In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland

Part 10

Chapter 103,943 wordsPublic domain

Zoodra ik dan ook het interview met Tsjitsjerin, dat ik u reeds geseind heb, gehad had, vroeg ik het land weer te mogen verlaten. De minister antwoordde: "ik heb er geen bezwaar tegen, maar er niets over te vertellen. Andere autoriteiten moeten u die toestemming geven, maar ik zal mijn best doen om u zooveel mogelijk te helpen." Elken dag wandelde ik ondertusschen naar het ministerie van buitenlandsche zaken en elken dag was hetzelfde antwoord: ja, wij doen ons best, maar u moet geduld hebben. Men stuurde mij elken dag stapels brochures en tijdschriften in het fransch, duitsch en engelsch, zoodat ik heel wat propagandalectuur verwerkt heb. Ik kreeg daardoor ook een idee wat eigenlijk het sovjetstelsel, dat Lenin de mooiste overwinning der Octoberrevolutie noemt, zeggen wil. Eigenlijk is het niet veel anders dan een getrapte verkiezing, die het mogelijk maakt dat een minderheid een meerderheid regeert. Een plaatselijke sovjet, uit niet veel meer dan een paar honderd personen bestaande, kiest een vertegenwoordiger. Het kiesrecht is algemeen, met deze beperking dat alleen zij, die werken, of geheel buiten schuld zonder werk zijn, mogen kiezen. De vertegenwoordigers nu van die sovjets kiezen op hun beurt weer vertegenwoordigers, en dat is de algemeene volksvertegenwoordiging, waaruit dan het algemeen uitvoerend bewind, bestaande uit 18 volkscommissarissen, m.a.w. de ministers en de president van de republiek, gekozen worden. Want -- en dat is in het buitenland nog niet algemeen bekend -- Rusland heeft tegenwoordig een president in den persoon van Kalinin. De macht van den president is echter niet groot en hij heeft dezelfde stem als elk lid van het uitvoerend comité. De officieele naam der russische sovjetrepubliek is: Revolutionaire Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek, hetgeen afgekort wordt tot de beginletters R. S. F. S. R., welke letters men bijv. op elken spoorwagen aantreft. De nationale vlag is rood met deze letters in den linkerbovenhoek. Men noemt deze republiek de derde communistische internationale. In Maart heeft te Moskou een congres plaats gevonden, van de vertegenwoordigers der bolsjewiki uit alle mogelijke landen. De nederlandsche bolsjewisten waren erbij vertegenwoordigd door den heer Rutgers wien het sedert dien heel slecht gegaan is, aangezien hij na een aanval van spaansche griep met een hersenziekte in een sanatorium is opgenomen. Het meeste trof mij uit dezen stroom van propagandalektuur, de moeite die de bolsjewiki doen om in China, Voor-Indië en in de mohammedaansche wereld ontevredenheid te zaaien. Van bolsjewistische propaganda is daarbij natuurlijk geen sprake. In de verschillende oostersche talen opgestelde pamfletten, die in menigte naar Voor-Indië getransporteerd worden, wordt het woord bolsjewisme of communisme zelfs niet eens genoemd; ze bevatten alleen een scherpe kritiek op het engelsche regeeringsbeleid. Juist in de dagen dat ik er was kwamen er in het regeeringshotel ook eenige Perzen aan; dat is er natuurlijk allemaal om te doen om de Engelschen, die de Russen op het oogenblik als hun grootste vijanden beschouwen, zooveel mogelijk moeilijkheden te berokkenen. Ook de strijd dien de emir in Afganistan met de Engelschen heeft gevoerd zal wel aan bolsjewistische propaganda te wijten zijn.

De groote vreugde te Moskou over den terugtocht van Koltsjak vindt dan ook voornamelijk haar oorzaak in de mooie gelegenheid die daardoor verkregen is rechtstreeks met Oost-Azië en Indië in verbinding te treden. Ik heb den indruk gekregen, dat er ook heel wat geld in deze richting gestuurd wordt. En als ik Engelschman was zou ik volstrekt niet gerust zijn, hoewel deze propaganda der bolsjewiki, die echt het kenmerk draagt van het doel heiligt de middelen, eigenlijk een bedreiging vormt voor het heele blanke ras. De propaganda in China waarvan de bolsjewistische pers beweert, dat zij er heel veel succes heeft, is natuurlijk hoofdzakelijk tegen Japan gericht. Dit streven der leiders te Moskou maakt de bolsjewiki mijns inziens tot de meest gevaarlijke vijanden van alle blanke naties. Dat het hun er voornamelijk om te doen is herrie te krijgen, kwam heel aardig uit in een gesprek, dat ik toevalliger wijze met Guilbaux had, den bekenden Franschen communist. Hij was zoo vriendelijk om mij in mijn eenzaamheid te komen opzoeken en vertelde mij dat hij in het voorjaar uit Zwitserland door Duitschland en Litauen naar Rusland gevlucht was, aangezien hij bang was, dat de fransche regeering zijn uitlevering aan de zwitsersche zou vragen. Hij was voornamelijk gebeten op Longuet, dien hij beschuldigde niet oprecht revolutionnair gezind te zijn. Volgens zijn meening was het vreeselijk jammer dat in Duitschland zooveel leiders der Spartaciërs gevangen waren gezet. Maar, zei ik toen, is het communisme dan niet iets dat leeft, zij het ook verborgen, in een deel van de volksmassa? "Wel neen," was het antwoord, "de leiders moeten er zijn om de richting aan te geven. Het volk weet niets van communisme. Als dat maar ontevreden is of ontevreden gemaakt kan worden, dan kunnen wij de revolutie ontketenen." Ik zeide hem toen maar niet, dat in dit geval de beweging zichzelf veroordeelt, want wanneer een beweging reeds te bestrijden is, zooals deze communist zelf aangaf, door het onschadelijk maken van de leiders, dan pleit dat niet voor de ideeën die erin zitten, en mij kwam het woord van Dr. Kuyper in de gedachten: een wet, die niet leeft in de ziel van het volk, is geen wet. Guilbaux is anders een heel gezellige prater en bleek een groot vriend van Henriëtte Roland Holst te zijn.

Wanneer men uit hetgeen ik u hierboven mededeelde, zou willen opmaken, dat de Russen niets liever dan den Tsaar terug zouden willen zien, dan is dat toch geheel verkeerd. Het is mogelijk, dat er onder den druk der bolsjewiki een krachtige reactie ontstaan is. Maar mijn algemeene indruk is toch, dat de groote meerderheid, hoewel het bolsjewisme meer dan moe, geen reactionnaire regeering wil. Naar mijn meening behoort de toekomst in Rusland aan de vooruitstrevende elementen. Men moet niet vergeten, dat al heeft het communisme schipbreuk geleden, de bevolking toch kennis gemaakt heeft met dingen, zij het ook op papier, waarvan het onder den Tsaar nooit gedroomd heeft. De groote fout der Entente is en blijft dan ook, dat zij Koltsjaks regeering erkent die haar toekomstplannen niet ronduit openbaar maakt, zoodat zij weinig weerklank bij de russische bevolking heeft gevonden en bovendien de sovjetregeering de gelegenheid geeft om te zeggen: "zie je wel, de Entente wil alleen de zwartste reactie." Een open vraag is het voor mij nog altijd, wat de kerk zal doen. Dat zij nog invloed heeft in Rusland staat boven twijfel, maar wat zij eigenlijk wil, weet ik niet. Het is altijd een ongeluk voor Rusland geweest, dat de orthodoxe geestelijkheid in tegenstelling met de roomsche op een buitengewoon laag peil van ontwikkeling stond. Dientengevolge kan die geestelijkheid maar heel weinig invloed ten goede op de massa uitoefenen. En het vraagstuk, waar men zich in Polen nogal mee bezig houdt, nl. het weer onder heerschappij van Rome brengen der russische kerk is dan ook voor de toekomstige ontwikkeling van het russische volk van groot belang. Een ander punt is, dat, nu Engeland op het oogenblik de voornaamste viool speelt bij een aanval der Entente, een deel der Russen, evenals ik van meening dat zelfs met een handvol geoefende troepen de sovjetmacht ten val kan worden gebracht, beweert dat de Engelschen dit alleen niet doen teneinde Rusland nog meer uit te putten en het dus gemakkelijker tot een engelsche kolonie te maken. Vandaar dan ook, dat men op het oogenblik zeer anti-engelsch, en de stemming tegenover Duitschland veel minder bitter is geworden.

Moskou, 16 Augustus

Ik heb vandaag mijn papieren terug gekregen met het sovjetzegel er op en met de mededeeling dat ik ze eerst buiten Rusland mocht openen en dat ik morgen over Dunaburg het land kan verlaten, natuurlijk onder de noodige bewaking. Goddank! want ofschoon ik hier wat de behandeling betreft, niets te klagen heb, is toch de voortdurende eenzaamheid en het gevoel feitelijk een gevangene te zijn, zeer neerdrukkend. Ik heb in mijn eenzaamheid heel wat propagandalectuur verwerkt en ook de kranten met behulp van mijn bewakers zooveel mogelijk gevolgd. En nu blijft het altijd waar, dat zelfs met de beste censuur er dikwijls uit de bladen heel wat te halen is al was het alleen maar door hetgeen er niet in staat. Zoo vond ik het bijzonder interessant, dat Kerensky en de sociaal-revolutionnairen er nog steeds heftig in worden aangevallen. Daaruit maak ik de gevolgtrekking, dat men in regeeringskringen nog steeds bevreesd voor hen is, en zij dus meer aanhang hebben dan men over het algemeen wel wil doen gelooven. Ook de artikelen tegen de desertie blijken mij van veel belang, omdat zij bevestigden wat ik reeds aan het front gehoord had, dat nl een derde van het leger van Trotzky permanent op den loop is. Vroeger werden deserteurs niet gestraft, maar eenvoudig weer opgepakt en ingelijfd. Thans kondigden de bladen echter een strenger optreden aan. Zeer belangwekkend zijn verder de onthullingen uit het russische geheim-archief, die steeds voortgezet worden en waaruit zonneklaar blijkt, dat Poincaré en Grey reeds in 1913 op den oorlog aanstuurden. Onder meer is een brief van Grey gepubliceerd, waarin deze Rusland en Frankrijk in alle gevallen de hulp van de engelsche vloot toezegt. Ook een geheim bericht van Sasonof van Juli 1913 aan den Tsaar waarin hij mededeelt, dat Bethmann Hollweg hem verzocht heeft om bemiddelaar te zijn bij een poging om tot een betere verstandhouding met Frankrijk te komen, waarin hij (Sasonof) gemeend heeft niet te moeten treden. Het is den Russen met deze publicatie, die dan zoogenaamd tegen de geheime diplomatie gericht is, er alleen om te doen de Entente onaangenaam te zijn, want hun geheime verdragen met Turkestan, de Kirgiezen, e. a. publiceeren zij niet, net zoo min als zij de ware reden opgeven waarom zij aan Estland en Litauen een vredesaanbod gedaan hebben. Ik voor mij geloof dat Rusland wel heel graag vrede zou willen hebben, maar toch maar het allerliefst een gat waardoor het door de blokkade kan breken en zijn propaganda makkelijk het buitenland in zenden. En vrede met Litauen en Estland zou het aardig in de richting sturen en de verbinding met de Spartaciërs in Duitschland heel wat makkelijker maken.

* * *

De terugreis

VIII

Kowno, 26 Augustus

Precies acht dagen was ik in Moskou geweest, toen ik met een verlicht hart weer in den trein stapte die mij over Smolensk-Polosk naar Dunaburg zou brengen, vanwaar ik zou moeten trachten door het front te komen.

Ik had op de terugreis ook weer een bewaker bij mij, een jong vlot soldaatje, die heel blij was dat ik hem als ik at altijd mee liet eten, want de porties zijn niet groot in het roode leger, en dat is de reden waarom de ontevredenheid er zoo groot is.

Zal ik u verder de tweedaagsche reis weer beschrijven, die ik ditmaal van Polosk in een goederenwagen deed omdat op dit traject geen passagiersrijtuigen meer rijden? Ik geloof dat ik maar eentonig zou worden, met u mijn hopeloozen strijd tegen het ongedierte weer te vertellen.

Ik was den koning te rijk toen ik reisgezelschap kreeg: een russisch ingenieur met zijn vrouw en zoontje van 9 jaar, die zoogenaamd naar Dunaburg reisden, maar inderdaad hetzelfde plan als ik hadden.

In het eerst zag ik hem voor een bolsjewistisch spion aan, hetgeen hem blijkbaar zeer onaangenaam trof, maar al spoedig ontdekte ik dat hij een bourgeois was die, de ellende moede, met het restje van zijn geld naar het buitenland trachtte te ontkomen.

Hij was veel in 't buitenland geweest, had daar ook gestudeerd, en kende verscheidene communisten, waardoor het hem te langen leste mogelijk was geworden zijn geld weer in handen te krijgen, en de permissie om naar Dunaburg te trekken.

Wij spraken af dat hij mij in Rusland zooveel mogelijk bij zou staan, en ik een goed woordje voor hem zou doen in Litauen, waar iedereen die uit Rusland komt, als hij niet het tegendeel kan bewijzen, voor een agent der bolsjewiki wordt gehouden.

Hoewel ik dat standpunt aanvankelijk wel eens overdreven vond, moet ik, na alles wat ik gezien en ondervonden heb, erkennen dat het 't eenige goede is, al moeten vele onschuldigen er door lijden. Want al maakt men het verkrijgen van passen en visa's nog zoo moeilijk en de controle nog zoo scherp, er blijven altijd leeperds die alle controleurs verschalken.

Een aardig staaltje daarvan zag ik in Rusland zelf, waar de contrôle ongeloofelijk streng is. Om op het perron te komen, moet men door vier contrôles heen, die elk een uiterst minutieus onderzoek naar de stempels enz. instellen, en in den trein komen ze je elk oogenblik weer lastig vallen. Ik was er goddank vrij van, want dat was het werk van mijn bewaker, die een heel pak papieren meezeulde.

Toch heb ik met iemand gereisd, van Moskou naar Dunaburg, die geen enkel papier bij zich had. Deze slimmerd was een heel eind voorbij Moskou langs de spoorlijn gewandeld, en toen onderweg in den trein gesprongen, hetgeen bij den slakkengang van 20 KM. per uur nu niet zoo'n buitengewoon moeilijke zaak is.

Verder hield hij zich op in een wagen, die een ladder had naar 't dak, voor den remmer. Kwam er nu in den trein contrôle, dan kroop hij op 't dak, en aangezien bij de stampvolle wagens het controleeren heel lang duurde, had hij tijd en gelegenheid, om, terwijl de controleur zich van het eene eind naar het andere van den wagen begaf, kalm over 't dak naar 't eind te kruipen waar de contrôle al was geweest. Nu 't in Rusland gewoonte is, dat de passagiers niet alleen in den trein zitten, maar op alle mogelijke wijzen er aan hangen, valt een dergelijke beweging ook volstrekt niet op.

Twee mannen, die de reis van Moskou naar Dunaburg op de buffers der achterste wagens gemaakt hebben verdenk ik er ook sterk van, niet al te best van papieren voorzien te zijn geweest. Zij sprongen er ongeveer 1 KM. voor elk station af en hadden, dank zij het lange oponthoud, al de gelegenheid om den trein weer in te halen.

Ja, ik heb zelfs bij de enorm scherpe contrôle voor het trekken door 't front iemand zonder eenig papier kalm de controle zien passeeren, al moet ik er aan toevoegen, dat het mij een raadsel gebleven is, hoe hij hem dat geleverd heeft. Ik wist dat zijn papieren niet in orde waren, en lette daarom scherp op hem, maar ik heb niet kunnen ontdekken hoe hij er door kwam. Een feit is echter, dat hij er op een gegeven oogenblik door was.

Mijn reisgenoot had het onaangename avontuur, terwijl wij in Polosk midden in den nacht op den trein voor Dunaburg zaten te wachten, plotseling gearresteerd te worden aangezien men meende dat zijn papieren niet in orde waren.

Gelukkig hadden we genoeg tijd, want anders hadden wij er den trein door gemist, daar er maar eens per dag een trein gaat, want 't duurde wel drie kwartier voor ze hem weer loslieten.

Toen hij weer los was gelaten, zeide hij: "dat was op 't kantje af; een foutje in de stukken en ik was er bij geweest. Ik ken genoeg menschen die door het geheim comité voor nog minder zijn gearresteerd, en eerst na zes maanden weer zijn losgelaten." Hoe meer ik zulke verhalen hoorde hoe meer ik verlangde het bolsjewikiland te verlaten, maar je leert geduld oefenen in Rusland, waar alles onder het motto gaat "haast je langzaam".

Zoo ook in Dunaburg. Ik had nog eenige hoop, dat toen ik er Dinsdagavond aankwam, ik Woensdag verder zou kunnen reizen, maar geen denken aan; de zaak zou worden overwogen en men voegde er aan toe: "wij zullen de zaak hier zelfstandig behandelen. Wanneer u uit Moskou geen permissie hebt laten we u zeker niet door, maar dat beteekent nog niet, dat wanneer ze er in Moskou niets tegen hebben, wij het er mee eens zijn."

Dat beteekende dus een paar dagen verblijf in Dunaburg, het welbekende, veel omstredene Dunaburg uit den grooten oorlog. De straten zijn er recht, de huizen laag, maar van steen, en leelijk. Behalve het gezicht op de rivier, is er niets moois aan de stad, die bovendien duidelijk de sporen draagt, vijf jaar lang den oorlog in haar onmiddellijke nabijheid te hebben gehad. Ik maakte er kennis met een Zweed, die er al een paar weken zat te wachten. De arme kerel had een automobielzaak in Moskou gehad en was voor een half jaar plotseling in 't gevang gezet, waar hij twee maanden in had doorgebracht en toen weer was losgelaten, waarna hij voor heel veel geld het zoover had kunnen brengen, dat hij in Dunaburg was gekomen; maar nu bleken de laatste loodjes het zwaarst te wegen.

De heer R., mijn reisgenoot uit Moskou, ging nu echter voor ons allen aan het werk en hij slaagde er werkelijk in eenige moeilijk om te koopen ambtenaren voor ons aller rekening eenige duizenden roebels in handen te spelen, door dien heeren te verzoeken het tsarengeld tegen sovjetgeld te wisselen. Nu heeft in de nabijheid van het front het laatste totaal geen waarde, maar officieel staat het gelijk met het tsarengeld; in werkelijkheid verdienden de ambtenaren er dus ongeveer het heele bedrag aan en men kan het nooit omkoopen noemen.

Eindelijk dan kwam Vrijdagmorgen Hogberg, de Zweed, uitgelaten op ons af, en riep "de zaak is in orde, wij kunnen er door en R. (de Rus) mag ook mee." Dat was een vreugde, maar nu moesten wij nog een wagen huren om ons naar het front te brengen, en liefst een die ons er door bracht, daar bolsjewisten en Litauers ongeveer 5 KM. uit elkaar lagen en het moeilijk aanging dien afstand te loopen met onze bagage op den rug. Wij zochten dus een tweetal wagens, een voor Hogberg en mijn persoon, en den anderen voor de familie R.

Na lang zoeken slaagden wij er eindelijk in, om voor 500 roebel per persoon twee voerlieden te vinden, die genegen waren ons tot aan de uiterste voorposten te brengen. Verder wilden zij zich in geen geval wagen. Wij moesten dan maar zien onze bagage weer te dragen maar aangezien er bijna dagelijks transporten krijgsgevangen Duitschers en Oostenrijkers overgingen, zou het misschien wel gelukken een paar hulpkrachten te vinden.

Zoo togen wij Zaterdagavond om 7 uur op weg. Ons eerste doel was Nowo Alexandrofsk, vanwaar wij den volgenden morgen naar het front zouden trekken. Halverwege bleek, dat een der voerlieden ons bedrogen had en een absoluut niet te gebruiken paard had aangespannen. Daar stonden wij, het begon allengs donker te worden, 't regende en was koud, en het eene paard bleek zoo uitgeput van het korte traject, dat het niet meer vooruit te krijgen was. Wij besloten toen op den anderen wagen de bagage te laden; de familie R. kon ook nog meerijden, en de Zweed, mijn bewaker en ik legden de 12 KM. die ons van Alexandrofsk scheidden, te voet af.

In N. Alexandrofsk troffen wij in ons hotel nog een gast, een Duitscher, die, zooals hij zeide, voor het departement van buitenlandsche zaken kwam onderhandelen over krijgsgevangenen, en die juist dien middag van de andere zijde gekomen was. Zijn verhaal over die onderhandelingen leek mij eenigszins verdacht, en bij een nader verhoor bleek hij geen der ambtenaren van het Auswärtige Amt te kennen, en moest ik hem dientengevolge wel tot het gilde der saccharinesmokkelaars rekenen, een zeer winstgevend, zij het ook eenigszins gevaarlijk bedrijf.

Ik sliep dien nacht op m'n koffer, of beter, trachtte zulks te doen, maar eindigde met bij een kaars wat te lezen. Het was vermakelijk, om het geheel verder gade te slaan. Het eerst kwam Hogberg in beweging, hij begon zijn kleeren te onderzoeken op een hier te lande zeer bekende wijze, daarna begon mevrouw R. onrustig te worden, en eindelijk R. zelf ook; alleen de soldaat sliep rustig door.

Toen het dag werd haastte ik mij mijn laatste schoone ondergoed aan te trekken, en gooide de rest weg, aangezien ik het niet meer in mijn koffer wilde bergen. De waard van het hotel kwam echter na eenige oogenblikken vragen of het mij daarmee ernst was. Op mijn toestemmend antwoord bleek hij uiterst verheugd, en eenige oogenblikken later had hij het al aangetrokken.

Nu moesten wij onze passen nog laten viseeren, 't geen we na lang wachten en veel moeite gedaan kregen, zoodat het vijf uur in den middag was geworden voor we weg konden.

Wij vertrokken in gezelschap van 17 Duitschers en Oostenrijkers, die uit krijgsgevangenschap, en een dame, die als vluchtelinge naar haar woonplaats Kowno terugkeerden. Ons gezelschap bestond dus uit 29 mannen, twee vrouwen en een kind.

Op weg naar het front, ongeveer 5 kilometer, polste ik de krijgsgevangenen, en al spoedig bleek mij, dat het voor 't meerendeel goedmoedige Weeners en Berlijners waren; alleen twee hunner maakten een vrij ongunstigen indruk.

Aangezien wij tusschen de fronten in niemandsland geheel op ons zelf aangewezen zouden zijn, zocht ik een der besten uit, en besprak met hem de maatregelen om die beide heertjes in het oog te houden, opdat ze geen rare dingen zouden uithalen. Hoe meer we het front naderden, hoe twijfelachtiger het werd, of wij er dien dag wel over zouden komen, want het eerst vrij zwakke geweervuur werd allengs sterker; machinegeweren spraken een woordje mee, en af en toe klonk zelfs geschutvuur. Er was dan ook een merkbare onrust in onze colonne.

Op ongeveer een kilometer achter het front werden de passen gecontroleerd, en goddank, alles bleek in orde. Toen moest er een witte vlag gemaakt worden en Hogberg leverde daartoe gewillig zijn handdoek; gelukkig mocht de wagen met onze bagage ons tot het laatste oogenblik begeleiden.

Het vuur luwde eenigszins en toen wij aan de eerste russische loopgraaf gekomen waren, was alles kalm. Mijn hoop dat alle contrôle voorbij zou zijn, werd echter verijdeld, want midden op den weg moesten wij halt houden, werden in twee rijen geplaatst en begon een visitatie aan den lijve.

Ik had het meest te doen met mevrouw R., want ze had haar heele kapitaal, een dik pak bankbiljetten, onder haar rokken verborgen. Aangezien ik als vreemdeling vermoedelijk in Rusland het scherpst onderzocht zou worden, hadden wij afgesproken, dat zij het tot aan de grens bij zich zou houden, terwijl ik het dan op onzen tocht door niemandsland weer zou overnemen, omdat ik weer bij de Litauers aan het minste gevaar was blootgesteld.

Gelukkig bleken de beide vrouwen van een visitatie verschoond te blijven, maar ze zouden toch nog een paar heel ellendige oogenblikken doorleven, want nauwelijks stonden wij in twee rijen, of daar kwam het welbekende suizen van een projectiel, en pang, nog geen tweehonderd meter van ons sprong een granaat. Wij keken allen op, maar de bolsjewiki gingen kalm door onze zakken te doorzoeken. Een halve minuut later kwam weer een granaat aangieren, en toen nog een, en nog een.

Ik zal dit tafereel niet licht vergeten, dat heuvelachtig landschap, badend in 't zonlicht, die loopgraaf vlak voor ons, met overal in hun bruine russische uniformen de bolsjewiki, die ons nieuwsgierig bekeken, die twee rijen mannen, met de handen in de hoogte, en midden op den weg de twee vrouwen, doodsbleek gehurkt op de bagage, het jongetje R., anders vol praats, thans heel soumis tegen moeder aangedrukt.

Het duurde eeuwen, maar eindelijk was alles klaar, een paar soldaten, die zelf geen bagage hadden, namen een deel van onze bagage, de witte vlag ging voorop, en de stoet zette zich in beweging. Eerst heel langzaam, want we moesten door de hindernis, maar al spoedig begon de vlagdrager zijn tempo te versnellen en dreigde de colonne uit elkaar te geraken, aangezien de vrouwen en de zwaarder beladenen niet mee konden komen. Daar had je het al.