In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland
Part 8
Hetgeen ik nu ga vertellen, geldt voor alle russische spoorwegcoupé's, en om niet te eentonig te worden, zal ik het maar niet steeds herhalen. Toen ik vijf minuten even rustig een sigaret zat te rooken liepen de wandluizen over mijn kleeren. U kunt begrijpen, wat er van slapen onder dergelijke omstandigheden kon komen. Men bracht mij een vrij behoorlijk maal: aardappelen met vleesch en een homp brood, van het soort zooals ik het in heel Rusland heb aangetroffen, en dat, ofschoon het nog tien keer slechter is dan ons oorlogsbrood, in den vrijen handel 50 roebel per pond kost. Ik gevoel me hier verplicht, even een kleine uiteenzetting te geven over het russische geld. In de eerste plaats is de oude Tsaarroebel, die in het buitenland 'n ietwat hoogeren koers heeft dan de mark, in omloop. Ofschoon al het russische geld dezelfde waarde heeft, willen de boeren toch alleen met Tsaarroebels betaald worden. Daarnaast heeft men het tijdens de eerste revolutie uitgegeven Doema-geld in biljetten van 1000 en 250 roebel, die de helft van den Tsaarroebel waard zijn, en voorts Kerensky-biljetten van 20 en 40 roebel, die als naamkaartjes aan elkaar gedrukt zijn, zoodat je ongeveer met meters geld betaalt. De boeren, die zeer veel geld verdiend hebben in den laatsten tijd, berekenen de Kerensky's bij het gewicht. Het door de sovjetregeering in omloop gebrachte geld, eensdeels uit bankbiljetten, anderdeels uit overgedrukte postzegels bestaande, heeft in het buitenland in het geheel geen waarde, maar wordt in Rusland in de groote steden overal aangenomen. Terwijl ik in mijn coupé zat af te wachten wat er verder met me gebeuren zou, kwam er een commissaris bij me, die uitstekend duitsch sprak, en vroeg me wat ik nu eigenlijk in Rusland kwam doen. Hij begon vreeselijk op de sovjet-regeering te schelden, zoodat ik direct dacht: "o, dat is een valstrik, om me er in te laten loopen." Ik antwoordde dus "u bent hier commissaris en dan begrijp ik niet, dat u u zoo over de regeering uitlaat." Toen fluisterde hij mij toe "wacht maar eens, en kijk eens wat hier gebeurt. We mogen geen eigen meening hebben, moeten maar alles goedvinden, wat zij in Moskou bevelen, persvrijheid bestaat er niet, het volk wil vrede en brood en het krijgt geen van beide." Ik vond het geheel eigenlijk heel lastig, want ik wist natuurlijk heelemaal niet, wat die man eigenlijk voor had. Daar hij echter lang niet de eenige was, die zich zoo uitliet, en ik later veel meer van dergelijke klachten kreeg, geloof ik bij nader inzicht wel, dat hij het oprecht meende.
De commissaris, die mij gebracht had, bleek in denzelfden coupé te wonen als ik. Hij verstond helaas geen duitsch. Het was een heel vriendelijke man, die mij buitengewoon aardig behandelde, gewezen arbeider uit Petersburg, voor wien Trotzky en Lenin halve goden waren en die de russische kranten van a tot z spelde, en onvoorwaardelijk geloofde wat er in stond. In het gesprek, dat ik, door middel van een tolk, met hem voerde, gaf hij onomwonden toe, dat de russische sovjetregeering alleen te redden was, als er in Europa ook revolutie kwam.
* * *
Naar Smolensk
IV
Polosk, 5 Augustus 1919
Gisteravond ben ik onder geleide van een jeugdigen sovjetcommissaris hierheen gekomen en ben verplicht in dit ellendige nest bijna een geheelen dag te wachten om den trein naar Smolensk te kunnen krijgen. Op de groote route Dunaburg--Polosk--Witebsk--Smolensk--Moskou gaat maar een trein per dag, met een gemiddelde snelheid van 20 Kilometer per uur. Zooals men weet is de russische spoorbreedte grooter dan in West-Europa. Dat maakt, dat de spoorwegwagens ook breeder zijn en daardoor meer comfortabel. Hoewel de wagens op het oogenblik verbazend vuil en verwaarloosd zijn, kan men toch nog heel goed zien, dat in het Tsarenrijk voor den oorlog het reizen zeer gemakkelijk geweest moet zijn, voornamelijk doordat er met het oog op de lange trajecten voor iederen reiziger, tot zelfs in de derde klas door het opklappen der zitplaatsen, een ligplaats was. Op het oogenblik is daar geen sprake meer van. Integendeel, het woord overvol is nog te zwak om aan te geven, hoeveel menschen er met een trein meereizen, ze hangen er zelfs tegen aan als bijenzwermen. In iederen trein is een gereserveerde 1e of 2e klas wagen, bestemd voor commissarissen en militaire autoriteiten. Heeft een gewoon sterveling ongeveer zes papieren noodig om te kunnen reizen, de gelukkigen die in zoo een gereserveerden wagen mogen plaatsnemen, hebben zich tenminste van tien paperassen moeten voorzien.
Voor gewone burgers is het reizen dan ook bijna onmogelijk. De fout zit hem niet in het gebrek aan wagens, want op elk station staan er honderden doelloos door het gebrek aan bruikbare locomotieven. Alles wordt op het oogenblik met hout gestookt en dientengevolge kan het gebeuren, dat de trein plotseling halt houdt en de machinist met een bijl het bosch ingaat om wat brandstof te halen. Men heeft voor mij getelegrafeerd om te zorgen, dat ik overal een gereserveerden coupé zou krijgen. Men is dus wel zeer vriendelijk, maar gisteravond moest ik wel met den mij begeleidenden commissaris in de derde klas plaats nemen, omdat er geen andere wagens waren. Om het mij nu toch makkelijk te maken, werd een ligplaats voor mij gereserveerd en daartoe een achttal andere menschen van hun plaats verjaagd, die ook heel goedmoedig op zij gingen.
Ook mijn commissaris, een jongen van achttien jaar, zorgde ervoor, dat hij het zoo makkelijk mogelijk kreeg. Ik vond het pijnlijk en wilde mij met een bescheidener plaats tevreden stellen, doch de commissaris zeide: "laat dat stomme volk nu maar op zij gaan, ik wil slapen." Nou, dacht ik bij mij zelf, ik kan merken, dat ik hier in een democratisch land ben; maar het zou nog mooier worden. Op een gegeven oogenblik werden twee gewonden binnengedragen, een met een zware beenwond, de andere aan den hals gewond. Toen wilde ik toch niet blijven liggen en bood een gedeelte van mijn bank aan de gewonden aan. Dit wekte de woede van den commissaris op, die dat absoluut onnoodig vond, en dan ook kalm bleef liggen, zonder er aan te denken, het den gewonden ook maar iets gemakkelijker te maken. Ik geloof niet, dat een ander volk dan het goedmoedige russische een dergelijke behandeling verdragen zou hebben. Typeerend lijkt mij deze scène echter wel. Het volk, dat zich jarenlang door de ambtenaren van den Tsaar heeft laten trappen, kromt zich thans geduldig onder het juk der communisten. Dat het begint te gisten, meen ik niettemin te mogen opmaken uit het volgende: vanochtend ontmoette ik toevallig in de wachtkamer van het station een paar soldaten van het roode leger, die vroeger in Amerika geweest waren. Het leek mij een welkome gelegenheid om eens iets naders te hooren. En dat bleek het ook inderdaad. "Ja," zeiden die mannen tegen me, "het is niets gedaan tegenwoordig, ze hebben ons vrede en brood beloofd. En waarvoor vechten wij eigenlijk? Omdat wij engelsch met u praten, kunnen wij het nu eens zeggen. Want er zijn hier zoo veel spionnen, dat als we onder kameraden zijn, wij nooit iets durven zeggen, uit vrees verraden te worden. De helft deserteert dan ook." Het gesprek duurde echter niet lang, want mijn commissaris kwam al spoedig tusschenbeide, daar hij niet kon velen dat ik een taal sprak, die hij niet verstond, aangezien hij alleen maar het duitsch machtig was.
De russische stations zijn wel aardig ingericht. Overal staan groote gemetselde ketels, waar warm water te krijgen is. Iedereen heeft een keteltje bij zich, waarin hij dan zijn thee zet, waarbuiten een Rus blijkbaar niet kan. Doordat Rusland vrijwel van Siberië is afgesneden heerscht groot gebrek aan thee, waaraan men is tegemoet gekomen, door het op groote schaal vervaardigen van kunstthee, een eigenaardig product van mij onbekende samenstelling, dat echter niet slecht smaakt en werkelijk eenigszins aan thee doet denken. Op de kleinere stationnetjes (de trein stopt overal) is alles te krijgen, aangezien de boeren daar met hun waren komen aandragen. Zoo kan men er bijv. eieren koopen voor 40 roebel het stuk.
Polosk heeft een eenigszins europeesch karakter, daar de huizen van steen zijn, en de straten wel met een liniaal getrokken lijken. Het is een leelijke stad, die niets schilderachtigs heeft, en geweldig verwaarloosd is. Overal ziet men nog sporen van de duitsche bezetting. Is hier en daar het plaveisel belangrijk verbeterd, is een brug behoorlijk hersteld, dan kan men er zeker van zijn dat daar duitsche pioniers gewerkt hebben. De bolsjewiki zelf doen niets. Nu hebben ze ook weinig gelegenheid en het gebrek aan materialen is zoo groot, dat ze hier zelfs het dubbel spoor opbreken om aan wat rails te komen, teneinde elders herstellingen te kunnen uitvoeren. De halve bevolking bestaat uit Joden, die allen duitsch spreken. Vandaar dat het nu en dan net is, alsof je in een duitsche stad loopt. Het communisme regeert hier nog niet met zijn volle strengheid, want terwijl overal elders in Centraal-Rusland de winkels gesloten zijn en vervangen door regeerings-verkoophuizen, waar alleen op kaarten gekocht kan worden, zijn hier de zaken nog geopend en zelfs heb ik nog een restaurant ontdekt. Mijn begeleider vond het blijkbaar van zelf sprekend, dat ik hem het middagmaal aanbood en zoo aten we met ons beiden een vrij behoorlijke biefstuk met gebakken aardappelen voor de somma van 48 roebel. Het aardigste was dat de joodsche waardin, ons duitsch hoorend praten, zich in het gesprek mengde en zeide: "zijn de heeren Duitschers? Wanneer komen de Duitschers nu weer terug? Dat was een goede tijd toen de Duitschers hier waren." Ik had inwendig pleizier om het gezicht van den commissaris. Ik heb hem voor de aardigheid zijn levensgeschiedenis laten vertellen. Bij het uitbreken van den oorlog was hij op het joodsche gymnasium in Nisjni Nowgorod en was toen op den leeftijd van 14 jaar politiek agitator geworden. Hij vertelde met buitengewone geestdrift hoe hij het land doorgetrokken was en dat het toch veel aardiger was redevoeringen te houden, dan op de schoolbanken te zitten. En nu had hij het al gebracht tot politiek commissaris van een divisie.
Hij vertelde er bij, dat zoo een snelle promotie volstrekt geen uitzondering was, want zijn broer bijv., die pas 15 jaar was, had reeds dezelfde functie.
Gelijk ik later ontdekte, vormt deze soort jongens een van de hechtste steunpilaren der sovjetmacht. De russische studenten zijn altijd min of meer de revolutionnaire voorhoede geweest; in plaats zich met sport bezig te houden, zooals in West-Europa, gaan de leerlingen der gymnasia en de studenten op in de politiek. Zij beschouwen het als een schande, aan sport te doen. Vandaar dat de lichamelijke ontwikkeling van de jeugd beneden alle peil is. Ik heb er heel wat ontmoet op mijn reis en mijn indruk is, dat het absoluut uit hun evenwicht gebrachte jongelieden zijn. Van democratie is bij hen geen spoor te vinden. Ze achten zich zoo ver boven de gewone massa verheven, dat ik mij met verbazing steeds afvroeg: is dat nu een communistisch land? Geestig vond ik dat zij de geweldige strenge censuur op de pers altijd verdedigen met de opmerking: "ja, maar, de groote massa is zoo dom, die kun je niet alles in handen geven." Ik zou den heer Wijnkoop wel eens willen zien, als men bij ons onder dat motto de Tribune verbood. Komt men met commissarissen in Centraal-Rusland, voorzitters van sovjetraden en dergelijke lui in aanraking, dan voegen zij er gewoonlijk nog wel een argument aan toe, n.l. dat de niet-communistische pers, ook de sociaal-democratische, te veel van het kapitalisme afhankelijk is om onpartijdig te zijn, maar voor het overige zijn hun argumenten precies dezelfde waarmee de index verdedigd wordt. Vannacht om 2 uur gaat de trein naar Smolensk. Dan zal het nog wel licht zijn, want wij hebben hier een allermerkwaardigste tijdbepaling, die vier en een half uur verschilt van de Midden-Europeesche, zoodat middernacht in Rusland samenvalt met half acht gewone tijd. Nu begrijp ik ook, waarom indertijd bij de verovering van Riga iedereen mij vroeg, hoe laat het er toch was.
* * *
Op weg naar Moskou
V
Smolensk, 7 Augustus
Het gaat langzaam maar toch vrij zeker in de richting van Moskou. Ik begin mij eenigszins ongerust te maken over mijn vrijheid, aangezien men mij, nadat ik gisteren den heelen dag vrij heb mogen rondloopen, vandaag aangezegd heeft, dat ik geïsoleerd zou worden. Ik vroeg natuurlijk, wat dat zeggen wilde, geïsoleerd, en of dat hetzelfde beteekende als gearresteerd. Neen, was het antwoord, wij willen alleen zorgen dat u met niemand in aanraking komt. U mag u vrij op straat bewegen, maar alleen onder geleide van een onzer soldaten. Verder heeft men mij mijn papieren afgenomen en mij zeer streng, ofschoon niet onheusch gevisiteerd. Ja, ik kan wel zeggen dat men mij met de meeste voorkomendheid behandeld heeft. Er heerscht hier groote neerslachtigheid, tengevolge van het bericht, dat in Hongarije Bela Khun ten val is gebracht. Gelijk ik later ontdekte, had de regeering het volk wijsgemaakt, dat een radenregeering in Boedapest een overwinning van het sovjetsysteem in Europa beteekende. Om het weer eenigszins goed te maken bevatten de bladen nu geweldige berichten over sovjetrepublieken in Canada en Ierland. Als men de hoofdartikels leest, die ik me altijd laat vertalen, krijgt men den indruk, dat eigenlijk heel Europa al uit sovjetrepublieken bestaat.
Aan propaganda laat de regeering het dus niet ontbreken. Overal zijn, dikwijls heel artistiek uitgevoerde, plakkaten aangebracht, met drastische teekeningen en kernachtige opschriften. Zoo ziet men bijv. overal een gewapenden arbeider, die vrouw en kind beschermt, met er onder: "Arbeiders treedt in het roode leger". Of wel een gezicht op St. Petersburg met er onder: "Arbeiders redt het roode Petrograd" enz., teveel om op te noemen. Alleen wil ik nog vermelden, dat men het vooral op Koltsjak gemunt heeft, die afgebeeld wordt met een kroon op het hoofd, een knoet in de hand en gezeten in een wagentje, dat getrokken wordt door een officier, een boer en een burger, terwijl hij over het lijk van een arbeider heen rijdt.
Smolensk, thans vuil en verwaarloosd, is een typisch russische stad. Zij ligt op een paar heuvels, waardoor de straten verbazend hellen. Er zijn enkele straten met europeesche huizen en plaveisel, maar voor de rest zijn het meerendeels houten huizen, waartusschen door een zeer groot aantal kerken.
Op het centrum ligt nog de zeer goed onderhouden vestingmuur uit den Napoleontischen tijd. Van dien muur geniet men een prachtig uitzicht over de stad en omgeving. Het trof mij, dat het op straat vrij druk was, hoewel de electrische trams al wekenlang niet meer functionneeren. De vrouwen en meisjes zijn dikwijls zeer elegant gekleed, vooral de vriendinnetjes der commissarissen zien er heel aardig uit. De meeste vrouwen dragen het haar kort geknipt, hetgeen de donkeren wel flatteert, maar de blonden misstaat. Het schijnt echter minder mode, dan wel het gevolg van de geweldige typhusepidemie, die het vorige jaar geheerscht heeft. Ik mag niet nalaten op de credit-zijde der sovjet-regeering te vermelden, dat ze erin geslaagd is zoowel de geweldige typhus- als de choleraepidemie die hier van den winter geheerscht hebben, door zeer drastische maatregelen te onderdrukken. Ook in St. Petersburg, waar de ziekte nog niet geheel verdwenen is, schijnt de toestand toch minder erg te zijn, dan men in de buitenlandsche pers voorgesteld ziet. De mannenkleeding, al ziet men nu en dan wel enkele elegante dandies, is voor het grootste gedeelte nationaal; velen dragen de russische blouse met den riem om het midden. Verder wordt heel veel uniform gedragen, al behoort de drager volstrekt niet tot het leger. Ook eereteekenen ziet men weer, want Trotzky heeft zich genoodzaakt gezien, een dapperheidskruis in te voeren.
Ik ben hier ingekwartierd naast het politiebureau bij een weduwe van een advocaat, wier man en zoon, gelijk ik van een bediende hoorde, onder haar oogen doodgeschoten zijn. Hij vertelde mij er echter bij, dat dergelijke dingen niet meer gebeuren en dat op het oogenblik volkomen orde heerscht. Alleen het geheime comité tot bestrijding der tegenrevolutie, spionnage en sabotage, treedt zeer draconisch op.
Het arresteert en vonnist in het geheim als een ouderwetsch veemgericht; zelfs hooge commissarissen zijn er niet veilig voor. Het is het lichaam, dat op het oogenblik de terreur uitoefent en alle macht in handen heeft. Merkwaardiger wijze zijn het bijna uitsluitend Letten, die ertoe behooren. Wat de Kozakken voor den Tsaar waren, zijn de Letten voor Sovjet. De Groot-Russen zooals ik ze heb leeren kennen, zijn een aardig, gewillig en gemoedelijk volk, dat zich heel gemakkelijk Iaat regeeren. De Letten daarentegen zijn achterdochtig en wreed, en maken een ongunstigen indruk.
Men heeft het er in het buitenland zooveel over dat de meerderheid der communisten Joden zijn. Dit is niet geheel en al juist, hoewel niet te loochenen valt, dat een groot deel der commissarissen joodsch zijn. Dit komt echter meer doordat de joden nu eenmaal opportunisten zijn, zij gaan mee, tenminste voor een groot deel, met de partij die regeert. Op het oogenblik zijn de communisten baas in Rusland en daarvan profiteeren zij. Valt echter het sovjetbewind, zooals ik het in Riga heb meegemaakt, dan zijn zij de eersten, die den overwinnaar met gejuich begroeten. Iemand heeft mij eens gezegd: "wanneer de tegenrevolutie in Rusland uitbreekt, dan zal het uitdraaien op een groot pogrom." Dat is best mogelijk, maar ik geloof toch meer dat, als werkelijk de sovjetregeering het niet langer kan houden, een groot deel der Joden de eersten zullen zijn om naar de andere zijde over te loopen. Want hoe kort ik ook in Rusland ben, ik heb wel ontdekt dat er een algemeene ontevredenheid heerscht, al geloof ik nog niet aan een tegenrevolutie, omdat het volk te apathisch is. In de stations bijv. moeten de menschen wel drie uur wachten tot zij een plaatsje krijgen, maar heel geduldig staan zij in de rij en laten zich goedig door de militie, zooals tegenwoordig de gendarmerie heet, met kolfstooten op hun plaats houden. Zonder eenig gemor laten zij zich trappen. Ik heb altijd gedacht dat het woord "nitsjewo" een boekenuitdrukking was. Maar het ligt werkelijk in ieders mond bestorven. Ik wachtte vandaag op mijn commissaris, die mij gezegd had dat hij direct zou komen. De bediende, van wien ik u boven reeds sprak; die zag dat ik ongeduldig werd, nadat ik drie uur had gewacht, merkte op: "ja, hij heeft wel gezegd, ik kom direct, maar dat beteekent, dat hij nog wel eens terug komt. Dat is hier de gewoonte, nitsjewo." Dat kwam er zoo geweldig apathisch uit, dat ik begon te lachen.
De oude man ging in vrij goed duitsch voort: "ik ben eigenlijk bloemist en boomkweeker van mijn vak en was tuinman van den ouden heer hier, die er ook heel veel van hield. Ik ben vroeger ook in Holland geweest, in Hillegom en Boskoop, maar nu heeft de arme weduwe een worstmakerij. Ze moet toch leven en nu maak ik al net zoo goed worst als ik vroeger rozen gekweekt heb. Ze praten nu zooveel over revolutie, maar de menschen zijn immers hetzelfde gebleven en de russische boerenarbeider, die bijna niet lezen kan en nooit nagedacht heeft, dien kan men toch niet in een jaar tot West-Europeaan maken." 's Middags na het eten sprak ik de oude dame in het fransch aan, na dat ik mij vergewist had, dat mijn bewakingscommissaris deze taal niet machtig was en bedankte haar hartelijk voor de vriendelijke wijze, waarop zij mij aan haar tafel ontvangen had. Zeer verrast antwoordde zij: "u bent dus geen bolsjewiek? Maar hoe durft u zich dan in het hol van den leeuw wagen? Als ik u een goeden raad mag geven, vertrek dan zoo spoedig mogelijk weer." Dien middag had ik ook nog een onderhoud met een invloedrijk commissaris, die den veelzeggenden naam Potemkyn droeg. Ik had hem te spreken gevraagd, omdat ik eens wou weten, wat men nu eigenlijk met mij voor had, en of ik ook ten allen tijde weer permissie zou kunnen krijgen om Rusland te verlaten. Hij verzekerde mij, dat, wanneer ik mij ten minste van alle contrarevolutionaire pogingen onthield, ik ten allen tijde weer terug zou mogen. We kwamen toen verder over het communisme te spreken en hij erkende, dat de boeren zoo weinig communistisch waren en bijna allen bourgeois neigingen hadden. Ik dacht bij mij zelf: 90 pct. van de bevolking hier zijn boeren, dan is dus het aantal communisten wel bijzonder gering. Ja, zei Potemkyn verder, maar juist die eigenschap van den russischen boer, om kleinbezitter te willen zijn, maakt dat de landbevolking op het oogenblik niets van contra-revolutie wil weten, omdat zij vreest, dat met het Tsarisme het groot-grondbezit ook weer terug zal komen en zij haar land dus weer kwijt zou raken. Mij is later nog sterker gebleken, dat deze opmerking eigenlijk de kern van de zaak raakt. Het is den boeren volkomen onverschillig wie regeert, wanneer zij maar met rust gelaten worden. Dat ziet Lenin op het oogenblik ook volkomen in, vandaar dat hij geheel van taktiek veranderd is, de boeren geheel met vrede laat, en zich verkneukelt, dat de entente de reactie steunt en zoodoende de boeren bang maakt, dat zij tengevolge van een overwinning van Koltsjak en Denikin hun landbezit weer zouden kwijt raken. Het tijdperk van het groot-grondbezit in Rusland is mijns inziens voorbij, en ik geloof zeker, dat een aan duidelijkheid niets te wenschen overlatende verklaring der entente in deze richting, het lot der sovjet-regeering zou bezegelen.
Geheel Oost-Europa is agrarisch en de groote omwenteling die daar heeft plaats gehad, de grootste na de afschaffing der lijfeigenschap, is dat het groot-grondbezit verdwenen is. En het is wel opmerkelijk dat zij, die door dik en dun het communisme hebben willen invoeren, niets anders bereikt hebben dan een verkleinburgerlijking der groote massa. Daarom kan ik met zekerheid zeggen, dat in deze streken voor het communisme en het socialisme geen plaats is. Zeker niet op het platte land, en het is wel typisch dat de sovjetmacht, de macht der communisten, zich op het oogenblik staande houdt door tegen de boeren te zeggen: "als wij verdwijnen, zijn jullie je land kwijt."
Vanmiddag kreeg ik een nieuwen bewaker, een Oostenrijker, die als koerier van Lenin de verstandhouding met Bela Khun onderhouden had. Hij vertelde mij dat hij al drie maal van Boedapest naar Moskou was gereisd, steeds op een andere wijze.
"Hoe kom je er dan door?" vroeg ik hem.
"Och," zei hij, "dat is heel eenvoudig ik spreek oekrainsch, russisch en poolsch, en zoo ben ik er overal door gekomen. En dan moet u niet vergeten, dat het er bij mij op geld niet aankomt."
Het bleek een heel onderhoudende baas, die mij al zijn papieren liet zien, waaronder ook een brief van Lenin, dat men hem met alle mogelijke voorkomendheid moest behandelen en dat hij alle rechten had van een lid van het Uitvoerend Bewind. Hij was het ook die mij vertelde dat de kinderen van den Tsaar nog leefden en in de buurt van Moskou geïnterneerd waren, maar dat de Tsaar en zijn vrouw doodgeschoten waren. De regeering tracht het geheim te houden teneinde aan de tegenrevolutie geen steun te geven. Ik heb later geprobeerd om bevestiging van dit verhaal te krijgen en mijn indruk is dat men er over het algemeen geloof aan hecht. Zelfs heb ik erbij hooren vertellen, dat de grootvorstin Tatiana een gewezen oostenrijksch krijgsgevangen officier zou hebben getrouwd. Of die geruchten waarheid bevatten, laat ik natuurlijk in het midden.
Strasser, zoo heette mijn bewaker, die graag een borreltje lustte, had daar een heelen voorraad van. Hij vertelde mij, dat men in Rusland net zooveel drank kon krijgen als men maar hebben wilde, wanneer men maar flink betaalde.