In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland

Part 9

Chapter 93,443 wordsPublic domain

Wij -- Strasser en ik -- zijn te Smolensk ook naar een concert geweest in den Stadstuin en daar had ik nu toch heusch moeite te gelooven, dat ik in Rusland was. Wel liepen er veel tawaris rond (tawaris beteekent kameraad en is op het oogenblik in Rusland de gewone aanspraak in de plaats van mijnheer, maar veelal worden er de eigenlijke communisten mee bedoeld), maar voor het overige was het publiek zooals op elk europeesch corso: veel elegante vrouwen, dandies en een enkele demi-mondaine. Consumptie was echter niet veel te krijgen. Alleen thee zonder suiker en dan een zeer verdachte limonade. Ik voel mij gedrongen hier een loflied te zingen op de russische samovar. Aangezien ik nooit water drink in het buitenland, en zeker niet in Rusland, heb ik er alleen thee gedronken. Eigenlijk is de samovar een combinatie van theestoof en trekpot, van beneden heeft men een soort vaas door houtskool verhit, waarin water kookt, terwijl bovenop het kleine trekpotje met thee-extract staat. Iedereen kan dan zijn thee net zoo sterk maken als hij zelf wil. Thee en sigaretten zijn eigenlijk de eenige dingen die op het oogenblik nog goed zijn in Rusland, vooral de sigaretten. Op kaarten en voor de soldaten zijn ze heel goedkoop te krijgen, maar in den vrijen handel, zooals ik ze moest koopen, kost de beste soort 4 roebel het stuk.

* * *

In Moskou

VI

Moskou, 9 Augustus

De trein uit Smolensk komt van het Brester station in Moskou aan, vlak bij de Triomfpoort.

Het stationsplein is met keien bestraat; een byzantijnsch kerkje herinnert er al dadelijk aan dat we in Rusland zijn. Maar het heele beeld, als men het station verlaat, is zoo geheel anders dan waar ook in Europa, dat men direct voelt in Rusland te zijn.

Mijn begeleider en bewaker deelde mij mede, toen we in het rijtuig stapten, dat wij rechtstreeks naar het ministerie van buitenlandsche zaken zouden rijden, maar ik voelde toch al dadelijk dat er iets niet in den haak was.

In den trein had ik mij nog vrij kunnen bewegen en met iedereen gesproken, maar al op 't station was er een verandering in 't gedrag van mijn bewaker gekomen, zoodat ik eenigszins ongerust werd.

We reden naar een vrij groot gebouw, dat vroeger blijkbaar een hotel geweest was. Daar werd ik door een paar soldaten ontvangen. Dat leek al heel verdacht. Mijn bewaker smoesde wat met hen, en daarop zeide een duitsch sprekend soldaat, op bevelenden toon, hem te volgen, en voordat ik het wist zat ik in een kamertje met een brits en een raam, dat op een binnenplaats uitzag. In de deuropening nam een gewapende matroos plaats.

De overgang was heel plotseling; mijn bagage was mij afgenomen, maar gelukkig had ik nog sigaretten en lucifers en een stuk kwatta in mijn zak. Ik zette me op de brits, maar toen ik eens rondkeek, begon het me toch wel eenigszins onpleizierig te moede te worden. De vier witgekalkte muren waren nl. bedekt met kalendertjes, en de meeste data waren door kruisjes gemerkt.

Blijkbaar dus van voorgangers, die er eenigen tijd hadden doorgebracht. Ik zag er een van iemand, die er meer dan 3 1/2 maand gezeten had. De eerste tien minuten ging alles nog goed; ik nam de zaak eens op, maar het moois was er gauw afgekeken, en ik begon me zeer onbehagelijk te voelen.

Het eene uur na het andere verliep. Ik liet den commandant roepen. Deze kwam ook en sprak gelukkig duitsch, maar hij kon mij geen uitsluitsel geven, misschien zou ik dienzelfden dag nog verhoord worden, maar het kon nog wel een paar dagen duren. In zooverre stelden zijn woorden mij gerust, daar het mij duidelijk werd, dat ik niet in een gevangenis zat, maar in een lokaal van voorloopige hechtenis. Eindelijk in den namiddag kwam een soldaat mij halen en ik ging met hem een klein eindje over straat. De zon scheen en het was mooi weer. U kunt u niet voorstellen, wat dat voor mij was, om daar met een gewapenden soldaat naast me door die zich vrij bewegende menschenmassa te gaan, met het idee: nu word ik misschien naar het Kreml gebracht, daar in een donker hok opgesloten en is dit misschien voor maandenlang het laatste wat ik van de vrije wereld zie. Maar gelukkig werden mijn sombere gedachten niet bewaarheid, want ik werd niet naar het gevang, maar naar het bureau van den heer Litwinof gebracht, een ambtenaar van buitenlandsche zaken, den vroegeren gezant der bolsjewiki in Londen, die uitstekend engelsch sprak. Hij was heel vriendelijk en begon met mij te zeggen, dat het hem vreeselijk speet, dat ik in het hok gestopt was, maar dat hij er ook niets aan kon doen. Hij voegde er bij, dat de eenige moeilijkheid zat in de pakketten voor het consulaat, die ik bij mij had, omdat men tegenover de consulaten geheel van houding veranderd was, doordat men een paar maanden geleden ontdekt had, dat het zwitsersche en deensche consulaat te St. Petersburg contra-bolsjewistische propaganda maakten en voor den aanval op St. Petersburg spionnagediensten verrichtten. Ik vroeg of men ook over het nederlandsche consulaat zulke klachten had. Waarop het antwoord was: "neen, en dat is heel gelukkig voor u." Ik vroeg toen of ik mijn vrijheid terug kon krijgen en daarop zei de heer Litwinof: "wij zijn in een land dat in oorlog is met de geheele beschaafde wereld; daardoor moeten wij bijzondere maatregelen nemen, en heeft het ministerie van buitenlandsche zaken daar op het oogenblik niets over te vertellen. Dat berust geheel bij de militaire autoriteiten." Gelijk mij later bleek, bedoelde de heer Litwinof hiermede het geheime comité tot bestrijding van de tegen-revolutie, want de eigenlijke militaire autoriteiten hebben in Rusland heelemaal niets te zeggen. Hij beloofde mij echter zijn best voor mij te zullen doen en verzocht mij even te willen wachten, want hij wilde trachten, een telefoongesprek te hebben met den commandant. Het scheen nogal wat voeten in de aarde te hebben, hij bleef tenminste een heele poos weg. Maar gelukkig kwam hij na eenigen tijd terug met de mededeeling, dat ik vrij was en in het regeeringshotel ondergebracht zou worden, maar dat ik mijn eerewoord moest geven, zonder voorkennis van Buitenlandsche Zaken met niemand te spreken of in verbinding te treden. Ik was al wat blij dat ik het zoo ver gebracht had, en mijn eenige streven was nu ook om te zorgen dat ik er weer uit kwam. Van het oogenblik af dat ik 's morgens in het hok gezet was, had ik 't idee: zoo gauw mogelijk hier vandaan! Dat hield me zoo bezig, dat ik zelfs den landweg op een generale stafkaart en den weg door Moskou uit mijn hoofd heb geleerd. Ik had een adres van een Nederlander in Moskou gekregen, waar ik ook den consul zou kunnen treffen en had 's morgens nog gelegenheid gehad daar een boodschap heen te sturen, dat ik in Moskou was en dat zij maar bij Buitenlandsche Zaken navraag naar mij moesten doen. Ik heb er echter niets meer van gehoord en op mijn verzoek, om met de in Moskou aanwezige Nederlanders in verbinding te mogen treden -- ik wist toen heelemaal niet, dat alle zich in Rusland bevindende Nederlanders gevangen genomen waren -- werd steeds afwijzend beschikt. Ik had mijn eerewoord gegeven om met niemand in verbinding te treden en het was dus onmogelijk, in het geheim te trachten iets uit te richten. Want ik ben er van overtuigd, dat behalve de soldaat, die mij dag en nacht bewaakte, er ook nog voortdurend spionnen mijn gangen nagingen. Het is in elk geval zeker, dat wanneer ik met mijn begeleider over straat wandelde, ik ook nog voortdurend gevolgd werd. Ik gaf aan Litwinof te kennen, dat ik gaarne een interview zou hebben met Lenin, Trotzky of Tsjitsjerin. Maar het bleek, dat Lenin in het Kreml uiterst zorgvuldig werd bewaakt en voor niemand te spreken was, terwijl Trotzky al eenigen tijd te velde vertoefde. Litwinof, die de vriendelijkheid zelve was, beloofde mij alles te zullen doen, wat maar eenigszins mogelijk was om mij een onderhoud met Tsjitsjerin te bezorgen. Toen kwam mijn soldaat weer, ik kreeg mijn bagage terug en werd naar het Regeeringshotel gebracht.

Moskou, 11 Augustus

Het huis, waarin ik hier ingekwartierd ben, heeft blijkbaar aan een zeer rijke russische familie behoord. Het is groot, ofschoon het maar één verdieping heeft. Het is mij een heele geruststelling, dat hier ook Hindoes en Perzen wonen. Ik had reeds in Berlijn vernomen, dat in het regeeringshotel een dergelijke deputatie verblijf hield. Daardoor weet ik nu tenminste, dat ik werkelijk niet in een gevang ben en Litwinof mij niet om den tuin geleid heeft. Het huis is heel rijk gemeubeld en wordt blijkbaar goed onderhouden, maar alle kleeden zijn opgenomen en over alle meubels liggen hoezen. De manager verstaat geen woord duitsch, maar de soldaten, die men den geheelen dag in een stoel voor de deur laat zitten, voor het meerendeel wel. Aangezien ik mijn eerewoord gegeven heb, met niemand in contact te treden, heb ik mij schriftelijk bij het ministerie van buitenlandsche zaken beklaagd over deze bewaking. Het schijnt echter, dat buitenlandsche zaken hierin volkomen machteloos is. Daar ik met niemand mag en kan praten, behalve met mijn bewaker, vind ik het eigenlijk wel prettig, dat ik altijd iemand bij mij heb, want het is veelal niet moeilijk, zoo iemand voor kleine diensten te lijmen met een paar sigaretten en niet te vergeten een stuk brood, want deze geheime agenten, behoorende tot het geheimste aller geheime comité's in Rusland, doen niets dan mij hun nood klagen, dat het in Rusland zoo slecht is, en dat zij niet genoeg te eten krijgen. Ook over de behandeling zijn zij heelemaal niet tevreden. Ik heb mij zitten verkneukelen, als ik dacht aan alle moeite, die de sovjetregeering deed, om mij niets te laten merken van wat er omging, en dat juist de mannen, die dat moesten verhinderen, mij een kijk gaven op de algemeene ontevredenheid. De algemeene verschijnselen waren oorlogsmoeheid, honger, en klachten over de bureaukratie en ook over de duurte, die zoo groot is, dat de traktementen, hoe hoog ook opgevoerd, erbij in het niet verzinken. Ik ga elken morgen met mijn soldaat de stad in en leer zoodoende Moskou vrij aardig kennen.

Maar het straatleven is toch altijd wel interessant. Eigenlijk interessanter dan de stad, die een sterk vergroote uitgave van Smolensk is; ondanks het groote aantal straten met europeesche huizen en behoorlijk geplaveid, is en blijft Moskou een aziatische stad. Typisch is dat er naast heel hooge huizen, van zeven en acht verdiepingen, weer heel kleine van een of twee verdiepingen staan. Zoo ook met het plaveisel; soms is een straat geheel geasfalteerd, dan weer voor de helft keibestrating en asfalt, dan weer in eens hobbelt men over de keien van het soort zooals bij ons in Brabant. Er zijn ongelooflijk veel kerken. Bijna allemaal in den byzantijnschen stijl met groene of vergulde koepels en het is typisch om op te merken, hoe druk het kerkbezoek is; ik geloof niet dat ik overdrijf wanneer ik zeg, dat de helft van de bevolking bij het passeeren van een kerk den hoed afneemt en een kruis slaat. Bijna alle huurkoetsiers doen er aan mee. Hoe zal ik u dat laatste type beschrijven, met zijn lange jas en zijn hoogen hoed á la 1830 en dan de kleine huurrijtuigen met het onder een boog gespannen paardje ervoor? Zij hooren bij het straatbeeld en geven er een eigenaardig oostersch cachet aan. Er zijn er vrij veel en er wordt dan ook veel gebruik van gemaakt, maar waar die menschen dat allemaal van betalen, begrijp ik niet, want zij vragen je gewoon drie à vierhonderd roebel voor een rit. Het is druk op straat, veel uniformen, veel elegante meisjes, maar zoo nu en dan ook plotseling keurig gekleede heeren, ja ik heb er zelfs met monocles gezien. De orde wordt gehandhaafd door met geweren bewapende politiemannen, die zeer krachtdadig optreden; zoo tracht men op het oogenblik een eind te maken aan de verbazende overvulling der trams. Ik heb eens gezien, hoe er ongeveer twintig menschen achter aan een tramwagen hingen. Dat is sedert eenige dagen verboden en wordt gestraft met 25 roebel boete, die op staanden voet betaald moet worden. In de Twerskaja, een der hoofdstraten, zag ik een tramwagen, waaraan er weer veel hingen, aanhouden; zij die buiten den wagen hingen, werden er door een paar politieagenten afgehaald, de tram ging verder, de slachtoffers moesten 25 roebels betalen en konden toen den weg vervolgen. Maar eenigen die blijkbaar geen geld hadden, werden meegenomen naar het bureau. Dat ging allemaal zoo snel en rustig in zijn werk, dat ik met verbazing stond te kijken. Ook verkeersagenten hebben op sommige punten postgevat. Het aantal automobielen en motorfietsen is vrij groot en er is blijkbaar geen maximum snelheid voorgeschreven. Ze suizen er tenminste aardig op los. Het zijn echter allemaal regeeringswagens, particuliere treft men niet meer aan. Het is helaas onmogelijk om het Kreml te zien, aangezien Lenin daar verblijf houdt en deze zoo streng bewaakt wordt, dat alleen enkele bevoorrechten er binnen mogen. Er loopen twee muren omheen, een binnen- en een buitenmuur. Deze laatste loopt dwars door de stad en schijnt een gedeelte van den ouden vestingmuur te vormen. Het gezicht van de Moskwa op het Kreml, met zijn eigenaardige opeenhooping van paleizen en kerken, is echter op zichzelf al de moeite waard.

Ik heb, ditmaal niet onder geleide van een soldaat, maar met een allervriendelijksten ambtenaar van buitenlandsche zaken, ook het groote schilderijen-museum bezocht. Vol trots wees mij mijn geleider op het feit, dat iedereen toegang had; dat schijnt onder den Tsaar niet zoo geweest te zijn, toen was het blijkbaar arbeiders verboden een museum te betreden. Er waren thans eenige groepen soldaten, die onder technisch geleide de schilderijen bezagen. Aangezien ik in Nederland dergelijke proeven ook wel eens genomen heb, deed het mij eenigszins genoegen te kunnen constateeren, dat de russische soldaat al net als de hollandsche zijn aandacht voornamelijk op het naakt-model concentreerde. De thans tentoongestelde verzameling was zeer uitgebreid, doordat men er een aantal verzamelingen aan had toegevoegd, De russische kunst, waarmee ik eigenlijk voor het eerst kennis maakte, maakt op het eerste gezicht een somberen, ja een eenigszins bloedigen indruk. Komt men een museum van nederlandsche kunst binnen, onverschillig van oude of jonge meesters, dan is de eerste indruk die van licht en zon. Bij deze russische verzameling gevoelt men onwillekeurig een lichte huivering. Ik weet niet of de technische uitdrukking juist is, maar ik zou willen zeggen, dat in Rusland het realisme in de schilderkunst sterk overheerscht. Bijzonder interessant was de bijna geheel complete collectie van Werestsjagin, den schilder van Turkestan en den oorlog van 1878. De museumdirectie is minder kleingeestig geweest dan de man die in rood-Rusland het kaartspel heeft verboden, omdat er "heeren" in voorkwamen. Hier hingen de russische keizersportretten nog heel rustig aan den wand. Het is begrijpelijk, dat het kubisme op het oogenblik in Rusland veel aanhangers heeft. Ik vind het de rechte schilderkunst voor de sovjetrepubliek. Het moet van de russische regeering gezegd worden, dat zij op haar wijze de kunst krachtig steunt; ook de beeldhouwkunst geeft zij ruimschoots gelegenheid zich te uiten en overal op pleinen en in plantsoenen verrijzen monumenten voor meer of minder bekende revolutionnaire grootheden. Sommige zijn heel mooi, andere daarentegen zooals bijv. voor Marx, van een verrassende banaliteit. Marx is hier de groote man; de communisten redekavelen in hun pers en brochures voortdurend over een plaats bij Marx zooals men dat in ons vaderland zou kunnen verwachten van twee orthodoxe dominees over een texst uit de Openbaring. De bolsjewiki zijn dan ook geweldige dogmatici, met een soms kinderlijke naïeveteit. Zoo vertelde mij gisteren een commissaris van buitenlandsche zaken, dat de sovjetregeering in Rusland leerplicht heeft ingevoerd. Toen ik hem opmerkte, dat het maken van een wet niet voldoende was, keek hij mij hoogst verbaasd aan. Ik ging voort: "er moeten toch onderwijzers zijn en schoollokalen." Dat kwam wel, zei hij. Toen ik hem echter vroeg, welke maatregelen de regeering reeds had genomen, moest hij het antwoord schuldig blijven. Ik wil hierbij volstrekt niet over het hoofd zien, dat de moeilijkheden, waarmee de russische regeering te kampen heeft, nu zij naar alle kanten oorlog moet voeren, reusachtig zijn, maar dat neemt toch volstrekt niet weg, dat de voor een groot deel lang niet onverdienstelijke wetten, door de bolsjewiki ingevoerd, zooals bijv. de leerplichtwet, het invoeren van den burgerlijken stand, hygiënische wetten, arbeidersverzekering, niet verder gekomen zijn dan de bureaux en de dagbladen, omdat het den wetgevers aan organisatie-talent ontbreekt, om de zaak op pooten te zetten.

Nemen wij bijv. de huwelijkswetten met den daaraan verbonden burgerlijken stand. In Rusland bestond tot voor korten tijd alleen het kerkelijke huwelijk. Thans is dat anders en moet men zich eerst burgerlijk laten trouwen, even als bij ons, waarna de kerkelijke inzegening facultatief is. Toch kunnen zich 99 pct. der Russen niet burgerlijk laten trouwen, omdat de ambtenaren, die het huwelijk moeten sluiten, er nog niet zijn.

Men moet in Rusland zijn, om een dergelijken toestand kalm zijn gang te laten gaan en er niet verder aan te denken, ambtenaren aan te stellen. Over het algemeen zijn deze wetten ongeveer dezelfde als wij ze in Europa al jarenlang kennen en de tegenstand der conservatieve Russen lijkt mij in dit opzicht dan ook vrij bekrompen. Alleen de huwelijkswetten zijn vrij radicaal, vooral wat het scheiden betreft. Om te scheiden is het genoeg dat een der echtgenooten zijn wensch te kennen geeft het huwelijk te laten ontbinden. Wanneer de andere echtgenoot niet binnen een bepaalden tijd hiertegen opkomt, kan het huwelijk ontbonden worden.

Het is merkwaardig zooveel bedelaars men op straat ontmoet. Dat verwonderde mij eigenlijk wel eenigszins. Ik dacht dat er in een bolsjewistischen staat geen arme menschen zouden zijn, tenzij de een of andere bourgeois die niet werken wil. Maar de meeste bedelaars zijn kinderen en oude arbeiders. Dat is weer een sprekend staaltje van de onmacht der bolsjewistische leiders om hun eigen wetten uit te voeren, want door den arbeidsdwang, de kinderverzorgingswetten en de ouderdomspensionneering moest de noodzakelijkheid om te bedelen absoluut uitgesloten zijn. De bolsjewiki zijn werkelijk geen barbaren, hun leiders doen al hun best om de zaak voor elkaar te krijgen, maar het zijn en blijven hopelooze idealisten en daardoor begaan zij een misdaad aan hun eigen volk, dat het slachtoffer wordt van hun volslagen machteloosheid om ook maar één wet werkelijk in daden om te zetten. Zij hebben vergeten rekening te houden met de praktijk en de menschelijke natuur en daarom is het misschien eigenlijk wel jammer, dat de bolsjewiki in den tegen hen gevoerden oorlog het argument hebben om te zeggen: "wij kunnen er niets aan doen, want de oorlog heeft ons teveel bezig gehouden."

Ik ben ervan overtuigd, dat ook zonder oorlog het communisme een fiasco gebleken zou zijn. Het sterkste bewijs daarvoor vind ik op het gebied van den kleinhandel. Alle winkels in Moskou zijn gesloten. Er bestaan alleen z.g. regeeringsverkoophuizen, waar slechts op kaarten iets te koopen valt. Nu heeft de praktijk bewezen, dat het heele kaartensysteem niet deugt, waardoor het koopen van een paar sokken, een zaak van 14 dagen wordt. Maar het sterkste is, dat er een straathandel ontstaan is van geweldige afmetingen met verbazend hooge prijzen.

Men kan op straat en op de markt alles koopen als men maar betaalt, tot zelfs pianos. Overal op straat ziet men de kooplui zitten, meest bejaarde menschen. Hier zit een juffrouw en verkoopt eenige paren lakschoenen, daarnaast zit iemand die een pak kleeren te koop aanbiedt. Een eindje verder wordt een piano verkocht en dat alles, ofschoon de wet dezen handel met de zwaarste straffen bedreigt. Maar ook veel ellende is er tusschen door te zien. Zoo zag ik er menig jong meisje staan, dat haar vroegere garderobe te koop aanbood. En ook de haast spreekwoordelijk geworden generaal, die sigaretten of kranten verkoopt ontbreekt niet.

* * *

Te Moskou

VII

Moskou, 11 Augustus

's Avonds komt er een eigenaardige stemming over Moskou. Om zes uur beginnen n.l. van het groot aantal kerken de klokken te luiden en de carillons te spelen, Maar geen carillons zooals bij ons of een regelmatig gebeier, maar een wild, door elkaar gehamer van klokken met verschillende tonen, hetgeen een uiterst eigenaardig effect geeft en barbaarsch klinkt. Het maakte op mij in mijn eenzaamheid telkenmale een zeer onaangenamen indruk. Het was alsof al die klokken hamerden: hier zijn wij niet in Europa, maar in Azië, en ik werd er aan herinnerd dat ik mijlen ver van het vaderland en eigenlijk niet veel meer dan een gevangene was.