In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland
Part 5
Over het bolsjewisme halen ze hun schouders op terwijl de Oekrainers hun troepen juist een gevoelige nederlaag bezorgd hebben. Van Koltsjak moeten ze hier echter niets hebben en dat heeft zijn gegronde redenen. Er zijn hier n.l. eenige honderden gevluchte russische officieren, en toen eenige maanden geleden Koltsjak een paar overwinningen behaalde, kwamen deze in een vergadering bij elkaar en hielden redevoeringen, waarin onder meer gezegd werd: wanneer eerst de Tsaar maar weer eens op den troon zit, zullen wij Polen wel weer klein krijgen. Dat vonden de Polen, en m.i. terecht, natuurlijk heelemaal niet prettig. Het lastige van het geval is, dat ook in het vredesverdrag van Versailles over de poolsche oostgrens heelemaal nog niet gesproken wordt; dat moet dus allemaal nog geregeld worden. Zoo moet dus alles, naar binnen en naar buiten, opgebouwd en geregeld worden. Het groote gevaar is en blijft de bureaucratie, die werkelijk angstwekkend is. Ik heb er dezer dagen meer dan genoeg van genoten en ben nog steeds bezig voor mijn tolk een pas naar Rusland te krijgen en nog steeds is dit niet gelukt en word ik van het eene bureau naar het andere gestuurd. Ik had echter slechter uit kunnen zijn en heb nu de gelegenheid deze mooie en oude stad op mijn gemak te bekijken.
Er zijn hier heel mooie oude en typische buurten, waarvan de schilderachtigheid nog door het voorkomen der bevolking, voor een deel Joden met lange baarden, gehuld in zwarte kaftans, verhoogd wordt. Tijdens de russische overheersching was het niet mogelijk de stad behoorlijk uit te breiden, omdat ze ingesloten was door een omwalling met forten, en men was daardoor gedwongen in de hoogte te bouwen; vandaar dat men er heel veel huizen aantreft met zeven en meer verdiepingen. Maar ook in de oude stad vindt men wel veel hooge oude huizen, en daartusschen in weer kleinere renaissance-gevels, hetgeen dikwijls een heel schilderachtige groepeering geeft; en dan is er de mooi breede Weichsel. Musea zijn er bijna geheel niet, al is men thans bezig een nationaal museum in te richten. De Russen duldden dergelijke inrichtingen, die te veel een nationaal poolsch karakter gehad zouden hebben, niet.
Ik bezocht gisteren een schilderijententoonstelling, en het trof mij, hoevelen er een historische gebeurtenis afbeelden, hoewel er daarnaast toch ook een groot aantal, waaronder zeer veel impressionistische, moderne, waren met een sterk naar voren komend eigen karakter. Over de literatuur kan ik niet oordeelen; alleen heb ik wel ontdekt, dat Sienkewitz, de schrijver van Quo Vadis, hoewel hij door de intellectueelen volstrekt niet tot de groote schrijvers gerekend wordt, hier zeer populair is, en niet als schrijver van den wereldbekenden Nero-roman, maar als auteur van een serie historische romans, bij ons echter minder bekend.
Het heeft mij getroffen, hoeveel apotheken hier zijn en hoe modern zij zijn ingericht, en ik meen dat te moeten verklaren uit het feit, dat de apotheker hier, zooals dat in Holland in sommige plaatsen de drogist nog wel is, de rol van huisdokter vervult.
Polen gaat er prat op een der oudste parlementen te bezitten, al heeft deze Poolsche Landdag nu niet bepaald een buitengewone reputatie. In de hoop, dat hij zijn vroegere reputatie niet zal handhaven, heeft men thans voor eenige maanden een Landdag gekozen met algemeen, direct, geheim en evenredig kiesrecht voor mannen en vrouwen boven 20 jaar. Het aantal leden is nog niet vastgesteld kunnen worden, omdat men nog niet precies de grenzen van het land kent. Op het oogenblik zijn er, geloof ik, een goede 180.
De parlementaire geschiedenis sedert de duitsche revolutie is wel merkwaardig. Tijdens het duitsche gouvernement had men hier den "regentschapsraad", die direct bij het terugtrekken der duitsche troepen in het noorden en Centrum en der Oostenrijkers in het zuiden het bewind aan een socialistische regeering overdroeg. Deze regeering stond direct voor de moeilijkheid, alles te moeten organiseeren en voorbereiden. Als militaire macht had men het poolsche legioen, dat onmiddellijk versterkt werd door een volksweer, die direct al het door de centralen achtergelaten legermateriaal in beslag nam en eveneens het rollend spoorwegmaterieel. De door deze socialistische regeering geënsceneerde verkiezingen brachten haar echter een groote nederlaag, en de meerderheid in het parlement kregen de nationale democraten, in coalitie met eenige kleinere partijen, terwijl de socialisten niet veel meer dan 30 stemmen kregen; en ook de Joden, die eigen vertegenwoordigers kozen, haalden er niet veel meer. Daarop werd de tegenwoordige regeering gevormd, die zich haastte eenige door de socialisten genomen maatregelen in te trekken, zooals o.a. het afschaffen van den adel, en het doen verdwijnen van de kroon op den kop van den poolschen adelaar. Dit laatste is een typisch poolsche kwestie. Het oude embleem der Polen, dat tijdens de overheersching een soort heilige vereering genoot en in 't geheim door elken Pool bewaard werd, was nl. een gekroonde adelaar. Deze kroon hadden de socialisten direct willen doen verdwijnen, maar daarbij vergrepen zij zich aan een nationaal gedenkteeken en daarvan wilden de Polen niets weten, zoodat nu overal weer de gekroonde adelaar in volle glorie prijkt. De socialisten waren de felle tegenstanders van den overigens zeer populairen Paderewsky, en om hen nu niet al te veel voor het hoofd te stooten, werd deze niet tot staatspresident, maar tot minister-president gekozen. De meerderheid in den landdag schijnt wel monarchaal te zijn, maar toch uit practische overwegingen, o.a. het ontbreken van een goeden candidaat, voor de republiek gestemd te hebben.
Als unicum mag wel medegedeeld, dat de militaire ontwerpen door den landdag met algemeene stemmen werden aangenomen.
Nu moet ik er weer eens over gaan zitten denken hoe ik dezen brief weg krijg en moet ik mij tevens weer eens beklagen over de nederlandsche posterijen. Terwijl de zwitsersche post hier geregeld aankomt, is er in de laatste zes maanden geen brief uit Nederland aangekomen. Er bestaat toch een verbinding Zwitserland-Nederland. Dat men toch de brieven voor Warschau langs dien weg stuurde en besefte, dat de verbinding tusschen Berlijn en Warschau verbroken is.
* * *
ECONOMISCHE VOORUITZICHTEN IN POLEN
Warschau, 2 Juli
De aanwezigheid van enkele Hollanders, die zich hier ophouden om zaken te doen, brengt mij er vandaag toe eens een brief over economische zaken te schrijven, aangezien het mij van belang lijkt er de aandacht van ondernemende nederlandsche kooplui op te vestigen, dat er hier op 't oogenblik nog wel zaken te doen zouden zijn.
Ik ben daarom naar het ministerie van buitenlandsche zaken gewandeld, en heb een interview verzocht met den minister van buitenlandsche zaken ad interim, hetgeen mij direct werd toegestaan.
Z.E. was zoo vriendelijk, toen hij het doel van mijn komst vernomen had, mij in de gelegenheid te stellen kennis te maken met een paar hoofden van afdeelingen, die mij alle gewenschte inlichtingen konden verschaffen.
Voorop dient te worden gesteld, dat men in Polen heel graag zaken met Nederland wil doen, maar dat de groote moeilijkheid schuilt in de betaling met het oog op het groote verschil in valuta.
Polen is op het oogenblik wel een unicum onder de europeesche staten, want hoewel het door den vrede van Versailles een land van tusschen de 25 en 30 millioen inwoners is geworden, heeft het om zoo te zeggen geen staatsschuld.
Misschien dat het een klein deel der duitsche, russische en oostenrijksche schuld mee zal krijgen, doch op het oogenblik is daaromtrent nog niets bepaald, en is de eenige schuld de een paar maanden geleden geplaatste binnenlandsche leening, terwijl met Frankrijk en Amerika onderhandeld wordt over een buitenlandsche.
Op het oogenblik staat de regeering echter voor de volgende moeilijkheid, dat er nl. vier soorten geld in omloop zijn, nl. tsarenroebels, duitsche en poolsche marken, die denzelfden koers hebben, en oostenrijksche kronen.
Al dit papiergeld heeft een zeer lagen koers, en nu is men bezig de uitgifte van nieuw geld voor te bereiden. Men wil nl. een poolschen gulden invoeren, en dien de waarde van den franschen franc geven, en daarmede dan het vreemde geld vervangen. Men hoopt dit binnen twee maanden te kunnen bewerkstelligen.
De binnenlandsche leening heeft opgebracht 380 millioen mark, 480 millioen kronen en 240 millioen roebel. Met het resultaat der inschrijvingen was men hier zeer tevreden, maar Polen heeft natuurlijk veel meer geld noodig, zoowel om zijn papier gelduitgifte te dekken als om krediet in het buitenland mogelijk te maken. Vandaar dat men, vooral ook met het oog op handelsbetrekkingen met ons land, hoopt er in te kunnen slagen, een poolsche leening in Nederland te plaatsen. Men zal ons land te meer noodig hebben omdat men groote kanalisatieplannen heeft, en heel goed weet dat voor de uitvoering daarvan de Nederlanders de meest aangewezen personen zijn.
Nu de Weichsel de hoofd-verkeersader zal worden, moet het tot dusver niet gekanaliseerde stuk, n.l. dat door het vroegere russische gebied loopt, ook bevaarbaar worden gemaakt. De staat is niet van plan dit zelf te doen, maar zal een inschrijving daartoe openen, terwijl te zelfder tijd een groot aantal baggermachines en vaartuigen voor de binnenscheepvaart in het buitenland gekocht zullen worden. Bovendien heeft men nog verschillende plannen tot het doen graven van kanalen; o.a. een om het industriegebied met de Weichsel te verbinden. Dit lijkt mij voor de nederlandsche aannemers van belang. Het is echter zaak den loop der gebeurtenissen niet af te wachten, want de fransche, engelsche en amerikaansche missies hebben allen handelsattachés meegebracht, die ijverig in de weer zijn de buit voor hun land binnen te slepen. Lukt het den Nederlanders, hier goede contracten af te sluiten, dan is het niet onmogelijk dat wij er in zullen slagen ook kolen uit Polen te betrekken, hetgeen voor ons m.i. van groot belang is gelet op de moeilijkheden, die wij zullen hebben in de toekomst aan voldoende brandstof te komen.
De poolsche industrie, die vóór den oorlog van groot belang was, is door den oorlog om zoo te zeggen geheel ten gronde gericht, en Polen, dat vroeger aanzienlijke hoeveelheden suiker uitvoerde, heeft daaraan thans groot gebrek en kon, doordat zijn raffinaderijen meerendeels vernield zijn, daarin voorloopig ook geen verandering brengen. Dit brengt natuurlijk mede dat onze industrie, gelet op de gemakkelijke verbinding van onze havens met Danzig, hier een ruim arbeidsveld zou kunnen vinden; maar men moet wel degelijk met de concurrentie der Entente rekening houden.
Polen is voor het overgroote deel verder een landbouwland, en dat maakt, dat het zich vermoedelijk wel van de in den oorlog geleden schade zal herstellen. Alleen lijkt het mij, zoo oppervlakkig gezien, dat men hier op landbouwkundig gebied nog zeer veel van ons kon leeren. De Polen zijn zoo diligent geweest een zaakgelastigde met handelsattaché naar Den Haag te sturen. De minister van buitenlandsche zaken zeide mij, dat men hier met verlangen op een nederlandsch vertegenwoordiger wacht. Het ware in elk geval zeer wenschelijk, dat men zoo spoedig mogelijk een handelsman hierheen zond, om de mogelijkheden voor onzen handel en onze industrie te bestudeeren, en den nederlandschen kooplui met raad en daad ter zijde te staan.
De wanhoop van een nederlandsch koopman, die hier bezig is voor millioenen te verkoopen maar niet weet hoe hij zijn waren betaald kan krijgen, doet mij den wensch van de poolsche regeering om in Nederland een krediet te krijgen, hier nog eens extra vermelden. Als tegenprestatie wil de regeering dan gaarne de kanalisatie en wat daarmee samenhangt aan nederlandsche leveranciers gunnen. De poolsche staat kan bovendien voldoende waarborgen geven, aangezien hij heel groote staatseigendommen in den vorm van landgoederen bezit, en ook het spoorwegnet is niet geheel zonder belang, circa 12,000 KM. Aan hout is hier bovendien geen gebrek en het transport is bijna geheel te water mogelijk, 't geen natuurlijk een groot voordeel is.
In een memorie, die ik van het ministerie ontving, legt dit er den nadruk op dat de gemakkelijke scheepvaartverbinding en het geheel ontbreken van een eigen handelsvloot, Polen wel dwingt verbinding te zoeken met een land als Nederland, dat een krachtige handelsvloot heeft. Verder ziet men hier reikhalzend uit naar onze koloniale producten, als cacao, thee, peper en tabak enz. Men hoopt verder dat het poolsche graan met het amerikaansche zal kunnen concurreeren. Wanneer de vrede eenmaal werkelijkheid geworden zal zijn, is Warschau bovendien, door zijn centrale ligging in Europa, het aangewezen punt waar west en oost elkaar zullen ontmoeten en daarom is het mede van belang, dat wij hier vasten voet krijgen, temeer omdat Polen er zelf veel voor voelt met neutralen goede betrekkingen aan te knoopen, aangezien het heel goed beseft, dat de vriendschap met de groote mogendheden altijd haar gevaarlijke zijde blijft behouden.
Laat ik eindigen met mede te deelen, dat men over Zwitserland--Weenen--Krakau--Warschau, binnen 5 dagen hier kan zijn en dat het dus niet noodig is, de moeilijke frontreis te maken.
* * *
IN AFWACHTING
Warschau, 5 Juli
Het is voor een correspondent de eerste plicht objectief te blijven, en toch is dat het moeilijkste van alles, want vooral in een jongen staat als Polen tracht men hem van alle kanten met propaganda te bewerken. Het is met de objectiviteit precies zoo gesteld als met de neutraliteit; is men werkelijk objectief, ziet men de dingen zooals ze werkelijk zijn, en niet zooals een der partijen ze graag ziet, dan heeft men al spoedig kans het bij allen te verbruien.
Zoo ook hier in de Joden- en pogromkwestie.
Het is mij dezer dagen al vaak gebeurd, dat ik op straat door een joodje werd aangesproken met de vraag "wil meneer bijzonderheden over een pogrom?"
Zoo ook vanmorgen weer, in het hotel; daar werd ik plotseling aan mijn jas getrokken, en een heer van onmiskenbaar semitisch voorkomen sprak me in het nederlandsch aan. "Heb ik mijnheer niet eens gezien in Amsterdam, bent u geen correspondent van de Rotterdammer?"
"Ja," zeide ik hoogst verbaasd. Maar de portier, die blijkbaar iets van het gesprek verstaan had, liet 's mans verdere rede in duigen vallen, doordien hij er plotseling tusschen kwam met de woorden: "niets van gelooven mijnheer, hij heeft net geïnformeerd wie u was en nou doet ie net alsof hij u van vroeger kent."
"Nou, wat zou dat," antwoordde toen de ander, "mijnheer ziet toch dat ik hollandsch ken. Ik heb twee jaren in Scheveningen gewoond; kan ik u niet eens alleen spreken?"
Ik was natuurlijk dadelijk daartoe bereid, en het kwam zooals ik reeds vermoed had: "wilt u niet eens schrijven over de pogroms?"
"Hoor eens," zeide ik toen, "ik beschrijf alleen wat ik zelf gezien heb, of u moet me een paar menschen brengen -- die ik als geloofwaardig kan aannemen -- die mij zeggen kunnen dat ze het zelf gezien hebben."
Ja, dat kon hij niet, maar het was toch heusch waar.
"Jawel," antwoordde ik, "en de Polen zeggen dat het heusch niet waar is, wie moet ik nu gelooven?"
Zoo is het inderdaad. Het schijnt dat men, vooral in de engelsche en amerikaansche pers, veel over pogroms schrijft; maar ik moet bekennen dat ik er zelf nog niets van gezien heb, en ook nog niemand gesproken heb die er bij geweest is.
Ik kan dus nog altijd niet verklaren of er al dan niet pogroms zijn voorgekomen. In Warschau zelf is dat, naar ik vrij zeker meen te weten, niet het geval. Anders had ik er zeker wel iets van ooggetuigen over gehoord.
Dat men hier overigens op de Joden zeer gebeten is, heb ik u in een mijner vorige brieven al medegedeeld, en ik heb daar persoonlijk den last van, dat men mijn tolk nog altijd maar geen vergunning wil geven om me naar Rusland te vergezellen. Ik heb mij voor een paar dagen nogmaals schriftelijk tot het ministerie van buitenlandsche zaken gewend, en men heeft mij thans verzekerd, dat ik Maandag of Dinsdag uitsluitsel krijg.
Het wordt zoo langzamerhand tijd ook. Niet dat ik hier niet goed zit, maar ik wil verder, en hier is voor mij op het oogenblik niet veel te doen.
De poolsche regeering zit op het oogenblik niet op rozen, en het teekenen van het vredesverdrag in Versailles heeft hier dan ook geen aanleiding gegeven tot buitengewone feestelijkheden. Geen wonder trouwens; ten eerste geeft de buitenlandsche politiek nog altijd reden tot bezorgdheid, en bovendien is de binnenlandsche toestand ook niet al te geruststellend.
Eergisteren heeft nog een zeer bloedige botsing tusschen stakende arbeiders en de militaire macht plaats gehad, waarom wij gisteren den geheelen dag zonder electrisch licht, trams en kranten gezeten hebben, aangezien een groot deel der arbeiders uit protest staakte.
Er zijn, al merkt men er als vreemdeling weinig van, in den laatsten tijd bijzonder veel stakingen geweest; zoo is er nu een zeer ernstige der arbeiders in de militaire werkplaatsen. Voor een land, dat naar zooveel zijden moet vechten, is dat natuurlijk een zeer lastige geschiedenis. Men is hier volstrekt nog niet gerust, te meer, daar men zich met eenige angst afvraagt, wat er in de oostelijke duitsche provincies gebeuren zal.
Naar mijn meening is de stemming dan ook wel eenigszins omgeslagen en neemt men tegenover den militairen toestand een minder optimistisch standpunt in dan een paar weken geleden.
Men moet niet vergeten, dat de poolsche oostgrens nog volstrekt niet is vastgesteld, en dat b.v. het oekrainsche vraagstuk nog niet eens besproken, laat staan opgelost is.
Is het al moeilijk dergelijke kwesties in normale tijden op te lossen, hoeveel te meer in deze omstandigheden na vijf jaar oorlog, en bij de geweldige ellende. Want er wordt hier in Polen nog honger geleden, heel erg zelfs.
Vanmorgen zag ik in een van de buitenwijken een paar vrouwen bezig uit een mesthoop de nog eenigszins eetbare restjes te zoeken, en de ontzettende lange rijen voor de broodwinkels spreken eveneens een duidelijke taal. Of die echter voldoende begrepen wordt? Zeker, er is hier van alles te krijgen, veel meer dan te Berlijn, maar vraag dan ook niet wat voor prijzen daarvoor moeten betaald worden.
6 Juli
Schreef ik gisteravond nog, dat ik hoop had, Maandag of Dinsdag uitsluitsel te krijgen of mijn tolk mee mocht naar Rusland, vanochtend werd ik onaangenaam verrast door het bericht van buitenlandsche zaken, dat de generale staf in geen geval den doortocht kon toestaan.
De generale staf gaf als voornaamste reden op, dat nooit iemand door het front gelaten wordt. Dat nu is een officieele leugen; dagelijks staan hier de couranten vol met verhalen van personen die van of naar Moskou gaan. Er is zelfs een soort koeriersdienst; voor 25 mark kan men een brief naar Rusland gebracht krijgen. Elken dag kan men advertenties vinden als deze: "Ik vertrek van de week naar Rusland en neem brieven mee."
Men kan mij niet wijs maken, dat dit allemaal zou gebeuren, zonder dat de generale staf het ook weet. Die leest toch ook couranten.
Het is niet de schuld van het ministerie van buitenlandsche zaken; daar is men welwillend genoeg geweest, maar uitsluitend van den generalen staf.
Ja, zeide de minister tot mij, wij civiele autoriteiten kunnen niet tegen het militaire element op.
Thans ben ik wel gedwongen alleen te gaan. Het wachten is nu voorbij, en ik moet thans zorgen zoo spoedig mogelijk over de grens te komen, in de hoop dat ik in het land der bolsjewiki zal worden toegelaten.
Mijn stemming tegenover de poolsche autoriteiten is op 't oogenblik niet van de beste, en ik moet hier dan ook openlijk protesteeren tegen de meer dan russische wijze waarop men hier vreemdelingen behandelt.
Een hier aanwezig Hollander, die het visum van den poolschen vertegenwoordiger in den Haag, den heer Wlodek, voor heen- en terugreis bezit, kwam mij gisteren ook al woedend mededeelen, dat de politie hem gezegd had, zich van dit visum niets aan te trekken; hij moest maar zoo lang wachten als de politie goed vond.
De wijze waarop ik hier tegengewerkt ben, is ook typeerend en dat alleen omdat mijn tolk een Jood is.
Nu ben ik bang, dat men hem tijdens mijn afwezigheid het leven zeer lastig zal maken en daarom zal ik probeeren hem naar Weenen te krijgen.
Heden lunchte ik met een amerikaansch journalist, die mijn oordeel over de bureaucratie ten volle deelde, en nu ben ik besloten morgen mijn nood eens te gaan klagen bij den amerikaanschen gezant, en hem te verzoeken zoo noodig een wakend oog over mijn tolk te houden, opdat men hem het leven niet lastig make.
* * *
POOLSCH ALLERLEI
Warschau, 8 Juli
Als dagbladcorrespondent is men nu eenmaal verplicht brieven aan zijn courant te sturen, en maak je dan ook elken dag behoorlijk je aanteekeningen om dan een paar maal in de week eenige brieven te schrijven. Dan zijn ze klaar, en begint telkenmale opnieuw de moeilijkheid hoe krijg ik ze weg. Steeds ben ik er op uit een middel te verzinnen, om ze zoo spoedig mogelijk weg te krijgen, en het ellendige is en blijft dat je nooit weet, hoe lang ze onderweg zijn en of ze hun bestemming wel bereiken. Van uit Polen is het wel bijzonder moeilijk op het oogenblik, en ik ben thans dan ook nog altijd in de onwetendheid, of de redactie er wel een heeft ontvangen. Temeer klemt dit voor mij, nu ik op weg ben naar Rusland, van waaruit het nog veel moeilijker, zoo niet geheel ondoenlijk, zal zijn om ook maar iets weg te krijgen. Telegrafeeren helpt al niet veel, want op een telegram naar Weenen, dat ik voor vijf dagen wegzond, en waarin ik dringend om antwoord verzocht, heb ik nog steeds niets gehoord. Een telegram uit Nederland afgezonden 27 Juni, bereikte mij eerst den 7en Juli, dat was dus ongeveer een halve week onderweg. Intusschen zet ik mijn strijd met de poolsche bureaucratie voort en ik heb mij thans maar voorgenomen vandaag niet over de Polen te schrijven, ten einde mijn bittere stemming tegen de poolsche regeering niet op het heele volk te koelen.
Een ding is al beslist, mijn tolk en zijn vrouw mogen niet mee naar Rusland, en ik ben thans bezig te zorgen, dat zij ongehinderd naar Weenen kunnen reizen. Mijn tolk is nl. in Polen geboren, maar heeft de oostenrijksche nationaliteit aangenomen; dat nemen ze hem hier geweldig kwalijk en dan voornamelijk het feit, dat hij een Jood is.
Nu bestaat er hier bij het geheele volk een geweldige haat tegen de Joden. Ik heb het er in bijna al mijn brieven over gehad, doch gij moet mij dat maar vergeven, want het joodsche vraagstuk is zoo ingrijpend in het heele poolsche leven, dat men er dagelijks mee in aanraking komt. De haat tegen de Joden is begrijpelijk; het volk ziet in hen woekeraars, de regeerende klasse bolsjewisten; aan den anderen kant moet men ook weer niet vergeten, dat de Joden het hier wel heel moeilijk hebben, en dat er al heel weinig gedaan is om hen uit hun ellendige toestanden naar voren te halen. Ik heb er in elk geval veel last van gehad, en omdat ik het met de autoriteiten niet eens kon worden, die mij van het kastje naar den muur stuurden, heb ik mij vandaag tot onzen consul en tot den amerikaanschen gezant gewend met een officieel protest.
Het volgende deed bij mij de deur dicht: gistermiddag beloofde mij de secretaris van den minister van buitenlandsche zaken dat mijn tolk en zijn vrouw hun pas om elf uur aan het ministerie kunnen afhalen. Goed, wij er hedenmorgen heen, precies om 11 uur. O, zegt men, als u gaat naar het politiebureau, daar liggen ze klaar. Op het politiebureau: een brutale meneer, die zegt met de zaak niets te maken te hebben. Maar mijnheer, zeg ik, het ministerie van buitenlandsche zaken stuurt mij naar u toe. Geen antwoord. Ik herhaal mijn opmerking; geen resultaat, daarop sla ik met de vuist op tafel en begin te eischen.