In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland
Part 1
Produced by R.G.P.M. van Giesen
[Illustratie: voorkant kaft met de tekst:
J. FABIUS
IN HET HOL VAN DEN LEEUW
REISSCHETSEN UIT SOVJET-RUSLAND
A. W. SIJTHOFF'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ LEIDEN
illustrator: PIET C. WAGNER '20 ]
IN HET HOL VAN DEN LEEUW
In het Hol van den Leeuw
REISSCHETSEN UIT SOVJET-RUSLAND
DOOR
J. FABIUS Eerste-Luitenant der Veld-Artillerie
[Logo: ALTYT WAEK SAEM]
A. W. SIJTHOFF'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ LEIDEN -- MCMXX
Inhoudsopgave
OP WEG NAAR HET OOSTEN - Bartenstein, 15 Mei 1919 UIT OOST-PRUISEN - Koningsbergen, 18 Mei DE VEROVERING VAN RIGA - I. Riga, 23 Mei DE VEROVERING VAN RIGA - II. Riga, 22 Mei LETLAND - Libau, 23 Mei LITAUEN - Kowno, 4 Juni OP WEG NAAR HET OOSTEN - Kowno, 16 Juni TE WILNA AANGELAND - Wilna, 18 Juni UIT LITAUEN - Wilna, 20 Juni DOOR POLEN - Warschau, 23 Juni WARSCHAU - I. Warschau, 28 Juni ECONOMISCHE VOORUITZICHTEN IN POLEN - Warschau, 2 Juli IN AFWACHTING - Warschau, 5 Juli POOLSCH ALLERLEI - Warschau, 8 Juli OP WEG NAAR RUSLAND - Bogdanof, 15 Juli EEN ONDERHOUD MET TSJITSJERIN
EEN BEZOEK AAN BOLSJEWISTISCH RUSLAND - Berlijn, 30 Augustus, 1919
MIJN DAGBOEK - I. Krosne, 28 Juli Aan het poolsch-bolsjewistische front - II. Radoskowitsj, 29 Juli Door het bolsjewistische front - III. Slavino, 3 Augustus Naar Smolensk - IV. Polosk, 5 Augustus 1919 Op weg naar Moskou - V. Smolensk, 7 Augustus In Moskou - VI. Moskou, 9 Augustus Te Moskou - VII. Moskou, 11 Augustus De terugreis - VIII. Kowno, 26 Augustus
DE OOSTZEEPROVINCIËN - Berlijn, 3 September DE STRIJD TEGEN DE SOVJET-REPUBLIEK - Berlijn, 16 September
OP WEG NAAR HET OOSTEN
Bartenstein, 15 Mei 1919
's Avonds aan het station Charlottenburg, Berlijn. Om 8.40 moet de trein naar Oost-Pruisen vertrekken, ik ben er al om acht uur, maar geen denken aan om een kaartje te krijgen, er staan nog wel een honderd menschen voor het loket. Ik heb een pas, zonder welken ik niet eens het recht had een kaartje te koopen, maar wat geeft me dat op dit ogenblik? Gelukkig heb ik niet veel bagage, een handkoffer en een pels, hoe zou ik het anders klaar spelen door de menigte te dringen.
Ik besluit het nu maar zonder kaartje te probeeren, en het gedrang is zoo groot, dat het me werkelijk lukt door de eerste controle heen te komen, maar aan de trap die naar het perron leidt word ik weer tegengehouden "Fahrschein bitte".
Nu komt het er op aan brutaal te zijn. In de eene hand mijn koffer, over den anderen arm mijn pels loop ik haastig door, zonder den beambte een blik te gunnen, hem snel toeroepend: houd me niet op, je weet toch -- meer zei ik maar niet, want wat hij weten moest, wist ik natuurlijk ook niet; in elk geval, de overbluffingstheorie, voor de zooveelste maal in practijk gebracht, voldeed ook hier uitstekend, en ongehinderd kwam ik op het gelukkig niet zoo volle perron.
De stationschef, tot wien ik mij wend, weet raad, de twee achterste rijtuigen van den trein zijn gereserveerd voor de commissie die bij president Ebert namens Oost-Pruisen geprotesteerd heeft tegen de vredesvoorwaarden. Daarbij mag ik mij aansluiten, en zoo tref ik het in alle opzichten. Ik krijg een mooi plaatsje voor deze nachtelijke reis zonder slaapwagen en tegelijk kan ik me van den toestand al direct op de hoogte stellen, aangezien ik met louter kenners van land en luiden in de coupé zit.
Een stukje kwatta doet wonderen en eer wij een uur onderweg zijn, zit ik dan ook zoo familiaar mogelijk met de heeren te praten.
Ik moet mij nog volkomen op de hoogte stellen. Een kaart van Oost-Europa heb ik te Berlijn gekocht, maar dat is dan ook alles. Verder weet ik niets. Ik maak dien avond echter ongetwijfeld groote vorderingen, maar ik zal eerst nogeens een betere kaart moeten zien te krijgen en dan eens een brief wijden aan de balkaniseering van Oost-Europa, want dit is een vraagstuk op zichzelf. Mijn reisdoel is het juist, door eigen aanschouwing hiermee kennis te maken en zoo boegseer ik daarom naar het noorden om mij zoo langzamerhand naar het zuiden te laten afzakken tegelijkertijd zoekend het gaatje, om door de linies heen naar het Verre Oosten een kijkje te nemen.
Mijn reisgezelschap behoort niet tot hen die de revolutie gemaakt hebben, een bankdirecteur, een grootgrondbezitter, een "regeeringsrat". Wanneer het gesprek dan ook op de vredesvoorwaarden komt, waartegen zij heftig protesteeren, neem ik toch de vrijheid hen te vragen: maar hoe denkt de bevolking er nu over? Mijn vraag wordt begrepen, dan zegt me een der heren: ga eens naar Wennig, den Rijkscommissaris voor het Oosten en spreek met hem, hij is meerderheidssocialist, en door de revolutie op dezen post gekomen.
Dan verflauwt het gesprek, we wikkelen ons in onze jassen (hoe dankbaar ben ik een pels meegenomen te hebben) en zoo dommel ik in.
Om tien uur zijn wij in Koningsbergen en dank zij de goede zorg der militaire autoriteiten, vond ik een hotelkamer met bad voor mij beproken.
Na hiervan eerst te hebben genoten, ga ik natuurlijk mijn opwachting bij de verschillende autoriteiten maken en de officieren van den generalen staf, wien ik mijn plannen voorleg. Zij kijken eerst wel wat bedenkelijk, maar wanneer ik hen mijn papieren getoond heb, komen zij bij en beloven mij hun medewerking bij al mijn plannen.
Dat is al veel, en nu naar den regeeringspresident.
Ik laat mij aandienen en een oogenblik later sta ik tegenover een stevige, ik zou haast zeggen hollandsche figuur; rood haar, energiek gezicht, kleine roode snor.
Ik vertel hem het doel van mijn komst en onderwijl bekijken wij elkaar even; een wederzijdsch opnemen, dan gaan wij zitten.
De brandende quaestie is op het oogenblik natuurlijk: wat zal er gebeuren, wordt er onderteekend of niet? Ik vraag dan ook direct: wat denkt u van den toestand?
Het antwoord is zeer beslist, want Pruisen geeft niet toe, men kan in Berlijn doen wat men wil -- de bevolking hier, uitgezonderd misschien een handjevol Spartaciërs, zal zich niet door de Polen laten ringelooren.
Dus, zeg ik, als de regeering te Berlijn teekent, zullen Oost- en West-Pruisen zich dan losscheuren?
Zeker, is het antwoord. Deze provincies zijn landbouw-gewesten, wij kunnen ons zelven voeden, uithongeren kan men ons niet, wij hebben kolenvoorraad voor eenige maanden en wij hebben, wat de hoofdzaak is, vastberaden, energieke mannen, die, net als in 1813, er alles op zullen zetten, dit land duitsch te houden.
De machtige toon waarop dit gezegd wordt, maar toch zonder eenig pathos, maakt indruk.
Maar hoe staat het met de Polen, die hier wonen? vraag ik dan weer.
Laat ik eerlijk zijn, zegt de rijkscommissaris, er zijn hier poolsche districten, eilandjes in de overigens absoluut voor de meerderheid duitsche bevolking, maar deze zijn zoo weinig poolsch, dat zij hun krant in 't duitsch drukken, en zij zouden ook niets voor Polen voelen, wanneer de Entente-propaganda niet eenigen indruk gemaakt had. Zij, die tot Polen overgaan, zullen n.l. vrij zijn, van den geweldigen belastingdruk, die op Duitschland zal rusten.
Het is zoo langzamerhand etenstijd geworden, en als ik weg wil gaan, noodigt de rijkscommissaris mij uit met hem te middagmalen.
Zoo leer ik dezen merkwaardigen man, eerst arbeider, later journalist, sociaal-democraat, bij alle partijen hier in 't Oosten zeer gezien en populair, beter kennen.
Hij vertelt me, hoe de keizer hem liet ontbieden om de stemming der bevolking te weten, maar hoe Z.M. hem toen niet aan het woord liet komen; hoe hij eerst tegen het eind der vorige regeering als gezant naar Litauen gestuurd werd, tot de revolutie hem op zijn tegenwoordigen post bracht. De eerste jaren van den oorlog soldaat in hetzelfde gebied, waar hij nu regeert, zegt hij nu in te zien, hoe dikwijls een regeerder gedwongen wordt, maatregelen te nemen, zonder dat hij het er zelf geheel mee eens is; de omstandigheden zijn dikwijls te machtig. Ik bemerk dat hij daarbij, van zichzelf sprekend, op den keizer doelt.
Ik krijg uit dit alles den indruk, dien ik in de laatste dagen meer kreeg, ook onder het volk, dat men de revolutie eenigszins betreurt, of beter, het moment waarop zij is uitgebroken. De vredesvoorwaarden schijnen de Duitschers wakker te schudden, en ten minste hier in 't Oosten laait de vlam van het patriottisme hoog op.
Ik voel, met dien regeeringscommissaris pratend, hoe ik met een m a n te doen heb, met een figuur, geschikt om te regeeren en te handelen in moeilijke tijden, en het is misschien de grootste fout van het vroegere régime, dat het dergelijke figuren te weinig gelegenheid bood om naar voren te komen.
's Avonds ben ik te gast bij een majoor van den generalen staf, die mij in een allergezelligst familiemilieu meeneemt. Met hem bespreek ik dan mijn plannen voor de reis.
Ik moet eerst nog eens goed bedenken, hoe ik zal gaan; het front is zoo ingewikkeld: hier vechten Duitschers tegen Bolsjewisten, geholpen door de Polen, een eind verder staan Duitschers en Polen weer tegenover elkaar; waar moet ik nu naar toe? Maar daar hoor ik opeens, dat een heel goede vriend, dien ik al jaren ken en met wien ik al zoo menig avontuur beleefde, heel in 't Noorden zit. Dat maakt aan al mijn weifeling een eind. Ik ga ook naar het Noorden.
* * *
UIT OOST-PRUISEN
Koningsbergen, 18 Mei
Het is hier in 't Noorden op het oogenblik nog koud en als men eenige uren in een open auto heeft doorgebracht, zegent men de centrale verwarming op zijn hotelkamer.
Ik ben vanmiddag naar het hoofdkwartier-Oost geweest, in gezelschap van een majoor van den generalen staf.
Langs den gladden breeden weg suisden wij voort, door het prachtige voorjaarslandschap, vlak, hier en daar toch even een golving, net genoeg om relief te geven. Veel weiden passeerden wij met hollandsch vee, zwart-bont, en hier en daar stond een molen, net als bij ons.
Heel vroeger schijnen hier ook hollandsche nederzettingen te zijn geweest, landverhuizers, onder den Grooten Keurvorst hierheen getogen. De huizen zijn groot en welvarend, nu en dan een klein kasteeltje, meer echter nog buitenhuizen.
Wij zijn hier in 't land der groot-grondbezitters, met bijna geen kleinen boerenstand.
De verhoudingen zijn nog patriarchaal, en ook de adel zelf is nog eenvoudig, nog weinig doende aan luxe, meer nog de heereboer.
Kijkt men op de kaart, dan is het land bedekt met historische namen; Eylau en Friedland doen aan Napoleon terugdenken. Wij passeerden het slagveld van Eylau, waar op de plaats, waar Napoleon stond, een eenvoudig gedenkteeken is opgericht; maar dan lezen wij een eindje verder Gumbinnen-Stallupönen en ineens zijn wij weer midden in den tegenwoordiger wereldbrand.
In het hoofdkwartier werd ik heel vriendelijk ontvangen en toen ik mededeelde, dat het mijn plan was door de linies te gaan, bleek men daartegen in 't geheel geen bezwaar te hebben.
De politieke toestand is hier in 't Oosten anders wel buitengewoon ingewikkeld. Ik begin er nu zoo langzamerhand eenig beeld van te krijgen en aangezien het den waarden lezer wel net zoo gegaan zal zijn als mij, n.l. dat hij er niets van weet, zal ik trachten u een klein beeld van den toestand te geven.
Ik voeg er vooraf aan toe, dat dit geen eigen aanschouwing is, maar dat komt later, eerst is het toch wel noodig een algemeen overzicht te geven.
Sedert den wapenstilstand in November is hier in 't noord-oosten een eigenaardige toestand ontstaan doordat de Polen, in afwachting van den vrede, reeds een gedeelte van Duitschland bezet hebben. De Duitschers hebben daartegenover hun maatregelen genomen door hun in de oostelijke garnizoenen gedemobiliseerde troepen met vrijwilligers weer op sterkte te brengen. Tezamen vormen die troepen de "Landesschutz Ost." Deze Landesschutz heeft echter ook nog te waken tegen de bolsjewiki, waarmede de Polen echter ook op voet van oorlog staan. Gedeeltelijk vechten hier dus Duitschers en Polen tegen elkaar, en gedeeltelijk naast elkaar.
De Polen zelf hebben echter nog meer te doen, want ook met Tsjecho-Slowaken en Oekrainers staan ze op niet al te besten voet.
De Bolsjewiki, dat eigenlijk een verzamelnaam is voor troepen op zeer heterogene wijze samengesteld, worden door de Duitschers tegengehouden in Koerland, Estland en Litauen, vroeger russisch gebied dus.
Het front loopt ongeveer van Riga, precies in zuidelijke richting, tot in de buurt van Lyck, waar het duitsch-poolsche, poolsch-bolsjewistische en duitsch-bolsjewistische front tezamen komen.
Dat is ook het punt, waar de liefhebber zich voor duizend roebel naar Rusland kan laten overzetten; er zijn nog wel meer gaatjes in het front, maar dit schijnt een van de meest gebruikte.
In dit vroegere russisch gebied is tusschen de Letten, die daar sedert den vrede van Brest-Litofsk een eigen staat hebben, en Litauen, door het optreden der bolsjewiki een scheuring ontstaan en daar schijnen de eigenaardigste toestanden te heerschen.
Ik hoop er morgen heen te vertrekken en kan u dus binnenkort uit eigen ervaring meedeelen hoe de vork in den steel zit.
De entente schijnt nu geëischt te hebben dat de Duitschers zich uit dit gebied terugtrekken.
Goed, zeggen de Duitschers, weet dan echter wel dat wanneer wij hier weggaan en ons achter de grens van 1 Augustus 1914, d.i. dus ongeveer bij Memel, terugtrekken, de bolsjewiki hier onmiddellijk zullen binnenvallen en dan moet je zelf maar zien hoe je ze er uit krijgt.
De voor de hand liggende oplossing zou zijn dat de Entente er dan troepen heen stuurde, maar dat gebeurt niet, en dientengevolge blijven de Duitschers er rustig zitten.
Te Koningsbergen zelf hoort men van niets anders dan van protestvergaderingen tegen de vredesvoorwaarden, hetgeen zeer begrijpelijk is als men bedenkt, dat Oost-Pruisen te land geheel en al van het duitsche rijk zal worden afgesneden en daardoor in een heel moeilijke positie komt.
Litauen schijnt, hoewel niet bepaald poolsch gemaakt, toch wel door sterke banden met Polen te zullen worden verbonden.
Men beweert in oost-pruisische handelskringen, dat het een schijn van onafhankelijkheid zal behouden, omdat de Engelschen er een goed oogje op hebben om er het hout voor hun mijnen vandaan te halen.
Hoe het zij, de verbittering is groot, en kan aanleiding geven tot zeer eigenaardige gebeurtenissen.
Men schijnt zich tot Hindenburg gewend te hebben om hem te vragen de leiding te nemen bij een algemeen verzet. Die schijnt er echter niet aan te willen en thans hoort men andere namen noemen.
Wij zijn hier in Oost-Pruisen op historischen bodem, en ook in 1813 begon hier de beweging die Duitschland bevrijdde.
Ik sprak dezer dagen een ouden Duitscher, die mij zeide: wij mogen blij zijn dat de entente met zulke voorwaarden voor den dag is gekomen, daardoor vinden wij onszelf terug, en dat hadden wij na de Novemberdagen noodig.
Voor Oost-Pruisen is het dan ook wel om wanhopig te worden. Afgesneden niet alleen van het eigen land, maar ook van Rusland, waar het zooveel handelsbetrekkingen had, want niet alleen in de Oostzee-provinciën leven heel veel duitsche families, groot grondbezitters ook, die, hoewel trouw aan het russische rijk, veel relaties met de Oost-Pruisen onderhielden.
Dat de Polen zeer fel gehaat zijn, blijkt m.i. ook wel uit de plakkaten, die men overal aangeplakt ziet om de doortrekkende poolsche troepen van generaal Haller niet te beleedigen. Daar waar Franschen, Engelschen, Amerikanen overal ongehinderd in uniform door Berlijn loopen, lijkt mij dit toch wel typeerend.
* * *
DE VEROVERING VAN RIGA
I
Riga, 23 Mei
Woensdagavond kreeg ik plotseling bericht, dat er een extra-trein naar Mitau zou rijden; of ik lust had om mee te gaan. Ik pakte in allerijl mijn boeltje en kwam nog juist bijtijds aan het station. Daar hoorde ik wat er aan de hand was. De baltische landweer zou den volgenden dag Riga bestormen en men was zoo vriendelijk mij uit te noodigen om er bij te zijn.
Wij zaten den heelen nacht in den trein en kwamen 's ochtends om 8 uur te Mitau aan.
Toen destijds, na de revolutie, de duitsche troepen werden teruggetrokken, bezetten de bolsjewiki dadelijk na de ontruiming Mitau en Riga, waar een letsch sovjetbestuur werd ingesteld. In Mitau heeft dat bestuur slechts kort geduurd, doch in Riga wist het zich te handhaven. Wat er te Riga voorviel, wist men eigenlijk niet, ofschoon de letsche autoriteiten wel op de hoogte waren. De tegenwoordige minister-president had namelijk, als bolsjewiek vermomd, eenige bezoeken aan de stad gebracht en er met verscheidene personen onderhandeld. Daardoor was den ingewijden bekend, dat de bevolking van Riga met het nieuwe bewind allerminst ingenomen was.
Aangezien Riga met haar 500,000 inwoners, waarvan ongeveer 75,000 Duitschers zijn, de invloedrijkste stad van Letland is, was er de regeering veel aan gelegen, ze weer in haar macht te hebben en zoo kreeg de baltische landweer opdracht, de stad te veroveren. Intusschen konden de Letten daarbij de hulp van de duitsche troepen niet missen, want zoodra één deel van de linie in beweging kwam, moest natuurlijk alles voorwaarts. Daar de bolsjewiki juist de laatste dagen hevige aanvallen deden, hadden de Duitschers echter zelf de handen vol; zij beloofden niettemin, als de baltische landweer oprukte, ook hun vleugel zoover mogelijk naar voren te schuiven, om den samenhang te bewaren.
Bij de verovering van Mitau op de bolsjewiki was gebleken, dat de bolsjewistische letsche bevolking een waar schrikbewind tegen de baltische families -- met name den adel -- en tegen de letsche bourgeoisie had uitgeoefend. Meer dan duizend menschen waren weggesleept of gedood en bijna elke baltische familie heeft het verlies van een of meer leden te betreuren. In de meeste gevallen waren de vrouwen, die door de letsche bolsjewiki in een vrouwenbataljon waren ingedeeld, de hoofdschuldigen.
De verbitterde stemming, die wegens het gebeurde te Mitau aan weerszijden heerschte, maakte den strijd om Riga buitengewoon hardnekkig, daar men over en weer wist dat geen pardon zou worden gegeven.
Van Mitau gingen we -- een duitsch majoor van den generalen staf, die bij de bestorming tegenwoordig wilde zijn, een ordonnans-officier en mijn persoon -- per auto verder. De oude linie van de bolsjewiki lag weinig meer dan 5 K.M. van Mitau, maar wij wisten dat de aanval die bij 't aanbreken van den dag was begonnen, snel was opgeschoten en dat de bolsjewiki, blijkbaar overrompeld, overhaast terugtrokken.
Wij konden gemakkelijk uitmaken waar gevochten werd, omdat de baltische kabelballon ons de plaats wees vanwaar de staf den strijd leidde en wij zagen dadelijk dat de landweer in enkele uren zeer aanzienlijk was opgeschoten. Wij snorden in snelle vaart langs den weg, voorbij de twee oude linies en daarna door het gebied dat pas nog in handen der bolsjewiki was geweest. Hier was klaarblijkelijk niet hard gevochten, want wij zagen maar weinig sporen van strijd en de weg was nagenoeg leeg. Hoe meer wij echter den kabelballon naderden, des te voller werd het op den rechten weg; wij passeerden treinkolonnes, troepenafdeelingen (alle soldaten droegen duitsche stalen helmen), batterijen, keukenwagens enz., alles zwaar beladen en met stof bedekt. Het leek meer op een volksverhuizing dan op een legermacht, maar niettemin kon een vakman dadelijk waarnemen dat er goede orde heerschte en dat de Balten, aangevoerd door officieren die vroeger in het duitsche leger hadden gediend, hun werk kenden. Wij reden ook een vliegtuig voorbij, dat enkele oogenblikken tevoren met twee officieren te pletter was gevallen. Het terrein was doorsneden met loopgraven en prikkeldraadversperringen; hier lagen namelijk de slagvelden uit den wereldoorlog en nergens was dan ook een huis meer te zien, doch slechts puinhoopen; zelfs de bosschen waren grootendeels vernield.
De kolonnes aan den rechterkant van den weg trokken alle zoo snel mogelijk voorwaarts en toen wij den staf bereikten, die zijn tenten op een weide naast den weg had opgeslagen, hoorden wij dat de bolsjewiki na een achterhoedegevecht nog altijd terugtrokken.
De baltische troepen waren reeds weer in kolonneformatie gebracht en alles stormde voorwaarts om de voeling met den vijand niet te verliezen en hem geen tijd te laten de bruggen over de 800 M. breede Duna te vernielen.
Nadat wij ons eenigen tijd bij den staf hadden opgehouden, waar alle berichten inkwamen -- met estafetten, auto's of vliegtuigen -- reden wij verder. Het was een schouwspel als uit den ouden bewegingsoorlog; hier waren geen loopgraven, slechts naast en achter elkaar marcheerende kolonnes. Na eenigen tijd zagen wij de eerste huizen der aan deze zijde van de Duna gelegen voorstad van Riga. Toen wij die voorstad binnenreden sprong een jong kapitein op onze auto toe en riep "rijd niet verder! De weg ligt onder machinegeweervuur. Er wordt nu om de brug gevochten."
Wij volgden den goeden raad op, stapten uit en slopen langs de huizen verder naar voren. Het was een breede straat waar wij doorkwamen; angstige bewoners gluurden hier en daar uit de vensters. In het midden was de straat vrij, daar lagen eenige dooden op den rug. Aan beide kanten trokken de troepen voorwaarts met het geweer in den aanslag. Tusschen de gelederen in werden de machinegeweren gedragen; ik zag ook eenige gevangenen die als munitiedragers dienst deden. Van de brug weerklonk hevig vuur.
Opeens viel vlak bij ons een schot uit een tuin; dadelijk drong een patroelje er binnen en even later zagen wij een bolsjewiek den tuin uitrennen en meteen neervallen, door een kogel getroffen.
De officieren, die de Balten aanvoerde; hadden allen geweren genomen en naar beide kanten van de straat werd nu front gemaakt. Men zei dat er nog meer bolsjewiki in de naastgelegen tuinen zaten, en dat bleek ook juist want overal om ons heen werd geschoten. Niettemin bleef de orde in de steeds voortrukkende kolonne voorbeeldig.
Plotseling, na een hoek te zijn omgeslagen, zagen wij de bruggen over de Duna, een voor de spoorlijn en de andere voor voetgangers, voor ons liggen met op den achtergrond de stad Riga. De bruggen waren ongeschonden in handen der baltische troepen gevallen, die reeds op den overkant der rivier in gevecht gewikkeld waren. Men kon duidelijk zien hoe uit de huizen op hen gevuurd werd. Tot mijn verbazing bewoog zich, ondanks het groote gevaar, een dichte menigte burgers, o.w. vele vrouwen en kinderen, op de kade. Toen daarop echter de machinegeweren begonnen te ratelen en de zware slagen der mijnwerpers weerklonken, renden allen weg en zochten dekking achter muren.
Het gevecht was zeer goed te volgen, zelfs met het bloote oog. Het ging om de huizen waaruit geschoten werd, waarin men de projectielen der mijnwerpers kon zien inslaan. Steeds nieuwe troepen trokken over de bruggen en in omgekeerde richting begon reeds de stroom van gevangenen, die aan onzen kant van de rivier werden verzameld. Dan werden de leiders, die verantwoordelijk werden gesteld voor de begane wreedheden, er uit gezocht en na kort verhoor standrechtelijk neergeschoten. Bijna allen stierven koelbloedig; slechts één trachtte, natuurlijk te vergeefs, te vluchten.
Middelerwijl was vlak bij ons een batterij opgesteld, die de huizen aan den overkant onder vuur nam.
Nadat wij het onvergetelijke schouwspel geruimen tijd hadden gadegeslagen, zochten wij onze auto weer op en slaagden er in, daarmee over de brug te komen.
Op den anderen oever, in de stad, lagen overal dooden. Wij hadden in onze auto enkele met karabijnen gewapende officieren medegenomen en toen wij de stad binnenreden woedde de strijd nog aan alle kanten. Er hing een verstikkende reuk van gas, dat uit de kapotgeschoten leidingen ontsnapte, in de straten. De winkels waren overal gesloten; hier en daar waren verordeningen der sovjetregeering aangeplakt en wapperde de roode vlag nog.