In Het Gebied Van Het Tsadmeer Met De Expeditie Tilho De Aarde

Chapter 1

Chapter 13,903 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team

In het gebied van het Tsadmeer met de expeditie Tilho

Naar het Fransch van L. Roserot de Melin.

De zending, die in 1906 aan kapitein Tilho van de koloniale infanterie werd opgedragen, had ten doel, de engelsch-fransche grens tusschen den Niger en het Tsadmeer vast te stellen in overeenstemming met het protocol, op 29 Mei 1906 te Londen geteekend door een conferentie, waarin Frankrijk vertegenwoordigd was door den heer Binger, toenmaals directeur aan het ministerie van koloniën; door graaf de Manneville, secretaris van de fransche ambassade en door kapitein Tilho, die ten tijde van de eerste expeditie Moll gereisd had in het betreffende gebied. Frankrijk had bij die overeenkomst een groote uitbreiding van grondgebied verkregen, maar vooral won men erbij, dat de nieuwe grens een verbinding tot stand bracht tusschen de fransche bezittingen aan den Niger en het Tsadmeer, den Soedan en het Congogebied, en dat voor de oude, volkomen kunstmatige grenzen een rationeele grens in de plaats kwam, die de autonomie eerbiedigde van de verschillende stammen, behoorende tot de protectoraten van de beide contracteerende mogendheden. Toen moest nog op de plek zelve de aanwijzing van de grens plaats hebben, die Noordelijk Nigeria moest scheiden van het grondgebied van Zinder. Dit was de aanleiding tot de expeditie, waar ik deel van uitmaakte.

Engeland had vier officieren gezonden onder bevel van majoor O'Shee. Frankrijk had als vertegenwoordigers, buiten kapitein Tilho, gekozen den luitenant ter zee Audouin, den luitenant van de koloniale infanterie Vignon en dokter Gaillard, geneesheer bij de koloniale troepen. Buitendien had de minister van koloniën als wetenschappelijken staf bij de expeditie ingedeeld den officier-tolk eerste klasse Landercin, den geoloog Garde van Clermont, den luitenant van de koloniale infanterie Lauzanne en mijzelven.

Wanneer de expeditie haar begrenzingswerkzaamheden zou hebben geëindigd, moest zij beginnen aan de studie van het Tsadmeer en de in-kaart-brenging ervan, terwijl er tevens allerlei onderzoekingen moesten worden verricht, zoölogische, mineralogische, ethnologische, linguïstische, hydrographische, enz. We hadden dus een uitgebreid programma, en luitenant Mercadier van het derde bataljon jagers was dan ook door den minister van oorlog ter beschikking gesteld van het Aardrijkskundig Genootschap, om hem te vergunnen, zijn wetenschappelijk werk tot Nigeria uit te strekken en tot onze bezittingen tusschen den Niger en het Tsadmeer. Men had afgesproken, dat de beide gouvernementen op het einde van den winter zouden wachten, opdat men met de werkzaamheden zou kunnen beginnen in klimaatsomstandigheden, die zoo gunstig mogelijk waren. Eerst tegen den 1sten Januari moesten de beide expedities zich te Gaya aan den Niger vereenigen, om van daar de nieuwe grenslijn te doen aanvangen.

Inderdaad bereikte de expeditie Tilho, die in het begin van de maand November 1906 uit Cotonoe was vertrokken en die de Dahomey was opgegaan, Gaya in Januari 1907 en zette den tocht naar het Tsadmeer voort door het dal der Dallol Maoeri en der Gober Tibiri. Op dit deel van haar tocht zullen wij de expeditie vergezellen.

De inwoners van deze streek, die Goberaoea's worden genoemd, beweren, dat ze uit Egypte afkomstig zijn. "Wij komen", zeggen ze, "uit Gypti, waar de Pharao's regeerden." Maar niets wijst erop, dat dit werkelijk hun afkomst is. In ieder geval herinnert niets, noch in hun gewoonten, noch in hun bouwkunst, noch in hun kleederdrachten, ook maar in de verte aan de karakteristieke eigenschappen van dat illustre volk. Men is intusschen verbaasd, als men voor de eerste maal te Tibiri of te Maradi komt, er een gebruik van mechanische krachten aan te treffen, dat men nergens elders onder volken van het negerras vindt en dat overeenkomt met een in Egypte gebruikt toestel. Het is namelijk een inrichting om water te putten, die merkwaardig veel gelijkt op de sjadoef van de Egyptenaren. Daardoor kunnen de Goberaoeia's gemakkelijk hun velden besproeien, waar ze op kleine schaal katoen en graan verbouwen.

Buiten eenige woningen van leem, die door de sultans en hoofden in beslag zijn genomen, zijn alle hutten van stroo opgetrokken. De wand, bestaande uit een grof gevlochten mat, is voorzien van en stevig gemaakt met korte paaltjes, die het mogelijk maken, de hut op den grond te zetten, zonder dat het noodig is, palen in den bodem te slaan. Het dak is iets aparts; het wordt als een domper erop geplaatst, en door zijn eigen gewicht houdt het de heele hut stabiel. Zooals te begrijpen is, kan men zulk een woning gemakkelijk verplaatsen. Daar er geen meubels noodig zijn, daar er water in den grond wordt aangetroffen op geringe diepte, daar de grond overal even bruikbaar is vooral voor den verbouw van gierst, worden heele dorpen om de geringste aanleiding verplaatst. De wegen zijn aan dezelfde snelle veranderingen onderworpen; nauwelijks aangegeven in het bewegelijke zand, zijn ze afhankelijk van de willekeur van den eersten den besten neger, die op het denkbeeld verkiest te komen, zijn koren te planten op de plek, waar den vorigen dag nog een weg was. En op die manier bezorgt de topografie van dit land iemand veel verrassingen en een terreinopneming, die met alle mogelijke zorg is verricht, loopt groot gevaar, over twee jaren reeds weer foutief te wezen.

Die bewegelijkheid van dorpen en wegen verontschuldigt in zekeren zin de groote vergissingen, door de gidsen begaan, zoodra ze zich verder dan een twintigtal kilometers van de plaats, waar ze wonen, verwijderen; maar kan niet voldoende verklaren, hoe het komt, dat de europeesche reiziger zoo moeilijk inlichtingen kan krijgen. Is het vrees, wantrouwen, indolentie of onbegrijpelijke onverschilligheid? Geheim van de negerziel! Het is intusschen zeker, dat de bezwaren van den tocht herhaaldelijk worden vergroot door het bijzonder karakter der bewoners van de streek. Hun handelingen zijn vaak onbegrijpelijk. Nu eens ziet men drijvers, die, goed gevoed en zeker van een hoog loon zijn, en die, terwijl ze hebben gezien, hoe de collega's, voor wie ze in de plaats kwamen, werden betaald, ineens de vlucht nemen den dag vóór de uitbetaling, en zonder reden hoegenaamd, de kameelen en hun werk in den steek laten; dan weer weigeren de bewoners der dorpen iets te verkoopen, zelfs tegen een betrekkelijk hoogen prijs, al hebben ze de gevraagde levensmiddelen ook in overvloed.

Zoo kwam ik op een dag tegen tien uur in den morgen in een dorp van nog al eenige beteekenis. Het hoofd, dat gewaarschuwd was, kwam dadelijk uit zijn hut aan den kant van den weg bij de velden met reeds bijna rijpe gierst. Het was een kleine grijsaard met witten baard, wiens boosaardige oogjes, schitterend in een gelaat met ontelbare rimpels, mij nieuwsgierig aankeken. Ik liet hem vragen om kippen, eieren, boter en gepelde gierst voor mijn metgezellen, terwijl ik hem de verzekering gaf, dat ik hem een goeden prijs zou betalen voor de levensmiddelen, die hij mij zou verschaffen. De oude zette een bedroefd gezicht: "Ik heb geen kippen", zei hij. Nu loog hij brutaal, want op datzelfde oogenblik kraaide een haan victorie, en een kakelende kip vloog tusschen mijn beenen door.

Wat te doen? Ik kon geen geweld gebruiken, maar daar de kip het hoofdgerecht moest uitmaken van mijn ontbijt, viel het mij moeilijk, er afstand van te doen, en ik besloot, ten minste moreele pressie uit te oefenen. Daar het vernuft van den tandmeester bij mij had vervangen wat de natuur had verwoest, deel ik met een aantal van mijn mannelijke en vrouwelijke tijdgenooten in de beschaafde wereld het vermogen, om een deel van mijn gebit uit den mond te nemen. Met een gezicht en houding, zoo ernstig, als het mij maar mogelijk was te zetten, liet ik aan den ouden man uitleggen, dat hij ongelijk had, mij zoo voor den gek te houden, want ik bezat een machtig toovermiddel, zooals hij dadelijk zou zien. Toen mijn boy mijn woorden had vertolkt, maakte ik mijn gebit los en legde het op mijn geopende hand, zonder een woord te zeggen en plaatste daarna de tanden weer in mijn mond. En toen verklaarde ik: "Indien in een half uur ik hier geen kip heb en boter, eieren en gierstmeel, zal ik een der giersthalmen op uw veld aanraken met mijn tanden, die ik, zooals ge gezien hebt, uit den mond kan nemen, en gij zult geen oogst binnenhalen."

Het hoofd had het slot van mijn toespraak niet eens afgewacht. De armen ten hemel heffend, was hij gaan loopen, zoo hard, als zijn oude beenen het hem vergunden, en te midden der verzamelde notabelen sprak hij hun dringend en met veel bewegingen toe. "Ik heb", zei hij, met van schrik wijd geopende oogen, "zijn tanden gezien, zijn eigen tanden, die hij in den mond heeft, die heb ik in zijn hand gezien." En in zijn geopende hand gaf de spreker krachtige slagen. Ik begreep het vervolg niet van de toespraak van het hoofd, maar eenigen tijd later zag ik hem aankomen met een half dozijn lieden uit zijn dorp. Hij bracht mij een vijftiental kippen, een mand eieren en een groote kalebas boter. Er was genoeg, om een heele compagnie te voeden, en ik moest veel moeite doen, om hem aan het verstand te brengen, dat een enkele kip en een half dozijn eieren ruim voldoende waren voor mijn behoeften.

Juist als bijna alle omringende sultanaten, worden het sultanaat Cober en dat van Tessaoea van elkander gescheiden door groote onbewoonde gedeelten. Dat komt niet, omdat de grond er onvruchtbaarder is dan elders, noch dat er ten minste op eenige diepte geen water te krijgen is, maar nog tot in den laatsten tijd was het gevaarlijk voor grensdorpen, al te dicht in de nabijheid te wezen van vijandige sultanaten. Die groote uitgestrektheden van dicht bosch dienden maar al te dikwijls tot schuilplaatsen voor de struikroovers en dieven, alias de sultans en nog regeerende hoofden in dit deel van Centraal Afrika. De enkele dorpen, die hier een plaats hadden gekozen, hebben gastvrijer oorden opgezocht; de putten zijn verstopt geraakt; een vlugge plantengroei heeft alle sporen van landbouw overwoekerd en alleen een paar verkoolde palen op den weg van Tibiri naar Aguié wijzen nog de plek aan van twee dorpen, die, naar de inboorlingen beweren, in brand gestoken waren door de blanken. Zijn het Voulet en Chanoine geweest?

In den tijd, toen wij er waren, had het nog niet genoeg geregend, dat de kleine laagten met water gevuld waren, en wij stonden toen, in Juli 1907, vóór een tocht van 60 kilometer zonder water. Die afstand lijkt niet zoo groot, maar, als men bedenkt, dat de kameelen en de draagossen gemiddeld drie tot vier kilometer in het uur afleggen, en dat het zoo goed als onmogelijk is, te marcheeren op het warmst van den dag, wordt het eind veel grooter.

Het eerste gedeelte van de reis werd opgevroolijkt door de ontmoeting met Bormoe, sultan van Tessaoea. Dat machtig heer begaf zich naar Maradi en had voor de reis zijn geheele civiele en militaire huis gemobiliseerd, zijn vrouwen inbegrepen. Allereerst kwamen de mannen te voet, sommigen met groote bogen en pijlen gewapend; dan eenige ruiters in groepjes van twee of drie; iets verder de vrouwen, tusschen de bagage op kameelen gezeten. De handpaarden van den sultan volgden, gezadeld en opgetuigd. Het eene droeg een zadel met een pantherhuid bedekt, wiens pooten langs de flanken vielen aan weerszijden; het zadel van een ander, fijner en gelijkend op die sierzadels van fluweel met zilver, die de marokkaansche en tripolitaansche kooplui importeeren en die de vreugde uitmaken van de groote kinderen, die de negers zijn, was zorgvuldig ingepakt in een veelkleurig omhulsel.

Al die groepen trokken zonder eenige orde voort, soms op afstanden van een kilometer van elkander verwijderd. De muzikanten te paard reden al niet met meer regelmaat en flaneerden maar wat over den weg. Hun tegenwoordigheid deed echter zien, dat het groote hoofd niet ver meer was. Inderdaad verschenen eenige minuten later bij een bocht van den weg een twaalftal gardes te paard, gewapend met Grasgeweren en precies zoo gekleed als onze portiers in sociëteiten, zoo zelfs, dat ik eerst meende een blanke den weg te zullen zien opkomen. Dat was de lijfwacht van Bormoe. Deze verscheen weldra, omringd door zijn getrouwen en verwanten. Hij was een man in de kracht des levens, wiens gelaat met den zwarten baard een niet onsnuggeren indruk maakte. Hij liet zijn paard stilhouden; we wisselden een paar begroetingen en gingen daarna ieder onzes weegs. Terwijl ik mij verwijderde, kon ik niet nalaten te denken, dat ik er wel heel armoedig uitzag, gekleed, zooals ik was, in een bruin flanellen hemd met tot de ellebogen opgeslagen mouwen, tegenover dien prachtigen heer en zijn talrijk gevolg!

Die ontmoeting was het begin van voor mij lastige incidenten. Vier van de drijvers, die mij waren bezorgd door het hoofd van Tibiri, maakten van de wanorde, die, helaas, veroorzaakt werd door het voorbijtrekken van den optocht over het smalle pad, gebruik, om de vlucht te nemen. Ik zou er mij gemakkelijk over hebben getroost, als niet een van hen twee levende schapen had meegenomen, die ik hem gezegd had te drijven en die het grootste deel uitmaakten van den voorraad voor mijn gevolg gedurende den dag, dien wij in het bosch zouden doorbrengen. Daarna kreeg mijn paard, dat al lang geen voldoende rust had genoten, den volgenden morgen een peeskramp en daar er geen dorp in de buurt was, moest ik te voet door het zand de dertig kilometer afleggen, die ons nog van Aguié scheidden.

Maar dat was nog maar het voorspel. Toen we in dat dorp kwamen, liet de bella's, drijvers van de ossen en kameelen, als gewoonlijk de dieren brengen naar plaatsen buiten het bebouwde gebied, om te grazen. Ik deed het zonder onrust, want behalve dat deze menschen, anders dan de Goberaoea's tot hier toe geen pogingen hadden gedaan, om te vluchten, scheidde hen voortaan een lange tocht door ongastvrij land van de streek, waar ze woonden, en hun dieren hadden rust noodig. Hoe groot was dus mijn verbazing, toen ik hen des avonds niet zag terugkeeren! Ik dacht eerst, dat ze wat te ver waren gegaan, om weideland te zoeken, en ik zond hun mannen te paard te gemoet. Verloren moeite! Ik vernam, dat dadelijk na aankomst de roovers de kameelen hadden bestegen en dat, de ossen vóór zich uitdrijvend, ze denzelfden weg hadden ingeslagen, dien wij waren afgekomen, zonder zelfs te wachten op het maal, dat ik voor hen in gereedheid had laten brengen.

De toestand was kritiek. Mijn karavaan bestond uit veertig lasten, en er was geen enkel lastdier in het dorp. Ik kon ook niet wachten, want de instructies, die ik had ontvangen, schreven mij voor, ten spoedigste naar Zinder te gaan, om er het voor de expeditie bestemde geld te halen, en kapitein Tilho moest op mij wachten te Düngass. Met tegenzin en omdat er mij niets anders overbleef, nam ik vijf dragers aan, die ik de bagage liet dragen, waar ik het onmogelijk buiten kon stellen, en, het goed achterlatend onder de hoede van twee tirailleurs, zette ik mijn weg naar Tessaoea en Zinder voort. De schutters voegden zich tusschen de beide plaatsen weer bij mij met de kisten en de lastdieren, die ik inderhaast op den post van Tessaoea had gevraagd. Tot overmaat van ramp was mijn horloge stil gaan staan. Daar ik geen ander middel had van contrôle bij het opnemen van den weg dan mijn schreden, waarvan ik de maat kende, moest ik mijn weg te voet vervolgen en daarbij de passen tellen, vier volle dagen lang...

De weg was nog al eentonig. Zand, altijd zand, in niet sterk geaccentueerde duinen, waarop een struikgewas groeide van heesters, die zelden de lengte van een mensch bereikten. In dat doodsche landschap had het verschrikkelijke drama plaats, waarvan de kolonel het slachtoffer werd. De graven van de kapiteins Voulet en Chanoine zijn opgericht op een dagreis afstands van Tessaoea in de vlakte van Maijir, waar de droeve tragedie werd afgespeeld. Hun lijken, die eenigen tijd aan zichzelf werden overgelaten, waren elk afzonderlijk begraven op de plaats zelve, waar ze waren neergevallen. Onlangs zijn door de zorgen van den sectiecommandant van Tessaoea die stoffelijke overblijfselen opgegraven en naast elkander gelegd onder den boom, waar, naar men zegt, Voulet de officieren van zijn expeditie om zich verzamelde, om hun mededeeling te doen van den moord op kolonel Klobb en van zijn plan, een midden-afrikaansch rijk te stichten.

De graven bestaan uit twee grafheuvels van aarde, uitgehold door de winterregens. Ik heb met een der tirailleurs, die bij den troep van Voulet behoorde, de omstreken van Maijirgui bezocht. Daar, waar nu de rustplaats voor den troep is, was de expeditie bijeen; hier, op 30O meter afstands van het dorp, stond de schildwacht, die op kapitein Voulet schoot; iets verder op een heuvel van zand werd Chanoine vermoord door zijn tirailleurs, naar wie hij zich begaf, om ze te verhinderen, weg te loopen met wapens en bagage. Niemand zal eraan denken, de groote misdaad van de beide officieren te verontschuldigen; maar als men in aanmerking neemt, welke enorme moeilijkheden ze hadden overwonnen, eer ze in deze streek kwamen en de bezwaren, waarmee ze te kampen hadden gehad, gevoelt men bij het denken aan hun tragisch einde een groot medelijden.

Als men Zinder nadert, krijgt het landschap een ander voorkomen; blokken graniet komen boven het zand te voorschijn en geven een schilderachtig aanzien van rotsachtige heuvels. Men is zoo verbaasd, steenen te zien, nadat men zoo lang heeft gereisd, zonder ze te ontmoeten, dat het oog er aangenaam door wordt aangedaan.

In een waren chaos van eruptief gesteente is de versterkte stad Zinder gebouwd, en onze post ziet erop neer van hooge rotsen af, die moedig ten hemel rijzen. Die post zou alleen al de reis waard zijn, zoo belangrijk lijkt het werk van dengene, die de zware taak op zich nam, dit stadje te doen verrijzen. De gebouwen wijzen op een bepaald streven naar iets architecturaals en bewijzen, dat de inboorlingen uit deze streek met het materiaal, waarover ze beschikken, veel meer kunnen uitrichten dan hun buren. Noch te Timboektoe, noch zelfs te Djenné, waarvan men de bouwwerken heeft geroemd als niet veraf staande van de egyptische kunst, hebben de zwarte metselaars zulke sierlijke zuilen weten tot stand te brengen, zulke stoute gewelven, zulk gracieus beeldhouwwerk, als men in de residentie Zinder kan opmerken.

Daarbij moet erkend, dat de ligging er veel toe bijdraagt, de plaats bekoorlijk te maken. De hoofdgebouwen worden beheerscht door een soort van kleinen toren, boven op een hoop rotsen, en het uitzicht, dat men daar geniet, is niet zonder grootschheid. Aan den eenen kant ziet men de stad Zinder (Birni n'Damangara), welker indrukwekkende muren tegen de lucht afsteken; aan den anderen heeft men het groote dorp Zango, dat belangrijker is dan de stad zelve. Op den achtergrond verflauwen aan den horizon in een blauw verschiet de rotsachtige heuvels, die in dit bijzonder vlakke land nog van vrij groote afmeting lijken. In den winter zijn de duinen begroeid met fijn, hard gras overal, waar de gierstvelden niet hun halmen doen oprijzen, en niemand zou vermoeden, dat eenige maanden later dat groen verdwijnen zal en plaats zal maken voor het bewegelijke zand, dat door het minste windje opstuift en overal heen waait, door dringend in oogen, ooren en tot in de kast van het horloge.

Maar als men, door het uiterlijk van Zinder aangelokt, achter de muren doordringt, ontdekt men een groote, verlaten ruimte, waar eenige verspreide groepen ellendige hutten staan, met zwart geworden stroo bedekt, en een tiental leemen bouwsels, waarvan de muren in puin vallen middenin vuilheden van allerlei soort. De gieren, die nochtans talrijk zijn, kunnen er niet spoedig genoeg opruiming onder houden in de straten. Geen drukte of levendigheid; het lijkt wel, of ook de nog overeindstaande hutten onbewoond zijn. Sinds lang al nam de bevolking van Zinder telkens af van jaar tot jaar, het vertrek van den sultan heeft den laatsten slag toegebracht aan het oude Demagherin. Rondom den voortvluchtigen sultan leefden, net als vroeger om alle negerkoninkjes, meer of minder groote heeren, cliënten en gevangenen, een niet gering aantal. De heeren zijn afgereisd, want allen waren gecompromitteerd en vreesden weerwraak; de bevrijde gevangenen namen de vlucht en de anderen, die niets meer te winnen hadden, gingen ook heen. Zinder is voor het oogenblik dood.

Daarentegen neemt de bevolking toe in Zango, en de aanblik van dit niet versterkte dorp biedt een groote tegenstelling aan met Zinder. Alle kooplieden hebben er zich gevestigd, de reizigers stappen er af evenals de Tripolitanen, die de handelshuizen van de Barbarijsche kust vertegenwoordigen. Er heerscht groote levendigheid bijna den geheelen dag; de markt is druk, en de winkels der kooplieden zijn altijd overvol bezoekers, zoo niet van koopers.

Maar om de waarheid te zeggen, is de bloei van de plaats nog maar betrekkelijk en hij kon vertienvoudigd worden. Zinder en Zango hebben voor het oogenblik gebrek aan handwerkslieden, want de Haussa's zijn in de eerste plaats landbouwers. Dat gemis doet zich te sterker gevoelen, daar op nauwelijks tweehonderd kilometer afstands de stad Kano ligt, een engelsche stad, de belangrijkste plaats van inboorlingen in geheel West-Afrika, waar men overvloed van arbeiders heeft. Zoo gaan dan ook de huiden der schapen, die in grooten getale in de buurt van Zinder worden gedood, naar Kano, waar ze gelooid worden en van waar ze naar Marokko en Tripolitanië worden verzonden, om er te dienen voor het vervaardigen van de voorwerpen van marokijnleder. Ook het in groote hoeveelheid in die streek verbouwde katoen wordt naar Kano vervoerd, waar de kooplieden het verven en dan de weefsels voor het dubbele van den prijs weer verkoopen aan dezelfde personen, die de stof hebben geleverd. In de laatste jaren tracht men daar wel iets aan te veranderen, en looiers en ververs worden onder goede voorwaarden naar Zango gehaald met den steun der commandanten.

Daarentegen is Demagherin weer bevoordeeld in graansoorten, hoewel de omstandigheden zich tegen de bewoners keeren door hun eigen schuld. Als de oogst is binnengehaald, houden de inboorlingen maar even zooveel, als ze voor hun onderhoud noodig hebben en haasten zich naar Kano, om er hun gierst te ruilen tegen europeesche of inlandsche stoffen, die hun toelachen. De gierst, die gemakkelijk groeit, kost hun weinig en ze krijgen er niet veel voor. Ongelukkig strekken de bewaarde voorraden nooit tot den volgenden oogst, en dan moeten ze zich wenden tot de slimmerds, die ten tijde van den oogst goedkoop gierst inkoopen en dan van de schaarschte gebruik maken, om tegen fabelachtige prijzen te verkoopen.

Men zou licht kunnen denken, dat menschen, die zoo bepaald landbouwers zijn, zachte zeden zouden hebben. Dat is volstrekt niet het geval. Het komt niet zelden voor, dat men een inboorling ontmoet, die zijn rechterhand mist; minder vaak, maar het komt ook voor, dat iemand twee handen mist. Dat komt, dat vóór onze bezetting de lichamelijke straffen verschrikkelijk waren. Als een persoon aan diefstal schuldig was bevonden, sloeg men hem de rechterhand af. In geval van recidive sloeg men ook de linkerhand af, en de derde maal moest het hoofd eraan.

Het Noorden van de streek Demagherin doet zich voor als een vrij effen zandvlakte. De boomgroei beteekent er weinig, en de zonderling gevorkte doempalmen worden talrijker, hoe dichter men Bornoe nadert, terwijl tegelijkertijd de zoutmeren verschijnen. De grensstreek gelijkt meer op de omstreken van Sabon-Birni en Sansanné-Aïsa. De plantengroei is er dichter dan in het Noorden, zonder dat hij nog zeer dicht is, en van een aangename en koele schaduw is onder de boomen met gedoomde takken en bladeren geen sprake.