In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland

Part 3

Chapter 33,976 wordsPublic domain

Ondertusschen moet de gevolmachtigde voor Litauen, dat is een soort gezant, trachten de vraag op te lossen wat Duitschland nu eigenlijk is, een bezettende mogendheid of de leverancier van een hulpkorps. Men schijnt in deze een modus vivendi te hebben gevonden in het begrip "bevriende mogendheid".

Ondertusschen een bevriende mogendheid die er de lakens uitdeelt.

De Litauers gaan echter bijzonder onafhankelijk doen door een eigen paspoort-centrale op te richten, met het gevolg natuurlijk dat de arme reizigers er de dupe van worden, aangezien zij thans een dubbel visum noodig hebben, een van de Duitschers en een van de Litauers.

Het litausche leger in statu nascendi vertoont het beeld, dat men in 't oosten overal kan aantreffen, n.l. bijna geen troepen maar wel een groot aantal keurig gekleede officieren, die den geheelen dag in de koffiehuizen doorbrengen.

Wanneer men dan ook in 't vaderland een litausch legerbericht leest, b.v., zooals laatst, dat Uzjani door de litausche troepen bezet is, dan wil dat zeggen, dat de Duitschers Uzjani veroverd hebben en de Litauers er den volgenden dag zijn binnengerukt, nadat alle gevaar geweken was.

De Duitschers doen werkelijk hun best er van te maken wat er van te maken is, maar het gebrek aan intellectueelen is bij de kadervorming het groote bezwaar en de Polen denken er natuurlijk niet aan zich bij het litausche leger te laten inlijven.

Het zal dus wel een tijdje duren voor men met recht van een litausch leger kan spreken.

Kowno zelf is een vrij groote stad, in een heel mooi dal, door groene heuvels omgeven, gelegen.

Er zijn een paar hoofdstraten, met een eigenaardige bestrating, daar de Duitschers overal flinke trottoirs hebben aangelegd, aangezien in den winter de modder en sneeuw het verkeer anders geheel onmogelijk zouden maken.

Men vraagt zich met verbazing af, hoe het mogelijk is, dat Kowno vroeger tot de groote russische steden gerekend werd, als men de kleine, voor 't meerendeel houten huizen ziet, en verder de geweldige armoede, die 't grootste deel van de stad ten toon spreidt, en die niet het gevolg van den wereldoorlog schijnt te zijn.

Het geheel is typisch russisch. Vooral ook de kleine voertuigjes met de gebaarde koetsiers en de kleine op vreemde wijze ingespannen paardjes.

Voor reizigers die naar Rusland willen, is Kowno een belangrijke pleisterplaats, vanwaar men dan door de linies moet trachten Dunaburg te bereiken, waar de spoorlijn naar Moskou begint.

De Polen zijn echter druk bezig een poging te doen deze sterke vesting te veroveren, en dan wordt het moeilijker, omdat dan de heele reisroute veranderd wordt en over het naaste groote russische station Minsk, dat van uit Duitschland veel moeilijker te bereiken is, gaat loopen.

Aan het front is de toestand zeer eigenaardig; in de vesting Dunaburg vechten Duitschers en Polen naast elkaar tegen de bolsjewiki; in het zuiden echter staan ze tegenover elkaar. Alles wijst er op, dat de poolsche troepen het vaste plan hebben tot de bezetting van geheel Litauen over te gaan.

Daar zij tegenover Duitschland hetzelfde voornemen koesteren, vraagt men zich met verbazing af waar dat heen moet, en, gelijk ik ook reeds telegrafeerde, ziet de toekomst van Oost-Europa, en daarmee van ons geheele werelddeel, er inderdaad zeer somber uit.

* * *

OP WEG NAAR HET OOSTEN

Kowno, 16 Juni

Ik tracht mij steeds voor te stellen, dat ik alleen en uitsluitend voor mijn pleizier op reis ben, en dikwijls gaat dat ook heel goed, maar zoo nu en dan wordt het toch wel lastig, vooral als de derde klasse coupé, waarin geen ruit meer heel is, overvol is met menschen, die in alle mogelijke houdingen tegen elkaar geleund trachten te slapen.

Zoo'n heelen nacht in zittende houding door te brengen op een harde bank, terwijl je je bijna niet bewegen kunt, maakt dat men zich den volgenden morgen als geradbraakt voelt, en dan komt daarbij, dat alle waschgelegenheid ontbreekt en men tot zijn schrik gaat ontdekken, dat alle middelen, waarmee de kleeren volgedrenkt zijn, niet geholpen hebben en een bezoek aan de "Entläusungs"-inrichting toch noodzakelijk zal blijken.

Het is echter ook alweer een zaak van wennen, en ik heb de gelukkige eigenschap altijd te kunnen slapen, hetgeen in deze dagen op reis naar het oosten niet genoeg te waardeeren is.

Over afstanden krijgt men wel een ander idee dan bij ons thuis, waar we nu eenmaal niet langer dan zeven uur in een trein kunnen zitten. Tweehonderd kilometer noemt men hier vlakbij, een treinreis van drie dagen is een kleinigheid, een reis van vierentwintig uur is heelemaal niets.

Heeft men zich daar eenmaal ingedacht, en dat is noodzakelijk, dan gaat alles ook vanzelf, en dat is maar goed ook, want naast de reismoeilijkheden zijn er nog zooveel andere van heel wat meer beteekenis te overwinnen, dat alles er bij in het niet verdwijnt.

Er is nu bijna vijf jaar oorlog in Europa, bij ons te lande is men het al weer haast vergeten, maar hier in het Oosten, waar we nog in de oude, toch alweer voor een serie nieuwe oorlogen staan, herinnert alles er aan. Langer dan vierentwintig uur van te voren een plan maken gaat niet, want dan is de militaire en politieke toestand alweer zooveel veranderd, dat niets meer klopt.

Ik wil naar Rusland, naar Moskou. Dat is te doen; het allereerste wat noodig is, is passen en geld.

Goed, ik ga een paar dagen naar Berlijn, verschaf mij de noodige passen, met al de noodige visa, krijg geld gestuurd, huur een tolk en wij gaan op reis, om te beginnen terug naar Kowno.

Mijn tolk, een brave jonge man, die uitstekend poolsch en russisch spreekt, wil zijn vrouw, een Russische, naar Rusland brengen, nu bewijzen wij elkaar een dienst: ik zal hem door de linies, hij moet me in Rusland verder helpen.

Het jonge paar, dat voor deze gelegenheid geheel in mijn dienst komt, zij als secretaresse, hij als tolk, zal met mij de reis van Berlijn uit maken.

Daar begint het al: terwijl ik, mijn Pappenheimers en de reisgelegenheid kennend, niet anders mee heb dan een leeren jekker, een overjas, een rugzak en een handkoffer, hebben de brave echtelieden ongeveer een taxi vol bagage bij zich.

Ik kijk natuurlijk direct bedenkelijk, maar zwicht voor de gevaarlijkste aller elementen, n.l. vrouwentranen, die opwellen als ik drie-vierde wil achterlaten.

Gelukkig helpen de spoorwegbeambten goed mee, en toen wij gisteren in Kowno aankwamen, was juist de helft al zoek, tot mijn heimelijk genoegen natuurlijk.

Zij zijn echter wijs geworden en houden hier op 't oogenblik uitverkoop.

Nu moeten wij zien hoe wij hier vandaan komen, en liefst zoo spoedig mogelijk, want het oorlogsgevaar komt met den dag dichterbij.

De Oost- en West-Pruisische pers geeft hoofdartikelen, die aan duidelijkheid niets te wenschen laten, en de poolsche troepen worden met den dag roeriger.

Ik reken dan ook met alle mogelijkheden; er is dan ook nu geen terug meer mogelijk, voorwaarts dus!

In groote lijnen staat mijn plan vast. Moskou is het einddoel, hoe ik vandaar terug kom weet ik nog niet; dit is ook niet vooruit te zeggen.

Het eenige wat te doen is, is de kaart van het land kennen, iedereen, die in Rusland geweest is, ieder ambtelijk bureau, waar ze ook maar iets weten, uithooren.

Elken dag bestudeer ik de kaart, lees alle mogelijke bladen, mijn notitieboekje is bijna vol.

Ik moet weten, hoe de stemming in Rusland is tegenover vreemdelingen, hoe de treinverbindingen zijn, of Dunaburg een betere verbinding met Moskou heeft dan Minsk. Welke waarde de Kerenskyroebel op het oogenblik heeft. Wat zijn de plannen der Duitschers Wat doet de Entente? Wat de Polen?

Zoo groeit een plan; het wordt gewijzigd, nog eens gewijzigd, dan staat het vast. De reis zal gaan over Wildomir--Dunaburg. Voor Dunaburg staan de bolsjewiki, daar moet ik er door zien te komen.

Dan ineens komt het bericht: over Dunaburg is het onmogelijk te reizen, want de Litauers en Polen vallen aan.

Waarschijnlijk; nooit krijg je een zéker bericht; dus er op uit om te vernemen wat er van waar is.

Zoo is het mij heden ook gegaan; alles was klaar om over Dunaburg te reizen, en nu komt het bericht: Dunaburg wordt dezer dagen aangevallen.

Den geheelen middag ben ik er op uit geweest om te onderzoeken wat er waar aan is, en het resultaat is, dat het in elk geval onraadzaam zal zijn dezen weg te nemen.

Nu moet een ander plan gemaakt worden; de kaart wijst aan over Wilna-Minsk; nu er weer op uit om te onderzoeken of het mogelijk zal zijn, eerst door de duitsch-poolsche, dan door de poolsch-russische linies te geraken.

Dat geeft weer heel wat arbeid -- de weg moet verkend, de noodige visa verschaft, poolsch geld gewisseld, geïnformeerd worden hoe ik gaan moet, per trein of per wagen, en dan komt weer het voornaamste: de militaire en politieke toestand.

Wanneer zal de poolsch-duitsche oorlog uitbreken, hoe zal het front daar loopen, wat doen de bolsjewiki Daar tusschen door hoor je duizend en een nieuwtjes, die soms gelijkluidend, soms geheel tegenstrijdig zijn, en dan moet er geschift, gecombineerd worden, en dan nog eens een of andere autoriteit die het weten kan geïnterviewd, en dan eindelijk besluit ik, weer eens een telegram naar Nederland te zenden.

Men zal vragen: maar wat heeft het voor iemand in Kowno voor beteekenis of Koltsjak verslagen is of niet, wat beteekent het voor hem of de tsaar al dan niet dood is.

Toch zijn dit uiterst gewichtige zaken. Is Koltsjak verslagen, wat ik thans als zeker moet aannemen, dan moet er rekening mee gehouden worden, dat er binnen drie weken russische versterkingen naar het westfront komen en dat dus ongeveer binnen een maand Russische aanvallen te verwachten zijn.

Leeft de tsaar, zoo is de kans op reactie in Rusland veel grooter, hetgeen natuurlijk voor een buitenlander van zeer veel beteekenis is.

Zoo ben ik den ganschen dag druk bezig en schiet er bijna geen tijd over om eens rustig een brief te schrijven en eens indrukken te geven van deze typisch russisch-oostersche omgeving.

Misschien krijg ik er den tijd voor, want hoewel ik het plan heb overmorgen naar Wilna te trekken, ben ik in een ernstig conflict geraakt met de litausche autoriteiten.

Mijn pas is n.l. niet voorzien van een litausch visum, dat bij een gezantschap in Berlijn te verkrijgen schijnt te zijn. Nu was het echter niemand in Berlijn bekend, dat daar een litausche vertegenwoordiger zijn tenten heeft opgeslagen. Men weigerde mij daarom hedenmorgen een permissie te geven om door het front te komen en stuurde mij, volgens het in het heele Oosten bekende recept, van het kastje naar den muur.

Ik heb de noodige ervaring op dit gebied, en al sigaretten aanbiedende kwam ik toch langzaam voorwaarts, totdat ik ontdekte dat de helft van het beambtendom niet lezen of schrijven kon.

Toen werd de zaak lastiger en aangezien de heeren niet erg vast in de geografie bleken te zijn, was ook het feit dat ik Hollander was voor hen van weinig beteekenis. Een toeval bracht mij echter in contact met den litauschen opperbevelhebber.

Ik heb onder niemand minder dan mannen als Bennett Burleigh, Ludovic Naudeon, Barzini en anderen geleerd, hoe men als journalist de rechten van de pers verdedigen moet en heb dan ook dien generaal behoorlijk de waarheid gezegd; ik ben wat de Duitschers zouden noemen "saugrob" geworden en heb mij vervolgens direct beklaagd bij den duitschen gezant en bij de entente-missies, om neutraal te blijven.

De heeren Litauers zullen moeten leeren dat er ergens in Rotterdam een wereldblad verschijnt, welks vertegenwoordigers verlangen behoorlijk behandeld te worden.

Ik heb heden den minister-president laten aanzeggen dat ik hem morgen spreken wil, en dan zullen we hem eens behoorlijk à faire nemen.

Het is te hopen dat de man kan lezen, hetgeen hoogst vermoedelijk van alle ministers niet gezegd kan worden.

Het is hier erger dan ik ooit beleefd heb, niettegenstaande ik, sinds ik den minister van buitenlandsche zaken van een Baltenland eens achter een toonbank in een soort snoepwinkeltje aantrof, niet gauw meer verbaasd sta.

Een duitsch boekje over Litauen begint dan ook met de opmerking: na de Albaneezen zijn de Litauers het domste volk ter wereld.

Hetgeen m.i. beslist onjuist is; de Albanees is n.l. volstrekt niet dom, de Litauer echter zeer, ook in zijn politiek, want hij maakt het de Duitschers zeer onaangenaam, terwijl hij het tegelijkertijd ook bij de Entente verbruit.

De gelegenheid om die twee tegen elkaar uit te spelen, gebruikt hij absoluut niet, vandaar dat de Polen zeer wel gewonnen spel zullen hebben, en het land kalmweg inrekenen, hetgeen wel niet in de lijn der Amerikanen en Engelschen schijnt te liggen, maar den Franschen niet onwelgevallig zal zijn.

Ik maakte heden kennis met den chef der fransche missie, die uiterst vriendelijk en voorkomend was, maar die uitnemend de kunst verstond om even charmant als gesloten te blijven, terwijl ik hem juist graag eens aan 't praten had gehad over de poolsche plannen.

Het is echter wel merkwaardig, hoe verschillend de opvattingen bij de Duitschers en bij de entente zijn omtrent de militaire kracht der Russen.

De Duitschers meenen dat de bolsjewiki een zeer goed en sterk leger hebben, dat alle aanvallers de baas zal blijven; de entente denkt er blijkbaar juist anders over.

M.i. is er meer kans dat de Duitschers gelijk hebben en schijnt het niet uitgesloten dat van dien kant nog allerlei verrassingen te wachten zijn.

* * *

TE WILNA AANGELAND

Wilna, 18 Juni

Zooeven ben ik in Wilna aangekomen, na een tocht van 75 KM., gedeeltelijk per wagen, gedeeltelijk te voet afgelegd, en thans haast ik mij om nog voordat hier 't licht wordt uitgedraaid mijn ervaringen te boek te stellen, in de hoop dat deze brief aankomt, want morgen vroeg gaat de man, die mij hierheen bracht, weer terug, en neemt dan dit schrijven mee. Wanneer het dus in Rotterdam zal aankomen, zal mij voorloopig wel een raadsel blijven, geheel afgesneden als ik hier van elke verbinding ben. Ik moet er dus maar op vertrouwen, dat mijn bode dezen brief niet verliest en hem al dan niet opzettelijk niet vergeet te posten.

Het is nu eenmaal het lot van den correspondent in deze streken, dat hij nooit weet of al zijn geschrijf wel ooit de redactie bereikt.

Mijn plan om over Dunaburg Rusland binnen te trekken moest ik op het allerlaatste oogenblik opgeven, aangezien de Litauers bezig zijn een poging te wagen om het te veroveren, en daarom schoot mij niets anders over dan te trachten over Wilna naar Minsk te komen. Hetgeen al dadelijk dit bezwaar had, dat ik nu twee maal een front moest passeeren, n.l. te het duitsch-litausch-poolsche en 2e het poolsch-bolsjewistische.

Vanmorgen om vier uur gingen wij er dus op uit, mijn dolmetscher met zijn vrouw, nog altijd belast en beladen met veel te veel bagage, en ondergeteekende met een minimum dat tegelijkertijd het maximum van zijn draagvermogen is.

De trein bracht ons naar Koschedory, waar we voor 't laatst de duitsche linie passeerden, hetgeen zonder eenig bezwaar gebeurde, omdat het front veel meer naar voren ligt en bezet is door Litauers.

Nu kwam het er op aan een voerman te vinden, genegen om ons door de linies naar Wilna te brengen.

Gelukkig bleek er eenige concurrentie, zoodat dank zij mede het pingeltalent van mijn dolmetscher de brave "panje" aannam om mijn heele gezelschap met bagage en al voor 1000 roebel te vervoeren.

Het daarvoor bestemde vehikel was niets anders dan een eenvoudig panje-wagentje, zooals ze hier zeggen, op vier wielen, zonder veeren natuurlijk en met een klein, maar ongelooflijk taai paardje bespannen.

Wat het natuurschoon betreft was het een van de mooiste tochten die ik ooit gemaakt heb, maar mijn verwachting dat het een van de meest romantische zou zijn -- denk maar eens aan, dwars door twee elkaar vijandelijke linies -- werd niet verwezenlijkt, om de eenvoudige reden dat de linies om te beginnen al ontbraken; alleen de hoofdwegen zijn door enkele posten afgezet.

Toen we dan ook het punt, in mijn gedachten reeds het fatale punt, naderden, bleken de vijandelijke voorposten op 10 M. van elkaar, langs den weg, in de zon te zitten knikkebollen.

Wij werden eerst door de Litauers aangehouden, daarna, om zoo te zeggen, een seconde later door de Polen, lieten onze passen zien, deelden, om het nazien der bagage te voorkomen, eenige cigaretten uit, en de gevaarlijke tocht dwars door de linies was volbracht en we sjokten en hotsten nog 30 KM. verder door naar Wilna.

De moeilijkheid ligt ook volstrekt niet in het passeeren der fronten, maar veel meer is het kunnen vertoonen van de juiste visa op je paspoort.

Want dat is eigenlijk de heele zaak, het visum, zoowel van de eene partij als van de andere, en dat is lang niet gemakkelijk, vooral in deze streken die vroeger onder russisch bewind stonden, en die, als erfenis, een geweldige dosis bureaucratisme hebben overgenomen.

Dat is voor mij een vaststaand feit geworden: elk normaal ontwikkeld persoon, die langer dan vijf jaar ambtenaar is, is niet heelemaal normaal meer, en wanneer hij dan nog aan een pascentrale werkt, is zijn toestand hopeloos.

Spreek mij niet tegen. Ik heb in zes weken tijd 87 visa op mijn passen verzameld, en meen dus over eenige ervaring te kunnen beschikken.

Het meest dramatisch moment had dus een eenigszins alledaagsch verloop, en hoewel 't mij aan den eenen kant speet, was ik toch ook maar weer blij dat het zoo afliep.

Intusschen ben ik geradbraakt, door een heelen dag door te brengen op een wagentje zonder veeren, in de gloeiende zon, op deze meer dan ellendige wegen, waarbij dan, en dat was per slot van rekening nog maar gelukkig, heele einden geloopen moesten worden, tegen de hellingen op, want het terrein in deze streken is zeer heuvelachtig.

Zooals ik boven reeds schreef, is het een buitengewoon mooi landschap, maar zeer eenzaam; de enkele dorpjes, die men tegenkomt, uit een paar verspreide, armelijke houten woninkjes bestaande, maken een triestigen indruk.

Overal langs den weg vindt men soldatenkerkhofjes; sommige zijn al oud, ze dateeren van 1915. Dit was in 't begin van den wereldoorlog; dat zijn we nu bijna weer vergeten.

Tegen het donker bereikten wij Wilna, en of het daardoor komt, maar de stad, die anders schitterend mooi op en tegen een paar heuvels gelegen is, maakte een uiterst triestigen en verwaarloosden indruk.

Er zijn zoo van die oogenblikken, zelfs wanneer je veel gereisd hebt, dat er een melancholieke stemming over je komt als je met niemand spreken kunt die je verstaat; je hebt een heelen dag niet gegeten, en bent moe, en dan kom je daarbij een stad als Wilna binnen, in zooverre niet typisch russisch, aangezien er veel hooge en steenen huisjes zijn, maar voor de rest toch ook al weer geheel aziatisch, het meer dan middeleeuwsche plaveisel, de vele joden met lange baarden en kaftans, het stof, de vuilnis op straat enz. enz.

Maar als je eenmaal weer eens goed gegeten hebt, in een goed verlicht lokaal, met veel menschen, vooral officieren, om je heen, dan verandert de stemming toch al weer gauw en wordt besloten den brief toch maar voor het naar bed gaan te schrijven, ten einde hem nog bijtijds den volgenden morgen weg te sturen.

Goedkoop is het leven hier anders ook niet; mijn middagmaal, zij het ook het eenige dat ik heden genoot, was wel is waar goed maar kostte toch alweer 100 roebel. Toen ik af wilde rekenen werd het me geel en groen voor de oogen, want de kellner gaf me van zooveel landen zooveel verschillend geld terug, dat ik er geen steek meer van begreep.

De vriendelijke poolsche luitenant hielp me er mee, en met mijn reeds opgedane ervaring in deze richting kan ik u thans een verhandeling geven over den roebel. Er zijn in Rusland drie soorten: de oude roebel van voor de revolutie, d.i. de czaren-roebel; daarvan is de waarde iets meer dan een mark; dan heeft men het doemageld, dat wel in Rusland voor hetzelfde moet gelden als de czaren-roebel, maar toch maar de helft van dezen waard is. Daarnaast staat de door het duitsche gouvernement uitgegeven z.g.n. Oostroebel, die een gedwongen koers van twee mark heeft en merkwaardigerwijze daarvoor in Polen ook wordt aangenomen, en dan is er nog de Kerenskyroebel; dien kan men bij het pond krijgen, of zoo men wil bij de el, want hij is als naamkaartje gedrukt en heeft practisch geen waarde meer.

19 Juni

Het is vanmorgen prachtig weer en in een heel wat betere stemming dan gisteravond ontwaakte ik; ik kon tot mijn genoegen constateeren dat mijn hotelkamer alleen door mij bewoond werd, en dat is in deze streken zeer veel waard.

Het schijnt vandaag een poolsche feestdag te zijn; processies trekken door de straten, en troepen soldaten met volle muziek aan het hoofd.

Deze laatsten maakten een zeer goeden indruk, en waren op het eerste gezicht niet van Duitschers te onderscheiden, aangezien zij ook allen den bekenden duitschen helm dragen.

Wilna schijnt op 't oogenblik een sterk garnizoen te hebben en men ziet veel officieren, vooral uhlanen, langs de straten flaneeren.

Of het aan mij ligt weet ik natuurlijk niet, maar het geheel maakt op mij een zeer Napoleontischen indruk, de wijze waarop de officieren hun lange kromme sabels dragen, hun eigenaardige hoofddeksels, hun geheele optreden enz.

Het zou ook niet zoo verwonderlijk zijn, want de laatste keer, dat ze zoo ongeveer onafhankelijk waren dateert ook uit die dagen.

Met passen is men hier bijzonder streng en daarnaast zeer antisemitisch. Mijn Dolmetscher, die een half joodje is, zat vanochtend dan al direct vanwege deze reden in 't arrest, waaruit ik hem niet dan met veel moeite kon bevrijden. Gelukkig is hij voor 't oogenblik weer vrij, maar nu zijn ze bezig zijn heele bagage te onderzoeken.

Het gebeurt in de kamer vlak naast mij, en ik ga er nu en dan eens even bij kijken; met de grootste minutieusheid wordt alles onderzocht, maar vinden zullen ze wel niets, want de enkele dingen die verdacht zouden kunnen zijn, zitten in mijn koffer, en die wordt niet onderzocht.

Thans help ik mijn braven Dolmetscher en over een paar dagen moet hij 't in Rusland mij doen.

* * *

UIT LITAUEN

Wilna, 20 Juni

Vandaag is het hier feestdag, een katholiek-nationale feestdag, en zijn dus alle bureaux gesloten, zoodat er niet aan mijn passen gewerkt kan worden, en nu wil ik deze gelegenheid gebruiken om u eenigszins met de geschiedenis van Litauen vertrouwd te maken. Schrik echter maar niet, ik zal niet in geleerde bespiegelingen vervallen, maar onderweg kort ik mij meest den tijd, en vooral de lange avonden, met het bestudeeren van al de boeken die ik machtig kan worden en die mij behulpzaam kunnen zijn bij mijn, zij het ook zeer oppervlakkige, studie van land en volk.

Dat is wel noodig, want zij hebben er hier een handje van om in het verleden te leven, waar een normaal mensch van om zou vallen. Ik ken dat echter; dat kunnen ze in Bulgarije en Servië precies zoo. Ook daar kan een Bulgaar je met het ernstigste gezicht van de wereld verzekeren, dat deze of gene stad eigenlijk bulgaarsch moest wezen, omdat in het jaar 1200 Tsaar zooveel die stad op de Serviërs veroverd had; en precies zoo doen ze hier.

Toen ik het laatst met een Litauer over de grenzen van Litauen had, kwam hij met een kaart aanzetten waarop het litausche rijk in het jaar 1200 afgebeeld was, en op grond daarvan wilde hij o.a. Koningsbergen eigenlijk tot Litauen rekenen.

Of men wil of niet, men moet hier wel eenigszins van de geschiedenis van het land op de hoogte zijn, omdat deze bij de tegenwoordige generatie nog zoo'n groote rol speelt.

Ik laat mij de hoofdartikelen uit de poolsche pers door mijn dolmetscher vertalen en telkens vindt men daarin toespelingen op de geschiedenis.