In het bergland van Tripolis De Aarde en haar Volken, 1906
Part 3
Het verschrikkelijk steenachtige plateau, dat zich tusschen de evenwijdig loopende wadi's, de Beni-Cellid en de wadi Zemzem uitstrekt, maakt deel uit van de oostelijke uitloopers der hooge tripolitaansche gronden, die in lage rotsen eindigen aan de lagune van Taorgha, die nu verzand is. De paarden en kameelen struikelden onophoudelijk over de enorme steenen, vielen soms en bezeerden zich. Men zou hun spoor kunnen volgen, door de bloeddruppels, die ze laten vallen te midden van al dit puin, dat wel wat lijkt op de ruïnen van een reuzenstad. Wij moesten wel besluiten te voet te gaan in een hitte, die iemand een zonnesteek dreigt te bezorgen. Nachtigal klaagde over een dagreis, waarbij hij acht uren had moeten loopen; wij legden er 12 af en een enkele maal 15. De reusachtige, maar smalle kloven van de wadi's Akrima, Ageroe, Sjdaff, Tala noodzaakten ons tot moeilijke afdalingen en daar op volgende klimpartijen om weer op het plateau te komen, waarbij telkens de kameelen moesten ontladen en weer belast worden, zooals al eenmaal te Mahmoed het geval was geweest. Een zandstorm bij Tala hield ons gedurende tien uren op onze plaats en had den verstikkingsdood van een der paarden ten gevolge.
Tot overmaat van ramp raakten de levensmiddelen op. Ik kon er niet aan denken, op onze schreden terug te keeren in den staat, waarin zich onze menschen en dieren bevonden na twee dagen zonder water en in een toestand van algeheele uitputting. We zouden allen dood zijn, vóór we de helft van den terugweg hadden afgelegd. De ellende scheen ten top gestegen, en alleen een wonder scheen ons te kunnen redden....
Het wonder deed zich voor. Op denzelfden avond van den storm bij Tala, op het oogenblik, toen het kamp juist gereed was in een zijdal van de Zemzem, deed een alarmsein mijn heele personeel opschrikken. Er verschenen gewapende mannen, in de schemering naderend.... Ik greep naar de wapens en trad naar voren. Die schrikwekkende figuren waren slechts vreedzame leden van een karavaan, die zout tusschen Siout en Nefoesa moesten vervoeren. Wij gaven elkander inlichtingen en verbroederden ons. Voor eenige geldstukken werd mijn voorraad aangevuld voor twee dagen, en de karavaanleiders brachten ons op den rechten weg.
In deze buurt is de Zemzem niet anders dan een breed lint van gras zonder rotsen. Het gele zand van de bedding is wel geschikt voor den verbouw van graangewassen, en de arme nomaden gaan zaaien, waar ze oude leidingen aantreffen, die nog in staat zijn het regenwater vast te houden. Zoo is Sadé bewoond door een honderdtal menschen, terwijl men ver in het rond geen levende ziel vindt.
De beroemde ruïnen van Ghirza liggen tien kilometer ten westen van Sadé bij de monding van een kleine wadi op den zuidelijken oever van de Zemzem.
Er was mij niets te veel verteld van die ruïnen; de monumenten overtroffen nog ver mijn verwachtingen; ze zijn de mooiste van geheel Tripolitanië.
Toen we er aankwamen, werd ons oog het eerst door de muren van een echte stad getroffen. De 8 tot 10 meter hooge gebouwen hebben muren van kleine, vierkante steenen, zorgvuldig ineengevoegd, Een twintigtal van die reusachtige woningen bekronen nog den linkeroever van de wadi Charza, 300 M. van de uitmonding in de Zemzem. De huizen hadden minstens twee verdiepingen en waren door omheiningen ingesloten; eenige vertoonden zware, ronde torens. De stad gelijkt in niets op Sabratha, Oca en Leptis, waar alle gebouwen van gehouwen steen zijn, waar de tempels, de paleizen, de openbare bouwwerken druk versierd zijn.
Te Ghirza heeft de zeer soliede aangelegde stad in het geheel geen versieringen; alles is er ingericht alleen met het oog op stevigheid en gemak. De afmetingen en het aantal der huizen doen denken aan die regelmatig aangelegde plaatsen in Amerika, de nieuwe steden, plotseling verrezen te midden van pas geëxploiteerde terreinen.
De welvaart is hier zeker vroeger groot geweest en heeft blijkbaar lang stand gehouden, want twee even groote plaatsen liggen naast Ghirza, één op denzelfden oever en de andere op de tegenoverliggende zijde. Nergens in Afrika vindt men graven, met deze te vergelijken, wat de proporties en den rijkdom van het beeldhouwwerk betreft.
De ondergrondsche doodenstad bestaat nog uit zeven mausoleums, boven elkander op de helling van de kloof. Het eerste, het dichtst bij de stad, heeft vorm en grootte van een echten tempel. De forsche, min of meer gedrongen bouw doet denken aan egyptische bouwwerken. Hier is het graf van een vrouw, Mnimir genoemd, wier gedenkteeken is opgericht door haar zoons, Nasif en Nathsjisj. Dat zijn blijkbaar inlandsche namen, ofschoon het opschrift en de aanleg van het monument romeinsch zijn. De andere mausolea, die nog hooger, maar smaller zijn, doen niet voor het eerste onder; de zuilen en de reliëfs zijn zelfs nog rijker.
De necropool, die aan de andere zijde van de kloof ligt, gelijkt veel op de eerste; maar zij bezit een graf, dat eenig is in zijn soort. Het is een obelisk van wel 15 M. hoogte op een voetstuk, welks zijden niet meer dan 1.50 M. breed zijn. Twee lijsten verdeelen het in drie verdiepingen, waarvan de hoogste in een kapiteel uitloopt. In de verte denkt men aan een naald. Alle opschriften leeren ons, dat de daar begraven personen Numidiërs waren.
Uit die doodensteden kan men nog meer leeren, en wel feiten, die we niet zouden hebben verwacht. Ze staan duidelijk te lezen op de middenlijsten en de basreliëfs, waar de bijzonderheden van het huiselijk leven uit dien tijd, dat is uit de vierde of vijfde eeuw, zijn voorgesteld. Ik heb er afdrukken gemaakt van tooneelen, die even merkwaardig als amusant waren. Men ziet er o.a. vrouwen, die haar kinderen zoogen of voor den haard de spijzen bereiden; krijgslieden, die met zonderlinge wapens strijd voeren; jagers, die leeuwen vervolgen en gazellen en giraffen. Al die personages zijn gekleed in costumes, waarvan zelfs de herinnering is verloren gegaan.
De kameel, voor den ploeg gespannen, komt zeer dikwijls terug. Bekend is het, dat de archaeologie zich nog niet had uitgesproken over den tijd, waarop de kameel in Afrika werd ingevoerd. Men nam algemeen aan, dat het dier uit Arabië afkomstig was. De onlangs plaats gehad hebbende opgravingen in Tunis hebben bewezen, dat het schip der woestijn reeds zijn diensten bewees in den romeinschen tijd aan den oever der Middellandsche Zee. Maar men had nog geen zekerheid over zijn voorkomen in het binnenland; daar had men de aanwezigheid nog niet vastgesteld. Ghirza zegt, dat het nuttige beest er zes eeuwen vóór de komst der Mohammedanen al bestond en dat het niet alleen, als tegenwoordig, voor het bereizen van de woestijn werd gebruikt, maar ook bij den landbouw zijn werk verrichtte.
Het fokken van een sierlijk paardenras hield eveneens de bewoners van Ghirza bezig, die aan wedrennen deden, niet met het leelijke, lompe berbersche paard, maar met een slank en lenig dier, dat aan de mooiste syrische paarden herinnert. Waarschijnlijk had men den struisvogel nog niet getemd, zooals tegenwoordig in Soedan en aan de Kaap; maar men hield zich bezig met de jacht op den struis, stellig reeds om van de veêren gebruik te maken. Ik vermoed zelfs, dat de stierengevechten niet onbekend waren, want op de kroonlijsten staan mannen afgebeeld, die met stieren worstelen.
Enkele medaillons stellen personen voor, behangen met edelgesteenten en sieraden, waardoor men aan groote plechtigheden of feesten wordt herinnerd.
Men staat versteld over het onderscheid tusschen het verleden dezer stad en den tegenwoordigen uitgestorven toestand rondom die ruïnen. De tooneelen uit bakkerijen, wijngaarden, oogstfeesten, die op de steenen zijn gebeeldhouwd, zeggen met groote duidelijkheid, dat korenvelden, wijngaarden en vruchtenboomen den nu dorren en kalen bodem vroeger hebben bedekt. Buiten enkele Johannesbroodboomen in de wadi Ghirza, ziet men nu geen sprietje boven den zandigen, steenachtigen grond uitkomen. Dus nog eens, wat kan die geheimzinnige stad geweest zijn?
Ik had daar op die plek een paar zware oogenblikken in mijn leven.... Toen we ons gereed maakten, de eerste photografieën te maken, weigerden de drie toestellen, die te veel geschud hadden op de ruggen der kameelen, den dienst. Zoo zouden wij dan beroofd worden van de kostbaarste documenten der geheele reis! Bij geluk kon Pepino, de vernuftige Pepino, de instrumenten herstellen en avond op avond ontwikkelden wij met levendige voldoening de uitstekendste cliché's.
Ik was eerst voornemens, langs de kust naar Tripolis terug te keeren en wel achter de oude lagune van Taorgha, maar de bewoners van Sadé, die den weg kennen, hebben er nooit iets bijzonders van de dingen, die ons interesseeren, gezien, terwijl we, als we over Misrata gaan door Nefed en Merdoem, nog meer "zeer groote en zeer schoone" graven zullen ontmoeten.
Onder het geleide van den kaïd rijden we dus naar de wadi Nefed, die we bereiken bij de monding van haar zijtak, de wadi Ahmed. De Nefed heeft zich in deze buurt een zeer diepe bedding uitgeschuurd in het plateau. De oevers zijn zoo steil en zoo volkomen evenwijdig aan elkander, dat ze doen denken aan de gevels van een reuzenstraat.
Al de oude plaatsen, waarvan wij de overblijfselen hebben gezien, lagen op de hoogte een eind van den den rand der kloven, om geen last te hebben van den plotselingen was van het water. De stad van de Ahmed lag op vijf of zes meter van den rand slechts. Ik kon mij die anomalie, ik zou zelfs zeggen die zorgeloosheid, niet verklaren, want dit was niet een dorpje, 't welk maar voorloopig werd gebouwd, maar een voor vast bestaand middelpunt, dat nu door zijn ligging aan plotselinge overstroomingen blootstond. Een graf in den vorm van een obelisk, minder hoog en minder weelderig dan dat van Ghirza, stond boven op een rots. Aan den anderen oever van de Nefed zag men dergelijke sporen der romeinsche beschaving in overvloed. Zij kwamen voor langs de geheele wadi tot aan de zee. De mooiste zijn die van Lakadië.
Onze kaïd verliet ons te Merdoem. Wij werden toen meteen den ouden Hammer kwijt, dien ik zijn congé gaf. Dat lastige personage had mij bij verschillende gelegenheden doen twijfelen aan zijn eerlijkheid en betrouwbaarheid. Te Orfella had hij ... verloren, dat wil zeggen, gestolen mijn degenstok dien ik nuttig oordeelde in een land, waar het goed is, altijd gewapend te wezen, zonder dat het steeds noodig is, dat ieder dat ziet. Te Tala had hij er schuld aan gehad, dat we verdwaalden, door vol te houden wat hij bleek niet te weten. Dienzelfden avond eindelijk had hij de nachtwake op zich genomen, die nooit verzuimd mag worden om de vele gevaarlijke zwervers. Toen ik wakker werd, vond ik hem niet in het kamp, en niemand stond in zijn plaats op schildwacht. Ik liet dadelijk allen opstaan. Hammer kwam bij het krieken van den dag terug, en nooit ben ik gewaar geworden, waar hij vandaan kwam. Ik betaalde hem zijn loon en met zijn zoon er bij verdween hij.
Hieruit blijkt nog eens voor de zooveelste maal, dat men nooit vertrouwen moet stellen in een Arabier, zelfs niet in den besten. Dit was er nu een die gedurende twintig jaren bediende geweest was van den engelschen consul en meeging op diens jachtpartijen; die mij op de geheele reis van 1901 had vergezeld; dien ik altijd als vriend had behandeld, en wien ik alles gaf waar hij om vroeg. Zonder eenige reden, misschien maar zoo door een herleving van den haat tegen de Christenen, verbittert hij willekeurig ons leven. Ik kan niet laten, de schouders op te halen, als ik fantazeerende critici hoor zeggen: "Wij weten niet om te gaan met de Arabieren". Men kan de Arabieren niet winnen; ze verachten ons, omdat wij Roemi's zijn. Behandel ze streng, ze zullen gehoorzamen, maar om later wraak te nemen. Behandel ze met zachtheid en ze zullen gelooven, dat ge bang voor hen zijt, en ge zult niets er bij winnen, noch iets van hen gedaan krijgen. Met strengheid komt men nog het verst.
Tusschen Merdoem en Misrata is de weg zeer goed; men passeert vlakten, waarin de Mimoevan Misrata, de Sassoe en haar zijtak, de Aoegeran mooie, groene linten trekken en waar veel kampen en groote kudden zijn.
De bevolking is er bij uitzondering zachtzinnig en gastvrij. Elken avond bracht ze mijn lieden een grooten schotel bazine in een zeer gekruide saus, die voor een europeesch verhemelte niet te verdragen is.
De notabelen hurkten neer bij den ingang van mijn tent en zaten er uren lang. Daar ieder Roemi in de oogen van de Afrikanen een dokter is, brachten ze hun zieken naar mij toe, en mijn apotheekje werd onder hun handen ledig. Een van hen dreef de naïveteit zoo ver, dat hij mij naar het geheim vroeg, om mannelijke kinderen te krijgen, de eenige die meetellen in de mohammedaansche wereld. Een ander vertrouwde mij een middel toe, om oogenblikkelijk de hevigste kiespijn te genezen, door namelijk op de pijnlijke plek een weinig water te brengen, dat lauw was gemaakt door een gloeienden vuursteen.
Enkele van die notabelen bezaten Le-Grasgeweren. Die hadden ze gekocht van smokkelaars, wier voorraad afkomstig was uit Griekenland, waarheen ons ministerie van oorlog zijn oude geweren kwijt wordt. Maar die geweren dienen niet anders dan voor de pronk, omdat ieder patroon ongeveer drie francs kost, een enorme som voor dat land.
Onze laatste dagreis, om te Misrata te komen, had zeventien uren geduurd. Het was middernacht, toen we eindelijk de stad binnenreden bij maneschijn, na twee uur een kronkelenden weg onder palmen te hebben gevolgd. Daar ze van onze komst verwittigd waren, wachtten ons de turksche ambtenaren met een flink maal. Een glas frisch water en een sigaret, waarvan we lang gespeend waren geworden, doen mij een genoegen, als niets anders mij had kunnen verschaffen. En welk een vreugd, een bed met witte lakens te vinden! Mijn kamer was het zonderlingste museum, dat men bedenken kan. De Arabier, wien zij toebehoort, heeft er alle europeesche voorwerpen bijeengebracht, die hij te Tripolis had kunnen vinden, muziekdoozen, lampen, phonografen, stereoscopen lagen op de meubels met braadpannen, komforen, en laarzen. De dientafeltjes en kastjes waren overdekt met gekleurde prenten, ontleend aan het Petit Journal en modeplaten. Aan de wanden hingen decoraties tegenover risten schoenen. Het was een allercurieuste kamer en ze werd dan ook bewaard voor vreemdelingen van beteekenis. De eigenaar zelf houdt er nooit verblijf.
Ik gebruikte er mijn maaltijden met den kaïmakan, een jongen turkschen ambtenaar, die goed Fransch sprak. Wij dronken abominabele champagne, die in Duitschland gemaakt was en naar Afrika was geëxpediëerd met de beste fransche namen.
De hoofdplaats Misrata ligt ongelukkig niet aan zee, dus geniet zij niet of weinig van de booten der italiaansche maatschappij, welke de naburige havens aandoen. De oase, waar de plaats het middelpunt van is, heeft een lengte en breedte van ongeveer tien K.M. en wordt bewoond door zoowat 30.000 inwoners, die voorraden haver in silo's opstapelt en zich verder bezighoudt met het vervaardigen van zeer gewaardeerde wollen tapijten. Volgens Barth zou de stad het oude Thebunte zijn van de reis van Antoninus.
Naar het zeggen van den arabischen schrijver Marmol dreef men er in de Middeleeuwen een levendigen handel met christelijke zeevaarders, voor wie de bewoners de tusschenpersonen waren met de negers uit den Soedan. De Venetianen kwamen er een kostbare soort wol halen en men sprak van de Misrataolie zooals nu van Genuaolie. Venetië verkreeg ook haar muskus, ivoor, struisvogelveêren van de karavanen en verkocht er glaswaren. Te Misrata voorzagen zich de marokkaansche en algerijnsche pelgrims naar Mekka van paarden, die ook naar Alexandrië werden uitgevoerd. Tegenwoordig bepaalt zich de markt bijna alleen tot de dingen van plaatselijk gebruik en tot wat de karavanen noodig hebben tusschen Tripolis en Benghazi. Een dezer karavanen komt elken Vrijdag en neemt stoffen van gestreepte wol mee, die Margoem heeten en in het vilayet worden gebruikt.
De meeste kooplieden zijn joden; enkelen zijn Franschen, omdat ze uit Algerië of Tunis afkomstig zijn. De arabische reiziger Hasjaïsji beweert, dat er geen veiligheid van personen en goederen is, maar wij hebben ons hier over niets te beklagen gehad. Zlitten, vijftig K.M. verder westelijk, ligt in een groote oase; de bevolking is er zeer vechtlustig en vlug met het mes, wat de joden dikwijls tot hun nadeel ondervinden.
Van Zlitten bracht een marsch van drie dagreizen ons te Tripolis terug. Het was hoog tijd, want mijn personeel en de dieren konden niet meer, en de duur van de reis was langer geworden dan ik had verwacht.
In April 1904 begaf ik mij met een nieuwe karavaan weer op weg. Moeni, een Israëliet, ging met ons mee; hij was photograaf van professie. De moesjir van Kasr Karaboeli gaf mij vijf ruiters tot geleide, onder bevel van den turkschen luitenant Mehemet Ali.
Mijn reisplan, dat opgemaakt was met den wensch voor oogen, zooveel mogelijk datgene te zien, dat ons in 1901 en 1903 was ontgaan, bracht ons eerst naar de wadi Lebda, de droge bedding, die van den Tarhoena komt en oudtijds de binnenhaven van Leptis Magna voedde. Wij volgden de kloof, en we vonden telkens sporen van verdwenen welvaart.
Te Hamoet was onze eerste halt op een eenzamen heuvel met een zeer vervallen kasteel erop. De zorgeloosheid der Arabieren op het punt der hygiëne bleek er door den afschuwelijken stank, dien het lijk van een hond verspreidde, zonder dat de Arabieren het uit de nabijheid van hun kamp verwijderden.
Msellata, waar we nog denzelfden avond aankwamen, is het voornaamste middelpunt in die buurt en onderscheidt zich door zijn vruchtbaarheid en door de steenen huizen.
Gedurende ons trekken door de heuvels van Msellata ontmoetten we telkens kudden schapen en geiten. Het was een mooi ras, en deze schapen voorzien dan ook ten deele in de behoeften van de slagerijen van Malta, Soessa en Sfax. Ze worden gemiddeld voor 12 francs verkocht op de markten van Tripolis, van waar ze tot zelfs naar Engeland worden verzonden.
Ten zuidwesten van Msellata verdwijnen de boomen geheel, we ontmoeten nog slechts hier en daar een nomadenkamp, in de zandvlakte verloren of te midden van een alfagraswoestijn. Het alfa is hier zeer algemeen.
Te Kasr Tarhoena hervond ik den uitstekenden Ahmed Bey, die mij het vorige jaar in Aboe Adjelat had ontvangen. Hij was nu kaïmakan van dit plateau en hield verblijf in een der primitieve fondoeks. De kaïmakan had juist een nieuwe vrouw aan zijn harem toegevoegd; ze was den vorigen dag aangekomen op een kameel in een prachtigen palankijn, waarvan de gordijnen zorgvuldig gesloten waren. Wij konden het schoone getimmerte met de weelderige behangsels en het fraaie schilderwerk bewonderen, want de kameel wandelde op de esplanade rond met het geheele toestel op den rug.
Er werd gefluisterd, dat de jonge vrouw zeer schoon was. De eerste echtgenoote moet veel tranen hebben vergoten, toen zij hoorde van de andere. Maar zij zal zich nog wel eens aan iets dergelijks stooten, want de man is nog zeer jong, en de Arabieren vullen hun gezinnen meer dan eens op deze wijze aan. Wie door den heer niet weggestuurd wordt, mag zich al gelukkig rekenen.
Het diepe dal van de Rhane scheidt Tarhoena van Cariana. Langs steile kloven gingen wij erheen en troffen daar de eerste troglodytenwoningen.
De bevolking van Gariana is arabisch en bestaat uit vier stammen; allen hebben woningen onder den grond. Het land is er vruchtbaar en brengt veel koren voort; enkele dalen zijn bedekt met prachtige olijven, zoo forsch, dat hun takken elkaâr raken en over heele afstanden schaduw geven. Er bestaat in geheel Tripolitanië geen zoo frisch en groen land.
Ten zuiden van Gariana ontmoette ik veel karavaanleiders, die na drie jaren van afwezigheid uit Soedan terugkeerden. Zij waren vol lof voor de Franschen en schenen de beste herinneringen te hebben behouden aan de fransche troepen, die de karavanen tusschen Zinder en Aïr begeleiden.
Van Gariana sloegen we de richting naar Misda in Tahar in, dat midden in de Soff ed Dinn is gelegen. Te Koeleba, waar wij juist onze tenten zouden opslaan, kwam een man op ons toeloopen, een arabisch koopman uit Tripolis, die een groot vriend van onzen officier was. Hij was rijk en was erop gesteld, om ons ten zijnent te ontvangen. Hij drong zoo aan, dat wij er wel in moesten toestemmen ondanks onzen afkeer van de woningen der inboorlingen, waar de rust altijd door legers van ongedierte wordt verstoord. Een grot, die veel te klein was voor ons allen, kon ons voor den nacht worden aangeboden en wij waren blij toen de morgen aanbrak.
Op den weg naar Misda deed ik een uitstapje met Mehemet Ali in oostelijke richting, om de ruïnen van El Edjab te zien, die wij zonder moeite vonden. Er was nog een reusachtig mausoleum te midden van veel puinhoopen; maar we konden geen enkel fragment vinden van de standbeelden, die in de nissen moesten hebben gestaan en ook geen enkele aanwijzing in een opschrift. Te Tesjé voegden wij ons weer bij de anderen en spraken daar met het hoofd Salem el Soehlé, die zich erover beklaagde, dat de handel zich zoo langzaam herstelde van den slag, hem door Rabah toegebracht door de verwoestingen, die hij aanrichtte in den Soedan, en die den doorvoerhandel hebben geknakt.
Van de drie uitvoerartikelen zijn twee hem geheel ontgaan, namelijk de struisvogelveêren en het ivoor. Hij voert nu nog gelooide huiden uit, waarvan er vele naar de Vereenigde Staten gaan. De veêren worden haast niet meer verhandeld op de markt te Parijs, omdat men de voorkeur geeft aan die van de Kaap boven die uit Tripolis, en het ivoor, dat veelal uit Wadaï werd aangevoerd, gaat, sedert de spoorweg naar Khartoem klaar is, den Nijl af naar Alexandrië in plaats van met karavanen naar Tripolis en Bengazi.
Misda, waar we tegen den avond aankwamen, is arabisch en ligt in de Soff ed Dinn. Ook die plaats heeft in den laatsten tijd geleden door de verplaatsing van den handelsweg. Het ligt, waar de wegen naar Fezzan en Rhadames samenkomen; maar tegenwoordig gaan de karavanen van Tripolis naar Fezzan over Orfella en die van Tripolis naar Rhadames over Djado. Zoo is Misda een verlaten plaats geworden en de menschen leden er blijkbaar gebrek. Wij hielpen hen nog aan eenige voedingsmiddelen, want het jaar was zeer droog geweest en de ellende was groot.
De secte der Senoessi's heeft veel invloed in het gebied om Misda, en al gehoorzaamt men er voor het uitwendige aan de turksche ambtenaren, in hun hart is de gehoorzaamheid aan de "broeders".
Een dag nadat we Misda achter ons hadden gelaten, kwam een bode uit die plaats ons waarschuwen, dat de weg niet veilig was, want dat er Toearegs op roof uit waren. Het zijn lastige roovers, die het vooral op fransche karavanen voorzien hebben, sinds velen der hunnen uit de fransche Sahara verwijderd zijn. Mehemet Ali dacht er over, om te keeren, maar ik besloot goed wacht te laten houden en het ergste af te wachten. De Toearegs vertoonden zich niet, en wij zetten over Kedoea onzen tocht naar Tripolis voort.
Daar aangekomen, konden wij met voldoening op de reis terugzien, die ons veel merkwaardigs had geleerd en ons had doen zien, dat de landbouwkolonies der Romeinen op juist dezelfde plekken waren aangelegd als waar nu nog bouwland is. Waterleidingen, stuwdammen, putten, steden, dorpen en versterkte vestingen toonen aan, hoe belangrijk de romeinsche kolonie er was, en hoe de latere bezetting door de Arabieren aan een periode van bloei een eind heeft gemaakt. Indien ooit de vervallen plaatsen weer tot bloei zullen komen, moet het zijn zonder de luie en onverschillige Arabieren, maar met andere kolonisten, hetzij met blanken of met negers.
End of Project Gutenberg's In het bergland van Tripolis, by A. de Mathuisieulx