In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland

Part 6

Chapter 63,930 wordsPublic domain

De politiemijnheer wordt onmiddellijk klein en verzekert mij, dat de passen bij de gendarmerie liggen. Daarop dus naar de gendarmerie, waar men ons mededeelt: de passen zijn klaar, u kunt ze direct krijgen, als u even wilt wachten. Wij wachten, 5 minuten, 10 minuten, een half uur, een uur, anderhalf uur. Toen werd het mij weer te kras. Ik vroeg nog eens, eerst weer heel beleefd: mijnheer, ik zit hier nu anderhalf uur op de pas voor mijn dolmetscher te wachten, het ministerie heeft mij beloofd, dat ik hem om 12 uur zou krijgen, het is nu half drie en nog heb ik hem niet. De mijnheer, met een broodje in zijn mond, keek dom en haalde de schouders op. Daarop begon ik op een anderen toon, en wat antwoordde hij toen, zijn broodje uit den mond nemend "ik geef niet om het ministerie en als je je niet kalm houdt, laat ik je arresteeren!" Dat liet ik mij niet zeggen en ik begon toen eerst recht; het heele gendarmerie-bureau stond op stelten. Wat, mij arresteeren, probeer dat eens, enz. enz. Alle chefs kwamen toeloopen, maar ik ken mijn Pappenheimers hier en heb goede longen en ik ging dus rustig door met opspelen tot ze allemaal heel klein waren geworden en heel beleefd excuses begonnen te stamelen. "Ze maakten wèl hun excuses, maar ze wisten niet wie ik was (n.b. een leugen, ik ben er al tien keer geweest) en ze zouden hun best doen" enz. enz.

Mijn pas heb ik echter nog altijd niet.

Nu wordt de correspondentie met buitenlandsche zaken weer geopend, heel ijverig copieer ik weer de brieven van Clemenceau aan Von Haniel, maar ondertusschen is de amerikaansche gezant ook van het geval op de hoogte. Deze ontving mij werkelijk buitengewoon vriendelijk en beaamde mijn klachten. Ook hij oordeelde lang niet malsch over de poolsche bureaucratie. Toen ik vertelde, dat ik met opspelen nog het meest bereikt had, begon de gezant te lachen en zeide: ja, dat is de wijze, waarop je met deze poolsche Russen dient om te springen. Trouwens, al de Amerikanen, die ik hier sprak, zijn het volkomen met mij eens en toonen zich dan ook volstrekt niet tevreden met den gang van zaken. Er schijnt dan ook sprake van te zijn, dat de groote mogendheden het bewind voorloopig in handen zullen nemen, om wat orde op de zaken te stellen. Laat ik er echter direct bijvoegen, dat het departement van buitenlandsche zaken, al werkt het niet bijzonder vlug, de vriendelijkheid zelve is geweest; het is echter volkomen machteloos tegenover den generalen staf, de politie en de gendarmerie.

Ik krijg den indruk, dat op het oogenblik, gebruik makende van den oorlogstoestand, de militairen in gemeenschap met de groot-grondbezitters een reactionnaire politiek voeren. Hetgeen m.i. groote gevaren meebrengt voor den jongen staat. Ook de politiek tegenover het bolsjewisme is zeer eigenaardig, ofschoon typisch voor alle aan Rusland grenzende landen, die ik tot dusver bezocht. Het onderscheid, dat men n.l. op het oogenblik maakt tusschen bolsjewieken en bolsjewistisch verdachten is niet heel groot, en verdacht te zijn van bolsjewistische sympathie kan al maken, dat men in een zeer onaangename positie komt.

Voor hen, die in Rusland gedwongen werden om bolsjewistisch soldaat te spelen, is het niet heel pleizierig om gevangen genomen te worden. Het kost hun dan heel veel moeite om te bewijzen, dat zij slechts gedwongen aan de beweging deelnamen. Maar ook voor heel veel arbeiders in Polen zelf is het onpleizierig. Men brengt de menschen, door zoo op te treden, in een heel moeilijk parket, en dwingt ze feitelijk om bolsjewiek te worden.

In het parlement is het, naar men weet, tot een botsing gekomen tusschen de rechter- en de linkerzijde, waarbij deze, onder het zingen van revolutionnaire liederen en onder het gejuich der tribune, de zaal verlaten heeft. Beide partijen verschillen maar weinig in zetelsterkte, wat een zeer remmenden invloed op de parlementaire werkzaamheid uitoefent. De oorzaak moet gezocht worden in het tegenhouden van de beperking van het groot-grondbezit door de rechterzijde. Men tracht op het oogenblik tot een compromis te komen. De rechterzijde wil als maximum de eigenaars bijna vijf maal zooveel laten houden als de linkerzijde, die uit socialisten en boeren is samengesteld. De plannen van deze lijken zeer radicaal, maar men heeft er buiten Polen over 't algemeen geen begrip van, hoe geweldig groot sommige bezittingen zijn.

Er zijn landeigenaars, die meer grond bezitten dan ons halve koninkrijk beslaat. Voor een goede sociale ontwikkeling acht men het noodzakelijk om een deel van deze goederen tegen schadevergoeding te onteigenen en zoodoende te komen tot een onafhankelijken, krachtigen boerenstand, wat voor een agrarisch land als Polen een eerste vereischte is. Men moet niet vergeten, dat hier en daar op het platteland nog middeleeuwsche toestanden heerschen. De op het oogenblik voorgestelde regeling is voor Polen wellicht vrij radicaal, maar wordt zij niet ingevoerd, dan staat den landeigenaars het gevaar te wachten, dat bij een verschuiving der meerderheid naar links, die bij de volgende verkiezingen al verwacht wordt, een totale verdeeling zal plaats hebben, zonder dat er schadevergoeding voor gegeven wordt. Een hardnekkig verzet der meerderheid zou, ook met het oog op de bolsjewistische propaganda, zeer gevaarlijk zijn. Tevens moet er bij in 't oog gehouden worden, dat de landbouw hier nog zeer achterlijk is, en dat de boeren in 't algemeen nog zeer onontwikkeld zijn en dus voor een propaganda, die hun direct veel land belooft zeer ontvankelijk.

Hoe het met het onderwijs staat weet ik niet, maar zoo ontwikkeld als de betere standen zijn, zoo dom is geloof ik over het algemeen het volk. Ik heb tenminste heel wat soldaten ontmoet, die mij mijn pas vroegen en die ondersteboven bekeken, totdat zij mijn portret zagen en ontdekten dat zij het papier andersom moesten bekijken, waaruit ik de m.i. niet al te gewaagde conclusie trok, dat deze lieden niet lezen kunnen. Het eind was dan ook gewoonlijk dat ze om een sigaret vroegen, en mij verder ongehinderd lieten doorgaan.

Ik ben vannacht op jacht geweest, en heb een rijken buit binnengehaald; niet minder dan negen stuks. Hoewel mijn hotel tot een der beste van Warschau gerekend kan worden, en ik uit voorzichtigheid den grond goed bestrooid had met insectenpoeder, bleek gisterenavond de muur naast mijn bed door eenige eskadrons wandcavalerie als excercitieterrein gebruikt te worden. Van vandaag af staat mijn bed dan ook midden in de kamer en ik heb een nieuwen voorraad insectenpoeder ingeslagen.

Warschau, 11 Juli

Met heel veel moeite, en na er èn het ministerie van buitenlandsche zaken èn den amerikaanschen gezant in gekend te hebben, heb ik dan eindelijk mijn tolk het land uit gekregen; hij is naar Weenen vertrokken. Waarom doe je toch zooveel moeite voor een Jood? vroeg een poolsche autoriteit mij. De man scheen niet te begrijpen, dat, daar ik hem het land had binnengebracht, ik mij ook zedelijk verplicht voelde te zorgen dat hij er weer uit kwam, en ik kon het niet op mij nemen, mijn tolk in een der gevangenkampen te zien opnemen, die de poolsche bladen zelf als nog erger dan de hel voorstellen.

Ik besloot dus alleen Rusland in te trekken, en ging daarom naar den staf om mijn pas af te laten stempelen. Nadat men mij daar 14 dagen lang verzekerd had: tegen u hebben wij niets, gij kunt gerust naar Rusland doorgaan, begon men nu ik alleen was plotseling uit een ander vaatje te tappen.

Nu heette het dat mijn pas niet in orde was.

Ik natuurlijk naar buitenlandsche zaken. Och wat, zeiden ze daar, uw papieren zijn volkomen in orde.

Toen ik bij den staf terugkwam, bevestigde die dat de zaak in orde was; den volgenden avond om 6 uur kon ik de toestemming halen.

Toen ik op dat uur in het bureau van den generalen staf verscheen, werd ik alleronaangenaamst verrast. In plaats van dat men mij mijn passen gaf, kreeg ik bescheid, dat men naar Nederland getelegrafeerd had, en dat ik om zoo te zeggen gevangen was, en dat men bovendien eenige stukken die ik voor het consulaat in Moskou bij mij had, in beslag nam.

Zoo, mijnheeren, zeide ik verontwaardigd, is dat jullie manier van optreden. Veertien dagen houdt ge mij hier vast, zegt niets, en nu begint ge over telegrafeeren te spreken en te beweren, dat mijn papieren niet in orde zijn.

Dit gesprek ging door bemiddeling van een officier, die zoo vriendelijk was mij te helpen, want de man met wien ik te doen had (n.b. van den inlichtingendienst) sprak alleen poolsch.

Ik protesteerde heftig, maar het hielp niets, men nam mijn papieren in beslag en gaf mij een briefje, waarop stond dat ik Warschau niet mocht verlaten, en in geen ander hotel, dan waar ik logeerde, mijn intrek mocht nemen.

Dat was natuurlijk een wraakneming voor mijn hulp, aan een Jood bewezen. Men kan in Nederland nu nagaan, wat een Jood zelf hier voor rechtspositie heeft, als een vreemdeling, van de beste papieren voorzien, zonder een enkel recht is. Want de minister van buitenlandsche zaken en zijn secretaris, de heer Perlowski, verklaarden beiden, dat ik weliswaar volkomen in mijn recht was, maar dat zij tegenover den generalen staf volkomen machteloos stonden.

Ik zat ondertusschen niet stil en telegrafeerde naar Den Haag, naar Berlijn, naar Weenen, de dichtstbijzijnde gezantschappen, wendde mij tot den amerikaanschen gezant, tot het ministerie van buitenlandsche zaken en schreef bovendien nog aan den staf zelf.

Verder bracht ik een bezoek aan de redactie van de Warschausche Kurier, een der grootste bladen. De redacteur, die mij te woord stond, was zeer collegiaal, gaf mij groot gelijk en beloofde mij de zaak dadelijk ter hand te nemen.

Met den consul ging ik den volgenden dag persoonlijk bij den generalen staf protesteeren.

Het poolsche ministerie van buitenlandsche zaken maakte mij excuses en beloofde alles in 't werk te stellen om de zaak in orde te brengen.

Vanmiddag kreeg ik dan eindelijk bericht, dat de zaak in orde was.

Edoch, excuses, ho maar; laat ik er echter bijvoegen, dat ik deze toch niet aangenomen zou hebben, en dat ik hierbij openlijk protesteer tegen de handelwijze, waarvan ik in een beschaafd land als Polen wil zijn, het slachtoffer ben geworden.

Hoe ver de heeren van den staf het hier in 't lezen gebracht hebben, blijkt wel hieruit, dat ze maar hardnekkig blijven beweren, dat geen mijner papieren in Den Haag is uitgereikt, terwijl er dat in drie talen op staat.

Maar bovendien, veertien dagen lang heeft men geen bezwaren gemaakt.

Bij deze gelegenheid heb ik van verschillende zijden gemerkt, dat de Polen zelf heel weinig met deze militaire dictatuur ingenomen zijn, maar ze zijn volkomen machteloos.

* * *

OP WEG NAAR RUSLAND

Bogdanof, 15 Juli

Bogdanof moet men zoeken halverwege Lida en Molodetsjno, bezuiden Wilna. Wellicht zal men het op de kaart eerder vinden dan in loco, want als er -- nog uit den tijd der duitsche bezetting -- geen reusachtig bord stond met letters als koeien: "Dorf Bogdanow", dan zou men nauwelijks gelooven dat hier een dorp lag.

Ik vertoef hier dan ook slechts omdat de spoorweg niet verder gaat en ik de verdere 80 KM. naar Molodetsjno in een wagen moet afleggen. Gisteren ben ik hier aangekomen uit Lida, het poolsche hoofdkwartier, waar ik de noodige papieren voor het passeeren van de grens had gehaald.

Ik reisde met een goederentrein (de eenige treinen die rijden) waarin één wagen derde klasse liep, die ik met eenige soldaten deelde. Mijn reisgenooten legden groote belangstelling voor mij aan den dag en daar enkele soldaten duitsch spraken, was weldra een gesprek aangeknoopt. Toen zij hoorden dat ik een Nederlander was deden zij mij tal van vragen, meest over de prijzen van de levensmiddelen en over de mogelijkheid van een spoedigen vrede. Een van hen vertaalde het gesprokene dan voor zijn makkers in het poolsch.

De soldaten waren zeer voorkomend jegens mij; ik moest van hun brood meeëten en zelfs wilden ze mij uit hun veldflesschen laten drinken. Ook zongen ze poolsche liederen voor mij. Toen wij Iaat in den avond te Bogdanof aankwamen en ik besluiteloos in den kletsenden regen op het perron stond, daar ik nergens een huis zag, had ik het weer aan mijn reismakkers te danken dat ik dien nacht onder dak kwam. Kom maar mee, zeiden ze, onze luitenant zal u wel willen ontvangen.

Zoo trokken we naar hun kwartier, een veldhospitaal dat op eenigen afstand van het station lag. Hier werd ik vriendelijk ontvangen door drie officieren van gezondheid, allen voormalige Oostenrijkers, die dadelijk bereid waren mij op te nemen en mij 't beste voorzetten wat zij te eten en te drinken hadden.

Tot Iaat in den nacht zijn we bijeengebleven; zij vertelden mij over den oorlog in het Oosten, ik hun over den vrede in Nederland.

Toen zij hoorden, dat ik over Minsk naar Moskou wilde, verklaarden zij eenstemmig die reis voor onmogelijk. "Het poolsche leger gaat nu op Minsk los en wij hopen het binnen enkele dagen te veroveren. Onze vliegers hebben de spoorwegverbinding Moskou-- Minsk al vernield, om het zenden van hulptroepen uit het oosten te verhinderen."

Dit was een minder aangename tijding. Als er geen spoorwegverbinding meer met Moskou bestond, loonde het natuurlijk de moeite niet naar Minsk te gaan.

Een mijner gastheeren ried mij over Odessa te gaan, maar die omweg was me toch wel wat groot en bovendien leken de pas-moeilijkheden onoverkomelijk.

Gelukkig hoorde ik vandaag dat er nog een betere weg open is, t.w. over Molodetsjno--Polosk. Ik vertrek dus morgen naar Molodetsjno en zal vandaar verder zien te komen. Mijn papieren zijn, voor het poolsche gebied, volkomen in orde, maar het zal nog wel moeite kosten het front over te komen. Ik moet den poolschen commandant zien te bewegen, mij iemand mee te geven om mij met de russische voorposten te verstaan. Als ik eenmaal door het front heen ben, zal het wel gaan.

Vandaag heb ik eens in de omgeving van het veldhospitaal rondgekeken. Overal ziet men hier in den omtrek nog de sporen van den grooten oorlog: wegen, stations, lazaretten, door de Duitschers gebouwd en nu verlaten.

De economische toestand op het land is verre van rooskleurig; de bevolking lijdt honger. Vanochtend ontmoette ik een bedelaar, die mij iets vroeg. Ik dacht, dat hij een aalmoes wilde hebben en gaf hem, daar ik geen klein geld had, een twee-markstuk. Dat wilde hij echter niet aannemen. Ik riep er een soldaat bij, die duitsch sprak, en liet hem den man vragen waar hij dan om bedelde. Het bleek, dat hij brood wilde; aan geld had hij niets, hij kon er toch niets voor koopen.

* * *

EEN ONDERHOUD MET TSJITSJERIN

Ik ben op 11 Augustus door den russischen minister van buitenlandsche zaken ontvangen. Hij was zoo vriendelijk mij een interview toe te staan. De minister ontving mij in zijn werkkamer, een vrij groot, eenvoudig gemeubeld vertrek en hij zat achter een met papieren en telegrammen bedekte tafel. Ik vroeg hem of er z.i. een vrede mogelijk zou zijn, waarbij aan den eenen kant een sovjet-Rusland zou staan en aan den anderen het oude Europa. Theoretisch ja, oordeelde de minister; hij meende zich te kunnen voorstellen, dat een proletarisch Rusland met kapitalistische staten zou kunnen samenleven en handelen. Slechts voegde hij er bij: zelfs wanneer wij ons dan van alle propaganda, enz. verre zouden houden, dan zullen de kapitalistische regeeringen het toch onverdraaglijk vinden, dat alleen het feit, dat wij er zijn, op de arbeiders van West-Europa als een voorbeeld werkt.

Minister Tsjitsjerin maakte dan in den loop van ons onderhoud de opmerking, dat Rusland gaarne weer handelsbetrekkingen met West-Europa wil aanknoopen.

Verder over den vrede sprekend, vroeg ik of er niet twee soorten oorlog waren, die nu tot een eind gebracht moeten worden, n.l. de oorlog met Koltsjak en Denikin, met de tsaristische tegenrevolutie, en die met Polen en Litauen. De minister antwoordde: Polen voert den oorlog niet direct met ons, maar met sovjet-Litauen, den staat waar wij bevriend mee zijn. Want er is een rood en een burgerlijk Litauen, die met elkaar strijden, en tegelijkertijd strijden beiden tegen Polen. Met sovjet-Litauen is ook Wit-Rusland verbonden. Hierbij, zoo ging de minister voort, moet ik opmerken, dat Litauen en Wit-Rusland, evenals Letland, Estland en de Oekraine, door ons terstond als zelfstandige sovjet-republieken erkend en als bevriende mogendheden beschouwd werden, bij welke wij vertegenwoordigers hebben. Daar wij gelijke belangen hebben, hebben wij een militair verbond met hen gesloten. Ik moet er hierbij echter den nadruk op leggen, dat wij deze staten noch gevormd, noch veroverd hebben, dat zij hun revolutie op eigen houtje hebben gemaakt en dat wij pas later ons verbond met hen hebben aangegaan.

Ik vroeg toen, of, wijl Rusland zichzelf steeds een federatieve republiek noemt, er reeds een federatief lichaam bestaat, en tot hoever die republiek zich zal uitbreiden.

Neen -- luidde het antwoord -- de vertegenwoordigers van de centrale uitvoerende comités van de verschillende sovjet-republieken, vormen een voorloopige vergadering, die thans in Moskou bijeen is, om gemakkelijker te kunnen onderhandelen.

Wat de aziatische volken betreft, moet ik opmerken, dat wij alle vroegere verdragen van de Tsaristische regeering met Perzië, China, Mongolië, enz. hebben prijsgegeven, en dat wij het recht van zelfbeschikking van al die landen hebben erkend.

Door deze vraag kwamen wij vanzelf op het belangrijke punt der economische noodzakelijkheid die er ook voor sovjet-Rusland bestaat, om ijsvrije havens te krijgen. Deze quaestie is, naar het mij -- interviewer -- voorkomt, de belangrijkste van de geheele vredesvraag, want het is en blijft waar, dat Rusland havens noodig heeft. Maar aan den anderen kant hebben die havens weer Rusland noodig als achterland. Ik vroeg dan ook aan den minister of hij zou toestemmen in vredesvoorwaarden, die Rusland van de zee zouden afsnijden.

Ja -- luidde het antwoord -- welke voorwaarden wij zullen stellen als het tot een conferentie komt, kan ik thans niet zeggen. Het lijdt geen twijfel, dat de Letten zelf bolsjewistisch gezind zijn en dat, zoodra de buitenlandsche bezetting uit Letland vertrekt, het land weer bolsjewistisch zal zijn. Economisch hebben wij elkaar noodig. Riga zoomede de Oekraine hebben in economisch opzicht de verbinding met ons noodig, evengoed als wij die zelf noodig hebben.

Zal -- vroeg ik verder -- de oorlog nog lang duren?

Ja, dat moet u aan de entente en aan de Japanners vragen. Wij zijn steeds te allen tijde tot den vrede bereid. De vorming van ons leger heeft ons groote moeite gekost en de aanvallers hebben ook in den beginne eenige successen behaald. Maar zoo spoedig wij een voldoende macht tegen hen in het veld zonden, viel het leger van onze vijanden uit elkander, zooals dit b.v. het geval is geweest met de strijdmacht van Koltsjak, die thans reeds tot ver in Siberië is teruggeweken, bij welken terugtocht zijn leger tot totale desorganisatie vervallen is. Hetzelfde zal met Denikin gebeuren.

Thans wilde ik van den minister weten, wat hij over West-Europa dacht: of het daar tot een omwenteling zooals in Rusland zou komen, en of die omwenteling zich in eens zou voltrekken of wel zou geschieden in verscheiden elkaar opvolgende vormen. Maar op die vraag ontving ik geen beslist antwoord, want de minister zeide, dat het moeilijk was, daaromtrent voorspellingen te doen. Wel geloofde hij, dat zoowel in Frankrijk als in Engeland zooveel gistingskiemen verzameld waren, dat een hardhandige, revolutionnaire uitbarsting moeilijk zou kunnen worden vermeden. Hij geloofde niet, dat het den regeeringen zou kunnen gelukken de haar gestelde, reusachtige problemen tot oplossing te brengen en de arbeiders tevreden te stellen.

Ten slotte vroeg ik nog iets, dat op een geheel ander gebied betrekking had, en het antwoord op die vraag luidde 'zeer geruststellend: "alle schilderijen, ook d i e i n d e E r m i t a g e , zijn goed bewaard gebleven."

De vraag of het wel waar was, dat de vrouw in Rusland was "gecommuniseerd" heb ik enkel meegedeeld; want het antwoord daarop wist ik al. De sovjets hebben eenvoudig het burgerlijke huwelijk ingevoerd, verder niets. Ook de Kerk heeft men volkomen gerespecteerd; enkel heeft men de ondersteuning van den Staat aan de Kerk afgeschaft en volledige gewetensvrijheid ingevoerd. De kerken als particuliere vereeniging en het kerkelijk gezag van den Patriarch zijn volkomen onaangetast gebleven.

* * *

EEN BEZOEK AAN BOLSJEWISTISCH RUSLAND

Berlijn, 30 Augustus, 1919

Nu ik weer in Berlijn terug ben en in een zindelijke hotelkamer zit te werken, nu ik mij weer vrij kan bewegen zonder steeds gevolgd te worden, komt het mij als een droom voor. Ik moet er nog aan wennen dat ik weer een vrij mensch ben, dat die drukkende last is weggevallen en dan, dat alles hier zoo zindelijk is, dat ik weer eens rustig kan slapen. Want dat is eigenlijk bij alle moeilijkheden die ik op mijn tocht heb ondervonden, van 14 Juli af, toen ik Warschau verliet, het allerergste geweest, het ongedierte, eerst in Polen, later in Rusland.

Het was nu en dan om gek te worden, luizen, vlooien en wormen. In al die weken heb ik, behalve in het regeeringshotel te Moskou, dat zeer zindelijk was, bijna geen nacht rustig geslapen, en dat maakte dat ik op het laatst bijna geheel op mijn zenuwen moest leven.

Tot mijn groot leedwezen heb ik thans gemerkt, dat mijn brieven uit Molodetsjno en Wileika Nederland niet bereikt hebben, en dat het laatste levensteeken, dat men van mij ontving, de brief uit Bogdonow was.

Nadat ik telegrafisch mijn hoofdindrukken uit Rusland heb weergegeven, wil ik thans een geregeld verhaal doen van de reis naar Moskou, en welke moeilijkheden ik allereerst in Polen te overwinnen had om door het front te komen, want de poolsche commandanten van het front, hoewel zeer vriendelijk en beleefd, en gehoorzamend aan het bevel uit Warschau om mij te helpen naar Rusland te komen, maakten toch vele bezwaren, waarbij kwam dat zij, wetend dat ik naar het vijandige kamp toog, natuurlijk zeer achterdochtig waren, en mij zoo weinig mogelijk vertelden van hun operaties.

Na een paar dagen ging het echter al beter en kregen ze wat meer vertrouwen in me, zoodat ik nu in staat ben, u een vrij geregeld verhaal te doen van de poolsche operaties in Wit-Rusland, die eindigden met de verovering van Minsk.

Het tragische toeval wil, dat daar waar een paar jaar te voren de millioenenlegers der Russen en Duitschers elkaar bekampten, thans een soort guerrillaoorlog gevoerd wordt met evenveel honderdtallen soldaten als er vroeger millioenen stonden.

Van een gesloten front was dan ook nergens sprake, behalve aan de hoofdverkeerswegen, maar dat was nu voor mij het moeilijke, dat ik er juist daar moest trachten door te komen, omdat langs de landwegen de moeilijkheden te groot waren, voornamelijk ook door het groote aantal roovers, en, verbaas u niet al te veel lezer, door de wolven, die voor den eenzamen reiziger een groot gevaar opleveren. In de buurt van Molodetsjno zijn in den afgeloopen zomer ongeveer 60 personen, meest kinderen, door wolven gedood.

Zij komen op het oogenblik tot in Oost-Pruisen.

In Molodetsjno was de staf van de poolsche troepenmacht, die van het noorden tegen Minsk opereerde, ingekwartierd. Als flinke dekking voor de operaties, was er een front bij Wileika, een 20 KM. voorbij Molodetsjno aan de spoorlijn Molodetsjno-Polisk, terwijl de tegen Minsk opereerende troepen bij Krosne stonden, aan de spoorlijn Wilna-Minsk; daartusschen doorkruisten alleen cavalerie-patrouilles het terrein, terwijl daar bij de bolsjewiki de z.g.n. groene garde optrad. Deze wordt gevormd door boeren en deserteurs van het roode leger, die roovend en plunderend rondtrekken, en zoowel tegen de Polen als de Russen vechten.

Voor mij bestond dus alleen de gelegenheid te trachten of bij Krosne of bij Wileika door het front te komen.