In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland

Part 7

Chapter 73,718 wordsPublic domain

Ten einde het wat gemakkelijker voor mij te maken, stuurde de poolsche generaal in beide richtingen een parlementair naar den vijand, om mijn komst aan te kondigen en vrijen doortocht te vragen.

Bij Krosne antwoordden de Bolsjewiki, dat ze orders uit Moskou zouden aanvragen en bij Wileika kwam heelemaal geen antwoord.

Aangezien mijn positie niet zeer aangenaam was, gelet op het allervuilste kwartier dat men mij bij den dorpsgeestelijke had aangewezen, en dat n.b. nog het beste was, besloot ik toen het met of zonder antwoord maar bij Wileika te probeeren.

Nauw was ik daar echter aangekomen of de bolsjewiki deden een hevigen aanval, en de Polen moesten in allerijl terugtrekken, zoodat ik gedwongen was mee te vluchten. Wel had ik er nog een oogenblik over gedacht, om mij gevangen te geven, maar men ried mij zulks sterk af, omdat ik, de taal niet machtig zijnde, alle kans zou hebben voor een spion gehouden te worden.

In mijn wagentje, dat ik voor deze gelegenheid gehuurd had, een eenvoudig boerenkarretje zonder veeren, een z.g.n. panjewagen, met een klein maar zeer sterk litausch paard, vluchtte ik alzoo in het holst van den nacht in de richting van Molodetsjno.

Dat was dus een verkeken kans en toen besloot ik mijn geluk te beproeven in de richting van Krosne. Van dezen tocht af heb ik mijn dagboek-aanteekeningen kunnen bewaren, en zoo kan ik u thans een geregelder verslag geven.

* * *

MIJN DAGBOEK

I

Krosne, 28 Juli

Vanmorgen ben ik hier aangekomen, weer in mijn kleine wagentje hier heen gehobbeld, met mijn beide koffers.

De spoorlijn functionneert wel, maar heel slecht, zoodat ik wel per wagen moest gaan langs den grooten russischen heirweg Wilna--Molodetsjno--Minsk. Een groote, breede laan met prachtige boomen; er is echter geen spoor van verharding; een paar karresporen, naast elkaar. Dat is wat men in Rusland, onder den Czaar, verstond onder een weg 1e klasse. Dergelijke wegen dicht bij de duitsche grens werden niet verhard.

Krosne, zelf een nest, een met onmogelijke keien bestraat marktplein, waaromheen wat houten huizen, bijna alle bouwvallig, twee kerkjes, een orthodox en een katholiek, een station, en dat is alles. De commandant, als zoovele poolsche officieren, zeer jong nog, voor den oorlog gymnasiumleeraar, in den oorlog bij het poolsche legioen in oostenrijkschen dienst opgeklommen tot overste, ontvangt mij wel heel vriendelijk, maar geeft mij met een raadselachtig lachje toch te kennen, dat ik nog een paar dagen zal moeten wachten. Het is n.l. lang niet rustig aan het front.

Ik word ingekwartierd bij den apotheker en gelukkig heeft deze zooiets als een leeren divan; daarop kan ten minste geslapen worden.

De man heeft het bolsjewistische bewind in volle glorie meegemaakt; de Polen hebben het dorp n.l. eerst voor twee weken veroverd.

Nu, vroeg ik hem, hoe heb je het gehad. Ellendig, was het antwoord in gebroken duitsch; ik zelf ben sociaal-democraat, reactionnair ben ik dus heusch niet, maar zooiets, het is niets anders dan een terreur; je mag alleen doen wat ze je voorschrijven; een eigen meening is niet geoorloofd, en dan die geweldige duurte. De loonen zijn wel 10 maal zoo hoog als onder den czaar, maar de prijzen wel 100 maal.

's Avonds op straat, een luchtje scheppend, het is verbazend warm geweest, kom ik een paar artillerie-officieren tegen. Wij maken een praatje, het blijken gewezen actieve oostenrijksche officieren; direct halen ze me in hun kwartier binnen met de overbekende oostenrijksche gastvrijheid; er wordt thee gezet, en als ik het doel van mijn reis vertel, zeggen ze uit één mond: maar man, wat doe je dan hier. We vallen vannacht de Russen aan. Hier kom je er nooit door, maar weet je wat, als wij morgen voorwaarts rukken, kun je van ons wel een paard krijgen, en geef je bagage dan maar mee op onze bagagekar.

Inderdaad, als ik 's nachts bij een kaars nog wat zit te lezen, begint niet ver van het dorp 't kanongebulder; er zijn niet veel meer dan 12 kanonnen van poolschen kant, maar wat kunnen die met elkaar een leven maken; daar tusschen door 't geweer- en mitrailleurvuur: Ik zit er een tijd lang naar te luisteren, blijkbaar bieden de bolsjewiki hardnekkigen tegenstand, want naar het geluid te hooren, schiet de aanval niet hard op.

* * *

Aan het poolsch-bolsjewistische front

II

Radoskowitsj, 29 Juli

Vanochtend in Krosne uit een lichten slaap ontwakend, hoorde ik plotseling van alle kanten in het dorp schieten.

Daar zal je het hebben, dacht ik bij mij zelf, de aanval is mislukt, en inplaats dat de Polen voorwaarts gaan doen de Russen het.

Een oogenblik was ik besluiteloos wat te doen; toen klonk boven het geweervuur uit 't geronk van een vliegtuigmotor, nog voor ik echter iets had kunnen doen, een paar keren heftig suizen, een paar doffe slagen niet ver van mijn kwartier af en niet dicht bij ook.

Het schieten hield ineens op en alles bleef stil, terwijl het motorgeronk steeds zwakker werd.

Ik had dus een vliegeraanval meegemaakt. Het was nog erg vroeg, en daarom besloot ik maar niet te gaan kijken; van slapen zou evenwel niets meer komen, want een oogenblik later kwam een ordonnans mij mededeelen, dat de artillerieofficieren over een uur opbraken en dat een paard voor mij gezadeld werd. Dat liet ik mij geen tweemaal zeggen en zoo werd ik weer ineens oorlogscorrespondent. Het was een heerlijk gevoel weer eens een paard tusschen de knieën te hebben en zoo draafde ik achter den artilleriecommandant mee naar voren, over het slagveld van dien nacht, en onderweg vernam ik, dat de Polen voor Radoskowitsj stonden, dat zij vermoedelijk wel heel snel zouden bezetten. We draafden langs ontzettend lange treincolonnes, overmatig lang voor zoo'n betrekkelijk kleine troepenmacht. En toen vertelde de overste mij, dat de Polen, tot dusver met goede, duitsche en oostenrijksche, geweren uitgerust, door de Entente gedwongen waren slechte fransche geweren te nemen omdat zij voor de duitsche wapenen geen munitie konden krijgen. Zoodat zij thans gedwongen waren, tijdens den strijd hun troepen van een andere bewapening te voorzien. In het poolsche leger was men dan ook over de Entente heelemaal niet erg te spreken.

Het was een prachtige rit. Het landschap in deze streken is buitengewoon mooi, zacht golvend, en veel groene weiden afwisselend met donkere dennenbosschen. Het trof mij, dat in deze streken de boeren overal nieuwe huizen bouwen. De verklaring bleek heel eenvoudig. Aangezien in het bolsjewistische Rusland de grond zoogenaamd gecommuniseerd is, houdt het groot-grondbezit, dat hier zeer aanzienlijk was, op. De boeren vatten nu de communisatie zoo op, dat ieder voor zich zooveel land in beslag neemt als hij maar krijgen kan, en de bosschen leveren hem kosteloos materiaal voor zijn huis. Het model is echter overal hetzelfde. Een groote steenen oven in het midden en daaromheen drie kamertjes. De oven heeft den vorm van een liggende L. Op het lange deel kan de heele familie zoowat slapen.

Hoe meer wij Radoskowitsj naderden, hoe sterker het geweervuur werd. Maar een ons tegemoetkomende gewonde vertelde, dat het dorp reeds genomen was. En een oogenblik later lag het ook voor ons, en reed ik met de poolsche troepen het dorp binnen. Ik vond het daarom zoo belangwekkend omdat ik nu kon constateeren of het waar was, dat de Polen bij het nemen van een dorp altijd een pogrom op touw zetten, gelijk men mij van joodsche zijde verzekerd had. Er gebeurde echter niets van dat alles en het was weer net als bij Riga: de bevolking haalde de overwinnaars met vreugde binnen, den hemel dankend dat ze van de bolsjewiki verlost waren. Op het marktplein was 't een drukte van belang. Eigenlijk net 'n manoeuvretafereel.

Daar stond de generaal met zijn staf en zijn escorte: een eskadron poolsche lanciers, met hun vroolijk wapperende vaantjes; een batterij veldartillerie de paarden drenkend, voorbij marcheerende treincolonnes daartusschendoor, de straatjeugd en natuurlijk de Joden van het dorp trachtend zaken te doen en sigaretten en eieren te koop aanbiedend voor een "behoorlijken prijs" van M. 5 per stuk. Alleen een veldhospitaal met de daarvoor liggende gewonden wees op den ernst van den toestand. Ik vernam nu ook, dat de strijd nogal bloedig geweest was en de Polen vrij zware verliezen hadden geleden. De generaal keek eenigszins vreemd op toen hij mij daar zag verschijnen en zijn eerste opwelling was dan ook om mij terug te sturen. Maar gelukkig kon ik hem bepraten en ik kreeg zelfs van hem gedaan, dat hij mij toestond naar de voorposten te gaan om te trachten toch naar de bolsjewiki te komen.

Molodetsjno, 1 Augustus 1919

Oeff! ! ! Dat zijn een paar dagen van emotie geweest! Nadat ik den 29sten 's avonds in Radoskowitsj een vrij goed kwartier had gehad bij den dokter ('t was alleen wat koud, want alle ruiten waren kapot) toog ik met toestemming van den commandant den volgenden morgen met een treincolonne naar voren om eindelijk te trachten door het front te komen. De Polen stonden ongeveer op tien kilometer voor Minsk en konden er eigenlijk al lang binnen zijn, wanneer dienzelfden avond geen bevel van de Entente was gekomen, om de operaties stop te zetten. Van poolsche zijde verklaarde men dit als volgt: de Polen willen nl. de Beresina als oostgrens hebben en dus feitelijk heel Wit-Rusland bezetten. Maar nu schijnt de Entente bepaalde beloften aan Denikin gedaan te hebben, tengevolge waarvan zij weliswaar graag zag, dat de bolsjewiki terug werden geworpen, maar dit toch liever niet door de Polen liet doen. Maar, zeiden de Polen, ze kunnen ons een paar dagen ophouden, per slot van rekening kunnen ons èn de Entente èn Denikin gestolen worden. Voor mij was dit in elk geval een mooie gelegenheid om te trachten naar Minsk te komen. Alleen had ik natuurlijk weer pech, want de bolsjewiki, bemerkend dat de Polen halt hielden, vielen daarop zelf weer aan en hadden daarbij eenig, zij het ook kortstondig succes, dat mij echter sterk in mijn bewegingen belemmerde.

Want toen ik bij de poolsche voorposten aankwam, op een kilometer van den vijand, bleek het onmogelijk door de linies te gaan. Er werd te veel geschoten. De bataljonscommandant verzekerde mij dat het den volgenden dag wel rustiger zou zijn. "Blijf nu maar vannacht hier slapen -- zeide hij -- dan zal het morgenochtend wel lukken." Zoo werd ik dien nacht ingekwartierd in Sloboda, 'n heel uitgestrekt dorp van ongeveer twee kilometer lang, en vrij dicht achter het front. In plaats echter dat het geweervuur minder werd, werd het steeds sterker. Ik woonde ongeveer in het midden van het dorp, had me voor een behoorlijken prijs wat eten laten klaarmaken, wat aardappelen, brood en gekookte melk, en zat nu bij een kaarsje te lezen, want van slapen was in deze woning geen sprake, om de u nu zoo langzamerhand wel bekende reden. Zoo luisterde ik ook naar het vuren, dat almaar heftiger werd. Het begon te dagen, toen ik buiten haastig hoorde loopen. Ik ging eens kijken en ik zag toen tot mijn groote verbazing, dat het andere eind van het dorp al in brand stond. Wat nu te doen?

Aangezien het nog vrij donker was, besloot ik maar kalm te blijven waar ik was en eerst den dag af te wachten. Het gevecht nam aan alle kanten toe en zoo nu en dan viel zelfs een projectiel in de dorpsstraat. Nauwelijks was de zon doorgebroken en wilde ik de zaak eens gaan bekijken, toen een voorbijsnellend poolsch officier mij in het duitsch toeriep "maak dat je weg komt, het dorp is bijna omsingeld. Alleen de weg naar Radoskowitsj is nog vrij." Daar stond ik nu voor het moeilijke geval. Wat nu te doen? Blijven en mij gevangen laten nemen of niet? Ik weifelde een oogenblik heel sterk, maar per slot van rekening durfde ik het toch niet aan. Daarbij kwam, dat ik nu overal de poolsche troepen zag terugtrekken en de eigenaardige uit alle krijgskundige leerboeken bekende fatale invloed der terugtrekkende massa zich ook bij mij deed gevoelen; dus trok ik, zoo snel als ik kon, met mijn bagage op mijn rug, met de troepen mee. Maar mijn bagage was me toch te zwaar. Ik hield het niet uit en juist wilde ik alles wegwerpen, toen ik nog net bijtijds een wagentje snapte waarop ik mezelf en mijn bagage plaatste. In draf kwam een veldbatterij voorbij, de mannen in hun hemd, zonder hoofddeksels, vuil, met gejaagde gezichten: op een der caissons lag een doode, die nog in allerijl was meegesleept.

De commandant reed naar mij toe en riep: "nou kameraad, dat was nog net bijtijds. Ik heb alles achter moeten laten. Maar geef me jouw revolver, jij hebt er toch niks aan als je gevangen genomen wordt. 't Is zelfs beter dat je er dan geen hebt." Daar was veel waars in en zoo reikte ik hem mijn browning. Hij vroeg me nog even "waar moet ik hem terug bezorgen als ik het overleef?" Ik dacht snel na: "nederlandsche consul in Warschau." En weg was hij. De koetsier was gelukkig nogal handig, want het eischte eenige kennis van zaken, om onder de vrij hevig geworden granaatkartets-regen zoo gedekt mogelijk door het terrein te komen. Maar plotseling stootte ik op den bataljonscommandant, die heel rustig aan den kant van den weg zat, en mij toeriep: "haast je maar niet, de bolsjewiki trekken al weer terug." Ziezo, dat had ik tenminste al weer meegemaakt, maar de kans om naar Minsk te komen, bleek toch verkeken. Mijn gemoedstoestand was niet van de beste: niet geslapen, moe, hongerig; ik dacht er eigenlijk sterk over om de zaak maar op te geven. Het ergste was, dat ik er eigenlijk heelemaal geen gat meer in zag en als een droevig beeld der wanhoop zat ik daar aan den weg naast den commandant. Toen ik hem mijn nood klaagde, antwoordde hij: "weet je wat je doet, ga zoo gauw mogelijk naar Wileika, ik weet toevallig, dat het daar een paar dagen rustig zal blijven." Ik volgde dien raad en keerde in mijn wagentje terug naar Molodetsjno, vanwaar ik nu zou trachten morgen of overmorgen door het front te komen.

* * *

Door het bolsjewistische front

III

Slavino, 3 Augustus

Gistermorgen nog zeide de poolsche commandant in Wileika tegen mij: "m'n goeie man, ga maar gerust naar Warschau terug. Je komt er toch niet door, en als je erdoor komt, word je doodgeschoten." Intusschen ben ik erdoor en voorloopig ten minste nog niet doodgeschoten. Integendeel heeft men mij tot dusver heel vriendelijk ontvangen. Gisterenmorgen vroeg reed ik in een wagentje naar de poolsche voorposten, waar een mij bekend poolsch officier commandant was, en we besloten samen, dat het maar gewaagd moest worden. Er werd een boerenjongen uitgestuurd met een briefje en een witte vlag om onze komst aan te kondigen en een voerman gezocht om me door het front te brengen. Bijna was de geheele tocht nog in het water gevallen, want opeens barstte een geweldig mitrailleur- en geweervuur los, dat echter spoedig weer bedaarde en veroorzaakt bleek te zijn door mijn terugkeerenden parlementair, die vergeten had de witte vlag zichtbaar in de hoogte te steken. Toch was het van dit oogenblik niet meer rustig en het bleek dat ongeveer 1 KM. van de plaats waar ik erover wilde, de bolsjewiki aan 't aanvallen waren. Om dat te keeren kreeg mijn luitenant bevel ook aan te vallen en daarom zei hij tegen mij: "amice, maak nu gauw dat je erover komt; ik zal 15 minuten wachten, maar dan moet ik ook van leer trekken."

Haastig pakte ik m'n bagage bij elkaar, bond m'n helaas niet al te schoonen zakdoek aan een boomtak en reed erop los, nadat mijn voerman met het oog op het schieten nogmaals zijn tarief verhoogd had.

't Was een mooie, warme zomermiddag. Het landschap lag licht golvend, met heel veel zwaar hout, alleen vlak voor de stelling een klein open vlaktetje met een paar armzalige hindernissen.

Ik zat op mijn koffers in het wagentje, mijn witte vlag boven het hoofd, en om vijf minuten over drieën passeerde ik de poolsche linie, terwijl de commandant die me tot zoover gebracht had, me nog nariep: "over tien minuten ben je weer uitgeplunderd bij ons terug."

Het was, terwijl ik daar zoo alleen voortreed, en door Niemandsland trok, toch wel een eenigszins eigenaardig gevoel, een mengeling van angst en nieuwsgierigheid, omtrent het lot dat me te wachten stond. Na ongeveer tien minuten stonden er plotseling drie mannen midden op den weg voor me. Ik schrok even, want ze hadden geen witte vlag bij zich en ik zwaaide dapper mijn zakdoekje, en maakte aanstalten om als ze hun geweer op mochten heffen, m'n wagen en bagage kalm in den steek te laten en hard terug te loopen. Zulks bleek echter niet noodig. De drie bolsjewiki bekeken mij nieuwsgierig, ik gaf hun een hand, presenteerde hun sigaretten en zei m'n twee uit het hoofd geleerde zinnetjes op "Ik ken geen russisch; breng mij naar den commandant."

Ik was heelemaal niet gerust, dat ze niet even zouden gaan debatteeren of ik wel toegelaten zou kunnen worden, want ik dacht aan het aanvalsplan van den poolschen commandant, maar gelukkig ging alles heel vlot en tien minuten later stond ik in een boerenwoning voor den russischen bevelhebber. Deze verstond enkele woorden duitsch, en gaf me te verstaan, dat hij me zoo snel mogelijk naar achteren zou laten brengen en dat hij het te druk had om zich met mij te bemoeien. Ondertusschen werd ik aangestaard door de bolsjewistische soldaten, echte Slaventypen met lange, blonde haren, de meesten nog in de oude tsaristische uniform, met op de borst het onderscheidingsteeken van het roode leger, n.l. de vijfpuntige roode ster, waarin een gekruiste sikkel en hamer met daaromheen een zilveren lauwerkrans. Ik had de voorzorg genomen, een goeden voorraad sigaretten mee te nemen en verdeelde deze direct onder de soldaten, 't geen blijkbaar in goede aarde viel. In dat opzicht onderscheidden ze zich niet van hun poolsche vijanden.

Ik kreeg weer een soldaat mee en werd weer meer naar achteren gevoerd. Zoodoende kwam ik bij den bataljons-commandant terecht, die ook alweer in een boerenwoning te midden zijner soldaten en een alleronbeschrijflijksten hoop vuiligheid troonde. De menschen waren allervriendelijkst, dat moet ik zeggen, noodigden mij uit plaats te nemen, waaraan ik vol innerlijke wanhoop, wegens de legerscharen ongedierte, voldeed. Ik kreeg thee, de commandant mijn sigaretten, en intusschen werd mijn pas bekeken. Van de discipline kreeg ik een hoogst eigenaardig idee, want wat de commandant ook zei, de soldaten, die buiten zaten, kwamen me allemaal bekijken, zoodat het kleine boerenkamertje overvol menschen was. Ze bekeken over den schouder van den commandant m'n pas en toen ze m'n sigaaraansteker gezien hadden, moesten ze hem allemaal bekijken. Kortom, een joviale geschiedenis, maar van een militair standpunt bezien een bende. Eindelijk werd het den commandant toch te kras en, geholpen door zijn adjudant, ontruimde hij op eenigszins hardhandige wijze het lokaal, -- waarbij ik het sterke vermoeden kreeg dat deze majoor onderofficier in het leger van den Tsaar was geweest, -- en begon toen met z'n adjudant een rapport op te stellen. Dat scheen hun nogal eenige moeite te kosten, maar na eenigen tijd waren ze er toch in geslaagd eenige foliovellen vol te pennen. Er werd weer een ordonnans geroepen, er kwam weer een wagentje voor en wederom trok ik verder.

Ditmaal reed ik een uur lang door een dicht dennebosch en ik was blij, met het oog op de wolven, dat mijn geleider tenminste goed gewapend was. Het regimentscommando, waarheen ik nu gebracht werd, bleek gevestigd in een baanwachtershuis. De scènes van het bataljonscommando herhaalden zich ook hier en ik kon bij de verzamelde soldaten een groote, ofschoon niet onwelwillende belangstelling in mijn persoon constateeren. Ik kon bij het verhoor door den regimentscommandant door de open ramen naar buiten kijken en toen verscheen er plotseling op de spoorlijn een gepantserde trein, die vlak tegenover het baanwachtershuis halt hield. Daaruit stapte, gelijk mij de commandant mededeelde, de politieke commissaris der divisie, die beslissen zou, of ik door mocht gaan of niet; in het roode leger staat n.l. naast elken commandant een politieke commissaris, die zijn gangen controleert en zijn bevelen moet goedkeuren, voordat ze uitgevoerd worden. Het spreekt natuurlijk vanzelf, dat de commissarissen eigenlijk de eenige menschen zijn, die wat in de melk te brokken hebben. En zoo moest thans de commissaris van de divisie over mijn lot beslissen. Er werd druk getelefoneerd, weer groote vellen papier vol geschreven en het resultaat was, dat ik met den commissaris in den gepantserden trein naar het noorden toog. Dat was een prachtige tocht. Ik zat boven op de locomotief, want in den trein was het te warm. Ik zat me zelf daar te verkneukelen, dat het mij gelukt was tot zoover door te dringen. Het was ondertusschen vrij laat geworden en al spoedig begon de duisternis te vallen en werd de tocht fantastisch. Daar de locomotief met hout gestookt werd, sloegen groote roode vlammen uit den schoorsteen, die een eigenaardig licht wierpen op de vierkante sombere massa der gepantserde wagens, die met groote vaart langs den spoorweg reden, waar geen enkel licht-signaal brandde. Iedereen hing dan ook buiten den wagen om uit te kijken. Plotseling hield de trein halt en bleken we naast een anderen trein te staan, de commandotrein, waarin de divisiecommandant verblijf hield. Ik werd natuurlijk bij den divisie-commandant gebracht, maar deze bleek net rapport te houden, zoodat ik even moest wachten. Op tafel lag een groote kaart, waarop de poolsche linies aangegeven waren, en ik kon heel duidelijk zien dat ze hier en daar volkomen onjuist waren geteekend; zoo ontbrak elke aanduiding van een flankmarsch, dien de Polen bezig waren van uit Wilna te ondernemen. Het toeval wilde, dat op het rapport eenige berichten voorkwamen, die juist handelden over die poolsche beweging. Het scheen vrij onverwacht te komen en niet iedereen geloofde daaraan, en vermakelijk was het voor mij, den buitenstaander, dat allen zich in het gesprek mengden, en den armen divisiecommandant overstelpten met op- en aanmerkingen. Daar werd me duidelijk, hoe het mogelijk was dat duizend Polen zesduizend bolsjewiki hebben verslagen. Hier kreeg ik een groot papier, waarop in het russisch geschreven scheen te staan, dat ik permissie had om naar Smolensk te trekken. Maar aangezien de trein eerst den volgenden dag vertrok, werd me een bed in den trein aangewezen, waar ik kon slapen.