In Het Gebied Van Het Tsadmeer Met De Expeditie Tilho De Aarde

Chapter 2

Chapter 23,888 wordsPublic domain

Leeuwen komen nog in vrij grooten getale voor. Ik kreeg zelf niet anders dan de sporen van die dieren te zien; maar de luitenant ter zee Audoin had het geluk, een leeuwin te schieten, wat niet zijn eerste welgelukte schot was. Het gebeurde een weinig ten westen van Katsena onder de volgende omstandigheden: De heer Audoin, die toen juist aan de grens voor de plaatsing der grenspalen kapitein Tilho verving, toen die laatste licht ongesteld was, was vroeg in den morgen vertrokken door een woestijnachtige streek. Hij reed aan de spits van zijn karavaan met zijn tolk en zijn lijfknecht, toen ze, aan den rand van een uitgedroogd moeras gekomen, het karakteristieke gebrom hoorden van leeuwen, die in hun slaap gestoord worden. Niet wetend, waar het geluid precies vandaan kwam, reed hij nog iets verder en zag zich opeens staan tegenover een zeer mooie leeuwin op geen dertig pas afstands. Het dier was half in de struiken verborgen en liet dreigend de tanden zien. Met een flinke koelbloedigheid stapte Audoin van het paard, ging een paar meters naar voren, mat den leeuw met de oogen en gaf vuur.

Weg was het beest, maar het gebrul nam in hevigheid toe. Op hetzelfde oogenblik ging een leeuw in pijlsnelle vaart op eenige meters afstands van de kleine groep voorbij en vluchtte. Het bosch was op die plek zoo dicht, dat de jager verscheiden vergeefsche pogingen deed, om bij het punt te komen, waar de leeuwin verdwenen was. Intusschen hield het gehuil niet op of ten minste het deed zich telkens weer hooren, als de zeeofficier een beweging maakte, om te naderen.

"Misschien", dacht hij, "heb ik alleen een jong leeuwtje gedood en is de moeder erbij gebleven." In die omstandigheden zou het dwaasheid geweest zijn, te trachten dichterbij te komen. Er moest intusschen een eind aan komen. De tirailleurs van het geleide waren komen aanloopen met reuzenpassen. Twee van hen werden aan elken kant van den weg geplaatst, hun geweer gereed houdend met de bajonet erop, en de luitenant trad moedig vooruit. Een paar meters verder bemerkte hij het verscheurende dier op de zijde liggend en geen teeken van leven meer gevend.

Tot overmaat van zekerheid loste hij nog een laatste schot op den, naar hij meende, dooden leeuw. Of dat ook goed was! Want in een uiterste poging sprong het dier op, vloog verscheiden meters van links naar rechts en viel neer op korten afstand van den moedigen jager. Het was gedaan. De eerste kogel was in het voorhoofd gedrongen en was dichtbij den staart uitgekomen, na het lichaam in zijn geheele lengte te zijn doorgegaan.

Verzekerd, dat de leeuwin werkelijk dood was, wierpen de schutters zich op het lijk en doorstaken het nog met bajonetsteken. De leeuwin was een der fraaiste exemplaren van de in Centraal Afrika voorkomende leeuwen. Het was niet minder dan 2.30 M. lang van de punt van den muil tot die van den staart. Ongelukkig is dit laatste lichaamsdeel verbazend gezocht bij de zwarten als talisman, en er waren nog geen twee uren verloopen, of een tirailleur had den staart stilletjes afgesneden.

Naast de Haussa's wonen in deze streek de Peulhs, nomaden, die in tijdelijke hutten leven en nu en dan van weideplaatsen veranderen. Ze zijn het fransche gezag zeer vijandig; ons bestuur kunnen ze niet verdragen, hoe zachtzinnig het ook tegen hen optreedt. Hun eenige en voortdurende zorg, is eraan te ontsnappen. Daarom hielden velen van hen zich bij voorkeur op in de onbepaalde strook, waar de tegenwoordige grens ten noorden van Katsena en Kano door loopt en die nog weinig ontgonnen en onbewoond was. Onze aankomst maakte hen onrustig en ze vreesden zonder twijfel een volkstelling. Daarom toonden ze een duidelijken afkeer van het geven van inlichtingen, die wij noodig hadden voor ons werk. Het ongeluk, dat een der onzen overkwam, was er een duidelijk blijk van.

Het is reeds moeilijk, zonder te verdwalen langs een inlanderspad te loopen door het bosch; maar het is bijna onmogelijk, zonder een betrouwbaren gids de paden te volgen, die naar de tijdelijke dorpen van de Peulhs leiden. Een Peuhl alleen kan daar den weg vinden. Nu was luitenant Lauzanne op een goeden morgen vooruitgegaan met een gids van dien stam. Na eenigen tijd bemerkte Lauzanne, die zijn kompas in de hand hield, dat hij zonder eenigen twijfel op een verkeerden weg was. Hij dwong zijn gids weer op het rechte pad te gaan en kwam op de rustplaats aan om twee uur in den namiddag, vermoeid en uitgeput, daar hij niets had gegeten sinds den morgen. De plek, waar hij was aangekomen, was verlaten. De weinige hutten, die er rondom een put stonden, waren onbewoond.

"Komaan," dacht hij, "de karavaan zal wel spoedig komen en bij gebrek aan iets anders zal ik de conserven aanspreken." Maar de namiddag verliep, zonder dat de draagossen aan den horizon opdaagden. Vermoeid van het wachten, begaf hij zich naar het naastbijzijnde dorp, kookte er zelf een kip in een pan van aardewerk van de inlanders, hulde zich in zijn mantel en ging op den naakten grond liggen. Er verliepen één en twee dagen in afwachting en hij zag niets komen. Eerst in den namiddag van den derden dag konden de zijnen zich weer bij hem voegen. Hun gids had hen op een verkeerden weg geleid en ze moesten in drie dagen een geforceerden marsen afleggen van wel 170 kilometers, om hun leider terug te vinden. Men kan nagaan, met hoeveel vreugde deze eindelijk weer op zijn veldbed kon slapen en zeep gebruiken bij zijn toilet.

De winter liep op zijn eind. We waren in de maand September, en de tornado's werden zeldzamer, maar tegelijk met de stortregens verminderde ook reeds het groen. De Bambara's noemen de maand September de maand, die steekt, waarmee ze willen uitdrukken, dat het de gevaarlijkste maand is van het jaar. Door de deprimeerende werking van den winter op het gestel is het individu vatbaarder voor het opdoen van ernstige ziekten, vooral omdat de langzaam uitdrogende moerassen schadelijke dampen doen ontwijken. Maar dat woord zou in plaats van in figuurlijken ook wel in echten zin kunnen worden opgevat. In twee maanden, van Juli tot September, hebben de jonge grassoorten, die in het begin zulk een mooi groen kleed vormden, zich ontwikkeld. Enkele zijn reeds aan het vergelen en hebben een hoogte van twee of drie meter verkregen, terwijl hun prikkende kafnaalden zich vasthechten in het voorbijgaan als de banderillo's aan den stier en den reiziger doen gelijken op een caricatuur van den Heiligen Sebastiaan.

Andere, die zeer bekend zijn in Afrika onder den naam van cram-cram, hebben zaadjes voortgebracht, die van steile haren zijn voorzien, eigenlijk stekels, die zich aan de huid vasthechten op pijnlijke manier. De gierst is tot drie of vier meter lang geworden en de zware halmen hangen door elkander op de slecht onderhouden wegen, die niet behoorlijk zijn afgescheiden en slaan den voorbijganger in het gezicht. Voeg daarbij de muggen, die om dezen tijd in massa optreden en ge hebt een niet zeer vriendelijke, maar juiste voorstelling van de vreugden, die in deze streken den afrikaanschen topograaf wachten.

De vraag van het eten was ook ingewikkelder geworden, want behalve dat de boter en de melk ondragelijk waren geworden door de walgelijke gewoonte van de inboorlingen er koeienurine door te mengen, waren er ook meestal geen kippen en eieren te krijgen. Eenige maanden te voren had een zwervende maraboet het land bereisd, en had verteld, dat de blanken zich voor vast in de dorpen zouden komen vestigen en dat ze belasting kwamen heffen. Hij verzekerde hun bovendien, dat ze een middel hadden, om die duivels het verblijf onmogelijk te maken, dat was al hun kippen te offeren, en de lichtgeloovige zwarten hadden dat mooie werk verricht. Al die kleine ellenden zouden ons goed humeur niet hebben bedorven, maar wij hadden in dien tijd het ongeluk, plotseling een onzer kameraden te verliezen, adjudant Roux.

Hij had een paar dagen geleden zijn benoeming tot adjudant ontvangen. Hij was een oud-Soedanees en op het punt, een welverdiende rust te nemen. Een hevige galkoorts nam hem in twee dagen weg te Baro, waar hij vertoefde met luitenant Lauzanne. Men moet in de afrikaansche wildernis hebben gewerkt, afgezonderd van de andere blanken, te midden van onwelwillende, zoo niet vijandige inboorlingen, om te weten, welk een stevige band in zulke gevallen de Europeanen verbindt, die in een verloren hoekje van Afrika samenzijn. En hoewel de meesten van ons adjudant Roux nog maar nauwelijks eenige maanden kenden, was zijn plotselinge dood voor ons allen een groot verdriet. Zijn stoffelijk overblijfsel, dat tegen het vallen van den avond van Baro naar Düngass werd overgebracht, werd begraven bij het kamp, waar kapitein Tilho zijn hoofdkwartier had gevestigd.

Vanaf dit punt, waar ze eenige dagen samen was geweest, ging de expeditie weer uiteen. Een eerste afdeeling onder de bevelen van den luitenant ter zee Audoin was den 10den September vertrokken, om de grens te verkennen en het werk van de commissarissen voor te bereiden. Tegen het einde der maand verlieten wij, na door het groote dorp Machena te zijn getrokken, dat schilderachtig gebouwd was tusschen rotsen, het district Demagherin om in Manga te komen. Nu was het uit met het Haussaland. Voortaan zouden wij tot het Tsadmeer niet anders hooren spreken dan die zachte taal, waarin de klemtoon zulk een groote rol speelt en die de inboorlingen in de buurt van Zinder beriberi noemen, terwijl ze ons beter bekend is onder den naam van kanoeri. Het was nu voor eenigen tijd ook uit met den boomgroei, die ons tot hiertoe had verheugd; we betraden de steppe, de voorloopster van de woestijn.

In tegenstelling met alle dorpen, die wij tot nu toe gelegenheid hadden gehad, langs de grens te zien, lag het dorp Yamia geheel open, zonder omringende korenvelden, bijna geheel zonder boomen, te midden van een zandige vlakte, die in het Noordwesten begrensd werd door de laatste uitloopers van de granietbergen van Goeré. De boschjes zetten zich van daar echter naar de andere zijde voort tot in de onmiddellijke nabijheid van het dorp Karguiri. Van daar af betreedt men het district Manga.

De weg zet zich steeds zonder afwisseling voort tot Adeboer door een opeenvolging van zandduinen, waar enkel hoog gras groeide en stekende cram-crams. Hoe ver men ook moge kunnen zien, men onderscheidt niets anders dan een gelen oceaan, die in den wind heen en weer golft, zonder een enkelen boom of eenige hoogte, waar het oog op rusten kan. Maar dan opeens verspert een spleet den weg; een hoekje groen breekt de steppe af, en een steile, bijna loodrechte helling voert naar een zoutmeer, waar men de sodakristallen kan zien in een kom van vijftien of twintig meters diepte. Het water fonkelt in de zon; aan den rand van den plas groeit een gordel van doempalmen, waarvan de waaiervormige bladeren een indruk van frischheid geven.

Doch dat genoegen was van korten duur. Er was geen schaduw, en na een korte stijging volgde weer een volkomen doodsch landschap. Toen we ons na een poosje omkeerden, om nog eens naar het hoekje groen te kijken, was het verdwenen. Men zag, zoo ver het oog reikte, niets anders dan de golvingen der gele grassen, en het scheen, dat de aarde zich plotseling had geopend en den plas met zijn palmengordel had verzwolgen.

Er kwamen telkens weer van die natuurlijke zoutpannen, en de eigenaardige gesteldheid van het terrein had de zeden van het volk veranderd. Ze hadden alles bij de hand, om gierst te verbouwen zonder veel moeite; maar als bij alle zwarten is hun het beginsel van den minsten arbeid lief, en hoewel ze de gierst volstrekt noodig hebben, verbouwen ze die niet, maar zijn industriëelen geworden. Ik heb slechts een enkel, niet groot gierstveld aangetroffen in de omstreken van Goerselik. Hun dorpen zijn in het belang van hun werk aan de zoutplassen gelegen, waar ze hun levensonderhoud vinden. De hutten van zwart geworden stroo staan meestal op een door den wind gezweepte hoogte. Beneden liggen dan de pannen en de waterputten.

In den winter is het de stille tijd, maar dan vervaardigt men de vormen voor het zout en de leemen ovens. Als de regens dan hebben opgehouden, verdampt het water onder den invloed der gloeiende zon met groote snelheid; enkele plassen drogen geheel uit en laten op hun bodem slechts een dun laagje zout achter, dat de kom er doet uitzien als een met sneeuw bedekte weide; andere drogen ten deele uit, maar hun water is dan zeer zout. Op dat tijdstip begint de fabricatie van de zoutkoeken.

Mannen, vrouwen en kinderen gaan op den bodem van den plas zout harken en dragen aarde en zout aan in manden, die ze boven gaten ledigen. Ze storten dan op die aarde water, dat later uitdampt. Toen wij in Manga waren liep de winter op het eind en er werd nog maar bij enkele plassen aan zoutwinning gedaan. Een aantal dorpen waren verlaten voor de grootere plaatsen, waar de karavanen voorraad komen opdoen. Er kwamen verscheiden, meer of minder groot en van twintig tot zestig ossen tellende. Bijna alle gingen naar Goerselik, een kleiner aantal naar Sjeri, en ze gingen terug om zout te brengen naar Goemmel, Katsena, Kano, Zinder en Tessaoea. De tocht is moeilijk, het voedsel gering en de weg wordt op droevige wijze aangewezen door de beenderen of de lijken van de ongelukkige lastdieren. Het gebeurt, dat men onderweg een stervenden os vindt, die door de karavaandrijvers is achtergelaten, omdat hij niet meer mee kon. De verschrikkelijke gieren zijn al gereed voor het te wachten festijn en beginnen soms reeds te vroeg aan hun maal.

Het belangrijkste centrum van de streek schijnt het dorp Goerselik te wezen. Een drie tot vier kilometer lang zoutmeer vormt er een halven kring om heen en is ongeveer 800 meter breed. Aan den rand is op een zandig duin het dorp gelegen, dat tot verblijf dient voor het hoofd en zijn gevolg; aan den overkant ligt het veel grooter dorp van de zoutwinners. Er worden daar jaarlijks meer dan duizend tonnen zout gemaakt, dat op de plaats zelve voor vijftien tot twintig centimes het kilo wordt verkocht en dat op de markt te Kano, op 200 kilometers van daar dertig tot veertig centimes opbrengt.

Buiten dit dorp Goerselik ontmoet men over een afstand van 140 kilometer, van Kargoeï tot Sjeri slechts twee gehuchten, die elk bestaan uit eenige hutten, verloren in het zand aan den rand van hun zoutplas. Dagen lang volgt men den eentonigen weg, zonder dat er eenig ander leven is te bespeuren dan dat van de krokodillen en nijlpaarden in een paar meren. Maar hoe verlaten ook, toch maakt het landschap een indruk van grootschheid, alleen te vergelijken met het beeld van den oceaan.

Luitenant Audoin bracht er eenige ver van aangename dagen door, want hij werd gekweld door honger en dorst. Het scheen hem van het hoogste belang voor de plaatsing der grenspalen een karavaanweg te verkennen, die van Kaderi uitging en naar Zoemba liep en die in 1903 als druk bezocht werd aangewezen. Zonder eenig wantrouwen had hij onder leiding van een drijver de karavaan achtergelaten, voorzien van water. Daar echter de Engelschen een belasting hieven van het zout, dat over de grens ging, hadden de inboorlingen sinds eenigen tijd den bedoelden weg verlaten, om een omweg te maken meer naar het Westen en zoo de belasting te ontduiken. De niet meer gevolgde weg was weldra bijna geheel verdwenen onder de hooge grassen, en de karavaan, die zich vergiste, sloeg den weg naar Karakoe in en verwijderde zich dus aanmerkelijk van de route, door den luitenant ingeslagen. Deze had om elf uur in den morgen stilgehouden in de magere schaduw van een doempalm en wachtte gerust af, dat de ossen met levensmiddelen en water komen zouden. Het water uit zijn veldflesch was op en hij had niets gegeten, toen de avond viel en hij nog maar steeds wachtte. Als een stoïcijn bond hij zijn gordel vaster en ging slapen tusschen de struiken.

In den nacht bracht een Peuhl, die voorbijging, hem ongeveer een liter melk en een beetje meel, dat de heer Audoin, zijn tolk en zijn gids al spoedig verorberd hadden. Zoodra het dag was, ging het troepje weer op weg door de steppe, en tegen den middag vonden ze water, om de veldflesschen te vullen. Terstond trokken ze verder, want ze wilden zoodra mogelijk Zoemba bereiken, daar de honger dringender werd. Maar door vermoeienis en omdat de weg in de duisternis onzichtbaar werd, moesten ze om zeven uur halt houden. Den volgenden morgen bij het ontwaken deed de luitenant de treurige ontdekking, dat zijn gids verdwenen was en dat de veldflesch lek was, zoodat de enkele slokken water, die ze bevatte, waren verdwenen. Hij moest in die omstandigheden nog bijna den geheelen dag reizen en vond eerst tegen het eind van den namiddag den kapitein van zijn tirailleurs, die, zeer ongerust en hem verloren wanende, van Zoemba was vertrokken, om hem te zoeken met den kok. Ze brachten een gebraden kip mee en een flesch wijn. Het was tijd, want de heer Audouin had in vijf-en-zestig uren niet gegeten, afgezien van een handvol gierstmeel.

Zelden zal men twee aaneen grenzende streken vinden, die zooveel verschillen en waar de overgang zoo bruusk is als bij Manga en de oevers van de Komadoegoe. Daar duinen en steppe, hier bosch en weide; daar ver uiteenliggende dorpen op witte zandduinen, hier aaneensluitende dorpen aan den oever der rivier. Men moet hiermee rekening houden, als men onze verrukking beoordeelt over de vriendelijke streek. Van het eene dorp naar het andere kronkelde de weg door bosch en struiken tot aan de grootere plaats Deoea. Boven de struiken staken de doempalmen op, die we ook in Manga hadden gezien, maar die daar met hun magere silhouetten als de eenige boomen niet veel indruk maakten. Hier echter, aan de Komadoegoe maakten de heesters, dat men de magere stammen niet zag, en het geheel was bekoorlijk.

Een open gedeelte liet van den weg af de groene oevers der rivier zien, die wel vijftien meter breed was, de Komadoegoe Yoché. Elke drie of vier kilometer wees een gierstveld de nabijheid van een dorp aan, en de zon verguldde dan heerlijk de gelende stengels van het korenveld. Weldra zag men dan de zwarte daken der hutten, overschaduwd door mooie tamarinden. Meestal stond een der kanten van het dorp aan het water; ossen en paarden waren er aan het grazen. Geen booten om de rivier over te steken, maar een reusachtig vlot, bestaande uit een houten balk, waar men ledige kalebassen aan had bevestigd. De reiziger gaat schrijlings op den balk zitten; zijn handen en voeten doen den dienst van riemen, en hij komt op die manier gauw aan den overkant. Soms was het systeem wat ingewikkelder. We kregen te Toerbanguida een vlot te zien, bestaande uit vijf aaneengebonden kalebassen, waarop een aantal balken een vloer vormden. Maar dat kwam zelden voor.

Hoewel de rivier rijk is aan visch, schijnen de oeverbewoners zich niet met veel ijver op de vischvangst toe te leggen. Ze hebben netten, die ze nu en dan gebruiken, maar als het water gestegen is en ze er niet in kunnen staan, missen ze elk middel, om zich het goede voedsel te verschaffen. Gedroogde visch van het Tsadmeer kunnen ze gemakkelijk en goedkoop krijgen. Koren en zout zijn er handelsartikelen en katoen groeit aan de rivier, dat tot smalle strooken wordt geweven, zeer gewaardeerd voor het maken van kleedingstukken. Al die voortbrengselen worden in groote hoeveelheid op de markt van Kabi gebracht.

Kabi is een gewichtig middelpunt op de grens van Manga en Bornoe, dichtbij het Tsadmeer en Kanem. De handel is er levendig, want de karavanen uit Zinder, Kano en Katsena, die zout gaan halen in Manga, hadden maar een klein eind weegs af te leggen, om daar hun voorraden aan te vullen. De tegenwoordigheid van het machtige hoofd sjeik Senoessi, omringd door een talrijk hof en een respectabele lijfwacht, die met de zijnen veel geld uitgaf, werkte ertoe mee, kooplieden en koopers aan te trekken. Zijn soldaten hielden de nomadische Toeboe's in bedwang. De verre afstand van ieder punt, waar de Europeanen baas waren, maakte een gemakkelijken en winstgevenden slavenhandel mogelijk. Die bevoorrechte stelling had de aandacht getrokken van tripolitaansche handelaars, te meer daar Bornoe aan struisvogelteelt deed en ze dus dadelijk een geschikt artikel in ruil voor hun goederen konden krijgen. Een dertigtal kooplieden was zich te Kabi komen vestigen. Ze brachten er engelsche katoen, goedkoope kleeren met vergulde knoopen, lucifers, kaarsen, tapijten van Stamboel, suikerbrooden thee enz.

Maar Kabi, dat een twaalftal kilometers van de Komadoegoe verwijderd is kan geen water krijgen dan door putten. Sjeik Senoesei besloot den zetel van zijn regeering te verplaatsen en kwam met zijn hof naar Toerbanguida. Op hetzelfde oogenblik nam die plaats in belangrijkheid toe ten koste van Kabi. Aan den anderen kant verboden de Engelschen den slavenhandel en hoewel de verkoop nog werd voortgezet en altijd in het geheim voortdurend plaats vindt, was het toch een harde slag. Eindelijk werd sjeik Senoessi verplaatst om te verregaande afpersingen. Zijn opvolger sjeik Ahmed was niet rijk en hoe geldzuchtig hij ook was, hij had eenigen tijd noodig, om zijn fortuin op de hoogte te brengen van dat van zijn voorganger. Hij deed dus minder inkoopen, en de kooplieden behaalden minder voordeelen. De Tripolitanen verlieten allen het land behalve drie van hen, die zich te Toerbanguida vestigden. De meesten gingen naar Dikoa; een enkele trok naar Gueïdam.

Hoe het zij, zoo de markt te Kabi niet meer is wat ze is geweest, toch is ze nog een der belangrijkste, die ik te zien heb gekregen. Men is als op een markt in Soedan. De bewoners der dorpen uit den omtrek zitten er op den grond op de groote open ruimte met kalebassen vóór zich vol gierst, vezelplanten, zoutbrooden uit Manga of Bornoe, rijst, koren, katoen, indigo, broodboombladeren. De Dioela's verkoopen behalve katoenen stoffen en blauwe Haussa-kleeren stukken welriekende boomschors, antimonium, glazen kralen, leeren en blikken doosjes en spelden. De omwonenden van het Tsadmeer brengen droge visch. De kanemboe's komen met vee, ossen, schapen en kameelen.

Gedurende ons kort verblijf te Kabi kwam het hoofd van Toerbanguida ons een bezoek brengen, omringd door veel ruiters en voorafgegaan door een troep geweerdragenden te voet, wier costuum op dat van Rabah's soldaten geleek. Er is een zekere elegantie in die uniform, die uit een lang wit gewaad bestaat, met zwart omboord, gesloten om het middel, en tot op den grond neervallend. De mouwen zijn wijd, en op de borst is aan weerszijden een veelkleurig schild geborduurd. Dan een roode patroontasch, een muts als het perzische hoofddeksel en het costuum is compleet.

Sjeik Ahmed had een wel voorziene garderobe en veranderde van uniform even vaak als Wilhelm II. Hij droeg over elkaar zijden en fluweelen kleedingstukken, helderblauw, vuurrood, goudgeel, alles den rijkdom van den drager verkondigend, maar zonderling vermoeiend voor de oogen. Het was alles nieuw, want het fortuin van sjeik Ahmed dateerde nog van den laatsten tijd. Hij had niet genoeg prestige, om de menschen, die hij in naam beheerschte, te doen gehoorzamen, zoodat de zwakste dorpen over het water trokken, om aan zijn belasting te ontkomen, terwijl de grootste, Bosso bij voorbeeld, eenvoudig weigerden, aan hun verplichtingen te voldoen.