In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland
Part 11
Men had mij van bolsjewistische zijde er reeds op gewezen, dat het noodzakelijk was dat wij bij elkander bleven, omdat het al meer gebeurd was dat de Litauers achterblijvers niet toelieten of wel er op schoten. Ik keek eens om naar den baas, met wien ik afgesproken had het zaakje bij elkaar te houden, maar die had zelf een zwaren koffer te torsen, en had dus niet veel te vertellen.
Ik besloot er dus zelf maar een eind aan te maken, en gaf den jongeman met de vlag een daverend standje, liet de colonne halt houden, de vrouwen in het midden nemen, en toen weer voorwaarts gaan, terwijl ik mij zelf aan het hoofd begaf. Dat hielp, en van dit oogenblik had ik het commando, en werden mijn bevelen zonder tegenpruttelen gehoorzaamd.
Het was merkwaardig, dat hoe meer we de litausche linies naderden, hoe kalmer en stiller iedereen werd. We hadden n.l. in Dunaburg de verschrikkelijkste verhalen gehoord van transporten, die door de Litauers met een heftig geweervuur ontvangen waren, dan wel weer teruggestuurd, en toen weer door de bolsjewiki teruggejaagd.
Dat er van die verhalen iets waar was, bleek uit het groot aantal koffers, dat op en terzijde van den weg neergesmeten lag, blijkbaar inderhaast weggeworpen, om zich sneller tegen het geweervuur te kunnen dekken. Aangezien het geschutvuur, dat thans over onze hoofden ging, sterker werd, en nu en dan terzijde van ons het geweervuur ook opflikkerde, zeide ik tegen R.: "hoor eens, als het verkeerd gaat bekommer je dan niet om je bagage, werp die weg, en doe wat ik je zeg." Hij keek al maar door bezorgd naar vrouw en kind, terwijl Hogberg me nu en dan eens toeknikte, en een "very dangerous" liet hooren.
De weg viel ook niet mee, heuvel op, heuvel af, en dan hadden wij allemaal wat te dragen, en zoo sleepten wij ons moeizaam voorwaarts.
In dien tusschentijd stopte mevrouw R. mij nog snel het dikke pak tsarenroebels toe, dat ik niet dan met de grootste moeite in al mijn zakken kon bergen. Eindelijk, nadat we meer dan een uur gegaan waren, klonken vlak bij ons heel harde slagen. De krijgsgevangenen en ik wisten toen meteen dat we ongemerkt door de litausche voorposten gekomen waren, want wij waren nu al bij de vurende batterij.
De vrouwen hadden echter nog een geweldigen schrik; het was gelukkig de laatste, want een oogenblikje later stapte een litausch officier op ons toe, die ons heel vriendelijk begroette.
Ik stapte vooruit, en deed het woord. De Litauer sprak wat gebroken duitsch en deelde mede dat wij ongehinderd verder konden gaan. Wij kregen een soldaat mee, maar al waren wij nu door de linies, daarmee hadden wij nog geen wagens en zoo moesten wij nog een heel uur voortgaan, totdat eindelijk bij een herberg twee wagens gehuurd konden worden, waarop weer de bagage en de vrouwen geladen werden. De mannen gingen te voet verder naar Dawgeli, waar de litausche commandant verblijf hield; dit was nogmaals een uur loopen.
Wij waren ten minste den avond te voren uit Dunaburg vertrokken en hadden nog een gedeelte per wagen afgelegd, maar de krijgsgevangenen waren heel vroeg dien morgen uit Dunaburg opgebroken en hadden den geheelen weg getippeld.
Maar dat is kinderspel, zeiden een paar Oostenrijkers, wij zijn bijna heelemaal uit Tobolsk komen wandelen, daar doen we nu al twee maanden over.
Het bleken gevangenen te zijn, die achter het front van Koltsjak geweest waren en bij den opmarsch der bolsjewiki waren bevrijd.
De bolsjewiki hadden echter niet voldoende spoormateriaal om hen allen naar achteren te brengen. In het geheel waren het er ongeveer 15.000 en zoo hadden ze een groot gedeelte van den weg moeten loopen. In Moskou en andere plaatsen waren concentratie-kampen ingericht, maar deze waren zeer primitief en het voedsel was er absoluut onvoldoende. Daarom liepen ze bij hoopen weg en trachtten gelijk het dezen twee gelukt was bij Dunaburg over de grens te komen. Zij waren in Moskou in het kamp geweest en hadden den weg Moskou--Dunaburg ook weer te voet afgelegd.
Ik vroeg hun natuurlijk eenige bijzonderheden over het leger van Koltsjak.
Och, zeiden ze, het is er een nog grooter bende dan bij de bolsjewiki, de mannen loopen bij bosjes weg. Ze hebben genoeg van het vechten. De bolsjewiki hadden alleen maar voorwaarts te gaan. Gevochten is er bijna niet.
Eindelijk kwamen we in Dawgeli; wel was ik erg moe, maar ik gevoelde me toch heel wel; het was gelukt: ik was naar Moskou geweest en er weer uit gekomen. Nu was het me er echter om te doen, om niet voor een krijgsgevangene gehouden te worden. Ik begaf mij dus direct naar den commandant, een litausch majoor, die mij heel vriendelijk ontving en mij direct gelukwenschte, met de woorden: "u had geen uur later moeten komen, want op het oogenblik begint onze aanval op Novo Alexandrofsk."
Ik had dus geboft.
Kowno, 27 Augustus
Zoo waren wij dan wel heelhuids uit Rusland, maar dat wilde nog niet zeggen, dat daarmede ook weer de beschaafde wereld bereikt was, want een goede 150 KM. scheidden ons nog van Kowno, en de eenige wijze om dat te bereiken was per as.
De Litauers waren heel vriendelijk, en behandelden ook de krijgsgevangenen zoo goed mogelijk. Ze hadden echter zelf niet veel, zoodat die arme kerels er nog al slecht aan toe waren.
Dien nacht sliepen de familie R., de Zweed en ik in het litausche hoofdkwartier der troepen voor Nowo Alexandrofsk, in een boerenwoning op den vloer. Den volgenden morgen gingen wij met twee wagentjes naar Ottojani; wij keken elkaar eens aan, toen wij den prijs hoorden: maar 50 roebel per hoofd. Hoewel dat voor Litauen geweldig duur was, leek het ons spotgoedkoop, vergeleken bij de prijzen in Rusland.
Mijn reisgenooten waren erg bang voor de visitatie der Litauers, maar daar schenen ze heelemaal niet over te denken. Alleen werden onze passen van een stempel voorzien, echter zonder eenig bijschrift, vermoedelijk omdat de controleerende ambtenaar niet lezen of schrijven kon. Ik meen zulks op te mogen maken uit het feit, dat hij mijn pas onderste boven bekeek, en bleef bekijken, totdat hij aan 't portret kwam, waarop hij blijkbaar zijn vergissing eerst bemerkte.
Onderweg werden wij herhaalde malen aangehouden, maar het aardigheidje kennende, gaf ik altijd maar een sigaret, en hield mijn pas in den zak. Wij hoorden 's ochtends dat Nowo Alexandrofsk genomen was, en waren de Litauers maar wat beter uitgerust geweest, dan hadden ze voor Dunaburg kunnen staan; maar hun etappendienst is te slecht dan dat ze ineens zoo'n sprong voorwaarts konden doen.
Ik had gehoopt in Ottajani den trein naar Schaulen over Ponewjez te kunnen nemen, om dan over Tilsit zoo snel mogelijk naar Berlijn te reizen.
Daar hoorde ik echter, dat alle verkeer over Schaulen gestremd was, omdat, naar men zeide, het leger van Koltsjak die plaats bezet had.
Het leger van Koltsjak? vroeg ik, wat is dat voor onzin, Koltsjak zit in Siberië.
Jawel, was het antwoord, maar een paar duizend uit duitsche krijgsgevangenschap ontslagen Russen hebben zich onder voormalige tsaristische officieren tot een hulpbrigade gevormd en zich nu voor Koltsjak verklaard, en aangezien ze toch iets moeten doen, Schaulen bezet.
Het lijkt wel een gekkenhuis, deze Oosthoek van Europa, hoewel 't nog zoo gek niet is om Schaulen, het verbindingspunt tusschen Letland en Litauen, te bezetten. Deze troepen zijn natuurlijk geheel en al tsaristisch en hun aanvoerders willen vermoedelijk niets van een onafhankelijk Letland en Litauen weten.
Gelet op het eigenaardige karakter van 't litausche leger en op den waarschijnlijken terugtocht der duitsche troepen uit Letland, kunnen ze uit het door hen bezette punt naar alle richtingen optreden en zoo noodig in Koerland het tsarenrijk weer uitroepen, hetgeen ik volstrekt niet voor onmogelijk houd.
Van dat oogenblik af gaan ze dan natuurlijk weer tegen de Polen vechten. Waarom? ja dat weet ik ook niet, maar dat is nu eenmaal iets, dat ik bij elken reactionnair gezinden Rus heb kunnen constateeren. Zijn allereerste hoop is, om zoodra 't tsarenrijk hersteld zou zijn, de Polen te lijf te gaan.
Onze twee voerlieden wilden ons niet verder brengen dan Ottajani en zoo huurden wij daar een anderen wagen, om ons naar Kowno te brengen.
Den eersten dag bracht onze nieuwe voerman ons tot Wilkomir, waar wij hoorden dat de toestand aan het poolsch-litausche front zich verscherpt had, en dat wij haast moesten maken om te zorgen in Kowno te zijn voor ze ons misschien den weg afsneden.
Het landschap is in deze streken bijzonder mooi; voor den liefhebber van folklore is er bovendien heel wat te zien en te bestudeeren, onder anderen zijn de huizen aan de snijpunten van wegen met allerlei geborduurde lappen versierd, en ook de litausche kerkhoven met de verschillende houten grafkruizen zijn zeer merkwaardig; om de typische vrouwendrachten niet te vergeten.
In Ucjonie hadden wij daar, het was Zondag, bij 't uitgaan van de kerk een heel goed denkbeeld van gekregen. Jammer alleen, dat het type der Litauers niet mooi is; ze hebben allen, zoowel mannen als vrouwen, iets stompzinnigs, en niet geheel ten onrechte wordt dan ook het litausche boerenvolk tot een der domsten van Europa gerekend.
Ludendorff wijdt in zijn bekend boek een aantal bladzijden aan de wijze, waarop hij het burgerlijk bestuur dezer streken geregeld heeft, en hoe hij getracht heeft deze door den oorlog zoo zwaar geteisterde streken weer op de been te helpen.
Toen de Duitschers het land nog bezet hadden, was de bevolking er eigenlijk maar half tevreden mede, en tengevolge daarvan vond de door den overste Reboul, den chef der fransche missie, uit Kowno op ruime schaal verspreide anti-duitsche propaganda-lectuur een vruchtbaren bodem.
Nu de Duitschers echter weg zijn, beginnen de oogen open te gaan en klaagt alles steen en been; overal op mijn langen tocht van Dunaburg tot Kowno hoorde ik de verzuchting: waren de Duitschers maar weer terug; ze waren wel streng, maar rechtvaardig en onder hun bestuur begon er welvaart te heerschen.
De Litauers blijken dan ook heelemaal niet in staat, het door de Duitschers begonnen werk in stand te houden, laat staan voort te zetten. De wegen en bruggen, door de Duitschers niet alleen verbeterd, maar ook op vele plaatsen nieuw aangelegd, worden niet meer onderhouden. De spoorwegen functionneeren niet meer, de onveiligheid neemt hand over hand toe, het bolsjewisme begint het hoofd weer op te steken, waardoor de handel gaat kwijnen; en wanneer Ludendorff dan ook opmerkt: "Die Bevölkerung wurde mit ruhiger Sicherheit geleitet. Sie wird jetzt erkennen dasz wir nach Recht und Billigkeit gehandelt haben" (bladz. 160), heeft de uitkomst bewezen dat hij volkomen gelijk heeft.
Wat er van Litauen moet terecht komen is mij een raadsel, vooral als nu de Polen ook nog gaan oprukken. Het ontbreekt ten eenenmale aan intellectueelen om de noodige ambtenaarsposten te bezetten. Het leger is niet veel beter dan dat van Trotzky, dat ook al heel slecht is, en het eenige is dat de Litauers beter gevoed worden, waardoor zij dan ook in staat blijken de bolsjewiki terug te werpen.
De laatste loodjes wegen het zwaarst, dat bleek ook hier weer, want onze tocht van Wilkomir naar Kowno had onder voortdurende stortbuien plaats en bovendien woei er een ijskoude noordwestenwind, maar eindelijk, tegen donker, zagen we Kowno voor ons liggen en reden wij na een poosje door de hoofdstraat. Welk een heerlijkheid weer een, zij het ook slechts half-europeesche, stad te zien, waar weer een behoorlijke straatverlichting was en café's en winkels.
Wij zochten en vonden gelukkig een eenvoudig maar zindelijk hotel en gingen toen dadelijk nieuwe kleeren koopen. Er bleek in Kowno geen ontluizingsinrichting te zijn en daarom gooiden wij alles weg, alleen mijn schoenen en beenkappen behield ik. Na een bad voelde ik mij, ondanks een hevige verkoudheid, als herboren. De Zweed en ik hadden samen een kamer en telkens zeiden wij tegen elkaar hoe is het mogelijk dat we er heelhuids zijn afgekomen? Ook de familie R. was buiten zich zelve van vreugde. Geslapen hadden wij de laatste week bijna niet, maar we waren over alles heen, en uren hebben we wakker gelegen, al maar herhalende hoe gelukkig we er waren afgekomen. De laatste dagen waren wel de minst gevaarlijke, maar de vermoeiendste geweest; 160 KM. in een klein wagentje op elkaar gepakt, waarbij we er den laatsten dag het grootste gedeelte naast hadden geloopen, hadden ons laatste restje energie verbruikt, en ik bewonder nog altijd de kordaatheid van mevrouw R. Hoe dikwijls heb ik haar gadegeslagen, als ze, zelf totaal uitgeput, toch doodstil bleef zitten, om haar jongske, dat met 't hoofd op haar schoot in slaap gevallen was, niet te storen.
Het bleek voor mijn medereizigers van groote waarde, dat ik met de autoriteiten in Kowno al bekend was, want daardoor kregen ze heel wat gemakkelijker hun visa. Ik werd als een uit den dood opgestane begroet, vooral de heeren van het duitsche gezantschap waren allervriendelijkst. De gezant vroeg me direct te eten, en heel verheugd was ik, weer eens iets uit de beschaafde wereld te vernemen, want sinds 14 Juli had ik geen europeesche courant meer gezien.
Ik at met de leden der duitsche missie in de villa Thilman, het huis waar Hindenburg en Ludendorff zoo langen tijd hebben gewoond. De stemming der Duitschers vond ik erg mat, en dat is ook te begrijpen. Zij hooren dagelijks, hoe de bevolking onverholen te kennen geeft, het vertrek der duitsche troepen te betreuren, en hun machteloosheid tegenover de entente-missies, die zelf echter, door het gebrek aan een behoorlijke troepenmacht, ook niets anders kunnen uitrichten dan bevelen geven, die toch niet uitgevoerd worden, stemt hen natuurlijk bitter.
De Engelschen en Amerikanen hebben bovendien ruzie met den overste Reboul, die ijverig er op uit is de Polen in alles te steunen, en daarom het antisemitisme, tot groote woede der Amerikanen, op alle mogelijke wijze aanwakkert. De missies werken dan ook niet meer samen, en zelfs heeft de fransche het hotel, waar zij tot dusver met de andere samenwoonde, verlaten en een eigen kwartier betrokken.
Ik heb nog een onderhoud gehad met den chef der amerikaansche missie, en deze deelde mij mede, van zijn regeering de opdracht te hebben, zich volstrekt niet met politiek in te laten, doch alleen de voedselvoorziening te regelen.
De Amerikanen hebben op mij, overal waar ik ze in Polen en Litauen aan 't werk zag, een sympathieken indruk gemaakt vooral om het neutrale standpunt dat zij innemen. Zij trachten werkelijk het lijden der bevolking te lenigen, zonder zich met stokerij in te laten. Alleen hebben zij zich hier en daar toch ook laten verleiden, allerlei voor het eigen leger niet meer bruikbare verduurzaamde levensmiddelen aan den man te brengen. Ze zijn hier echter zoo onnoozel niet meer om dat zonder meer te slikken en de stemming jegens de entente is dan ook op sommige plaatsen beneden nul.
Daarbij komt nog dat de meer intellectueelen zich afvragen: waar gaan we heen? De Duitschers zijn weg, we mogen niet meer doen wat ze voorgeschreven hebben, maar wat nu? De entente doet niets, een paar engelsche en fransche officieren kunnen ons toch niet alleen tegen bolsjewistische benden verdedigen, en zelf kunnen we het ook niet. Bovendien weet niemand, wat de plannen der Entente zijn. Wat hebben ze met ons voor? Wij zijn nu wel zoogenaamd onafhankelijk, maar hebben niets om ons op de been te houden.
Mijn indruk is, dat het langzaam maar zeker mis gaat, al zal Litauen zoo gauw niet bolsjewistisch worden. Dat zal veel eerder in Letland gebeuren, als de Duitschers daar weg gaan. Hier zullen de Polen er wel voor zorgen dat het niet gebeurt, want die marcheeren dan natuurlijk direct binnen, en anders zijn er nog de bovengenoemde eigenaardige russische troepen in Schaulen; maar met de onafhankelijkheid is het dan gedaan.
De familie R. besloot nog een paar dagen in Kowno te blijven, maar de Zweed en ik brandden van verlangen om zoo snel mogelijk weg te komen en toen we dan ook hoorden dat er nog een late trein ging die ons binnen 24 uur in Berlijn zou brengen, haastten wij ons om alles in orde te brengen en zoo vertrokken wij Woensdagavond naar Duitschland, waarbij wij tot de treurige ontdekking kwamen, dat de mooie rechtstreeksche verbinding met Berlijn niet meer bestond, maar we twee keer moesten overstappen, n.l. in Wilkowisky en later nog eens in Wirballen; maar wat is dat als je uit Moskou komt.
Zoo hoort dan ook deze russische reis tot het verleden. Mij zelf verheugt het dat ik er in geslaagd ben, ondanks alle moeilijkheden, er weer uit te komen. Een paar dagen heb ik nog in Berlijn rondgeloopen, mij afvragend: krijg ik nu vlektyphus of niet? maar dit bleek niet het geval te zijn en ik ben er dus zonder kleerscheuren afgekomen.
* * *
DE OOSTZEEPROVINCIËN
Berlijn, 3 September
De laatste berichten uit Koerland wijzen erop, dat wat ik reeds een paar maanden geleden in mijn brieven uit Libau en Kowno voorspelde gaat gebeuren. Nu de duitsche troepen weg zijn, steekt het bolsjewisme het hoofd weer op. De nederlaag der Witten in Estland heeft den toestand verscherpt. Het mag misschien eenigszins eigenaardig klinken, wanneer ik ondanks de overwinning der bolsjewiki blijf beweren dat het leger van Trotsky geen militaire waarde heeft. Wat ik er in Polen en Rusland van gezien en gehoord heb, heeft mij ervan overtuigd, dat het een bende is. Maar wanneer de Entente met nog grootere benden aan komt zetten krijgt het natuurlijk op zijn kop, want de eigenlijke Letten en ook de Esten beteekenen heelemaal niets. De Polen en zelfs de Litauers blijken in staat om de Russen gevoelige nederlagen te bezorgen. Maar St. Petersburg kan tot de stomme verbazing van iederen Rus niet genomen worden. Integendeel, nu de duitsche troepen weg zijn, wordt de toestand in Koerland elken dag erger. De Engelschen, die, zooals mij o.a. de engelsche vertegenwoordiger te Libau voor een paar maanden nog zeide, het bolsjewisme "made in Germany" noemen en beweren, dat de bevolking daar volstrekt niet bolsjewistisch is, ondervinden dat, nu de duitsche troepen weg zijn, het platteland met benden overstroomd wordt, waartegenover de inheemsche troepen machteloos staan. De kwestie van graaf Von der Goltz te Mitau, die in het buitenland geheel verkeerd begrepen wordt -- vooral ook in Duitschland, daar de duitsche pers al bijzonder slecht is ingelicht over hetgeen er in Koerland gebeurt -- is heel eenvoudig. Indertijd had de letsche regeering, gelijk ik vroeger reeds mededeelde, aan de duitsche soldaten het burgerrecht beloofd, waardoor zij aanspraak kregen op 60 morgen land, hun toegezegd door de groote grondbezitters. Deze belofte is de regeering niet nagekomen. De Duitschers staan nu op het oogenblik op hun recht.
Bovendien staat de duitsche commandant voor het moeilijke geval dat hij zeker weet, dat, wanneer hij weggaat, het duitsche element, dat in die streken zoo talrijk is en volstrekt niet alleen uit baronnen bestaat, maar vooral ook de kleine burgerij en het intellect omvat, eenvoudig uitgemoord zal worden. Ik herhaal wat ik vóór drie maanden schreef, dat, gaan de Duitschers weg en worden ze niet door een behoorlijke europeesche macht vervangen, die streken aan de anarchie zijn prijsgegeven. Niet alleen dat St. Petersburg dan nooit genomen wordt, maar ook Riga, Libau en Rofno zijn dan verloren.
Op mijn tocht uit Rusland over Dunaburg heb ik kunnen constateeren hoe alles, wat niet bolsjewistisch is, naar den terugkeer der Duitschers verlangt, niet zoo zeer omdat zij Duitschers zijn, maar omdat het de eenigen zijn die er de orde kunnen handhaven. Als een staaltje, hoe slecht zelfs de duitsche pers ingelicht is, zij vermeld, dat de val van Novo Alexandrofsk, die plaats vond toen ik er verleden week doortrok, wat mij heel wat moeite berokkende, pas vandaag over Helsingfors tot de duitsche bladen doorgedrongen is. Tienduizend man europeesche troepen, geoefend en goed gedisciplineerd en van de noodige hulpmiddelen voorzien, kunnen met Rusland doen wat zij willen.
* * *
DE STRIJD TEGEN DE SOVJET-REPUBLIEK
Berlijn, 16 September
Al een paar maanden lang houd ik mij nu vrijwel uitsluitend bezig met het bolsjewisme, en in het bizonder met den strijd er tegen. Zoowel in Koerland, Litauen, Polen als in Rusland zelf heb ik ter plaatse de zaak bestudeerd en meen dan ook eenig recht van spreken te hebben.
Laat ik eerlijk bekennen, dat ik aanvankelijk ook overtuigd was, dat Trotsky met de schepping van het roode leger een waar Napoleonswerk verricht had en een opmarsch van het roode leger naar West-Europa niet tot de onmogelijkheden zou behooren. Hetgeen ik er later echter van te zien kreeg, heeft mij anders geleerd.
Reeds voor Riga begon ik te twijfelen, toen ik zag, hoe een paar duizend Duitschers en Balten met slechts weinig artillerie een driedubbele overmacht der Russen versloegen; later in Polen zag ik betrekkelijk slecht uitgeruste, maar goed gedisciplineerde en voor hun vaderland geestdriftige poolsche soldaten, een bijna driedubbele overmacht aan bolsjewiki voor zich uit jagen.
Toen ik in Rusland zelf kwam, werd het mij echter heel duidelijk; op een klein gedeelte na zijn de russische soldaten den oorlog moede. Zij deserteeren bij massa's en de twee groote dingen, waardoor een leger bij elkaar gehouden wordt, n.l. een goede geest en goed eten, zijn niet aanwezig.
Zeker, er is in Rusland genoeg eten te krijgen. Op het platteland heerscht overvloed, maar het spoorwezen is door gebrek aan locomotieven dermate in de war, dat de op sommige plaatsen opgehoopte voorraden niet vervoerd kunnen worden.
Daardoor is natuurlijk de heele verpleging van het roode leger in de war en niet dan met de uiterste moeite slagen de Russen er in ten minste nog brood en munitie naar het front te brengen.
Wanneer ik dan ook in engelsche bladen lees, dat het roode leger beter uitgerust en georganiseerd is dan ooit, dan is dat geheel bezijden de waarheid en het wordt vermoedelijk alleen verkondigd om de onmacht der entente te verbloemen.
Een fransch generaal schreef eenige maanden geleden in een fransch blad: St. Petersburg kan in vijf dagen genomen worden of in het geheel niet.
Dat is de ware toestand: een goede troep neemt het in enkele dagen, een slechte nooit.
Het eigenaardige geval doet zich thans voor, dat tengevolge van de onvoldoende troepen waarmee de Engelschen tegen St. Petersburg opereeren, het den indruk geeft, alsof Trotsky een krijgskundig genie is.
Zeker, verdiensten heeft hij, en aan energie ontbreekt het hem ook niet, maar dat hij nog altijd chef in Rusland is, kan hij werkelijk niet helpen. Het sprekendste bewijs is voor mij de opmarsch van het poolsche leger, dat, hoewel veel minder sterk en door gebrek aan spoorwegen ook met groote verplegingsmoeilijkheden kampende, met gemak de Russen voor zich uit jaagt.
Nu zegt men, dat de roode troepen bij St. Petersburg veel beter zijn dan die tegenover de Polen; doch de gebeurtenissen bij Riga hebben mij anders geleerd.
Ik heb thans zooveel mogelijk gegevens verzameld, meest uit geheime bronnen, die een kijk geven op den strijd tegen sovjet-Rusland en heb het front in een kaartje geschetst.
Dezer dagen gaf het Berliner Tageblatt een artikel van Theodor Berkes, die tot juist de tegenovergestelde conclusie komt als ik, n.l. dat het roode leger wèl een factor is waarmee te rekenen valt.
Ik ben het, zooals reeds gezegd, daarmee niet eens, al heb ik den schijn tegen me. Inderdaad lijkt het overweldigend als wij het aantal vijanden zien waartegen de Russen te strijden hebben, maar welke waarde hebben die troepen?