kunnen de menschen natuurlijk niet opgeven; het is eenmaal gebruik, zeggen ze, en tegenwoordig is het een plicht voor de ijdelheid geworden, zich het hoofd te ontsieren. De operatie wordt al bij den zuigeling begonnen, ongeveer een maand na de geboorte; men wrijft eerst het hoofdje met roet en vet in en zet er dan een van pandanenbladeren gevlochten mutsje op. Het groeiende hoofd vult het nauwe mutsje en rekt zich dan in de lengte. Wordt de omklemming werkelijk te nauw, dan wordt het mutsje losgesneden en vervangen door een ietwat grooter, tot de trotsche moeder met de verlenging van het hoofdje tevreden is. De kinderhoofden zijn dan ook meestal bepaald misvormd, bijna afschrikwekkend; maar de zaak schijnt toch geen ernstige gevolgen te hebben; de kindersterfte is er niet grooter dan elders, en bij het ouder worden gaat de vorm zich wijzigen, terwijl het intellect niet schijnt te lijden onder de misvorming van de hersenkas.

Van waar het gebruik afkomstig is, weet men niet; maar een dergelijke schedelmishandeling kwam bij de Inca's in Peru voor en ook bij de inboorlingen van Nieuw-Pommeren. De inboorlingen, die veel met andere zwarten en met blanken in aanraking komen, hebben er nu last van door de opmerkingen, die ze moeten aanhooren. Ze dragen meestal mutsen, want van hoeden is geen sprake, daar die op hun spitse kruin balanceeren als een bord op een vinger.

In dit gebied was ook sterk ontwikkeld de dienst der voorouders of dan eigenlijk van hun schedels. Naast het wetenschappelijk belang is het voor den verzamelaar van beteekenis, dat deze dienst hem zeer interessante voorwerpen kan opleveren. Men meent, door bewaren en bij zich dragen van een reliek van de voorouders zich in het bezit te stellen van hun kracht en hun geestelijke vermogens. Daarom worden de beenderen wel in de wapens verwerkt en ook wel als eetmessen in den gordel gedragen. De schedels zijn voor practische aanwending niet te gebruiken; maar men mag ze niet vernielen en niet weggooien. Blijkbaar weet men niet recht, wat men ermee moet aanvangen en is er ook wel een beetje bang voor. Op sommige eilanden worden ze daarom wel verborgen tusschen de wortels van de vijgenboomen of in ontoegankelijke rotsen; op andere plaatsen begraaft men ze weer in de hutten of op gemeenschappelijke begraafplaatsen. Op Ambrym had ik al eens sporen van schedelcultus gevonden, doordat ik herhaaldelijk op steenen tafels of in de huizen van de geheime genootschappen groepen schedels zag, die men voor zeer heilig hield. Hier nu werden aan de schedels de gezichten weer gemodelleerd op zeer kunstige manier. Van kokosvezels, klei en de kleverige sappen van vijgen- en broodvruchtboomen werd een kneedbare massa gemaakt, waarmee men aan de schedels een gezicht fatsoeneerde. Het werk toonde soms groote kunstvaardigheid, want de gezichten waren vaak uitstekend gevormd en vertoonden fijne, haast edele trekken. De oppervlakte werd met een harsachtige stof bestreken en er ontstond dan een huidachtige korst, waarop met oker en roet een beschildering werd aangebracht, die met de kaste van den gestorvene overeenkwam. Dikwijls maakte men oogen in het gezicht, uit slakkenhuisjes gesneden, kleefde haar aan het hoofd, stak veêren in het haar en bracht een neusstaafje aan, zoodat het hoofd een nauwkeurige nabootsing werd van den levenden mensch. Hoe hooger de kaste van den doode was geweest, des te volkomener werd het lichaam gemaakt. Bij lage kasten zet men het hoofd eenvoudig op een stok; bij de hoogere had men er versierde staven voor, waarop gezichten waren uitgesneden, meer, naarmate de kaste hooger was, terwijl uitstaande staven de armen aanduidden. Bij zeer hooge personen werd de heele figuur nagemaakt van bamboes, stroo en bastvezels. Ook dan werd het lijf met de harsachtige vernislaag bedekt en beschilderd, om alle bijzonderheden aan te geven. De borsttepels, de navel, de knieën en teenen werden aangebracht, evenals de kleeding, de veêrenversiering en de armbanden als aanduiding van den rang.

In de rechterhand dragen deze standbeelden een schelphoorn en in de linker een varkenskaak. De schouders worden tot gezichten gevormd, en uit de schouders steken veêren en met bladeren versierde pluimen, waaraan de schedelmaskers van de gestorven zoons van den doode worden opgehangen, zoodat zulk een beeld, dat soms meer dan één hoofd heeft, er zonderling uitziet. De beelden staan tegen de binnenwanden van een gamal of mannenhuis en nemen op die manier deel aan het leed en de vreugde van het geslacht. Ze belichamen de bescherming door de geesten der afgestorvenen, die bij de gamal behooren, en bij groote feesten zet men voedsel voor hen neer en neemt aan, dat de geest zich verkwikt aan den geur van de spijzen.

Een eenvoudige vorm van een doodencultus uit zich daarin, dat men de schedels van geliefde dooden van maskers voorziet en die dan met zich meeneemt. Zoo zullen vaders dikwijls de schedelmaskers van hun zoons en mannen de schedels van hun lievelingsvrouwen op alle feesten bij zich hebben en ze aan de maaltijden voor zich zetten, opdat ze aan het feest mogen deelnemen. Er is wel iets ontroerends in dat gebruik, hetzelfde idee, dat ons een haarlok doet bewaren en in een medaillon bij ons dragen. Dat gevoel ontspringt waarschijnlijk in onze diepste instincten, waar de menschelijke geest niet van kan loskomen en waarvan we geen andere rekenschap kunnen geven, dan dat het ons een behoefte is. Parallellen van zulke standbeelden van voorouders en belichamingen van beschermende geesten komen immers in de hoogere godsdiensten zoo veelvuldig voor, dat ze niet behoeven te worden genoemd.

Men kan zulke voorwerpen natuurlijk alleen koopen, als de families, waarin ze behooren, zijn uitgestorven, en zulk een beeld uit een gamal, dat aan niemand behoort, stond men mij gewillig af met schedelmaskers en idolen, die geen eigenaars meer hadden. Voordat ik verscheiden stukken goed had kunnen inpakken, haalde de heer Paton mij af, om naar Malo te gaan, en ik moest wel mee, als ik niet zes weken langer aan die afgelegen kust wou blijven.

Op Malo was de heer J., een Franschman, mijn gastheer. Malo toont, wat de bevolking betreft, in het zuiden overeenkomst met Malekula en in het noorden met die van Santo. Er wonen nu weinig inboorlingen; maar vroeger moet het dicht bevolkt zijn geweest, en ik vond inderdaad overblijfselen van wallen, gebouwen en hooge platforms en muren, zooals ik alleen nog op de Banks-eilanden heb aangetroffen.

Nu was onder de eilanden Pentecôte aan de beurt, een lang, smal eiland net als Maevo, dat zich in noord-zuidelijke richting uitstrekt. Aan de westkust zijn eenige ankerplaatsen, en aan de oostkust brokkelt de branding het koraalrif telkens af. De steile bergen reikten tot aan zee. Ik vond een onderkomen bij den jongen zendeling F., iemand, die tot de een of andere christelijke secte behoorde, vroeger bakker was geweest en het nu voor zijn plicht hield, de inboorlingen te bekeeren. Daar hij van het Christendom zelf slechts vage voorstellingen had, legde hij het hoofdgewicht op uiterlijkheden, verlangde van zijn arbeiders niet alleen het dragen van lendendoeken, maar van broeken, hemden en buizen en van de vrouwen de bekleeding met leelijke, altijd vuile rokken. Ook stond hij erop, dat de inboorlingen op Zondag niet kookten, niet gingen wandelen, enz. Het is ergerlijk te zien, hoe op die manier een massa natuurlijkheid en gezonde oorspronkelijkheid vernield wordt, en hoe het Christendom aan dingen wordt verbonden, die er niets mee te maken hebben. Het dragen van kleederen is bepaald nadeelig voor de inboorlingen. Bij hun verschrikkende vatbaarheid voor verkoudheden moet alles worden vermeden, wat daartoe aanleiding kan geven, en kleederen behooren in de eerste plaats daartoe.

Terwijl de naakte inboorling, als hij doornat is van den regen in de hut bij het vuur dadelijk droogt en warm wordt, komt hij met kleêren op de vele regendagen haast nooit uit de vochtigheid. Hij denkt er niet aan, in den regen de kleêren uit te trekken, om ze in de hut droog weer aan te trekken, maar laat zich natregenen en gaat in de druipende lappen thuis bij het vuur zitten, waar hij natuurlijk in langen tijd niet warm wordt. Bibberend en huiverend hurkt hij bij het vuur en is den volgenden dag meestal verkouden. Met de vrouwen is het precies hetzelfde, die daarbij vaak meer kleêren over elkander aan hebben. Op regendagen worden ze haast nooit droog, daar noch mannen, noch vrouwen eraan denken, droge kleêren aan te doen.

Evenmin is uit aesthetisch of zedelijkheidsoogpunt de zaak goed te praten, en het viel mij wel eens moeilijk, mijn ergernis tegenover den zendeling te onderdrukken. Gelukkig begaat de anglicaansche zending dezelfde fout niet, maar wekt de inboorlingen op, in kleeding en leefwijze zich aan het van ouds gewende te houden. Toch had de heer F. wel een paar goede resultaten. Aan alle dorpstwisten had hij een eind weten te maken, en er heerschte wel een goede geest op het eiland.

Nadat ik er een dag of veertien was geweest, bracht de heer F. mij naar het midden van het eiland, dat ik ook daar de menschen zou leeren kennen, waar meer overeenkomst is met Aoba en Maevo. Daar dragen mannen en vrouwen schaammatjes, die van pandanusbladeren worden gevlochten door de vrouwen. Het mattenvlechten wordt er met goed gevolg beoefend. Bij het verven van de grootere matten worden deze over een houten rol gewonden en het uit een bananenscheede geknipte patroon wordt erom gebonden. De verfstof, uit een wortel bereid, die in water wordt uitgetrokken, na eerst fijngeschaafd te zijn, wordt dan in een bak tusschen een paar groote vuren gezet, waardoor de vloeistof niet gaat koken, maar toch sterk wordt verhit door de straling. Op die manier worden matten geverfd, die een meter breed en vier tot vijf meter lang zijn. Vaak hebben ze mooie patronen en ze vertegenwoordigen groote waarde, die ook hier in varkens wordt omgezet, als men in een hoogere kaste wil komen.

Van Pentecôte wilde ik naar Aoba gaan en had gehoopt, in Olal of misschien van Dip point een stoomboot te treffen; maar het weêr was te slecht voor de vaart en nu ried de heer F. mij aan, rechtstreeks naar Aoba te varen met de zeilboot van een buurman van hem, den heer Gr. Op die vaart waren we al dicht bij Ambrym, toen ik plotseling in de verte de engelsche stoomboot ontdekte, die langzaam langs de kust naar Olal sloop, om daar spoedig te ankeren. Daar die booten geen vasten koers hebben, kan men zich niet op hun komst voorbereiden. Het schip kon even goed in Olal den nacht doorbrengen, als naar Dip Point terugkeeren of naar het Noorden stoomen. De eenige zekerheid geeft het toevallige treffen van het vervoermiddel en er dan gebruik van te maken, als men dat kan.

Doch de heer Gr. had goed geprofeteerd; de boot lag zoo, dat wij door kruisen haar konden bereiken, als ze lang genoeg in Olal bleef. Wij kruisten in den steeds zwakker wordenden wind met het oog gericht op het donkere punt in Olal. Het leek wel wat op een zeerooversgeschiedenis, die inspanning, om het verre schip te naderen, en het werd een spannende historie. Een noodlottig toeval deed den wind al meer zakken; wij roeiden uit alle macht, maar kwamen maar langzaam vooruit. Toen begonnen we te hopen op de landbries, die daar nog al sterk was en wachtten met angstig verlangen op den zonsondergang. De zon ging wel onder; maar de landbries bleef uit. We konden niet meer hopen, de stoomboot met onze zeilboot te bereiken. Het beste was, naar Kanon te gaan en daar een roeiboot te huren, die mij aan boord kon brengen.

Terwijl we in donker haastig naar land roeiden, gleden lichten ons voorbij. Het was de stoomboot, die naar het noorden scheen te varen. We hadden haar dus gemist. Ranon was een groote kokosplantage, waar wij vriendelijk werden ontvangen en in de warme lucht van Ambrym dood vermoeid spoedig insliepen.

Tegen zonsopgang wekte ons de explosie van een dynamietpatroon. In de vischrijke wateren werd op die manier dagelijks gevischt, deels om voedsel te hebben voor de arbeiders, deels voor den verkoop aan de inboorlingen. Terwijl de arbeiders in het ondiepe water plasten, om de gekwetste of bewustelooze visschen in te zamelen en in de boot te gooien, kwamen ook van alle kanten kleine haaien aanzwemmen, voor wie de explosie het welkome sein was voor het ontbijt. Begeerig schoten ze heen en weer; overal waren hun rugvinnen te zien. Zoolang er genoeg visschen zijn, is er geen gevaar voor de inboorlingen, want deze kleine soort van haaien jagen alleen op visschen. Maar als die er niet genoeg zijn, kan het voorkomen, dat ze een zwarte een visch uit de hand rukken, waarbij de hand wel eens meegaat. Bij wat voorzichtigheid laat dat zich echter vermijden. De groote, gevaarlijke haaien zijn op de eilanden zeldzaam en bepalen zich tot enkele districten.