In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland
Part 4
Nu moet het mij van 't hart, dat men hier wel wat al te hard van stapel loopt, en het jonggeboren Polen al te veel naar het verre verleden wijst, aangezien het heel Polen van voor de eerste deeling terug wil. Nu kan men m.i. 150 jaar wereldhistorie wel niet absoluut negeeren, en ook is het waar dat de Polen alle recht hebben op een onafhankelijk nationaal bestaan, -- zij hebben er genoeg voor geleden --, maar ik vind in de duitsche argumenten, die wijzen op hun 150-jarigen cultureelen arbeid in Posen, Silezië en Oost- en West-Pruisen, ook veel waars en het is wel zeer hard om hun dit gebied nu toch maar weer ineens af te nemen.
Helaas, de mogelijkheid om tot een compromis te komen is daarom zoo gering, omdat de fransche missies hier overal met alle mogelijke middelen een zeer krachtige anti-duitsche campagne voeren, en niet zonder succes.
Wilna, de eigenlijke hoofdstad van Litauen, met ongeveer 200,000 inwoners, heeft al heel wat meegemaakt. Duitschers, Franschen, Zweden, Tartaren, Polen, Russen hebben er op hun beurt den scepter gezwaaid. Zoo was het voor 100 jaren het hoofdkwartier van Napoleon toen hij zijn tocht naar Rusland begon.
Wij hebben, en dat is bij den tegenwoordigen politieken toestand nog altijd van groot belang, met drie verschillende volken te doen, n.l. de Litauers, de Wit-Roetenen en de Polen, waarvan alleen de laatsten, niet alleen door hun overwegend aantal maar ook door hun kultuur, in aanmerking komen tot het vormen van een zelfstandigen staat.
Bij de Litauers en Wit-Roetenen is het nationale bewustzijn eerst in de laatste jaren wat wakker geworden, door den druk der russische regeering.
In het verleden heeft Litauen wel is waar een groote rol gespeeld, maar die tijden zijn voorbij.
In de middeleeuwen bestond het russische rijk uit drie groote slavische volksgroepen -- de groot-Russen, die in het centrum woonden -- de klein-Russen, die in de Oekraine thuis hoorden en nog hooren en de Wit-Roetenen in het Westen.
De litausche vorsten slaagden er in om de Wit-Roetenen aan hun gezag te onderwerpen en zoo een tijd lang een groot rijk te vormen, dat zich echter niet lang staande hield; de Wit-Roetenen kwamen onder russische overheersching. Litauen werd in 't eerst door een gemeenschappelijken koning met Polen verbonden, en ongeveer 1500 werd het geheel een met Polen.
Van 1500 af tot de derde deeling van Polen in 1795 was Litauen poolsch en men kan dus gerust zeggen, dat, daar het litausch eigenlijk niet veel meer dan een boerendialect is, een unie met Polen de meest voor de hand liggende oplossing zou zijn, te meer, daar de cultuur geheel en al poolsch is.
Er is weliswaar in Litauen een strooming, die voor de onafhankelijkheid is, maar m.i. zal die op den duur toch niet krachtig genoeg blijken.
De groote moeilijkheid bij de oplossing van het Oost-Europeesche probleem ligt m.i. voor het grootste gedeelte hierin, dat de entente elke oplossing, die Duitschland gelegenheid zou geven contact met Rusland te krijgen, wil vermijden.
Men heeft, dit is duidelijk voelbaar, in Parijs dezelfde fouten gemaakt, die men in 1815 op het Weener Congres en in 1878 op het Berlijner Congres beging.
Daardoor is ook alle mogelijkheid op een vreedzame oplossing in de toekomst uitgesloten.
Men treft hier dan ook niemand aan, die aan den volkerenbond gelooft, en de poolsche stafofficier die mij op de kaart de poolsche eischen aanwees, ging daarbij ook van de onderstelling uit dat Polen naar twee zijden in de toekomst front zal moeten maken, n.l. tegen Rusland en Duitschland.
Uit strategische overwegingen willen de Polen dan ook het land der Wit-Roetenen, d.i. dus het oostelijk deel van Rusland, bij hun land inlijven opdat o.a. Wilna niet te dicht bij de russische grens gelegen zal zijn.
Geheel ongelijk kan men hun daarbij niet geven en de vredesvrienden die op ontwapening rekenden, zullen dan ook zeer onthutst zijn, als zij de legerplannen der poolsche regeering vernemen.
Over het algemeen kan men dan ook zeggen dat met de tegenwoordige constellatie in Oost-Europa de wereldvrede verder verwijderd is dan ooit.
Over het conflict der Oekrainers en Polen ben ik nog niet voldoende georiënteerd; ik hoop u daarover een volgende maal te kunnen schrijven, evenals over de binnenlandsche politiek.
Een bijzonder gedeelte daarvan is wel het joodsche vraagstuk.
De geschiedenis geeft ook al weer antwoord op de vraag, hoe komen hier in 't Oosten toch zooveel Joden? In Wilna zijn er zoowat 100.000 op de 200.000 inwoners. Ze zijn in de middeleeuwen niet uit Rusland, zooals ik altijd gedacht had, hierheen getrokken, maar van uit Duitschland, waar men ze met geweld gedwongen heeft naar het oosten te trekken.
Door alle eeuwen heen hebben ze hun eigen karakter zeer sterk bewaard en zelfs een eigen taal behouden, een mengsel van duitsch en hebreeuwsch, dat met hebreeuwsche letters geschreven wordt.
Door de russische wetten, die hen verboden zich met akkerbouw in te laten, werden ze wel gedwongen zich alleen tot den handel te beperken en vormden zij daardoor een intermediair tusschen de groot-grondbezitters en de landbouwers.
Ze hebben echter de eigenschap met de meerderheid mee te gaan, en zoo daar een haat tegen de groot-grondbezitters of tegen de overheerschende Russen ontstond, leden zij mede daaronder en waren per slot van rekening bij geen der partijen gezien, hetgeen hen nog meer in hun isolement dreef.
Toch worden de Joden in Polen niet direct gehaat, en komen de moeilijkheden m.i. op het oogenblik daaruit voort, dat zij niet meegaan met het laaiende nationaliteitsgevoel der Polen en zich als natie met hun eigen taal en rechten in Polen erkend wenschen te zien, en daar willen de Polen niets van weten.
Daarbij komt nog iets: de Polen bekijken het bolsjewisme minder van den sociaal-economischen kant, dan wel als een zuiver nationaal-russische beweging en wel speciaal als een semitisch aziatische. Waardoor zij in elken Jood eigenlijk min of meer een bolsjewist zien.
De Polen, die ik ontmoette, weerlegden met nadruk dat er pogroms plaats gehad zouden hebben. Ik kan er niet over oordeelen, omdat ik er niets van gezien heb. Wel heb ik bij de Amerikanen een eenigszins anti-poolsche stemming ontdekt, die haar oorzaak vindt in deze beweerde pogroms.
Nu zeggen de Polen weer, dat dit uitvindsels zijn van een joodsch-amerikaansch comité, dat in de Amerikaansche pers een campagne tegen de Polen voert.
Ook heb ik al gehoord, dat men de Duitschers van deze agitatie beschuldigt, zooals trouwens de entente Duitschland beschuldigt de voedster van het bolsjewisme te zijn.
Een Engelschman zeide mij nog voor eenige dagen: bolsjewism does not exist, it is nothing but something made in Germany.
Trouwens, het heele doen der entente is mij een raadsel. Men spreekt ervan Koltsjak te erkennen, en wat zeggen de Polen openlijk?: Koltsjak, c'est du blague.
Verder nemen de Polen het bolsjewisme echter in 't geheel niet au serieux, hetgeen hun m.i. nog wel eens een bittere ontgoocheling zou kunnen bezorgen.
Wel nemen zij zeer sterke anti-bolsjewistische maatregelen, maar of dat alles helpt?
* * *
DOOR POLEN
Warschau, 23 Juni
Mijn voorlaatsten brief zond ik uit Wilna op dezelfde wijze als ik in Polen gekomen ben, n.l. met den panje (boer) die mij er door de linies bracht.
Ik heb natuurlijk geen flauw idee of deze brief wel ooit Nederland zal bereiken, en daarom vertel ik u nog even, dat ik van uit Kovno, gedeeltelijk te voet, gedeeltelijk met een wagen, behouden in Wilna, en daarmede in Polen, aankwam, met het doel van uit Wilna door het poolsche front naar Minsk te gaan, van waaruit een directe treinverbinding met Moskou bestaat. Het lot besliste echter anders en zoo schrijf ik u nu van uit Warschau, de hoofdstad van het nieuwe poolsche rijk, waar ik gisteravond na een avontuurlijke reis door het noordoostelijke deel van Polen aankwam. De poolsche militaire autoriteiten wilden mij n.l. wel alleen doorlaten, maar niet met mijn dolmetscher, en aangezien ik geen woord russisch versta besloot ik eerst naar Warschau te trekken om daar voor mijn reisgezelschap de permissie, om met mij Rusland binnen te trekken, te gaan halen. Aangezien ik toch het plan had hierheen te komen, zij het ook op de terugreis, hindert het mij niet erg, en op een zoo lange reis komt het per slot van rekening op een paar dagen meer of minder niet aan. Ik heb bovendien van hieruit nog weer eens gelegenheid een paar brieven naar patria te sturen, en ook dit is op zichzelf al weer heel wat waard. Zij zullen echter een heelen omweg moeten maken, aangezien ik zal trachten ze per koerier naar onzen gezant in Weenen te sturen, met het verzoek, ze wel verder te willen doen transporteeren. De weg Warschau--Krakau--Weenen is n.l. op het oogenblik de eenige verbinding die Polen met de buitenwereld heeft, aangezien het feitelijk aan alle kanten meer of minder oorlog heeft.
In mijn vorigen brief deelde ik u reeds mede, dat Wilna geen bijzonder mooie stad is, en bij nadere beschouwing viel het nog eer tegen dan mee. Wel is het een typische stad, met zijn vele kerken en synagogen, want ook hier wonen naast de zeer katholieke bevolking een groot aantal joden. De commandant van Wilna, een gewezen oostenrijksch officier, ontving mij heel vriendelijk, maar deelde mij direct mede, dat hij mij geen permissie kon geven om door het front te trekken, aangezien alleen de commandant van het heele oostelijke front in Lida mij die kon geven. Deze commandant bleek de voormalige oostenrijksche militaire-attaché in Rome, graaf Sceptyzhi, te zijn dien ik daar in 1913 toevallig ontmoet had; dat kon dus al niet mooier; en zoo besloot ik naar Lida te vertrekken. Daartoe had ik echter een groot aantal papieren noodig en het bleek een heele last, die machtig te worden, te meer aangezien mijn dolmetscher een Jood is en de Joden in Polen niet bepaald populair zijn. Op mijn gang door al die bureaux deed ik de ontdekking, dat de Polen een leelijk ding van de Russen hebben overgenomen, n.l. een geweldige bureaucratie, met de daarbij behoorende orientalische achterdochtigheid. Gedeeltelijk vindt men die beide in het leger terug, maar ook slechts gedeeltelijk, n.l. voor zoover het uit Russen, d.w.z. Polen die vroeger in Rusland gediend hebben, is samengesteld. Rusland, onder den Tsaar, werd geheel centraal geregeerd; geen enkel ambtenaar in de provincies was in staat zelfstandig een beslissing te nemen, altijd moest te St. Petersburg om advies gevraagd worden. Dat had natuurlijk het gevolg, dat alle ambtenaren niet meer dan werktuigen werden, met geen greintje zelfstandigheid. Precies zoo is het op 't oogenblik in Polen.
In het leger treft men, naast de vroeger in russischen dienst gediend hebbende officieren, veel Oostenrijkers, voornamelijk onder de stafofficieren en generaals, en zelfs een vrij groot aantal gewezen duitsche reserveofficieren uit Posen aan. Het is dus wel een merkwaardig amalgama, met voor 't oog dit resultaat, dat er geweldig stram gediend wordt; een stramheid, die men vroeger zelfs tevergeefs in Berlijn of Weenen gezocht zou hebben. Het merkwaardigste vond ik wel, dat de officieren der fransche missie deze stramheid overgenomen hebben en men kan hier fransche luitenants de hakken tegen elkaar hooren slaan op een wijze waarop ieder Pruis trotsch zou zijn. Ook de soldaten maken een vrij goeden indruk. Alleen zijn zij over het algemeen zeer jong. Ik zag n.l. vrij veel jongens van misschien 14 of 15 jaar als soldaat rondloopen. Ofschoon het bolsjewistische Rusland hier zoo dichtbij is, beweren de officieren dat het op hun soldaten totaal geen vat zal hebben. Hetgeen ik zoo vrij ben te betwijfelen, en ik vraag mijzelf af, of niet het nemen van zulke jonge soldaten een maatregel is, om alleen nog niet besmette elementen in het leger op te nemen.
Tegen bolsjewistische propaganda worden verder drastische maatregelen genomen, en in Wilna was dan ook op iedere twintig inwoners er een in 't gevang gestopt, en daarmede stemt het nieuwe Polen met het oude Rusland wonderwel overeen: je komt er heel makkelijk in 't gevang, maar uiterst moeilijk weer uit. Ook mijn dolmetscher werd al spoedig in het hok gezet, maar ik slaagde er in hem weer op vrije voeten te krijgen, en zelfs lukte het mij hem mee te krijgen naar het hoofdkwartier in Lida. Ik kreeg z.g.n. om mij de reis te vergemakkelijken een gendarm mee; inderdaad bleek zulks echter gedaan om ons beter in de gaten te houden. Ik vond het echter heel makkelijk, want nu had ik den heelen tijd een kruier bij mij, aangezien ik mijn braven bewaker met mijn koffers liet sjouwen, hetgeen hij voor een handvol sigaretten met genoegen deed. 's Middags om vier uur zou de trein naar het zuiden vertrekken, maar om zeven uur eerst vertrokken we, aangezien de locomotief defect was geraakt. De Hollanders hebben in ons brave vaderland geen idee, hoe de oorlog eigenlijk in Europa heeft huis gehouden hier in 't Oosten, waar de beschaving er toch altijd maar als een vernis op gelegen heeft, merkt men het echter geweldig. Niet alleen aan de hotels, die vuil en verwaarloosd zijn, met kapotte tapijten, vervallen muren en trappen, met van ongedierte wemelende bedden, ook niet alleen op de straat, aan de huizen met opschriften, waarvan de helft der letters weggevallen is, het in jaren niet onderhouden plaveisel, de in lompen gehulde bedelaars, meest verminkte soldaten, maar het ergste bespeurt men het op de stations en in de treinen. Geen enkele locomotief, die meer heel is, 1ste en 2de klasse wagens ziet men niet meer, alleen vervuilde 3de en 4de klasse wagens, gedeeltelijk zonder ruitjes; de wachtkamers, met allerlei opschriften, nog uit den oorlogstijd dateerend, onbeschrijfelijk vuil, alleen hier en daar een enkel meubel, een buffet, dat nog aan vroegere betere dagen herinnert. De reis van Wilna naar Lida, die vroeger niet meer dan twee uur geduurd zal hebben, duurde thans ruim zeven uur, nadat de locomotief, die met hout gestookt werd, onderweg nog een paar maal defect was geraakt. Het was dan ook twee uur in den nacht toen wij in het poolsche hoofdkwartier, niet veel meer dan een groot dorp, bestaande uit houten huizen te midden van tuinen gelegen, behouden aankwamen, en het werd drie uur alvorens wij een onderdak kregen.
Het was dan ook je onderdak wel; ik moest me tevreden stellen met een matras op den vloer van een gelagkamer van een joodsch herbergje, waar ze n.b. 20 mark voor vroegen.
Nu wat betreft het aantal wansen en luizen, dat er in die kleine ruimte opgehoopt bleek, om van de vlooien nog maar niet eens te spreken, was het logies, als het per ongedierte berekend werd, zijn geld ten volle waard. Ik ben dan ook maar niet gaan slapen, en bestudeerde de rest van den nacht een meegebrachte russische geschiedenis. Den volgenden morgen zou ik echter met het meest verstokte bureaucratisme kennis maken. De officier voor wien we gevoerd werden verstond n.l. alleen russisch en poolsch, en op mijn verzoek om bij den chef van den staf toegelaten te worden, kon hij niet beslissen, aangezien hij daartoe permissie aan zijn chef moest vragen, en deze chef was natuurlijk afwezig. Toen ik zoo drie uur gewacht had gaf ik er den brui van, en stapte regelrecht naar het bureau van den chef van den staf, waar het mij lukte binnen te dringen. De chef van den staf, een gewezen oostenrijksch officier, was, toen hij mijn verhaal aangehoord had, dadelijk zoo buitengewoon vriendelijk, dat het mij moeite kostte, om mijn protest op den toon voor te dragen zooals ik mij dat had voorgenomen, maar het besef van hetgeen ik aan de waardigheid van de N.R.C. verschuldigd ben, deed mij toch den juisten toon vinden om de heeren onder het oog te brengen dat ik mij een dergelijke behandeling als tot nu toe, niet liet welgevallen. Op slag veranderde dan ook alles. Ik werd direct bij den generaal geroepen, die zich mijner ook dadelijk herinnerde. Ik kreeg direct een uitnoodiging om in het officierscasino te komen etc. Er werd een speciaal kwartier voor mij aangewezen en zoo was ik op eens weer het heertje. Helaas bleek ook de generaal onmachtig om mijn dolmetscher vergunning te geven de linies te passeeren, en schoot er niets anders over of alleen naar Rusland te gaan of eerst naar Warschau en daar de papieren in orde te laten brengen; ik besloot tot het laatste. Een der adjudanten van den generaal, die uitstekend engelsch sprak, was zoo vriendelijk mij 's avonds in zijn kamer op de thee te noodigen en wij bespraken natuurlijk den politieken toestand van het oogenblik. Voor mij was het daarom zoo interessant omdat ik voor eenige dagen in het duitsche hoofdkwartier in Kovno met de duitsche officieren een dergelijk gesprek gehad had. Zooals in Kovno overal kaarten hangen met de opstelling der poolsche troepen, hingen ze hier natuurlijk met die der Duitschers en ik kon dus een vergelijking maken. Ik kon niet onder stoelen of banken steken, dat ik voor de wederzijdsche spionnage een bijzonder respect had, want de gegevens der beide partijen klopten buitengewoon goed.
Het was toch wel vermakelijk zoo kort na elkaar de beide vijandelijke hoofdkwartieren te bezoeken. Had ik echter bij de Duitschers den indruk gekregen dat zij de bolsjewistische troepen zeer au serieux namen, bij de Polen vond ik het tegendeel. De wijze waarop de poolsche officier zich echter over zijn eigen leger uitliet, gaf mij wel den indruk, dat hij de krachten van zijn herboren vaderland eenigszins overschatte.
Men moet niet vergeten dat Polen, behalve een front tegen de bolsjewisten, ook nog met de Oekrainers en de Duitschers te doen heeft. Ik herhaalde hier in 't poolsche hoofdkwartier hetgeen ik reeds aan de N.R.Ct. telegrafeerde, n.l. dat het mijn overtuiging is, dat de Pruisen zich niet, zonder meer, bij het vredesverdrag zullen neerleggen. Goed, zeide de poolsche officier, maar dan komt de entente. Waarop ik weer zei ja, en dan komen de bolsjewisten. Het interesseert mij dus wel zeer wat de komende dagen zullen brengen, en daarom ben ik toch maar blij naar Warschau te zijn gegaan; daar hoor ik tenminste weer iets van hetgeen in de wereld voorvalt, en krijg ik weer eens een behoorlijk bed om te slapen.
* * *
WARSCHAU
I
Warschau, 28 Juni
Warschau doet sterk aan Boedapest en Weenen denken. Zei men niet van Oostenrijk's hoofdstad, dat daar de Orient aanving? Zoo is het ook hier. De Polen spreken ook, als voelden zij het zelf, van het Westen als van Europa. Toch willen ze het niet weten, dat Polen eigenlijk op de scheiding leeft, willen een west-europeeschen staat, en nog wel een groote mogendheid worden. Een Pool, getrouwd met een hollandsche, die vrij goed hollandsch spreekt, protesteerde met vuur tegen mijn bewering, dat Polen een russisch karakter zou hebben, maar hij moest toch toegeven dat het bureaucratisch gevaar echt russisch is, en toen ik hem vertelde, hoe ik dezer dagen een energiek hollandsch koopman ontmoette, die hier een milioenenzaak kwam afsluiten met het gouvernement, en toen den raad kreeg, een der hooge ambtenaren eenvoudig een douceur te geven, zij het ook in den vorm van procenten, moest hij mij wel gelijk geven. Toch moet men eerbied hebben voor het taaie nationale karakter der Polen, die niettegenstaande 150 jaren vreemde overheersching er in geslaagd zijn hun nationaliteit zoo ongerept te bewaren. Geen beter bewijs dan Warschau, waar met de Russen ook tegelijkertijd alle teekenen hunner overheersching verdwenen zijn. Het is een zuiver poolsche stad, waar niets u herinnert aan de eeuwenlange vreemde overheersching. Alles is er poolsch, de opschriften op de huizen, in de winkels, de monumenten, de straatnamen, enz. enz. Het is voor mij, die geen poolsch spreekt, onmogelijk naar een theater te gaan, want nergens wordt ook zelfs maar een internationaal programma opgevoerd. Dat sterke nationalisme is mede een van de voornaamste redenen, dat de Joden hier zoo verbazend onpopulair zijn, al wordt mij van alle kanten hartstochtelijk verzekerd, dat er geen pogroms plaats gehad hebben. De Joden zijn n.l. lang niet genoeg patriottisch en willen in Polen veel te veel een staat in den staat vormen, met eigen taal, het jiddisch, en eigen zeden en rechtspraak. Van verschillende zijden heb ik vernomen hoe in de laatste dagen de fransche officieren der troepen van Haller, evenals in de tijden van Peter den Groote, den Joden hun baarden met geweld afknippen. Er verscheen dan ook een proclamatie in het fransch en het engelsch, voor die soldaten der troepen van Haller die geen poolsch verstaan, waarin de regeering hun verzocht de Joden ongemoeid te laten. Er schijnt dus wel iets van aan te zijn.
Het leven is hier, ten minste voor de betere klassen, heel anders dan in het Westen; men dineert hier tusschen 2 en 4 's middags, om eerst laat te soupeeren, terwijl de café's en lekkernijen-winkels den geheelen dag druk bezocht zijn. In deze millioenenstad merkt men heel weinig, dat het land feitelijk aan drie zijden in oorlog is, en ofschoon zij, die Warschau voor den oorlog gekend hebben, zeggen, dat het sterk achteruit gegaan is, bespeurt men toch nog altijd een grooten drang naar luxe. Ik dineerde gisteren in Hotel Bristol. Een groote, mooie zaal, een strijkje, veel officieren, entente en Polen, de laatste groot, slank, dikwijls blond, met knappe, sprekende gelaatstrekken en heel, héél mooie vrouwen. Dat moet trouwens gezegd, de Poolsche vrouwen zijn over het algemeen mooi; men ziet hier in Polen meer schoonheden dan in menige andere europeesche groote stad.
De spijskaart is rijk voorzien, vergeleken met hetgeen ik tot dusver meemaakte, en niet al te duur. Voor 50 mark eet men hier behoorlijk; alleen de wijnen zijn niet te betalen. In tegenstelling met deze luxe is echter de ellende der overige bevolking groot en wordt er ondanks het ijverige werken van het American Relief Fund toch nog heel wat honger geleden. De tegenstellingen zijn over het algemeen echter groot, de betere Polen zijn meerendeels zeer talentvol: hoe menig kunstenaar hebben zij niet op muzikaal, letterkundig en kunstgebied; daartegenover is het volk dom en onontwikkeld, voornamelijk door gebrek aan goed onderwijs. Vormen in West-Europa de Joden een groot deel der intellectueele kringen, hier hooren zij grootendeels tot de paupers.
Er is nog veel te doen, veel op te bouwen in dit herboren koninkrijk, dat op het oogenblik in den eersten roes der vreugde over de pas verkregen onafhankelijkheid en den vrede van Versailles leeft. Kinderlijk, naïef blij zijn ze, en in hun blijde vreugde zien zij niet de gevaren die hen van alle kanten op het oogenblik bedreigen, vergeten onder meer dat de Duitschers in Oost-Pruisen volstrekt niet gezind schijnen hun land voetstoots prijs te geven, en dat hun militaire macht nog zeer gering is. Men rekent echter op de entente; die zal alles wel in orde brengen.