In het Oerwoud en bij de Kannibalen op de Nieuwe Hebriden De Aarde en haar Volken, 1918
Part 2
Tegen zonsondergang geeft de boeboe het sein tot de rust, en de afzonderlijke groepen slenteren naar de kwartieren, eenvoudige strooien hutten, waar ieder een verhoogde slaapplaats heeft en een kist met zijn hebben en houden. Uit een grooten ketel haalt hij zich zijn maal, dat de kok van de week heeft bereid, rijst of taro of yams met bananen en wat er juist is. Vaak is er ook vleesch, bij den eenen meester meer dan bij den ander. Waar veel wilde zwijnen zijn, is het eenvoudig, de menschen op Zondagmorgen op de jacht te laten gaan. Het hangt dan van hen af, of ze hun gebraad zullen hebben of niet.
Na den maaltijd zitten ze om de vuren en praten. De gebeurtenissen van den dag worden besproken, en er worden geschiedenissen verteld en sprookjes over monsters en kobolden. De danslust lokt de menschen soms naar het strand, waar dan gedanst en muziek gemaakt wordt of waar men bij sterke ebbe naar kreeften zoekt. Zoo is er in het eentonige leven nog wel wat afwisseling.
De diensttijd van mijn bedienden uit Talamacco zou na een maand afloopen, en nu ze Nouméa hadden gezien en hun doel hadden bereikt, wilden ze naar huis. Ze lieten mij dat merken door systematischen passieven tegenstand, waren knorrig, langzaam en onaangenaam, en daar men niet elken dag kan straffen, werd het leven ver van prettig. Het is ook treurig, voor de goede behandeling, die men hun doet ondervinden en die veel beter is, dan waartoe men is verplicht, zoo weinig dank te krijgen. Maar men moet dan bedenken, dat de inboorling niet gewend is, door den blanke beter te worden behandeld, dan in het belang van dien blanke is, en dat hij daarom bij iedere vriendelijkheid verwacht, dat hij er indirect voor zal moeten betalen, zoodat hij elk geschenk met wantrouwen aanvaardt. Ik vond het in die omstandigheden het beste, niet op mijn recht te staan, maar hun de vrijheid te beloven, zoodra ik andere mannen had gevonden.
Op Epi vond ik weinig origineels meer; alle inboorlingen zijn bekeerd en gekleed, dus geciviliseerd. Dus was mij de gelegenheid welkom, op een australische stoomboot naar Ambrym te kunnen gaan. Dat doel was maar 25 mijlen van Epi verwijderd; maar de boot deed er vier dagen over door de vele aanlegplaatsen. Op de westkust van het ten oosten van Malekula liggende eiland ging ik te Dip Point aan land. Daar lag een hospitaal van de presbyteriaansche zending, en Dr. B. ontving er mij uiterst vriendelijk.
De ligging van het hospitaal en de omgeving waren mooi en rustig; het huis en de nevengebouwen lagen op een plateau, dat zacht naar zee helde. Er waren bij den aanleg boomen geveld, maar een aantal zware vijgenboomen had men laten staan, en hun breede schaduw lag over het frissche grasveld. Onder dat schaduwdak speelt altijd een koeltje, dat van de heuvels neerstrijkt door de stammen en de luchtwortels naar de blauwe zee, waar in de verte Aoba opduikt en waar Malekula in verzinkt. De zieke inboorlingen lagen er met hun verbonden ledematen in het koele gras op de helling en droomden er hun droomen.
De heer B. was een uitstekend chirurg en had zijn klantjes in den heelen archipel, want de inboorlingen hebben vertrouwen in hem. Eerst wilden ze betaling hebben, als ze zich lieten opereeren; maar nu komen ze uit eigen vrijen wil. Er kunnen een kleine zestig patiënten worden verpleegd; ik trof er vijftig inlandsche en zes blanke zieken. Met eenvoudige hulpmiddelen volbrengt de dokter zijn operaties, waarbij zijn vrouw de narcosen leidt en een pleegzuster assisteert.
Het is jammer, dat de alcohol zooveel nadeel toebrengt aan de gezondheid van de inboorlingen, en dat de kooplieden zich om de wetten van het condominium zoo weinig bekommeren uit zuiver winstbejag. Nu leveren ze slechten sterken drank, die duur wordt betaald, en juist hier op Ambrym, waar de bevolking nog vrij talrijk en gezond is, moest worden ingegrepen, om verdere nadeelen te voorkomen.
Den volgenden dag voer ik met den dokter langs de noordkust en kon de eigenaardige formatie van het eiland opmerken. Ongeveer in het centrum ligt de zoowat duizend meter hooge krater, in welks reusachtig bekken twee openingen dicht bij elkander hooge schoorsteenen hebben opgeworpen. Maar daarvan kan men van de kust af weinig zien. Meestal bedekken zware wolken de kratertoppen; men ziet alleen de steile hellingen, waarlangs ruggen en kloven loopen naar den rand van het wijde kraterbekken.
Trots de dichte woudbedekking kan men op veel plaatsen duidelijk den loop van vroegere lavastroomen nagaan. Men herkent de trage windingen van de taaie massa, hoe ze langzaam, maar aanhoudend, alles verbrandend en verwoestend, naar beneden gleed. Daar stuitte haar de zee, waar de lava in avontuurlijk grillige vormen en bulten is verstijfd, en nu nog duiken uit het water de blokken omhoog, alsof ze eerst gisteren verstard waren. Alle paar honderd meter ziet men aan het strand zulk een zwart bolwerk, waartegen de zee witte brekers opwerpt. Bij donker weêr is de aanblik van deze kust zeer somber, maar ook interessant als een landschap uit den voortijd.
Na den middag had ik tijd voor een wandeling het land in. Dadelijk aan het strand rijst de bodem regelmatig. Eerst ging het over de lavablokken en daarna over zacht, zwart zandstof, dat, uit de lucht neerdalend, het heele eiland overdekt. Het zand is week als een tapijt en toch stevig. Ik was spoedig boven op de prachtige wandeling. De eenmaal zeer dichte bevolking had het eiland overal bebouwd, zoodat men door een reusachtigen, verwilderden tuin liep. Men zag overal bananen, broodboomen, palmen en andere nuttige planten. De verscheidenheid van groen was heerlijk om te zien na het eentonige woud op de andere eilanden.
Al te gauw moest ik omkeeren, om mee terug te varen. Dit was het begin van een genotrijken tijd. Met hulp van Dr. B. kon ik vier aardige Ambrymeezen huren, gewillige, opgewekte jongens, met wie ik des morgens de naburige dorpen bezocht om, met buit beladen, terug te komen. De namiddag verliep met werk in huis.
Het weder bleef mij trouw, en de wandelingen door het van den dauw nog vochtige woud, op de zachte paden in de talrijke kloven, die koel en schaduwrijk waren, het was alles haast te mooi, om nog plicht te mogen heeten. Ambrym heeft in zijn cultuur veel van Malekula, en de dracht is dan ook bijna dezelfde. De mannen dragen den gordel van boombast en de nambas, die ze van Malekula krijgen. De vrouwen binden zich een klein grasschortje om de heupen, maar in verscheiden lagen over elkander, zoodat er een dikke ring ontstaat, die ze wel wat op balletdanseressen doet gelijken. Overigens is het lichaam bedekt met een dikke laag vuil, olie en roet, en de geur, dien de menschen verspreiden, is zoodanig, dat ook een blinde hun aanwezigheid zou moeten bemerken. Toch schijnt het ras betrekkelijk gezond, en een bijzonder goed verschijnsel is, dat er geen gebrek aan vrouwen schijnt te bestaan.
De dorpen liggen meestal open, met enkel hier en daar een afsluiting voor de zwijnen.
De huizen staan dichtbij elkander op een open plek, en wat terzijde staat het mannenhuis en is de dansplaats met de trommelboomen en de standbeelden, die voorouders voorstellen. De woonhuizen zijn maar ellendige, lage hutten met daken van rietgras en lage bamboewanden. De deuren zijn kleine, vierkante gaten, zoowat een voet boven den grond. Men kan enkel op handen en voeten binnen komen, en voor het fatsoen moeten de vrouwen in achterwaartsche richting in huis gaan, wat een komisch effect maakt. Vaak ziet men uit een huis een nieuwsgierig gezicht naar buiten gluren, wat lijkt op een hond, die uit zijn hok kijkt.
In den regel is de eerste gebeurtenis, als men een dorp betreedt, dat een schaar vrouwen en kinderen uit elkaar stuift, gillend en schreiend, wat de kinderen betreft, want de blanke schijnt hier de zwarte man, die de kinderen kan komen halen. Op grooteren afstand blijven de groepen stil zitten, wel wat wantrouwend en zenuwachtig gichelend. Dan komen een paar mannen naderbij als toevallig. Mijn jongens vertellen dan, wie ik ben en wat ik wil; een onbedaarlijk gelach is het gevolg, en men houdt mij voor een dwaas. Men schudt het hoofd, wil alles weten, hoe ik heet, waar ik woon, of ik gevaarlijk ben, of ik geld heb, wat ik eet, of ik rook en drink, hoeveel kleedingstukken ik heb, hoeveel geweren, enz.
Het resultaat is, dat men mij òf voor een gek houdt òf voor een gevaarlijken toovenaar. In het eerste geval denkt men mij te kunnen exploiteeren en haalt uit de hut het een of andere oude ding, om dat duur te verkoopen. Het duurt altijd een heelen tijd, eer men begrijpt, waar het mij om te doen is, en de waardevolle stukken behooren meestal aan iemand, die er net niet is, een beleefde vorm, om te zeggen, dat ze het wel hebben, maar het nooit aan mij zullen afstaan. Het koopen is werkelijk een lastig werkje, dat veel geduld en tact vereischt. Gaat men weg, dan wenkt er weer iemand u in een hoek en staat het stuk toch af. Stomme verbazing is er, als ik naar schedels vraag. "Daaronder liggen er een massa", zeggen ze dan schouderophalend en wijzen op een boschje met een muur eromheen. Eens verscheen ik met schop en spade in een dorp. Maar mijn bedienden hadden angst, en dus moest ik zelf werken. Ik groef beenderen op en een paar tabakspijpen en armringen. Geheel zwart van de vulkaanasch, stapte ik uit den kuil en sprong dadelijk in zee, en drie dagen lang werd er over niets anders gepraat dan over den dwazen blanke, die eigenhandig naar beenderen zocht. Ofschoon de Suque hier wel wordt gevolgd, zijn er nog andere geheime mannenbonden, die ieder een eigen huis hebben, zoodat men in zeer groote dorpen verscheiden van die huizen kan aantreffen. In de hooge suquekasten mag het huis niet door leden van een lagere kaste worden betreden. De rang is herkenbaar aan den aard van de omheining, die uit hout is opgetrokken of bij hoogere kasten van koraalblokken is gemaakt.
Middenop de dansplaatsen staan de trommels, niet zooveel als op Malekula, maar daarentegen van beter qualiteit. Ook aan de trommels is de kaste te herkennen, want op die van de hoogere kasten zijn meer hoofden gesneden, die voorouders voorstellen.
Nadat ik de omgeving van Dip Point had afgezocht, trok ik langs het strand naar Port Vato in het midden van de zuidkust. Daar was een sinds lang verlaten zendingshuis, waar ik kon wonen te midden van een dichte, nog vrij primitieve bevolking, die al gepacificeerd was en naar buiten in de beste eendracht leefde. De bewoners kunnen zich nu veilig bewegen in den omtrek, wat vroeger een gevaarlijk bedrijf was. De meeste dorpen hadden het altijd aan den stok met de buren, zoodat iemand alleen zich niet buiten het dorp waagde, en de mannen de op de velden werkende vrouwen moesten bewaken. De onveiligheid was zoo groot, dat veel bewoners van dorpen op niet grooter afstand van de zee dan bijvoorbeeld twintig minuten, het groote water nooit van dichtbij hadden gezien. Die toestanden behooren echter al tot de oude geschiedenis, dat wil zeggen, dat ze sinds tien of twintig jaar tot het verleden behooren, en de bevolking is over het algemeen met de verandering ingenomen, uitgezonderd een paar booswichten. Maar er is geen twijfel aan, of de twisten zouden dadelijk weer beginnen, als men de menschen aan zichzelf overliet. Ik kon dus met mijn bedienden, die van het andere eind van het eiland afkomstig waren, mij vrij bewegen; maar een man van Santo was toch niet heelemaal gerust en hij ontwikkelde in die dagen plotseling een waren hartstocht voor de kookkunst en veel liefde voor bordenwasschen, daar hij als kok meer recht zou hebben, thuis te blijven. Hij is later met mijn Ambrymeezen goed bevriend geworden, droeg geduldig hun spot om zijn angst, ging op verdere uitstapjes goedmoedig mee en droeg de zwaarste lasten.
Evenals in Dip Point bezocht ik des morgens de dorpen. Een handige, verstandige man had zich al den eersten morgen als gids aangeboden. Met zijn hulp was het mij mogelijk, veel stukken te krijgen, die ik anders nooit onder de oogen zou hebben gehad. Hij had echt begrip voor wat ik wou hebben, en trachtte, mij alles te laten zien.
Daar kwamen dus de vrouwen aan, op de knieën voortschuivend, want anders mochten ze niet in de tegenwoordigheid van mannen verschijnen, en reikten haar bescheiden bezittingen over, matten, mandjes, armbanden en dergelijke kleinigheden. Het is daarbij, ook als de mannen met het een of ander aankomen, opmerkelijk, dat ze zelden hun stukken zelf aanbieden, maar dat ze die aan een derde geven, om den koop te sluiten. Dat is niet alleen, omdat ze vaak de taal niet machtig zijn, maar ook om niet te worden uitgelachen, als ik het stuk niet koop of den gewenschten prijs niet wil betalen. Daarbij speelt de uiterste fijngevoeligheid of de trots van de menschen een rol, waardoor ze elke weigering, elk neen zeggen en iedere onaangenaamheid zonder twijfel diep voelen.
Daarover zal wel verbaasd wezen, wie zich de natuurvolken als wilden of half dierlijke wezens voorstelt, onvatbaar voor fijner gevoelens. Maar ieder, die onder hen verkeert, zal gelegenheid krijgen, dien delicaten kant van hun aanleg waar te nemen in de beleefdheid, die ze op hun manier tegenover elken blanke aan den dag leggen; in de vriendelijke, voorkomende wijze, waarop ze met elkander omgaan, en in de zelfoverwinning, die het hun kost, een verzoek tot u te richten. Het onbeschaamde optreden, dat ze soms tegenover een blanke vertoonen, is haast altijd slechts de dekmantel voor groote verlegenheid en bevangenheid, waarmee ik niet wil beweren, dat er in het geheel geen onbeschaamde kerels onder hen zijn.
Onder elkaar zijn ze zeer kritisch, letten op alles en laten geen zwakheid zonder commentaar voorbijgaan; maar de spot schijnt niet te kwetsen, en in het algemeene gelach stemt het slachtoffer op het eind zelf in.
Men komt inderdaad met beleefdheid ook zelf het verst bij hen, en als men consequent en rechtvaardig is, zal men ook wel een deel van hun vertrouwen kunnen winnen. Dan moet men echter ook tot in de kleinste détails correct zijn, want de heele bevolking weet precies, wat men des middags heeft gegeten en hoe vaak men baadt of zich verschoont.
Over het algemeen zijn de bewoners van Ambrym sympathieker dan die van Santo. Ze zijn mannelijker, minder serviel, maar trouwer en betrouwbaarder, minder valsch, eerder openlijk vijandschap toonend, aanhankelijk, levendig, ijverig en niet zoo slaperig als die van de andere eilanden.
Uit het dorp wou ik graag een paar bijzondere trommels hebben, instrumenten, waarmee ze een gonzend of brommend geluid voortbrengen. Mijn gids zou er voor mij naar vragen. Twee mannen stonden verbaasd op en vroegen, hoe ik wist, dat zoo iets bestond. Dat was immers het grootste geheim. Laat men toch zorgen, er niet over te spreken in tegenwoordigheid van de vrouwen! Ik werd weggetrokken naar het mannenhuis. Die snortrommels dienen evenals andere instrumenten, om lawaai te maken, voor het verschrikken van vrouwen en kinderen, hoofdzakelijk om ze verwijderd te houden van de geheime plechtigheden der mannen. Als een vrouw, of over het algemeen een oningewijde, aan wie verteld is, dat dit de stemmen van machtige geesten zijn, de instrumenten hoort, moeten ze oogenblikkelijk vluchten. Natuurlijk moeten de instrumenten streng verborgen worden gehouden voor oningewijde oogen. Nu zijn tegenwoordig het liberalisme en het sceptimisme ook al op de Nieuwe Hebriden doorgedrongen, en ik geloof niet, dat ten minste de jongeren er nog aan gelooven.
Ze fluisterden mij op geheimzinnige manier in het oor, dat de snortrommels in het mannenhuis waren, en ik trad binnen en hoorde een kreet van schrik van de mannen, nu ik midden in hun geheimen was gedrongen, wat toch niet mocht. Er was thans niets meer aan te veranderen, en ik was blij, binnen te zijn, want het was een waar museum, waar ik watertandde van alle heerlijkheden. In de roetige balken hingen zes half klare maskers, die er veelbelovend uitzagen, en een oud idool, een gezicht op een driehoekig vlechtwerk.
Achter in de hut stonden, als kanonloopen opgesteld, vijf holle trommels, waarin gehuild wordt door een bamboehuis. Daardoor ontstaat een helsch lawaai, ongeveer alsof iemand op een groote bastrompet gaat oefenen, of als het gebrul van een os of het kwaken van een reuzenkikvorsch. Het waren heel bijzondere heiligdommen, bepaald zeer werkzame schrikmiddelen voor oningewijden. Voor hetzelfde doel gebruikte men ook kokosnootschalen, waar water in werd gegoten, en waarin men dan door een buis gaat brommen, gorgelen, fluiten of andere avontuurlijke muziek maakt.
Men liet mij al die schatten zien, maar wilde er in het geheel niet van scheiden. Een klein houten trommeltje haalde men uit het dak en stond het mij voor veel geld af. De oude man beefde, toen hij het mij overreikte en bezwoer mij, het aan niemand te laten zien, wikkelde het in tallooze bladeren en maakte uit het kleine voorwerp een heel pak. Ook een paar van de minst mooie maskers kon ik koopen, gezichten, ingesloten door een krans van lange kokosvezels. Tegenwoordig worden ze eigenlijk alleen in scherts gebezigd, om de kinderen bang te maken; maar oorspronkelijk hadden de maskers godsdienstige beteekenis. Hier is de decadentie ingetreden, die met het heilige schertst.
Een dikke, forsche man kwam op mij toe en bood mij een fluit aan, maar vroeg het dubbele van wat ik wilde geven. Toen hij zag, dat ik volhield, gaf hij de fluit zonder meer tegenwerpingen voor een paar rollen tabak. Hij bracht mij naar zijn huis, waar hij lang onder zijn schatten zocht en mij dan een paar prullen bracht. Hij droeg als armringen veel groote varkenstanden.
Bij de wandelingen op het eiland hoorde men vaak de kanonnade van den vulkaan, een dof onregelmatig gedonder. Door de boomen kan men hier den krater niet zien, en alleen aan de kust kon ik nu en dan de rookwolk opmerken. Uit het huis van de zending was het uitzicht bij helder weêr prachtig mooi. Men kon Malekula zien met de beboschte bergen in een onuitsprekelijk schoone, blauwe zee. Ook des nachts was van de veranda alles schitterend, als het maanlicht speelde op het water en als fijn zilverstof in de atmosfeer scheen te zweven.
Eindelijk zou ik een bezoek aan den vulkaan brengen. Verscheiden inboorlingen sloten zich bij ons aan, die het blijkbaar veiliger vonden, het "vuur" in gezelschap van den blanke te gaan zien dan alleen. Maar de Ambrymeezen zijn over het algemeen merkwaardig weinig bang voor den vuurspuwenden berg, terwijl op andere eilanden ze den ingang van de hel in den krater hebben geplaatst.
In een kleine colonne bewogen we ons door het oerwoud onder het gedonder van den berg. Halverwege konden we een kleine uitbarsting waarnemen, maar we zagen alleen de wolk, daar de krater zelf door de randheuvels van het groote plateau aan ons oog was onttrokken. Door dicht struikgewas voerde de weg in het half droge beekbed van een nauwe kloof. De rotsblokken waren in de bedding glad geslepen, en de blootvoetige inboorlingen konden er wel op blijven staan, maar voor mij met mijn spijkerschoenen was het marcheeren moeilijk, en vaak kon ik alleen op handen en voeten langs de steenen kruipen, wat de dragers niet weinig amuseerde.
We zagen hier opvallend veel boomvarens. De prachtige bladerbundels doken overal uit het groen op; soms schenen ze het bosch alleen te vormen of legden een prachtig tapijt langs de hellingen. We volgden de beek eenige uren, en ze bracht ons aan den rand van het plateau. Toen het pad de beek verliet, liet ik halt houden en liet koken, daar we van hier af geen water meer zouden tegenkomen. We waren nu dicht bij den vulkaan, en terwijl we onze rijst aten, hoorden wij het hevige, doffe donderen. De dragers werden wat onrustig; maar een grappenmaker bepaalde hun aandacht bij het eten, en vroolijk braken allen op, nadat we alle vaatwerk met water hadden gevuld. Spoedig hadden we het plateau bereikt. Het was een groote vlakte van ongeveer twaalf kilometer in middellijn en zeshonderd vijftig meter hoog, omgeven door een wal van lage heuvels, die afvielen naar de kust. Het schijnt, dat deze vlakte eens een reuzenkrater is geweest, waarin de openingen zich nu bepalen tot twee kleinere kraters, die in het noordwesten vijfhonderd en zevenhonderd meter hoog zich boven het plateau verheffen. De bodem bestaat uit zwarte, grofkorrelige slakken, die knarsen onder de voeten en zwart stof doen opdwarrelen. Plantengroei is er natuurlijk haast niet; maar toch ziet men nog hier en daar tusschen de kleine opgeworpen heuveltjes, die vaak in rijen staan, wat rietgras en enkele struiken. Het is een woestijnachtige aanblik, die vooral zoo treffend is, omdat het oog aan de weelde van het oerwoud gewend is. Op het plateau, dat zich in het oneindige schijnt uit te breiden, omdat de horizon bijna naar alle zijden vrij is, rijzen de beide kraters omhoog in scherp omlijnde silhouetten, zwart en dreigend, omgeven door eenige witte stoomwolken.
Op een vlak gedeelte tusschen rietgras sloegen we het kamp op. Het punt lag hoog, en we hadden van daar een goed overzicht over de vlakte met de door wind en regen afgeronde heuvels, in radiale rijen van de kraters uitgaande. Waar de voeten der kraters samenkwamen, zag men een wirwar van heuveltjes, als de golven van een wildbewogen zee. Hoe verder ze zich van de kraters verwijderden, des te kleiner werden ze en verloren zich dan in de vlakte, die plotseling in de randheuvels haar einde vond en haar omlijsting door dicht oerwoud.
De lucht was bedekt, en een vaal licht speelde over de vlakte, waar de kraters donker opstaken als spoken. Pas had ik het photografietoestel opgesteld, of de westelijke bergreus begon een voorstelling. De stoomwolken werden dichter, en er klonken doffe detonaties, waarbij telkens een bruingrijze wolk uit den berg kwam als uit een schoorsteen. De kale top werd roodachtig verlicht, alsof hij gloeide, en lavabrokken vlogen in een boog uit de wolk en vielen achter den kam van den berg. Daarna werd de berg weer rustig, en alleen het kleine dampwolkje bleef hangen. Ik lette goed op, hoe ver de steenen werden weggeslingerd, om te weten, hoe nabij ik mij kon wagen; maar ik zag wel, dat ze vrij dicht bij de opening neervielen.
Toen wandelde ik naar den krater, door het pad te volgen, dat zich als een lichte draad over den aschbodem slingerde en achter de heuvels verdween. Het was een voortzetting van den weg, dien wij tot nu toe hadden gevolgd, en die van den zuidelijken naar den noordelijken oever van het eiland voert tusschen de beide kraters door. Het is opvallend, dat de schuwheid voor den vulkaan de inboorlingen niet afschrikt, dezen weg te gaan; maar veel gebruik wordt er ook niet van gemaakt. Het moet wel iets bijzonders zijn geweest, toen voor het eerst een inboorling den moed had, de vlakte over te steken en zich met angst in het hart tusschen de kraters door een doorgang zocht.
Mij bewees het pad goede diensten. Op de knarsende slakken kwam ik nu beter vooruit dan de inboorlingen, wier voeten pijn deden op de kantige brokken. De lucht was nu blauw, en alles herinnerde aan een woestijnwandeling. Men had hier dezelfde droge lucht, die de van het warme zand uitstralende warmte afkoelde; dezelfde stilte en plechtigheid, ook een zelfde mengeling van blauw, groen en bruin en het verre, ruime uitzicht. Na een poos van stijgen kwamen we op den kam en spoedig aan den kraterrand, 850 meter hoog, waar ik het ongeveer 800 meter wijde bekken kon overzien.