In Het Gebied Van Het Tsadmeer Met De Expeditie Tilho De Aarde
Chapter 3
Men begrijpt, dat bij zulk een anarchie de Toeboe's vrij spel hadden. Bewoners van een streek met weinig water en niet aan landbouw, noch aan veeteelt doende, bovendien nomaden, leven de Toeboe's van diefstal en kennen geen ander middel van bestaan. In tegenstelling met de Toearegs of de plunderende Arabieren zijn ze weinig krijgshaftig en diefstal oefenen ze alleen uit, als het zonder gevaar kan gebeuren. Twee gewapende mannen zijn veilig onder hen, maar wee den armen duivel, die zich onbeschermd zou wagen op den weg van Kabi naar Bosso. Achter elk boschje kan hij een Toeboe verwachten, gereed, om op den voorbijganger aan te vallen en hem zijn goed te ontstelen. Met zulke buren hadden de bewoners van de oevers der Komadoegoe de keus, of ze dieven wilden zijn of bestolenen, behalve natuurlijk in Toerbanguida en Bosso, die sterk genoeg waren, om zich te verdedigen. Ze hebben niet geaarzeld en zijn de medeplichtigen van de Toeboe's geworden, hun diensten bewijzend als aanwijzers en helers. Ook verwaardigden ze zich wel, op eigen gelegenheid, te werk te gaan.
Kapitein Tilho riep te Toerbanguida de voornaamste hoofden samen en liet hun weten, dat nu voortaan de Franschen heeren en meesters in het land waren, ze zich voorstelden, er de stiptste orde te handhaven. De aanwezige hoofden beloofden, het fransche gezag te erkennen en hun best te zullen doen, ons te helpen. De Toeboehoofden waren niet verschenen, wat een onaangenamen indruk maakte op de anderen. Er werd daarom gepatrouilleerd in het land der Toeboe's met het gevolg, dat hun hoofd zich melden kwam.
Te Bosso hadden wij een meteorologisch station ingericht, dat voor de klimatologie van de streek nuttig werk heeft verricht, vooral om de onmiddellijke nabijheid van het Tsadmeer. Dat hoopten wij nog te zien te krijgen, nu we aan het eind van onzen arbeid waren gekomen, en op een goeden morgen ging ik van Bosso, dat maar acht kilometer ervan verwijderd was, te paard in de richting van het Tsadmeer uit. Na eenige kilometers begonnen de katoenvelden, maar weldra werd de plantengroei minder; de bebouwde velden verdwenen en ik kwam op een wijde vlakte, die zeer ver in het rond met een asclepiadee begroeid was, welker groote, lichtgroene bladeren een somberen indruk maakten. Toen hielden ook die planten op en er groeide niets dan hoog gras. Op eens klotste water onder de pooten van mijn paard, en even daarna stond het reeds tot de knieƫn van het dier, en ik kon niet verder gaan. Teleurgesteld wendde ik mij tot mijn gids.
"Kan ik dan met geen mogelijkheid bij het Tsadmeer komen?"
"Het Tsadmeer?" was zijn antwoord. "Maar daar is u middenin."
Het was inderdaad het Tsadmeer, dit moeras en het hooge gras. Nog in 1904 kon men hier het water zien glinsteren, maar de uitdroging gaat zoo snel, dat binnen enkele jaren men er droogvoets zal kunnen loopen. Tegenwoordig moet men al 150 kilometer ten zuidoosten van Bosso wezen, om nog open water te vinden in het bekken van de Sjari, en het Tsadmeer is stervende. De uitdroging, die al lang geleden is begonnen, gaat thans met snelheid verder, en onze kleinkinderen zullen als over een oud sprookje praten over den tijd, toen hun grootvaders water zagen in de dorre laagte.